AP 6c Handreiking-APV-en-omgevingsplan-1 1059574
Tekst van het document
Verder zijn er hierover ook geen bepalingen opgenomen in de bruidsschat en dat pleit eveneens voor behoud van de bepaling in de APV. Het advies is dan ook deze bepaling in de APV te laten staan. 6.1.4 Artikel 2:60: Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Het artikel voorziet in de eerste plaats in een verbod om dieren op aangewezen plaatsen aanwezig te hebben, in strijd met gestelde regels aanwezig te hebben of in bepaalde aantallen aanwezig te hebben. Dit ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid. Daarnaast voorziet het artikel in een verbod om dieren op aangewezen plaatsen te voeren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
23
A. Oogmerk van de bepaling De bepaling in de model-APV heeft zowel betrekking op het houden als het voeren van dieren. In beide gevallen geldt dat het oogmerk in de eerste plaats het beschermen van de publieke gezondheid is. Het beschermen van de publieke gezondheid draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving waarbij in het bijzonder het in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een rol speelt. Dit sluit aan bij het omgevingsplan. Daarnaast is het oogmerk in beide gevallen het voorkomen van hinder of overlast. Daarbij valt te denken aan geur- of geluidsoverlast. Dit zijn aspecten die eveneens bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en daarmee aansluiten bij het omgevingsplan. Niettemin heeft dit oogmerk ook een verdedigbare aansluiting met het beschermen van de openbare orde. Het gaat dan om het niveau van rust in de zin van ‘normale gang van zaken’ in het voor publiek toegankelijke domein. Dit is een oogmerk dat aansluit bij de APV. Tot slot geldt nog voor het voeren van dieren dat het oogmerk is om verontreiniging tegen te gaan en het aantrekken van ongedierte te voorkomen. Dit oogmerk heeft eveneens betrekking op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Al met al lijkt het oogmerk van de bepaling, zowel voor wat betreft het houden als het voeren van dieren, in overwegende mate naar het omgevingsplan te wijzen. B.
Bruidsschat In de bruidsschat zijn geen bepalingen opgenomen over het voeren van dieren. Wel is voorzien in voorschriften over het houden van dieren. Dit betreft in de eerste plaats voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren. Deze voorschriften hebben een plaats gekregen in de bruidsschat, omdat er op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor andere landbouwhuisdieren en vanaf een bepaald aantal landsbouwhuisdieren voorschriften gelden dan op grond van het Bal het geval is. Zo worden pony’s en paarden op grond van het Bal niet langer als landbouwhuisdieren aangemerkt. De bruidsschat bevat tegen die achtergrond regels over geluid (paragraaf 22.3.4), opslag van mest en kuilvoer (paragraaf 22.3.23 en 22.3.24), geur van dierenverblijven (paragraaf 22.3.6.2) en geur van overige agrarische activiteiten (paragraaf 22.3.6.4). Verder voorziet het Activiteitenbesluit milieubeheer ook in regels voor het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren. Dit is op grond van het Bal echter niet het geval. In de bruidsschat zijn in dat verband dus ook voorschriften opgenomen die in het overgangsrecht voor het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren voorzien. Voor wat betreft het houden van dieren is er dus een duidelijke samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. C.
Aard van de handeling Het houden van dieren betreft een planbare en voorzienbare handeling en dat zal in de meeste gevallen ook een voortdurende of een zich herhalende handeling zijn. Dit pleit voor opname van dit deel van de bepaling in het omgevingsplan. Het voeren van dieren is een gedraging door mensen die ook kortdurend kan zijn. Dit neigt naar behoud van de bepaling in de APV. D. Samenhang met andere bepalingen De bepaling sluit, zowel voor wat betreft het houden als het voeren van dieren, aan bij het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving als maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Er is dus sprake van samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Er is echter ook sprake van samenhang met de APV. De bepaling sluit aan bij een aantal andere bepalingen uit de model-APV die betrekking hebben op overlast door (huis)dieren (zie onder andere artikel 2:57, artikel 2:59 en artikel 2:59a van de model-APV) en het advies is die bepalingen in de APV te laten staan. Voor het voeren van dieren geldt bovendien dat de bepaling ook aansluit bij artikel 2:58 van de model-APV en het advies is ook die bepaling in de APV te behouden. Er is dus ook sprake van samenhang met de APV.
Advies Onderscheid maken tussen houden en voeren van dieren, bepaling ten aanzien van voeren in de APV laten staan, bepaling ten aanzien van houden van dieren opnemen in het omgevingsplan.
24
Uit de overwegingen blijkt dat er een aanleiding is om een onderscheid te maken tussen het houden en voeren van dieren. Voor het houden van dieren geldt dat de aard van de handeling en de samenhang met bepalingen uit de bruidsschat maken dat dit deel van de bepaling aansluit bij het omgevingsplan. Ondanks dat het oogmerk deels ziet op het beschermen van de openbare orde, sluit het oogmerk ook grotendeels aan bij het omgevingsplan. Het advies is dus om de bepaling voor wat betreft het houden van dieren op te nemen in het omgevingsplan. Voor het voeren van dieren geldt dat het oogmerk weliswaar naar het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan neigt, maar dat er geen samenhang is met de bepalingen uit de bruidsschat en dat ook de aard van de handeling naar behoud van de bepaling in de APV pleit. Bovendien lijkt dit deel van de bepaling ook het meest met de APV samen te hangen. Het advies is dan ook om het verbod op het voeren van dieren in de APV te laten staan. 6.1.5 Artikel 2:63: Duiven Dit artikel bevat een gebod voor rechthebbenden op duiven om ervoor te zorgen dat de duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een te bepalen tijdvak tussen 1 maart en 1 juni. A. Oogmerk van de bepaling Het oogmerk van deze bepaling is het voorkomen van schade aan jonge gewassen in akkerbouwgebieden.
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn onder andere een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke behoeften. Het oogmerk sluit bij die doelen aan. B. Bruidsschat In de bruidsschat is hierover een kapstokbepaling opgenomen. In artikel 22.20 is een zorgplicht opgenomen voor de eigenaar van een open erf of terrein om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij ook om overlast of hinder van onder andere dieren. C. Aard van de handeling De bepaling ziet op een handeling die planbaar en voorzienbaar is en in de meeste gevallen ook voortdurend zal zijn of zich zal herhalen. De houder van de duiven dient jaarlijks voor een bepaalde periode maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat zijn duiven niet uitvliegen. Daarmee pleit de aard van de handeling voor het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan. D.
Samenhang met andere bepalingen In het Bkl en het Bal zijn verschillende bepalingen opgenomen die zien op het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, waarbij de bestrijding van verwilderde dieren wordt genoemd als mogelijke oplossing. Er is ook samenhang met een provinciale omgevingsverordening die ziet op de jacht en op het voorkomen en bestrijden van schade door in het wild levende dieren. Ook kan er al een provinciale ophokplicht gelden, die dan op grond van het derde lid voorgaat op de APV. Die ophokplicht zou dan ook in de omgevingsverordening geregeld zijn. Daarmee is er een samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Er is ook enige samenhang met andere bepalingen over dieren, waarvan het advies is dat deze in de APV blijven staan, maar het oogmerk van die bepalingen is wezenlijk anders. De samenhang met die bepalingen is dus beperkt. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Het oogmerk van de bepaling, de samenhang met de bruidsschat en de aard van de handeling sluiten aan bij het omgevingsplan. Verder staan er in het Bkl en het Bal verschillende bepalingen die hetzelfde doel dienen: namelijk het voorkomen van ernstige schade aan onder andere gewassen. Er is dus ook sprake van een duidelijke samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Aan
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
25
de hand hiervan is dan ook het advies deze bepaling op te nemen in het omgevingsplan. 6.1.6 Artikel 2:64: Bijen In dit artikel is een verbod opgenomen om bijen te houden binnen een bepaalde afstand van de weg of van woningen, of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. A. Oogmerk van de bepaling Het oogmerk van deze bepaling is in de eerste plaats het beschermen van de verkeersveiligheid en de bewoonbaarheid. Het houden van bijen is onverenigbaar met de verkeersfunctie van de weg en de verblijfsfunctie van woningen of andere gebouwen. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en de verkeersveiligheid en de bescherming van de bewoonbaarheid is daar een onderdeel van. In het verlengde daarvan speelt dit een rol bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet. Daarnaast is het oogmerk van de bepaling het voorkomen van overlast. Dit ziet met name op de hinder en overlast die omwonenden van de bijen ondervinden en sluit dus aan op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet.
Dit voor zover die zien op de duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het oogmerk van de bepaling sluit dus aan bij het omgevingsplan. B. Bruidsschat In de bruidsschat is hierover een kapstokbepaling opgenomen. In artikel 22.20 is een zorgplicht opgenomen voor de eigenaar van een open erf of terrein om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij ook om overlast of hinder van onder andere dieren. C. Aard van de handeling Het gaat in deze bepaling om een planbare en voorzienbare handeling en ook een voortdurende en zich herhalende handeling. Dit pleit voor opname van de bepaling in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen De bepaling sluit aan bij het maatschappelijke doel van de Omgevingswet dat ziet op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Er is dus sprake van samenhang met andere bepalingen in het stelsel van de Omgevingswet.
Bovendien is er een samenhang met de bepalingen die zien op loslopend vee (artikel 2:62 van de model-APV) en het houden van duiven (artikel 2:63 van de model-APV) en het advies is deze in het omgevingsplan op te nemen. Er is echter ook sprake van samenhang met de APV. De bepaling sluit aan bij een aantal andere bepalingen uit de APV die betrekking hebben op overlast door (huis)dieren (zie onder andere artikel 2:57, artikel 2:59 en artikel 2:59a van de model-APV) en het advies is die bepalingen in de APV te laten staan. Er lijkt echter de meeste samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet te zijn. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Alle overwegingen pleiten voor het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan. Het advies is dan ook de bepaling in het omgevingsplan op te nemen. 6.1.7 Artikel 4:5: Onversterkte muziek In dit artikel is geregeld wat op verschillende plaatsen het toegestane geluidsniveau voor onversterkte muziek is. In dat kader bevat het artikel een verbod om onversterkte muziek ten gehore te brengen, tenzij daarbij voldaan is aan de maximum geluidsnormen. Het artikel geldt uitsluitend voor geluid veroorzaakt binnen een inrichting (NB: het gaat dan om een inrichting op grond van de Wet milieubeheer zoals die luidt voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet).
26
A. Het oogmerk van de bepaling Het oogmerk van de bepaling is het voorkomen of beperken van geluidhinder. Dat sluit aan bij de doelen uit artikel 1:2, derde lid, van de Omgevingswet waarin staat dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving activiteiten worden aangemerkt waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Het oogmerk sluit dus aan bij de Omgevingswet. B. Bruidsschat De bepaling heeft een grondslag in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel f, en artikel 2.21, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer na de overgangsfase vervalt, vervalt de grondslag voor deze bepaling op termijn. Op grond van artikel 22.70, eerste lid, onder i, van de bruidsschat (artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet) geldt echter wel dat onversterkte muziek buiten beschouwing van geluidsmetingen blijft, als daarover regels zijn gesteld in een gemeentelijke verordening. Ten overvloede merken we op dat in de bruidsschat verwezen wordt naar de APV.34 Deze verwijzing ziet op het effect van de bruidsschat gedurende de overgangsperiode, maar biedt op zichzelf geen aanknopingspunt voor de wijze van regeling na de overgangsperiode. C.
Aard van de handeling Bij onversterkte muziek kan het om een langdurige handeling gaan (meerdere uren) en het is ook goed denkbaar dat deze wordt herhaald (bijvoorbeeld wekelijks). Dit geldt zeker voor het bespelen van een carillon, of het repeteren met een muziekgezelschap als een orkest of fanfare. Dit veronderstelt dat de handeling planbaar en voorzienbaar is en er lijkt daarmee ook sprake te zijn van planologische relevantie. Dit pleit voor opname in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen In de toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is aangegeven dat in de instructieregels van het Bkl geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, maar dat het Bkl nog wel de flexibiliteit biedt om dit onderscheid alsnog te maken. Er is dus samenhang met regels uit het omgevingsplan in die zin dat onversterkte muziek nu ook onder de standaardwaarden voor geluid valt. Dit sluit dus aan bij het doel en stelsel van de Omgevingswet. Verder is in artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet geregeld dat een verordening, waarin ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels zijn gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek, gedurende de overgangsperiode blijft gelden. Ook in die zin is er samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan.
Vanuit de bruidsschat bezien hangt de bepaling samen met de APV, maar uit het oogmerk, de aard van de handeling en de samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet volgt dat het voor de hand ligt de uitzondering voor onversterkte muziek en de randvoorwaarden die daarvoor gelden een plaats te geven in het omgevingsplan. NB: Als gemeenten ervoor kiezen de bepaling niet op te nemen in het omgevingsplan maar deze in de APV te laten staan, moet er in het omgevingsplan aandacht zijn voor de verhouding tussen de regels uit de APV en de regels over geluid in het omgevingsplan evenals het onderscheid tussen muziek binnen en muziek buiten. 6.1.8 Artikel 4:5a: Traditioneel schieten Dit artikel bevat regels die bij traditioneel schieten in acht moeten worden genomen, zoals het aantal dagen per week, het aantal uren per dag, het tijdstip of het aantal schoten.
34 ‘Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing worden gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.’
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
27
A. Het oogmerk van de bepaling Het oogmerk van deze bepaling is het voorkomen of beperken van geluidhinder. Dat sluit aan bij de doelen uit artikel 1:2, derde lid, van de Omgevingswet waarin staat dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving activiteiten worden aangemerkt waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Het oogmerk van de bepaling sluit dus aan bij de Omgevingswet. B. Bruidsschat Verder heeft de bepaling een grondslag in de artikelen 2.18, eerste lid, onderdeel g, en 3.145 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer na de overgangsfase vervalt, vervalt de grondslag voor deze bepaling op termijn. Op grond van artikel 22.70, eerste lid, onder j, van de bruidsschat (artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet) geldt echter wel dat traditioneel schieten buiten beschouwing van geluidsmetingen blijft, als daarover regels zijn gesteld in een gemeentelijke verordening. Ten overvloede merken we op dat in de bruidsschat verwezen wordt naar de APV.35 Deze verwijzing ziet op het effect van de bruidsschat gedurende de overgangsperiode, maar biedt op zichzelf geen aanknopingspunt voor de wijze van regeling na de overgangsperiode. Paragraaf 22.3.21 van de bruidsschat bevat wel verschillende andere bepalingen over traditioneel schieten die een aanknopingspunt opleveren.
Zo zijn hierin voorschriften opgenomen over de gegevens en bescheiden die voor traditioneel schieten vereist zijn en zijn er verschillende bepalingen opgenomen om de bodem te beschermen en te zorgen voor de externe veiligheid. C. Aard van de handeling In de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder traditioneel schieten is toegestaan. Bijvoorbeeld voor een bepaald aantal dagen per week of uren per dag of op bepaalde tijden of met een bepaald aantal schoten. Dit veronderstelt dat het een planbare of voorzienbare handeling is. Verder zullen er ook plaatsen zijn waar het schieten in zijn algemeen toegestaan is. Het is dus ook planologisch relevant. Dit pleit voor opname van de bepaling in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen In de toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is aangegeven dat ook traditioneel schieten onder de standaardvoorwaarden voor geluid uit de instructieregels van het Bkl valt. Er is dus samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Verder is in artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet geregeld dat een verordening, waarin ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels zijn gesteld met betrekking tot traditioneel schieten, gedurende de overgangsperiode blijft gelden. Ook in die zin is er samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan.
Uit het voorgaande volgt dat het voor de hand lijkt te liggen de uitzondering voor traditioneel schieten en de randvoorwaarden die daarvoor gelden een plaats te geven in het omgevingsplan. De bepalingen uit de bruidsschat pleiten deels voor opname in het omgevingsplan en verder sluiten het oogmerk en de aard van de handeling hierbij aan. Tot slot is er ook samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. NB: Als gemeenten ervoor kiezen de bepaling niet op te nemen in het omgevingsplan moet er in het omgevingsplan aandacht zijn voor de verhouding tussen de regels van de APV en het omgevingsplan.
35 ‘Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.’
28
6.1.9 Artikel 4:5b: Geluidhinder in de openlucht In dit artikel is een verbod en een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor het in werking hebben van een geluidsapparaat dat, toestel die of machine die geluidhinder veroorzaakt. De artikelen 4:5b, 4:5d en 4:5e zijn variaties op hetzelfde thema. De artikelen zijn een lex specialis van artikel 4:6. Het gaat telkens om apparaten die door mensen bediend worden en geluid maken. De bepalingen worden hier in onderlinge samenhang bezien.36 A. Het oogmerk van de bepaling Het oogmerk van de bepalingen is het tegengaan van de hinder die de apparaten, toestellen, machines of voertuigen veroorzaken en daarmee zien de bepalingen op het voorkomen dat de rust wordt verstoord. Het gaat dan om rust als onderdeel van de openbare orde; het niveau van rust in de zin van ‘normale gang van zaken’ in het voor publiek toegankelijke domein. Geluidsregels in het omgevingsplan dienen volgens de toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet tot bescherming van de gezondheid en het beperken van de emissie van geluid. Dit veronderstelt dat de geluidsregels in het omgevingsplan op meer zien dan alleen het veroorzaken van hinder als verstoring van de rust. Het oogmerk van deze bepalingen sluit dus aan bij de APV. B. Bruidsschat Hierover zijn geen specifieke bepalingen in de bruidsschat opgenomen.
Er staan in de bruidsschat alleen standaardbepalingen over geluid. Verder is het zo dat dit geluid valt onder de standaardbepalingen voor geluid uit het Bkl. C. Aard van de handeling De artikelen 4:5b en 4:5e en 4:6 van de model-APV bieden vooral een basis om op te treden bij geluidsoverlast. Het gaat dus om handelingen die in beperkte mate planbaar en voorzienbaar zijn en die zich in de regel niet herhalen. Dit neigt naar opname van de bepaling in de APV. D. Samenhang met andere bepalingen De bepalingen hangen samen met het doel en stelsel van de Omgevingswet voor zover er sprake is van een activiteit. Het gaat dan immers om activiteiten waarvoor de bepalingen over geluid uit het Bkl gelden. In de meeste gevallen zal het echter niet om een activiteit gaan, maar om een gedraging. De bepalingen in de APV hebben in die gevallen met name een onderlinge samenhang met elkaar en zijn ook steeds vangnetbepalingen om in incidentele of onvoorziene gevallen te handhaven. Daarmee is er de meeste samenhang met de APV. In aanvulling daarop geldt nog voor geluidhinder door het laden en lossen van vrachtauto’s dat laad- en losplaatsen op grond van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen. Op grond van artikel 1.4 van de Omgevingswet kan hierin dus niet via het omgevingsplan in worden voorzien.
Dit is voor die bepaling een aanvullende indicatie dat behoud van de bepaling in de APV voor de hand ligt. Advies In de APV laten staan. Het oogmerk pleit voor opname van de bepalingen in de APV en er is ook de meeste samenhang met de APV. Bovendien neigt de aard van de handeling naar de APV en is er geen specifieke samenhang met de bepalingen uit de bruidsschat. Aan de hand hiervan is het advies deze bepalingen in de APV te behouden. Advies is daarbij wel om de bepalingen te bundelen zodat er een samenhangend voorschrift voor geluidhinder is. Als gemeenten overwegen de bepalingen in het omgevingsplan op te nemen, dan is het advies in elk geval voor een integrale benadering te kiezen en de bepalingen in samenhang over te hevelen naar het omgevingsplan.
36 In het omgevingsplan moeten op grond van artikel 5.59 van het Bkl overigens direct werkende regels staan om ervoor te zorgen dat het geluid van één activiteit bij geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In paragraaf 5.1.4.2.3 van het Bkl staan voor een aantal specifieke activiteiten instructieregels om hierin te voorzien.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
29
6.1.10 Artikel 4:5c: Geluidhinder door dieren Op grond van dit artikel dient de houder van een dier ervoor te zorgen dat geluidhinder door het dier wordt voorkomen. A. Het oogmerk van de bepaling Het oogmerk van de bepaling is het tegengaan van geluidsoverlast door dieren en daarmee gaat het om het voorkomen dat de rust wordt verstoord. Het gaat dan om rust als onderdeel van de openbare orde; het niveau van rust in de zin van ‘normale gang van zaken’ in het voor publiek toegankelijke domein. Geluidsregels in het omgevingsplan dienen volgens de toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet tot bescherming van de gezondheid en het beperken van de emissie van geluid. Dit veronderstelt dat de geluidsregels in het omgevingsplan op meer zien dan alleen het verstoren van de rust. Het oogmerk van deze bepaling sluit dus aan bij de APV. B. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende bepalingen over het houden van dieren opgenomen. Dit betreft in de eerste plaats voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren. Deze voorschriften hebben een plaats gekregen in de bruidsschat omdat er op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor andere landbouwhuisdieren en vanaf een bepaald aantal landbouwhuisdierendieren voorschriften gelden dan op grond van het Bal het geval is. Zo worden pony’s en paarden op grond van het Bal niet langer als landbouwhuisdieren aangemerkt.
De bruidsschat bevat tegen die achtergrond regels over geluid (paragraaf 22.3.4), opslag van mest en kuilvoer (paragraaf 22.3.23 en 22.3.24), geur van dierenverblijven (paragraaf 22.3.6.2) en geur van overige agrarische activiteiten (paragraaf 22.3.6.4). Verder voorziet het Activiteitenbesluit milieubeheer ook in regels voor het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren. Dit is op grond van het Bal echter niet het geval. In de bruidsschat zijn in dat verband dus ook voorschriften opgenomen die in het overgangsrecht voor het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren voorzien. C. Aard van de handeling Het houden van dieren is als handeling planbaar en voorzienbaar. Het gaat ook om handelingen die voortduren en het kan planologisch relevant zijn, met name als het om grote dieren gaat. Daar staat tegenover dat in het verbod de nadruk lijkt te liggen op meer incidentele vormen van overlast. Bijvoorbeeld de overlast van een blaffende hond of een kraaiende haan. Vanuit dit oogpunt lijkt behoud van de bepaling in de APV het meest voor de hand te liggen. D. Samenhang met andere bepalingen In het Bal zijn voorschriften opgenomen over het houden van dieren. Daarbij gaat het echter met name om het houden van landbouwhuisdieren.
Vanaf een bepaald aantal landbouwhuisdieren is er sprake van een milieubelastende activiteit en dan gelden daar op grond van het Bal specifieke regels voor. In die zin is er sprake van enige samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies In de APV laten staan. De samenhang met de bepalingen uit de bruidsschat en het Bal maken dat de bepaling aansluit bij het omgevingsplan. Het oogmerk en de aard van de handeling sluiten echter aan bij de APV. Bovendien is het wenselijk dat de politie ook een rol heeft in de handhaving. Het advies is dus het oogmerk en de aard van de handeling de doorslag te laten geven en de bepaling in de APV te laten. 6.1.11 Artikel 4:5d: Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Dit artikel bepaalt dat het verboden is om met een motorvoertuig of bromfiets geluidhinder te veroorzaken.
30
Zie onder artikel 4:5b. Het advies is deze bepaling in de APV te handhaven. 6.1.12 Artikel 4:5e: Geluidhinder door vrachtauto’s In dit artikel is een verbod en een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor het veroorzaken van geluidhinder door het laden en lossen van vrachtauto’s. Zie onder artikel 4:5b. Het advies is deze bepaling in de APV te handhaven. 6.1.13 Artikel 4:5f: Routering Dit artikel bevat een verbod en een ontheffingsbevoegdheid om met zware of lange vrachtauto’s op andere dan daartoe aangewezen wegen te rijden. A. Het oogmerk van de bepaling Dit is een bepaling betreffende verkeer, voornamelijk met het oog op het tegengaan van geluidhinder. De bepaling kent daarbij de volgende oogmerken: het voorkomen en beperken van geluidhinder en het beschermen van de leefbaarheid van een woonwijk. In de toelichting wordt erop gewezen dat de gemeente aansluiting kan zoeken bij de externe-veiligheidsroutering van gevaarlijke stoffen. Deze oogmerken passen goed in het omgevingsplan. B. Bruidsschat In de bruidsschat zijn de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer over geluid, geur en trillingen alsmede de bepalingen over de beperking van verkeersaantrekkende werking opgenomen. Deze bepalingen hangen echter maar in beperkte mate met deze materie samen en er zijn in de bruidsschat geen specifieke bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de routering van vrachtverkeer.
Hier spreekt dus geen voorkeur voor het omgevingsplan of de APV uit. C. Aard van de handeling De handeling lijkt planbaar en voorzienbaar. Vanwege de samenhang met de bescherming van de leefbaarheid van een woonwijk is het waarschijnlijk bovendien planologisch relevant. Opname van de bepaling in het omgevingsplan lijkt op dit punt dus voor de hand te liggen. D. Samenhang met andere bepalingen De bepaling beoogt geluidhinder te verminderen veroorzaakt door het gebruik van de weg door vrachtverkeer. Deze bepaling kan een samenhang hebben met de bedrijven- en milieuzonering in een gemeente en heeft tot slot een nauwe samenhang met de artikelen 5.78 en 5.78a van het Bkl. Er is dus sprake van samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Gezien het oogmerk van de bepaling, de aard van de handeling en de samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet lijkt het voor de hand te liggen deze bepaling een plaats te geven in het omgevingsplan. Het is echter ook denkbaar dat een gemeente de vrachtwagens wil weren uit bepaalde wijken met het oog op andere aspecten dan de leefbaarheid van de woonwijk. In dat geval is er mogelijk een reden om de bepaling niet uitsluitend in het omgevingsplan op te nemen, maar ook in de APV te laten staan.
6.1.14 Artikel 4:6: Overige geluidhinder In dit artikel is een verbod en een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor het op een zodanige wijze in werking hebben van toestellen of machines of het op een zodanige wijze verrichten van handelingen dat geluidhinder wordt veroorzaakt. Zie onder artikel 4:5b. Het advies is deze bepaling in de APV te handhaven.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
31
6.1.15 Artikel 4:6a: Mosquito Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd om te besluiten dat op een plaats een mosquito wordt aangebracht om overlastgevende jongeren te weren. A. Het oogmerk van de bepaling De bepaling regelt twee elementen. Ten eerste de bevoegdheid van de burgemeester om mosquitos te plaatsen. Ten tweede voorziet de bepaling erin dat het verbod om toestellen te plaatsen die geluidsoverlast veroorzaken, niet op het plaatsen van de mosquito van toepassing is (als deze geplaatst is op last van de burgemeester). De bevoegdheid van de burgemeester om de mosquito te plaatsen heeft als oogmerk het beschermen van de openbare orde. Deze bevoegdheid kan uitsluitend in de APV worden opgenomen. Opname van dit deel van de bepaling in het omgevingsplan is geen optie. Dit ligt anders voor het tweede element. Het gaat om het plaatsen van een toestel dat geluidsoverlast veroorzaakt. Dat wijzigt de fysieke leefomgeving. Er is op dit punt dus een duidelijke samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. B. Bruidsschat Paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat heeft betrekking op geluid. Daarin is bijvoorbeeld geregeld wat de geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen zijn en hoe en wanneer van die waarden afgeweken kan worden. Er is ook op dit punt dus samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. C.
Aard van de handeling Het gaat om een planbare en voorzienbare handeling en ook een voortdurende handeling. Dit pleit voor opname van de bepaling in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen De uitzondering op het verbod hangt samen met de bevoegdheid van de burgemeester in de APV. Er is dus wel enige samenhang met de APV. Daar staat echter tegenover dat het plaatsen van een toestel dat geluidsoverlast veroorzaakt (en ook meer dan op grond van het Invoeringsbesluit Omgevingswet is toegestaan) de fysieke leefomgeving wijzigt. Er is op dit punt dus meer samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Deels in de APV laten staan en deels opnemen in het omgevingsplan. Voor zover de bepaling ziet op de bevoegdheid van de burgemeester om een mosquito te plaatsen, geldt dat de bepaling in de APV moet blijven staan. Dit deel van de bepaling houdt verband met de bevoegdheid van de burgemeester om de openbare orde te handhaven en kan geen plaats krijgen in het omgevingsplan. Voor zover de bepaling voorziet in een uitzondering op het verbod om toestellen te plaatsen die geluidsoverlast veroorzaken, geldt dat er de meeste samenhang is met het doel en stelsel van de Omgevingswet en dat opname in het omgevingsplan voor de hand ligt.
Daarbij wordt overigens opgemerkt dat er ook ruimte is om in het omgevingsplan te regelen dat het verbod om zonder een omgevingsvergunning een toestel te plaatsen in bepaalde gevallen niet geldt. Zoals wanneer de burgemeester zijn bevoegdheid uit hoofde van de APV uitoefent.
6.1.16 Artikel 4:8: Natuurlijke behoefte doen Deze bepaling bevat een verbod om binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
32
A. Oogmerk van de bepaling De bepaling is opgenomen in de afdeling van de APV die ziet op bodem-, weg- en milieuverontreiniging. Dit betekent dat de bepaling in elk geval ziet op het tegengaan van verontreiniging. Dit oogmerk sluit bij het omgevingsplan aan. Verontreiniging raakt aan het uiterlijk aanzien van de gemeente, maar ook in algemene zin aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Bovendien is er overlast door stank en ook dit raakt aan de fysieke leefomgeving. Daar staat tegenover dat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving bij deze vorm van verontreiniging beperkt zijn en dat deze vorm van verontreiniging wel sterk bijdraagt aan de verrommeling van de openbare ruimte. En daarmee sluit het oogmerk aan bij de openbare orde in de zin van de APV. Bovendien is er ook nog enige samenhang met de zedelijkheid en ook dit sluit aan bij de APV. Het oogmerk van de bepaling lijkt dus in overwegende mate naar de APV te neigen. B. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende bepalingen opgenomen die zien op het tegengaan van verontreiniging, maar die houden verband met de zorgplicht voor een bouwwerk of het verrichten van een activiteit en hangen maar zijdelings met deze bepaling samen. C. Aard van de handeling De handeling zal in de meeste gevallen niet planbaar of voorzienbaar zijn en het zal veelal ook niet om een voortdurende handeling gaan.
Dit pleit voor het handhaven van de bepaling in de APV. D. Samenhang met andere bepalingen Het doen van de natuurlijke behoefte is binnen het stelsel van de Omgevingswet een lozing en daarmee een milieubelastende activiteit op grond van het Bal of een lozingsactiviteit in de zin van de Omgevingswet voor zover het om een lozing op een oppervlaktewaterlichaam gaat. De bepaling moet ook een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Er is dus sprake van samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Verder is er een samenhang met de bepaling die ziet op het tegengaan van verontreiniging door honden (artikel 2:58 van de APV) en daarvan is het advies deze op te nemen in het omgevingsplan. Ook in die zin is er sprake van samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies In de APV laten staan. De bepalingen in de bruidsschat leveren geen duidelijke voorkeur voor het omgevingsplan of de APV op en er is de meeste samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Het oogmerk van de bepaling en de aard van de handeling pleiten echter voor behoud van de bepaling in de APV en de nadruk lijkt ook niet te liggen op de gevolgen van de verontreiniging voor de fysieke leefomgeving, maar meer op de overlast die dit in bredere zin veroorzaakt en daarmee de gevolgen voor de openbare orde.
Om die reden is het advies deze bepaling in de APV te laten staan. Handhaving blijft dan ook ongewijzigd in handen van de politie. 6.1.17 Artikel 4:9: Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel bepaalt dat het verboden is dat sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen zich in een toestand bevinden die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor gebruikers. A. Het oogmerk van de bepaling De bepaling noemt de oogmerken waarop de bepaling ziet. Het gaat om het voorkomen van gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor gebruikers. Deze oogmerken zijn vergelijkbaar met die van de Omgevingswet. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en daar sluiten deze oogmerken op aan. Ook voor wat betreft hinder, omdat geurhinder daarbij een belangrijk aspect lijkt te zijn.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
33
B. Bruidsschat De bruidsschat bevat geen bepalingen die hiermee verband houden. C. Aard van de handeling De bepaling ziet niet op een planbare of voorzienbare handeling. Dit pleit voor opname van de bepaling de APV. Daar staat tegenover dat het wel een voortdurende handeling is (de bepaling spreekt van ‘toestand’, dit impliceert een zekere duur). Dit neigt weer naar opname van de bepaling in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen In artikel 2.9 en de overige bepalingen van paragraaf 2.2.2 van het Bkl zijn voorschriften opgenomen over de kwaliteit van het oppervlaktewater. Verder kan de provincie op grond van het Bkl in de omgevingsverordening regels stellen voor het beschermen van de kwaliteit van het oppervlaktewater en kan het waterschap in de waterschapsverordening regels stellen voor lozingsactiviteiten op regionaal water. Er is op dit punt dus samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Het oogmerk van de bepaling sluit aan bij het omgevingsplan. Bovendien is ook de meeste samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Aan de hand daarvan is het advies deze bepaling een plaats te geven in het omgevingsplan.
6.1.18 Artikel 5:34: Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Dit artikel bevat een verbod en een ontheffingsbevoegdheid om in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer (zoals die luidt voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. A. Het oogmerk van de bepaling In de toelichting is aangegeven dat deze bepaling een aanvulling vormt op artikel 10.2, eerste lid, en 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Op grond van artikel 10.2, eerste lid, van de Wm is het verboden om buiten een inrichting afvalstoffen te verbranden. Op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm kan van het verbod een ontheffing worden verleend als er geen milieubelangen zijn die zich daartegen verzetten. In de APV is in aanvulling daarop een verbod (en een ontheffingsbevoegdheid) op het verbranden van afvalstoffen en het stoken van vuur opgenomen om overlast door geur en rook tegen te gaan, de openbare orde te beschermen en aantasting van flora en fauna te voorkomen. Het oogmerk van deze bepaling is dus in de eerste plaats het tegengaan van overlast door geur en rook. Dit oogmerk sluit aan bij het omgevingsplan.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het tegengaan van overlast door geur en rook valt hieronder. Datzelfde geldt voor het beschermen van flora en fauna. Ook dat sluit aan bij het omgevingsplan. Het oogmerk dat ziet op het beschermen van de openbare orde en het voorkomen van gevaar sluit echter aan bij de APV. Op basis van het oogmerk is er dus geen voorkeur voor het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan of het behoud van de bepaling in de APV. B. Bruidsschat De bruidsschat bevat geen bepalingen die hiermee verband houden. C. Aard van de handeling Bij deze bepaling zal het in veel gevallen om een planbare of voorzienbare handeling gaan. Dit pleit voor opname van de bepaling het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen De bepaling heeft in de eerste plaats betrekking op het voorkomen van overlast door geur of rook
34
en het beschermen van flora en fauna. Dit houdt verband met het maatschappelijke doel van de Omgevingswet dat ziet op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. Daar komt bij dat gemeenten in het omgevingsplan regels kunnen stellen over het gebruik van kachels en open haarden (vuur stoken binnen). Daarmee hangt de bepaling dus samen met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast heeft de bepaling echter ook betrekking op het beschermen van de openbare orde. Daarbij gaat het om gevaar voor omstanders of het ontstaan van brand. Op dit punt is er dus sprake van samenhang met de APV. Op dit punt is er dus evenmin een duidelijke keuze tussen het omgevingsplan of de APV te maken. Advies In de APV laten staan, maar daarnaast ook opnemen in het omgevingsplan. Het oogmerk van de bepaling pleit zowel voor opname van de bepaling in het omgevingsplan als behoud van de bepaling in de APV. Ook de samenhang met andere voorschriften uit de APV of het omgevingsplan geeft geen doorslag. Alleen de aard van de handeling wijst duidelijk richting de APV.
Gezien het oogmerk van de bepaling en het feit dat de bepaling in sommige gevallen ook in een absoluut verbod voorziet, ligt het echter voor de hand de bepaling zowel een plaats te geven in het omgevingsplan als in de APV te laten staan. Daar komt bij dat de bepaling uit de Wet milieubeheer, waar deze bepaling uit de APV een aanvulling op vormt, nu nog ziet op het verbranden van alle afvalstoffen, maar zich na de inwerkingtreding van de Omgevingswet beperkt tot huishoudelijke afvalstoffen. De omgevingsrechtelijke belangen die met de bepaling in de APV gediend zijn krijgen daarmee meer gewicht. Om die reden is het advies de bepaling in het omgevingsplan op te nemen voor zover het om het tegengaan van emissies zoals geur en rook gaat en de bepaling in de APV te laten staan voor zover het om het voorkomen van gevaar gaat. 6.1.19 Artikel 5:35, 5:36 en 5:37: Definities, verboden plaatsen en hinder of overlast (asverstrooiing) In dit artikel is een verbod en een ontheffingsbevoegdheid voor asverstrooiing op bepaalde plaatsen of andere dan daartoe aangewezen plaatsen opgenomen. A. Het oogmerk van de bepaling De bepaling regelt alleen de verstrooiing van as van een mens en niet van bijvoorbeeld een huisdier of barbecue. Er wordt ook expliciet verwezen naar de Wet op de lijkbezorging.
Dit is een indicatie dat de regel vooral is ingegeven met het oog op het op een waardige manier omgaan met overledenen en niet met het oog op de eventuele milieueffecten. Dit pleit voor opname van de bepaling in de APV. Verder is het oogmerk het voorkomen van hinder of overlast. Daarbij valt te denken aan het verwaaien van de as zoals in de toelichting ook staat, maar ook het op een waardige manier omgaan met overledenen zoals dat in de Wet op de lijkbezorging centraal staat. Ook vanuit dit oogpunt ligt aansluiting bij het omgevingsplan niet voor de hand. B. Bruidsschat De bruidsschat bevat geen bepalingen die hiermee verband houden. C. Aard van de handeling Asverstrooiing is een handeling die planbaar en voorzienbaar is en de as blijft langdurig op de plek waar deze verstrooid is. De aard van de handeling sluit dus aan bij het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen Artikel 4.120 van het Activiteitenbesluit milieubeheer schrijft maatregelen voor (bij ministeriele regeling) voor de verstrooiing van crematie-as op een strooiveld. Dit pleit voor opname in het omgevingsplan. Daar staat tegenover dat de bepaling ziet op incidentele asverstrooiing daarbuiten, dat de bepaling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komt te vervallen en dat in de memorie van toelichting bij de Wet op de lijkbezorging staat dat de milieueffecten van incidentele asverstrooiing gering zijn.
Verder kan ook de beheersverordening voor begraafplaatsen goed voorzien in de voorwaarden waaronder niet-incidentele asverstrooiing kan plaatsvinden. Daarmee lijkt er op dit punt dus sprake van meer samenhang met de APV.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
35
Advies In de APV laten staan. De aard van de handeling sluit weliswaar aan bij het omgevingsplan, maar het oogmerk lijkt meer samen te hangen met het op een waardige manier omgaan met overledenen. Bovendien is er ook voor het overige meer samenhang met de APV. Het advies is om die reden om deze bepaling in de APV te laten staan. 6.2
Bouwwerken De model-APV bevat een bepaling die ziet op de opslag van voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke. Hieronder wordt aan de hand van de hiervoor geschetste overwegingen een advies gegeven over de keuze om de bepaling op te nemen in het omgevingsplan of de bepaling in de APV te laten staan. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de opslag van voer- en vaartuigen (artikel 4:13, eerste lid, onder a, b en c, van de model-APV) enerzijds en de opslag van mest en afvalstoffen (artikel 4:13, eerste lid, onder d, van de model-APV) anderzijds.
6.2.1 Artikel 4:13, eerste lid, onder a, b en c: opslag voer- en vaartuigen, bromfietsen en motorvoertuigen en kampeermiddelen De eerste drie onderdelen van artikel 4:13, eerste lid, zijn variaties op hetzelfde thema. In deze onderdelen is een verbod opgenomen om op door het college aangewezen plaatsen in de openlucht of buiten de weg voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan op te slaan te plaatsen of aanwezig te hebben. Het gaat dan om: • onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen; • bromfietsen of motorvoertuigen; en • kampeermiddelen voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of een ander commercieel doel. Het college wijst de plaatsen aan in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. A. Oogmerk van de bepaling De bepaling in de model-APV heeft betrekking op de opslag van voer- en vaartuigen in de openlucht of buiten de weg in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat het gaat om opslag in de openbare ruimte, maar ook op eigen terrein. Daarbij is het oogmerk van de bepaling het voorkomen of opheffen van overlast en het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid.
Bij overlast wordt een verband gelegd met welstand en het uiterlijk aanzien. Dit zijn aspecten die bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee aansluiten bij het omgevingsplan. Uit de titel van de afdeling blijkt bovendien dat het bij overlast gaat om het tegengaan van overlast door stank en dit zal ook beoogd zijn als het om het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid gaat. Dit sluit dus eveneens bij het omgevingsplan aan. Niettemin heeft het oogmerk van de bepaling ook een verdedigbare samenhang met de openbare orde. Een verrommelde omgeving draagt bij aan het subjectieve gevoel van (openbare) onveiligheid en werkt meer vervuiling en vandalisme in de hand (de ‘broken-windows’-theorie). Met deze redenering sluit dit oogmerk aan bij de APV. Het oogmerk van de bepaling neigt echter in overwegende mate naar opname van de bepaling in het omgevingsplan. B. Bruidsschat De bepaling houdt verband met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en artikel 7.21 van het Bouwbesluit. In die artikelen is een plicht opgenomen om ervoor te zorgen dat de staat van een open erf of het gebruik daarvan geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid oplevert. Die bepalingen zijn onderdeel van de bruidsschat. In artikel 22.20 van de bruidsschat staat een vergelijkbare zorgplicht die betrekking heeft op de staat en het gebruik van open erven en terreinen.
Dit pleit voor opname van de bepaling in het omgevingsplan.
36
C. Aard van de handeling Het gaat bij de opslag van voer- en vaartuigen niet zozeer om een gedraging (die in de APV gereguleerd kan worden), maar in de meeste gevallen om een planbare of voorzienbare handeling. Bovendien is het een voortdurende handeling (‘opslaan’ impliceert een zekere duur). Daarmee ligt opname van de bepaling in het omgevingsplan voor de hand. Op dit punt is er een lichte voorkeur voor regulering in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen Er is samenhang met de bepalingen over de opslag van voer- en vaartuigen op de weg uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening en artikel 2:10 van de APV. In dat kader is in het derde lid van artikel 4:13 ook een uitzondering opgenomen. Verder is er een verband met de regels over de opslag van (auto)wrakken en delen van vaartuigen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Daarmee is er samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Het oogmerk van de bepaling, de aard van de handeling en de bepalingen uit de bruidsschat neigen naar het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan en er is ook de meeste samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Het heeft dus de voorkeur de bepaling een plaats te geven in het omgevingsplan.
6.2.2 Artikel 4:13, eerste lid, onder d: mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen In dit onderdeel is een verbod opgenomen om op door het college aangewezen plaatsen in de openlucht of buiten de weg een mestopslag, een gierkelder of een andere verzamelplaats van vuil, ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college wijst de plaatsen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aan. A. Oogmerk van de bepaling De bepaling in de model-APV heeft betrekking op het opslaan van mest, afval of landbouwproducten in de openlucht of buiten de weg in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat het gaat om opslag in de openbare ruimte, maar ook op eigen terrein. Daarbij is het oogmerk het voorkomen of opheffen van overlast en het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. Bij overlast wordt een verband gelegd met welstand en het uiterlijk aanzien. Dit zijn aspecten die bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee aansluiten bij het omgevingsplan.
Uit de titel van de afdeling blijkt bovendien dat het bij overlast gaat om het tegengaan van overlast door stank en dit zal ook beoogd zijn als het om het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid gaat. Dit sluit dus eveneens bij het omgevingsplan aan. Niettemin heeft het oogmerk van de bepaling ook een verdedigbare samenhang met de openbare orde. Vooral voor de opslag van vuil, afbraakmaterialen en oude metalen geldt dat het bijdraagt aan de verrommeling van de openbare ruimte en dit sluit aan bij de APV. Het oogmerk van de bepaling neigt echter in overwegende mate naar opname van de bepaling in het omgevingsplan. B. Bruidsschat De bepaling houdt verband met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en artikel 7.21 van het Bouwbesluit. In die artikelen is een plicht opgenomen om ervoor te zorgen dat de staat van een open erf of het gebruik daarvan geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid oplevert. Die bepalingen zijn onderdeel van de bruidsschat. In artikel 22.20 van de bruidsschat staat een vergelijkbare zorgplicht die betrekking heeft op de staat en het gebruik van open erven en terreinen. Voor de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
37
opslag van mest en andere agrarische bedrijfsstoffen zijn verder de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang. Hierover zijn in paragraaf 22.3.6.4 van de bruidsschat regels gesteld. Dit pleit voor opname van de bepaling in het omgevingsplan. C. Aard van de handeling Bij de opslag van mest, afval of landbouwproducten gaat het in de meeste gevallen om een planbare en voorzienbare handeling. Bovendien is er sprake van een voortdurende handeling die ook planologisch relevant kan zijn. Dit neigt naar opname van de bepaling in het omgevingsplan. D. Samenhang met andere bepalingen Bij de opslag van mest (zie bijvoorbeeld paragraaf 4.83-4.86 van het Bal) en afvalstoffen (zie bijvoorbeeld artikel 3.40c van het Bal) gaat het in bepaalde gevallen om milieubelastende activiteiten. Over het doelmatig beheer van afvalstoffen zijn regels gesteld in de Wet milieubeheer (paragraaf 10.2) die niet overgaan in de Omgevingswet. Daarbij is er voor gemeenten ook ruimte om regels te stellen in de afvalstoffenverordening, maar alleen voor zover de fysieke leefomgeving niet wijzigt en dat zal bij het plaatsen van een opslag, kelder of verzamelplaats doorgaans wel het geval zijn.
Verder zijn er in paragraaf 5.1.4.6.4 van het Bkl ook instructieregels opgenomen voor het tegengaan van geuroverlast bij het opslaan van mest, maar ook kuilvoer en groenafval en deze voorschriften moeten een plaats krijgen in het omgevingsplan. Er is dus sprake van samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Advies Opnemen in het omgevingsplan. Zowel uit het oogmerk van de bepaling, als de aard van de handeling en de samenhang met de bepalingen uit de bruidsschat spreekt een voorkeur voor het opnemen van de bepaling in het omgevingsplan. Verder is er ook de meeste samenhang met het doel en stelsel van de Omgevingswet. Aan de hand hiervan is de conclusie dat het de voorkeur heeft de bepaling op te nemen in het omgevingsplan. 6.3
Plaatsen van voorwerpen op delen van de infrastructuur De model-APV bevat verschillende bepalingen die zien op het gebruik van de infrastructuur en de publiek toegankelijke ruimte. Deze bepalingen komen in paragraaf 6.3 en 6.4 aan de orde. Daarbij gaat het in deze paragraaf om de bepalingen die betrekking hebben op het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, de waterweg of andere delen van de infrastructuur, waaronder ook parkeerexcessen. Het andere deel van de bepalingen dat betrekking heeft op het gebruik van de infrastructuur en de publiek toegankelijke ruimte is breder dan alleen het gebruik van de weg en gaat bijvoorbeeld in op evenementen, festiviteiten en standplaatsen, maar ook het aantasten van groenvoorzieningen of overlast door fietsen of bromfietsen. Die bepalingen komen in paragraaf 6.4 aan de orde. Op voorhand wordt daarbij opgemerkt dat de openbare weg een eigen wettelijk regime kent. Op grond van de Wegenwet37 moeten openbare wegen een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen.38 Tegen die achtergrond is de beheerder van een weg verplicht het normale gebruik van de weg en de berm door het openbare verkeer te dulden (artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wegenwet).
Bovendien betekent dit bijvoorbeeld dat de beheerder geen belemmeringen mag aanbrengen die het normale gebruik beperken en dat hij de uitvoering van alle werken tot onderhoud of verbetering van de weg of alle werken vereist voor aansluiting van wegen en uitwegen moet dulden (artikel 14, derde lid, van de Wegenwet). Dit geldt volgens de Wegenwet niet alleen voor de weg zelf, maar ook voor de berm of de groenvoorziening.
37 Op termijn wordt de Wegenwet geïncorporeerd in de Omgevingswet (Kamerstukken II 2017/18, 34 986, 3). 38 ABRvS 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6035.
38
Wat onder het normale gebruik van de weg valt verschilt echter. Voor provincies en het Rijk als wegbeheerders geldt dat het normale gebruik van de weg voornamelijk bestaat uit het rijden met een voertuig. Het normale gebruik van de weg in beheer bij de gemeenten kent meer facetten; te denken valt aan het gebruiken van de weg voor ontspanning (spelen, markten of terrassen) of samenkomsten of betogingen. Voor parkeerexcessen is van belang dat regulier parkeren onder het normaal gebruik van de openbare weg in de zin van de Wegenwet valt. Er is echter een grens en de huidige regeling in de APV bepaalt die grens. Anders gezegd, alles wat in de model-APV als parkeerexces is aangemerkt, is geen normaal gebruik van de openbare weg meer. Het overschrijden van de grens van normaal gebruik (zoals de APV nu definieert) betekent echter niet automatisch dat de handeling gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. Er is dus op voorhand geen sterke aanwijzing dat deze regels een plaats moeten krijgen in het omgevingsplan. Gemeenten kunnen ook voor de APV kiezen. Het plaatsen van voorwerpen (niet zijnde een voertuig) op de weg heeft in de meeste gevallen wel gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Er is bovendien vaak een parallel met de beperkingengebiedactiviteiten rond waterstaatswerken of andere maatschappelijk belangrijke objecten.
Het kan in die gevallen zelfs zo zijn dat deze een plaats in het omgevingsplan moeten krijgen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij regels die worden gesteld met het oog op de specifieke aan gemeenten in artikel 2.16, eerste lid, onderdeel b, van de Omgevingswet opgedragen taak tot het behoeden van de staat en werking van openbare wegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen. Het ligt bij bepalingen die daarmee verband houden ook eerder voor de hand om die een plaats te geven in het omgevingsplan dan bij de parkeerexcessen het geval is. Tegelijkertijd kan het effect op de fysieke leefomgeving wel verschillen. Het plaatsen van een terras of een grote winkeluitstalling heeft aanzienlijk meer impact op de fysieke leefomgeving dan het plaatsen van een vuilnisbak, een reclamebord of een container die drie dagen blijft staan. Ook dit is voor de keuze tussen het omgevingsplan en de APV van belang. In alle gevallen geldt tot slot dat gemeenten ook de samenhang met andere bepalingen bij de keuze tussen het opnemen in het omgevingsplan of het handhaven in de APV moeten betrekken. Artikel 5:11 van de APV, dat betrekking heeft op aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen uit de paragraaf festiviteiten, terreinen (en overige infrastructuur), hangt bijvoorbeeld samen met artikel 5:28 van de APV dat op het beschadigen van waterstaatswerken ziet.
Het heeft dus de voorkeur beide bepalingen in het omgevingsplan of beide bepalingen in de APV op te nemen. 6.3.1 Artikel 2:10: Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats Dit artikel bevat een verbod om de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie ervan. Verder biedt het artikel een mogelijkheid om het college nadere regels te laten stellen over terrassen, uitstallingen en reclameborden en eventueel ook bouwobjecten, plantenbakken, banken en andere door het college aan te wijzen voorwerpen. De bepaling in de model-APV kent 3 varianten. Deels bevatten die bepalingen in de verbodsbepaling of in de weigeringsgronden van de vergunning elementen die in het omgevingsplan geregeld moeten worden en daarom moeten vervallen in de model-APV. Zie verder paragraaf 3.1.2 en paragraaf 3.1.3. Variant 3 van dit artikel bevat deze niet. In aanvulling op die onderdelen die vervallen is de onderstaande beoordeling gemaakt. A. Oogmerk van de bepaling Het oogmerk van de bepaling is primair het voorkomen of beperken van hinder of gevaar en het voorkomen van ontsiering. Verder wordt, in het kader van de nadere regels die het college kan stellen, nog verwezen naar de openbare orde en wordt in een variant van de bepaling verwezen naar het voorkomen van het toebrengen van schade aan de openbare ruimte.