AP 6d. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Situatie projectgebied
Voorliggend initiatief heeft betrekking op het realiseren van vijf appartementen. Twee van deze appartementen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. De overige drie appartementen worden bovenop de bestaande bebouwing gerealiseerd. Met de werkzaamheden zullen geen bodemingrepen gedaan worden. Er wordt daarom geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. 4.1.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.2
Geluid
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarden bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.2.2
Situatie projectgebied
4.2.2.1 Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is er sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten. De woningen liggen in de nabijheid van de Dominee Martiniuslaan, de Marktstraat en de Dominee de Bouterlaan. Deze wegen kennen een maximumsnelheid van 30 km/uur en hebben geen wettelijke geluidszone. Dit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing betekent dat een akoestisch onderzoek naar de effecten van het wegverkeerslawaai als gevolg van deze wegen in beginsel achterwege kan blijven. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg echter in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Daarnaast is het projectgebied gelegen naast een parkeerterrein, dit terrein kan ook geluidsoverlast veroorzaken. In dit geval is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor zowel wegverkeerslawaai als industrielawaai. Hierna wordt op de resultaten ten aanzien van wegverkeerslawaai ingegaan. De volledige rapportage is als bijlage 2 opgenomen. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Dominee Martiniuslaan bedraagt inclusief reductie hoogstens 43 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van Dominee de Bouterlaan en de Markstraat bedraagt inclusief reductie respectievelijk 38 dB en 31 dB. Met deze waardes wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde uit wet geluidhinder. Onder het kopje industrielawaai wordt ingegaan op het nabijgelegen parkeerterrein. Er wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het wegverkeerslawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2.2.2 Railverkeerslawaai Het projectgebied ligt op een afstand van circa 600 meter ten noorden van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle en valt daarmee buiten de geluidszone van deze spoorlijn (300 meter). Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is hiermee niet noodzakelijk. 4.2.2.3 Industrielawaai Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven/functies op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.2.5 (milieuzonering). Naast het projectgebied ligt echter wel een parkeerterrein. Parkeerterrein Munsterhuis Geluidsadvies heeft 23 februari 2024 een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bepalen van de geluidsbelasting ter plaatse van de gevels van de geplande appartementen. De resultaten van dit onderzoek zullen hieronder behandeld worden. Voor het volledig onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat: •
• •
•
De maximale geluidbelasting in de dag- avond- en nachtperiode bedraagt respectievelijk 48 dB(A), 44 dB(A) en 37 dB(A). De geluidbelasting op de geplande appartementen voldoen daarmee aan de grenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A); De GES-score uit het gemeentelijk geluidbeleid bedraagt voor de appartementen 1. Deze score kent de kwalificatie ‘goed’. Voor dit geluidniveau zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk; Het maximale geluidniveau bedraagt maximaal 75 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode op de zuidwestgevel. Daarmee wordt voor alle periodes niet voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 70 dB(A) uit stap 3; Bron- en overdrachtsmaatregelen bieden geen soelaas om het maximale geluidniveau terug te dringen. Gedacht moet worden aan maatregelen aan de gevel om te kunnen voldoen aan de binnenwaarde uit het Bouwbesluit.
Munsterhuis Geluidsadvies heeft 4 maart 2024 de karakteristieke geluidwering van de transformatie aan de Dominee Martiniuslaan 6a en 6b te Nunspeet getoetst aan de eisen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De volgende tabel geeft geluidwerende voorzieningen met de daarbij behorende geluidisolatiewaarden weer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Constructie
Omschrijving
Rw;Ctr-waarde in dB(A)
Wand
BP4 type, 3-voudig; verzw plaatmat., 80 [𝑚𝑚] wol, spouwen > 40 [𝑚𝑚],
37
min 55 [𝑘𝑔/𝑚2] Kozijnen type
Houten- of dubbelwandig kunststof kozijn, 50 − 70 [𝑚𝑚]
33
Kierdichting
Dubbele dichting indrukking 3,5 [𝑚𝑚]
46
Beglazing
𝑅w;C- waarden = 38 dB (A)
38
Uit de resultaten blijkt dat met de gehanteerde materialen uit bovenstaande tabel of gelijkwaardig materiaal is voldaan aan het vereiste geluidwering. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4. 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor dit plan.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2, PM2,5 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van deze ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan hand van de risicokaart van Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (rode ster) en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
In de omgeving van het projectgebied is één risicobron relevant, namelijk een buisleiding van Gasunie B.V.. Buisleiding Gasunie B.V. Aan de noord(west)zijde van het projectgebied, ligt een hogedruk aardgasleiding NEN-3650-Leiding van de Nederlandse Gasunie B.V.. Zoals weergegeven in afbeelding 4.1 geldt er geen plaatsgebonden risicocontour voor dit deel van de buisleiding. Het betreft een leiding met een maximale werkdruk van 40 bar en een uitwendige diameter van 316 mm. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 140 meter. Het projectgebied ligt op circa 580 meter afstand van de hogedruk aardgasleiding en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •
4.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
Om de richtafstanden te bepalen wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onderscheid gemaakt tussen gebiedstypen. Naast de gebiedstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ is er een derde categorie, te weten ‘gebieden met functiemenging’. Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging’. Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. ▪
▪
▪
A: activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend; B: activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor de omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moeten vinden. C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen.
Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪
het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing 4.5.3
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Het projectgebied bevindt zich in het centrum van Nunspeet, waar bij uitstek sprake is van een centrumgebied. Dit is ook zichtbaar gemaakt binnen het geldende bestemmingsplan, waarbij veel omliggende functies zijn voorzien van een centrum bestemming. Daarom kan in voorliggend geval worden uitgegaan van het omgevingstype ‘functiemengingsgebied’. Er kan dan ook niet met richtafstanden worden gewerkt. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: ▪ ▪
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Binnen de voorgenomen ontwikkeling worden vijf appartementen gerealiseerd. Woningen zijn aangewezen als milieugevoelige functie. Op basis van het bestemmingsplan zijn in de directe omgeving de functies horeca, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, wonen en bedrijven van categorie 1 en 2 toegestaan. De appartementen worden bovenop een ijssalon gerealiseerd. IJssalons worden aangemerkt als categorie A bedrijven. Functies met een categorie A zijn zo weinig milieubelastend voor de omgeving dat deze aanpandig aan woningen kunnen bestaan.
Voor de realisatie van woningen aanpandig aan een horeca functie geldt dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Verder is het planologisch gezien toegestaan dat er zich in de directe nabijheid van het projectgebied categorie B activiteiten kunnen vestigen (een drukkerij aan de Bergakkerweg 2). Hiervoor geldt dat de te realiseren appartementen bouwkundig gescheiden moeten worden om, in het kader van milieuzonering, aan een goede ruimtelijke ordening te voldoen. Het projectgebied ligt op circa 70 meter afstand en is hiermee gescheiden van het bedrijf. 4.5.4
Conclusie milieuzonering
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing 4.6.1
Gebiedsbescherming
4.6.1.1 Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven.
Afbeelding 4.2: Ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het projectgebied is niet gelegen binnen en ook niet gelegen in de directe omgeving van een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is gelegen op een afstand van circa 750 meter van het projectgebied. Stikstofberekening In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is inzicht in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2022. In het AERIUS-rapport (opgenomen in bijlage 5) wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven. Geconcludeerd wordt dat in de toekomstige aanleg- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
In of in de directe nabijheid van het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 4.3 is de ligging van het projectgebied (rode ster) ten opzichte van het NNN/GNN weergegeven.
Afbeelding 4.2: Ligging van het projectgebied ten opzichte van het NNN/GNN (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het projectgebied is niet gelegen binnen of direct grenzend aan de concreet begrensde NNN/GNN. Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 750 meter van het dichtstbijzijnde gebied begrensd als NNN/GNN. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en het feit dat het NNN geen schaduwwerking kent, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/GNN. 4.6.2
Soortenbescherming
4.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.6.2.2 Situatie projectgebied In dit geval is door Ecofect een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de quickscan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming wat betreft soortenbescherming niet wordt overtreden. Flora Het perceel en de opstal waar drie nieuwe appartementen op worden gebouwd zijn nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing Fauna Vogels Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019- 2022). Ten aanzien van vogels worden geen nadere onderzoeken noodzakelijk geacht. Vleermuizen Verblijfplaatsen voor vleermuizen moeten voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De opstal op de planlocatie is opgetrokken uit metselwerk en heeft geen toegankelijk pannendak. Er zijn geen open stootvoegen waardoor de mogelijkheid er niet is dat vleermuizen gebruik maken van de planlocatie als verblijfplaats. De aansluiting met het dak is vrij van holten en kieren waardoor er geen kans is dat vleermuizen de opstal in gebruik hebben als verblijfplaats. Sporen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Overige zoogdieren Met voorliggend initiatief wordt de wet natuurbescherming wat betreft de overige zoogdieren niet overtreden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
4.6.3
Conclusie
Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht en er zijn geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000-gebieden of het NNN/GNN.
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenweg 1988, van kracht geworden. Deze wijziging brengt met zich mee dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben gekregen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Nunspeet heeft binnen het bestemmingsplan “Nunspeet centrum” archeologische waarden toegekend aan de gronden binnen het plangebied. In voorliggend geval hebben de gronden binnen het projectgebied een ‘Waarde – Archeologie 3’. De gronden binnen deze waard zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.
Het projectgebied met de bijbehorende waard is weergegeven in afbeelding 4.4 waarin het projectgebied met een blauwe omlijning is aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing Afbeelding 4.4: Uitsnede bestemmingsplan “Nunspeet centrum” met archeologische waarden (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
In voorliggend geval worden er geen bodemingrepen gedaan, eventuele archeologische waarden blijven daarmee behouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de kaart ‘Gelderse cultuurhistorie’ van de provincie Gelderland, in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Er staat echter wel een monumentale boom naast het projectgebied. Op afbeelding 4.4 is deze boom aangegeven door middel van de zwarte cirkel. Aangezien er geen bodemingrepen worden gedaan die resulteren in de aantasting van deze boom vormt het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering voor voorliggend initiatief.
Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek in het kader van voorliggend initiatief niet noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Beoordeling
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ ligt op circa 750 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. 4.8..2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van vijf appartementen.
Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 5dat voorliggend initiatief geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.8.3
Conclusie
De in deze onderbouwing esloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
WATERASPECTEN
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Gelderland wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Beleid Vallei en Veluwe
Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. De Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) koerst naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOVI2050 beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwerking van de beleidsvisie. Hierin zijn de eigen doelen verbonden aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking. Het BOP bevat vier gebiedsprogramma’s. Het projectgebied is gelegen in de gebiedsopgave 'Noord Veluwe'. Gebiedsopgave Noord Veluwe De Noord-Veluwe en de randmeerkust ontwikkelen zich momenteel in een goede balans tussen stedelijke ontwikkeling, landbouw, natuur en recreatie. De balans behouden tussen de natuur en de groeiende waterrecreatie op de randmeren, de energie- en landbouwtransitie zijn opgaven in de randmeerkustzone.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsproces
Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd middels de digitale watertoets. Op basis van de gegeven antwoorden heeft het waterschap geconcludeerd dat men geen waterbelang heeft bij deze ontwikkeling. Het volledige wateradvies is opgenomen in bijlage 7 behorende bij deze onderbouwing. 5.2.3
Waterhuishouding plangebied
De woningen worden op het bestaande riool aangesloten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG EN INSPRAAK
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Gelderland
Het voeren van vooroverleg met de provincie Gelderland is, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling die in overeenstemming is met provinciaal beleid, niet noodzakelijk.
7.3
Waterschap Vallei en Veluwe
De watertoets heeft plaatsgevonden middels de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd. Het waterschap heeft geen waterbelang bij het voorliggend initiatief.
7.4
Omgevingsdialoog
Naar aanleiding van voorliggende ontwikkeling heeft initiatiefnemer in maart 2023 de omwonenden op de hoogte gebracht van de plannen. Alle betrokkenen hebben geen opmerkingen op de plannen. Initiatiefnemer houdt de betrokkenen constant op de hoogte van de ontwikkelingen, de laatste tekeningen zijn in een prettig gesprek besproken. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 8.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Parkeeronderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Onderzoek industrielawaai parkeerterrein
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Onderzoek geluidwering gevels
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
Stikstofberekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 6
Quickscan Flora en Fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 7
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Nunspeet, Dominee Martiniuslaan 6 Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 8
Omgevingsdialoog
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51