CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6c. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 20 Onderzoek Niet Gesprongen Explosieven

Commissie Ruimte en Wonen 13 juni 2022, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Stationsgebied Nunspeet"15.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Blootstelling aan de buitenlucht Een CE waarin witte fosfor is opgenomen kan spontaan tot ontbranding komen, wanneer de witte fosfor met zuurstof uit de buitenlucht in aanraking komt. Dergelijk contact kan bijvoorbeeld door graaf- of baggerwerkzaamheden worden veroorzaakt. Indien de CE van en springstoflading is voorzien, wat in de meeste gevallen zo is, kan het contact van de witte fosfor met zuurstof tot een ongewenste explosie leiden. De fosfor kan vervolgens over tientallen meters worden verspreid. Er kan geen gevaarlijke situatie ontstaan wanneer de mogelijk aan te treffen afwerpmunitie en 20 mm geschutmunitie, waarop de projectlocaties verdacht zijn verklaard, bloot worden gesteld aan de buitenlucht.

5.2

Studie gevaarsfactoren

Binnen deze RA wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende gevaarsfactoren: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

(Gevoeligheid van) Explosieve stoffen Vertragingsinrichting Antistoringsinrichting (valstrik) Pyrotechnische of brandladingen Witte fosfor

(Gevoeligheid van) Explosieve stoffen Explosieve stoffen zijn stoffen waarin een chemische reactie plaatsvindt wanneer deze aan hitte, schok, wrijving of een andere geschikte aanvangsimpuls worden blootgesteld, met een explosie als gevolg. Explosieve stoffen

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 32 van 56

dienen onder andere niet aan schokken of ruwe behandeling te worden blootgesteld en tegen grote hitte te worden beschermd. De explosieve stoffen van de boordwapenmunitie kunnen in de loop der jaren onstabiel zijn geworden.

Vertragingsinrichting Het is mogelijk dat een CE van een ontsteker is voorzien die door een vertragingsinrichting wordt geactiveerd en zodra de vertragingstijd is afgelopen, tot werking kan of zal komen. Er zijn kleine of lange vertragingsinrichtingen. Bij kleine vertragers wordt middels een pyrotechnische vertragingslading (kruitkoekje) de hoofdlading ontstoken. Bij lange vertragers wordt meestal gebruik gemaakt van een mechanisch uurwerk of een chemische vertrager. Bij de eerste wordt de voorgespannen slagpin opgeheven door een langlopend mechanisch uurwerk, waarbij de slagpin in het slaghoedje slaat. In het geval van de chemische vertrager wordt door middel van een zuur dat het veiligheidsplaatje zacht maakt en/of oplost de voorgespannen slagpin opgeheven.

Antistoringsinrichting (valstrik) Sommige (niet-)explosieve voorwerpen kunnen van een inrichting zijn voorzien, met als doel om beweging van of handelingen aan CE of andere voorwerpen te voorkomen. Antistoringsinrichtingen zijn pas gewapend na inslag en treden pas in werking als ze van buitenaf worden beïnvloed, bijvoorbeeld door: beweging, temperatuurverschillen, infrarood, gammastraling, magnetisme, inductie en geluid.

Pyrotechnische of brandladingen Een pyrotechnische of brandlading wordt gekenmerkt door explosieve stoffen of mengsels daarvan, die productie van warmte, licht, geluid, gas of rook, of een combinatie van dergelijke verschijnselen tot doel hebben. Dit gebeurt aan de hand van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties. Pyrotechnische of brandladingen worden gebruikt voor afwerpmunitie, geschutmunitie en mortiergranaten. Er zijn geen CE met een pyrotechnische lading of een brandlading binnen de projectlocatie neergekomen.

Witte fosfor Witte fosfor is een geel of witte, wasachtige stof die spontaan ontbrandt op het moment dat ze aan lucht wordt blootgesteld. In aanraking komen met dit materiaal brengt grote risico’s met zich mee en dient te worden voorkomen. De CE die mogelijk aanwezig zijn binnen de projectlocaties kunnen geen witte fosfor bevatten.

5.3

Identificatie uitwerkingsfactoren

Na het in werking treden van een explosief kunnen er verscheidene effecten optreden, die uitwerkingsfactoren worden genoemd. Bij de detonatie van een CE komt een zeer grote hoeveelheid energie vrij. De vrijgekomen energie uit zich in een deel thermische energie (temperatuurtoename) en een deel mechanische energie (luchtdrukwerking, schokgolf en scherfwerking). Bij detonatie kan de luchtdrukwerking, schokgolf en scherfwerking een vernietigende uitwerking hebben op de onmiddellijke omgeving van het detonatiepunt en dodelijk letsel veroorzaken. In deze paragraaf worden de uitwerkingsfactoren van de op basis van het vooronderzoek verwachte CE worden per hoofd-/subsoort (ontsteker/kaliber) en een aantal parameters bepaald:

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 33 van 56

◼ ◼ ◼ ◼

Scherfwerking: NEM13/kaliber – minimale diepte14 (uitgedrukt in meters) Schokgolf: NEM – minimale diepte (uitgedrukt in meters/kracht) Luchtdrukwerking: NEM/kaliber – wel/niet maaiveld (uitgedrukt in meters) Hitte/brand: Kaliber/subsoort – wel/niet maaiveld (uitgedrukt in meters)

Tevens worden de eventuele bijzondere risico’s van CE beschouwd, zoals gevormde lading, witte fosfor en toxiciteit.

Scherfwerking Scherfwerking (fragmentatie) ontstaat doordat bij een explosie de omhulling van een detonerende explosieve stof verscherft en door de drukwerking met een bepaalde snelheid wordt weggeblazen. Scherfwerking wordt onderscheiden in primaire scherven van het lichaam van het explosief zelf en secundaire scherven, afkomstig van het omringende medium, zoals puin en glasscherven. Primaire en secundaire scherfwerking kunnen dodelijk letsel veroorzaken in de directe omgeving van het detonatiepunt. Voor het gebied rond het detonatiepunt, waar een gerede kans bestaat dat men door scherven van het explosief of secundaire scherven wordt getroffen (de schervengevarenzone), zijn richtlijnen opgesteld door de Explosieven Opruimingsdiensten van Defensie in samenwerking met TNO. Hoe dieper het explosief onder het maaiveld is gelegen bij een detonatie en hoe meer de scherfwerking wordt gehinderd door omgevingsfactoren zoals de wanden van een bouwkuip, hoe minder ver de scherven zullen reiken. Alle mogelijk in het projectlocatie aanwezige CE brengen de kans op scherfwerking met zich mee. De mogelijke gevolgen hiervan zijn per CE soort verschillend. Afhankelijk van de locatie binnen het projectlocatie, zoals in de buurt van een fundering of glaswerk, neemt de kans op secundaire scherfwerking toe of af. De uitwerking van een CE is afhankelijk van de diepteligging.

Hoe dieper het explosief is gelegen, hoe minder scherfwerking en luchtdruk er is aan de oppervlakte. De schokgolf die na het detoneren van een CE ontstaat verspreidt zich dan door de bodem. Hierbij kan schade worden aangericht aan ondergrondse infrastructuur, zoals funderingen, heipalen, leidingen en overige bekabeling. Wanneer een CE dichter bij de oppervlakte ligt, is de kans op schade aan bovengrondse infrastructuur en bebouwing uiteraard groter. Hierbij moet worden gedacht aan onherstelbare vernieling van bebouwing tot lichte schade aan objecten. Ook mogelijk dodelijk letsel behoort hiertoe.

Schokgolfwerking Schokgolfwerking is een heftige trilling die ontstaat bij de explosie en zich voortplant door de omringende materie. Hoe dichter deze materie, hoe verder de schokgolf zich zal voortplanten en daardoor op grote afstand leidingen, fundamenten, enz. kan vernielen of beschadigen. Binnen het projectlocatie bevinden zich verschillende soorten bekabeling en fundamenten, ook nadat er (bovengrondse) sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Afhankelijk van het soort CE is de mate van schokgolfwerking te bepalen. Zwaardere CE richten uiteraard grotere schade aan dan kleinere munitie.

Luchtdrukwerking Luchtdrukwerking is een direct gevolg van de uitwerking van een snelle uiteenzetting van de hete, gasvormige reactieproducten die worden gevormd tijdens de explosie. Luchtdruk heeft een effect op het menselijk lichaam

13 14

Netto Explosieve Massa, ook wel aangeduid als Netto Explosief Gewicht (NEG). Diepte van CE ten opzichte van het huidige maaiveld.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 34 van 56

en kan in de directe omgeving van het detonatiepunt grote schade aanrichten, zoals constructies laten instorten en tot op grote afstand ruiten laten springen. In de nabije omgeving van het projectlocatie bevinden zich onder andere woonwijken. Ook nadat er sloopwerkzaamheden binnen het projectlocatie hebben plaatsgevonden, gaat een mogelijke detonatie van een CE gepaard met de kans op schade aan omliggende objecten.

Hitte/brand Bij de detonatie van een CE ontstaat een sterke temperatuurtoename, afhankelijk van het soort springstof. De hete gassen die ontstaan veroorzaken een vuureffect bij contact met zuurstof in de lucht. De scherven die door de scherfwerking ontstaan zijn extreem heet en vormen een risico voor brandgevoelige infrastructuur, zoals gasleidingen. Binnen het projectlocatie bevinden zich verschillende soorten ondergrondse bekabeling. Bij eventuele ruiming van explosieven dient hier rekening mee te worden gehouden.

Gevormde lading, witte fosfor en toxiciteit Een gevormde lading zorgt ervoor dat er op het moment van ontsteking van een CE een enorme kracht in de lengteas van de lading in de richting van de opening wordt uitgeoefend. Witte fosfor is een geel of witte, wasachtige stof die spontaan ontbrandt op het moment dat ze aan lucht wordt blootgesteld. Toxiciteit heeft met de giftigheid van een explosief te maken. Naast Conventionele Explosieven zijn er ook Toxische Explosieven. Deze komen in Nederland niet voor. De CE die mogelijk binnen het projectlocatie aanwezig zijn, bevatten geen gevormde lading (holle lading) en geen witte fosfor.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 35 van 56

6 SCENARIOSTUDIE 6.1

Beoordeling van risico’s

Op basis de voorgaande stappen worden de risico’s beoordeeld, met onderscheid in: ◼

De kans dat CE ongewenst tot uitwerking komen ten gevolge van het project / de projecten; De uitwerkingsfactoren ten gevolge daarvan (ondergrondse en bovengrondse explosies), inclusief de maximale uitwerkingssfeer.

6.2

Scenario’s

◼

In de risicobeoordeling van de uitwerkingsfactoren wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds materiële gevolgen (zoals ondergrondse en bovengrondse infrastructuur en gebouwen) en anderzijds gevolgen voor personen. Op basis van de risicobeoordeling wordt vastgesteld welke van de volgende scenario(‘s) van toepassing kunnen zijn. ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

Scenario I: Er wordt vanwege het project geen uitwerking van de (vermoedelijke) CE verwacht. In dit geval kunnen de werkzaamheden op reguliere wijze worden uitgevoerd. Scenario II: Er wordt vanwege het project uitwerking van de (vermoedelijke) CE verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn aanvaardbaar. Scenario III: Er wordt vanwege het project uitwerking van de (vermoedelijke) CE verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van effectgerichte maatregelen beheersbaar. Scenario IV: Er wordt vanwege het project uitwerking van de (vermoedelijke) CE verwacht, de effecten zijn niet beheersbaar, maar het project kan (gedeeltelijk) worden aangepast. Scenario V: Er wordt vanwege het project uitwerking van de (vermoedelijke) CE verwacht, de effecten zijn niet beheersbaar en het project kan niet (gedeeltelijk) worden aangepast. Opsporen van CE is noodzakelijk.

Scenario I Ter plaatse van de niet verdachte gebieden kunnen de werkzaamheden regulier worden uitgevoerd. Datzelfde geldt voor het verwijderen van de huidige bestrating. Alle bestrating binnen de begrenzing van de projectlocatie is naoorlogs aangelegd. Zodoende kunnen werkzaamheden op deze locaties tot de bodem van het cunet regulier worden uitgevoerd. Er zijn meerdere locaties waar bestrating voor zowel wegen als fietspaden wordt aangelegd op een locatie waar op dit moment al bestrating is aangebracht. Werkzaamheden waarbij niet dieper wordt gegraven dan de naoorlogs geroerde grond kunnen regulier worden uitgevoerd, aangezien hierbij geen verdachte grond wordt geroerd. Denk hierbij aan het uitgraven van nieuwe cunetten voor straten, trottoirs, of fietspaden, maar ook aan het aanleggen van nieuwe grasvelden, groenstroken, of perkjes.

Scenario II Aangezien het gebied verdacht is op onder andere afwerpmunitie van 250, 500 of 1000 lb. zijn de uitwerkingsfactoren niet aanvaardbaar. Dit geldt in ook voor de uitwerkingsfactoren van geschutmunitie met een kaliber van 20 mm. Scenario II dient dus niet in ogenschouw genomen te worden.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 36 van 56

Scenario III Aangezien het gebied verdacht is verklaard op afwerpmunitie van 250, 500 of 1000 lb. en op geschutmunitie met een kaliber van 20 mm zijn de uitwerkingsfactoren onacceptabel en dus is het niet mogelijk om effectgerichte maatregelen te treffen. Detectie en benadering van de CE zijn noodzakelijk alvorens grondroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden binnen de verdachte gebieden.

Scenario IV Het project kan niet (gedeeltelijk) worden aangepast om op deze wijze de uitwerking van de (vermoedelijke) CE beheersbaar te maken. Vrijwel de gehele projectlocatie is verdacht op afwerpmunitie en is daarmee verdacht tot 4 meter – mv. Het is niet mogelijk om door aanpassingen aan het project de verdachte gebieden te vermijden. Detectie en benadering van de CE zijn noodzakelijk alvorens grondroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden binnen de verdachte gebieden.

Scenario V Binnen de op afwerpmunitie verdachte gebieden is de ondergrond verdacht tot 4 meter minus het maaiveld van de Tweede Wereldoorlog. AVG heeft getracht om in kaart te brengen tot welke diepte in ieder geval grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden sinds de Tweede Wereldoorlog. Daaruit is gebleken dat de gehele projectlocatie naoorlogs is veranderd op het spoor, het station en de Elspeterweg 2 na (zie bijlage 9.3). De bodem is ter plaatse van de spoorwegovergang in de Elspeterweg in het verleden wel reeds geroerd. Wanneer bij toekomstige werkzaamheden grond wordt geroerd die sinds de Tweede Wereldoorlog niet is veranderd, dan dient ter plaatse reguliere oppervlaktedetectie uit te worden gevoerd en dienen gemeten verstoringen te worden geanalyseerd en te worden benaderd vanaf het maaiveld. Dit betreft de locaties waar de nieuwe onderdoorgangen worden aangelegd en het pand ter plaatse van de Elspeterweg 2. Ten behoeve van de damwanden van de onderdoorgangen dient vooraf aan het plaatsen van de damwanden door middel van oppervlakte detectie te worden gecontroleerd of er mogelijk afwerpmunitie of boordwapenmunitie aanwezig is. Bij trillen dient de omgeving van de te plaatsen damwand te worden onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van afwerpmunitie of boordwapenmunitie.

Bij drukken dient enkel de locatie waar de damwand wordt ingebracht te worden onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van afwerpmunitie of boordwapenmunitie.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 37 van 56

7 CONCLUSIE EN ADVIES 7.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is met behulp van een gevarieerd aantal bronnen informatie met betrekking tot het projectlocatie vergaard. Het betreft informatie over: Het verrichte vooronderzoek. De directe en nabije omgeving van de locatie, zowel onder- als bovengronds. Werkzaamheden die in het verleden hebben plaatsgevonden en die in de toekomst (mogelijk) zullen plaatsvinden. Invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren van CE. Een scenariostudie.

◼ ◼ ◼ ◼ ◼

In de toekomst wordt de infrastructuur rondom het station te Nunspeet gereconstrueerd om de verkeersdrukte rondom het station te verminderen. Daarbij worden twee onderdoorgangen onder het spoor door aangelegd. Eén ter plaatse van de Elspeterweg, waarbij de Elspeterweg wordt verlegd, en één ter plaatse van het station die enkel voor voetgangers en fietsers toegankelijk zal zijn. Om dit mogelijk te maken moet een groot deel van de huidige bestrating worden verwijderd en dienen enkele gebouwen te worden gesloopt. Er worden nieuwe cunetten en taluds gegraven voor de wegen en fietspaden en er worden twee tunnels gegraven onder het spoor. AVG heeft op voorspraak van ProRail gebruik gemaakt van de concept rekenmethode van Deltares om voor 22 locaties, en voor het gebied in een straal van 35 meter rondom deze locaties, te bepalen wat de maximale indringingsdiepte is van afwerpmunitie die daar in de Tweede Wereldoorlog is afgeworpen. De maaiveldhoogte is niet, of niet noemenswaardig veranderd t.o.v. de Tweede Wereldoorlog en daarom dient rekening te worden gehouden met alle in paragraaf 5.1 behandelde invloeds- en gevaarsfactoren, behalve blootstelling aan de buitenlucht. Daarbij hoeft enkel rekening te worden gehouden met langdurige blootstelling aan de zon. De specifieke wijze van detecteren en benaderen wordt uitgelegd in hoofdstuk 8.

Onderstaande conclusies en adviezen zijn weergegeven op een bovenaanzicht en meerdere dwarsprofielen. Zie hiervoor onderstaande bijlagen: ◼

Bijlage 9.3.3 voor het bovenaanzicht15. Bijlage 9.3.4 voor de dwarsprofielen.

7.2

Conclusie

◼

In onderstaande conclusie wordt per hoofdstuk opgesomd welke conclusie er is getrokken: Analyse vooronderzoek ◼ ◼

15

Op twee kleine locaties na is de hele projectlocatie verdacht op de mogelijke aanwezigheid van afwerpmunitie van 250 t/m 1000 lbs. Een tweede locatie ter plaatse van het station Nunspeet is verdacht op de mogelijke aanwezigheid van boordwapenmunitie.

De locatie van de dwarsprofielen zijn weergegeven op het bovenaanzicht.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 38 van 56

◼ ◼ ◼ ◼

Er kunnen één t/m enkele stuks afwerpmunitie worden aangetroffen. Er kunnen één t/m tientallen stuks boordwapenmunitie worden aangetroffen. De afwerpmunitie kan tot een diepte van 4 meter – mv worden aangetroffen. De boordwapenmunitie kan tot een diepte van 0.5 meter – mv worden aangetroffen.

Omgevingsschets projectlocatie Ter plaatse van de projectlocatie zijn verschillende locatie specifieke omstandigheden die van belang zijn voor de toekomstige werkzaamheden. ◼

◼

◼

◼ ◼

◼

◼

◼ ◼

Kwetsbare infrastructuur: Ter plaatse van de projectlocatie zijn kabels en leidingen aanwezig. AVG gaat ervan uit dat deze kabels en leidingen in een sleuf liggen van 30 centimeter breed op een diepte van maximaal 60 centimeter diep. De wegen rondom het station Nunspeet zijn sinds de Tweede Wereldoorlog ook meerdere malen gereconstrueerd. AVG is ervan uitgegaan dat voor het reconstrueren van de bestaande wegen meer dan eens nieuwe cunetten zijn gegraven, om vervolgens het zandbed te profileren. Omgevingsfactoren: Er zijn ter plaatse van de projectlocatie meerdere objecten aanwezig die mogelijk verstorend kunnen werken tijdens detectiewerkzaamheden. Denk aan de asfaltlaag van bestaande infrastructuur, bestaande bebouwing (Emté supermarkt), aanwezige kabels en leidingen en objecten die te maken hebben met de spoorlijn Harderwijk-Zwolle. Bodemsamenstelling: De bodem ter plaats van de projectlocatie is te onderscheiden in verschillende lagen. Van 8,6 tot 4,6 m +NAP, oftewel vanaf het maaiveld tot een diepte van 4,0 meter, is er sprake van een antropogene laag. Deze bodemlaag is aangetast door de mens wat mogelijk kan duiden op een naoorlogs ontgraving. AVG heeft echter geen andere aanwijzingen dat deze laag in zijn geheel naoorlogs is ontgraven.

Van 4,6 m +NAP tot 5,4 m -NAP, oftewel van 4,0 tot 14,0 meter – mv is sprake van een bodemsamenstelling met de volgende eigenschappen: zand, matig fijn tot matig grof en sterk siltig. Het gaat hier over een locatie specifieke waarneming die niet voor de rest van het projectgebied kan worden gebruikt. Grondwater: De diepte van het freatisch grondwater varieert tussen de 5,15 en de 6,05 m +NAP. Bodemverontreiniging: Hierin wordt geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren ter plaatse van de locaties waar in de toekomst graafwerkzaamheden plaats zullen vinden. In totaal heeft het onderzoeksgebied een oppervlakte van circa 3 hectare. Er zal een verhardingsonderzoek (CROW 210), een asbestonderzoek puinfundatie (NEN 5897), een asbestonderzoek grond (NEN 5707) en een regulier grondonderzoek (NEN5740) worden uitgevoerd. Indien er geen puinfundatie onder de verharding wordt aangetroffen, dan is dit onderzoek niet noodzakelijk. Dit wordt tijdens de uitvoering van het veldwerk bepaald. Wegverharding en bebouwing: Een groot aantal huizen en omliggende grond binnen de projectlocatie is verdacht op asbest. Datzelfde geldt voor de asfaltwegen. Uit onderzoek is gebleken dat de wegen binnen de projectlocatie verdacht zijn op asbest. Archeologie: Er is sprake van een middelhoge archeologische waarde voor het deel van de projectlocatie ten zuiden van de spoorlijn.

Aangezien er geen sprake is van een uitzonderlijke waarde, is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Maaiveld: Het huidige maaiveld kan worden beschouwd als het originele maaiveld zoals dit tijdens de Tweede Wereldoorlog aanwezig was. De maaiveldhoogte varieert van 8,25 tot 11,25 meter +NAP. Sonderingen: AVG heeft 22 sonderingen mogen ontvangen van Royal Haskoning DHV. Ten opzichte van het maaiveld is de maximale indringingsdiepte nergens groter dan 4,10 meter en nergens kleiner dan 2,90 meter. De harde laag bevindt zich overal tussen de 6,00 en de 7,00 meter +NAP. Op twee locaties bevindt de harde laag zich dieper en is de maximale indringingsdiepte daarom ook groter dan het terrein er omheen.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 39 van 56

◼

Naoorlogse verandering: De projectlocatie is naoorlogs vrijwel geheel veranderd. Alleen het gebouw aan de Elspeterweg 2 is gedeeltelijk vooroorlogs aangelegd/gebouwd.

Invloedsfactoren CE ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

Beweging: Graafwerkzaamheden en grondverplaatsing kunnen een uitwerking hebben op de mogelijk aanwezige CE. Grondtrillingen: Grondtrillingen kunnen een uitwerking hebben op de mogelijk aanwezige CE. Toucheren: Toucheren kan invloed hebben op de CE. Brand/verhoogde temperatuur: Brand en/of verhoogde temperaturen kunnen invloed hebben op de mogelijk aanwezige CE. Luchtdruk: Luchtdruk kan een uitwerking hebben op de mogelijk aanwezige CE. Buitenlucht: De buitenlucht heeft geen invloed op de uitwerking van de mogelijk aanwezige CE.

Gevaarfactoren ◼

De explosieve stoffen van de afwerpmunitie en de boordwapenmunitie kunnen in de loop der jaren onstabiel zijn geworden.

Uitwerkingsfactoren Afwerpmunitie en boordwapenmunitie hebben de volgende uitwerking: ◼

Scherfwerking, schokgolfwerking, luchtdrukwerking en hitte en brand.

Scenariostudie

◼

Scenario I: Ter plaatse van de onverdachte locaties. Scenario II: N.v.t. Scenario III: N.v.t. Scenario IV: N.v.t. Scenario V: Het gehele onderzoeksgebied, behalve de onverdachte locaties.

7.3

Advies en aannames

◼ ◼ ◼ ◼

Op basis van bovenstaande waarnemingen heeft AVG de volgende adviezen met betrekking tot de toekomstige grondroerende werkzaamheden. ◼

◼

◼ ◼

◼

Er zijn enkele locaties binnen de projectlocatie waar geen sprake is van een verdacht gebied. Toekomstige grondroerende werkzaamheden kunnen op deze locaties zonder verder onderzoek plaatsvinden (zie bijlage 9.3.3). Bij toekomstige werkzaamheden dient altijd een veiligheidsmarge te worden gehanteerd van 50 centimeter onder de diepste ontgraving wanneer in CE verdacht gebied wordt gewerkt. Als de diepste ontgraving dieper is dan 4,0 m – mv, dan is het niet nodig om deze marge te hanteren (zie bijlage 9.3.4). AVG gaat ervan uit dat de bodem ter plaatse van naoorlogs aangelegde cunetten tot minimaal 80 cm – mv is geroerd en daarom niet langer verdacht is op de mogelijke aanwezigheid van CE. ProRail heeft aangegeven dat het spoorbed eens in de 30 jaar wordt vervangen. Ter plaatse van de aanwezige sporen en ter plaatse van de naoorlogs aangelegde sporen die reeds weer zijn verwijderd heeft AVG daarom een diepte van 73 cm aangehouden als naoorlogs geroerde bodem. Ter plaatse van naoorlogs aangelegde grasvelden, groenstroken, perkjes, trottoirs en fietspaden is dat 30 cm – mv.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 40 van 56

◼

◼

◼ ◼

◼

◼

Naoorlogs aangelegde kabels en leidingen worden doorgaans in sleuven van 30 centimeter breed, op een diepte van 60 cm – mv aangelegd (zie bijlage 9.3.3). Daarom is de bodem ter plaatse van kabels en leidingen tot 60 cm – mv niet langer verdacht op CE uit de Tweede Wereldoorlog. Via een analyse van naoorlogse luchtfoto’s is getracht de naoorlogse bebouwing in beeld te brengen (zie bijlage 9.3.1). Ter plaatse van naoorlogse bebouwing is de bodem tot een diepte van 100 cm – mv niet langer verdacht op CE uit de Tweede Wereldoorlog. AVG gaat er bovendien vanuit dat ter plaatse van gesloopte vooroorlogse bebouwing de bodem tot een diepte van minimaal 100 cm – mv geroerd is en daarom niet langer verdacht is op CE. De spoorwegovergang is sinds de Tweede Wereldoorlog aangepast (vermoedelijk meer dan eens). AVG gaat ervan uit dat hierbij een cunet is gegraven tot minimaal 80 centimeter onder het huidige maaiveld en dat voor de aanleg hiervan 10 meter aan weerszijden van de overgang ontgraven is. Van het spoor is bekend, dat het sinds de Tweede Wereldoorlog meermaals is veranderd. Volgens ProRail is daarom in ieder geval de bovenste 73 centimeter ter plaatse van het spoor geroerd en zodoende niet langer verdacht op de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Ter plaatse van het station hebben na de oorlog enkele reconstructies plaatsgevonden.

AVG heeft bij de verschillende archieven geen brondocumenten gevonden die hier relevante uitspraken over doen. AVG is er daarom vanuit gegaan dat de bodem ter plaatse van het perron in ieder geval 30 centimeter ontgraven is.

Het station van Nunspeet en omgeving is ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog vrijwel volledig veranderd. Op de RA bodembelastingkaart (bijlage 9.3.3) is te zien dat alleen het spoor en een gebouw aan de Elspeterweg 2 reeds voor de Tweede Wereldoorlog zijn aangelegd/gebouwd. ◼ ◼ ◼

Ter plaatse van deze locaties dient via oppervlaktedetectie gedetecteerd te worden vanaf het maaiveld. Het gebouw ter plaatse van de Elspeterweg 2 kan tot het fundament worden afgebroken zolang tijdens de daarbij horende werkzaamheden de bodem onder het gebouw ongeroerd blijft. AVG heeft geen aanwijzingen dat de bodem naast het spoor, alsook een omheinde strook met gras tussen de spoorwegovergang in de Elspeterweg en het station naoorlogs zijn geroerd. AVG is er vanuit gegaan dat op deze locaties sinds de Tweede Wereldoorlog niet of nauwelijks grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dat resulteert in een verdacht gebied vanaf het huidige maaiveld. Bij toekomstige werkzaamheden dient voor iedere grondroerende activiteit in bovengenoemd gebied vanaf het maaiveld gedetecteerd te worden.

AVG heeft de volgende uitgangspunten genomen met betrekking tot de diepte waarop de toekomstige werkzaamheden plaatsvinden: ◼ ◼ ◼

Voor nieuwe cunetten wordt minimaal 80 centimeter grond afgegraven. Voor de aanleg van nieuwe grasvelden, groenstroken, perkjes, trottoirs en fietspaden wordt minimaal 30 centimeter grond afgegraven. De sloop van de Emté supermarkt kan plaatsvinden zonder dat daarbij in eerste instantie aanvullend CE-onderzoek noodzakelijk is. Het pand waarin de Emté zich bevindt is na de Tweede Wereldoorlog gebouwd.

Voor bovenstaande opvattingen geldt, dat voor alle toekomstige grondroerende werkzaamheden die plaatsvinden in de verdachte laag (de bodem tussen de naoorlogs geroerde grond en de onderkant van de op afwerpmunitie verdachte bodem(zie pagina 23)), detectie en mogelijk benadering noodzakelijk is.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 41 van 56

Bij het aanleggen van de twee onderdoorgangen ter plaatse van de Elspeterweg en het station van Nunspeet worden damwanden geplaatst. Er zijn verschillende technieken om de damwanden in te brengen. Deze technieken brengen de volgende gevolgen met zich mee: ◼

◼

◼

Standaard trillen: bij het inbrengen van damwanden via standaard trillen in een verdacht gebied dient rekening te worden gehouden met een risico voor de omgeving van de locatie waar de damwand wordt ingebracht. In een straal van 10 meter rondom de damwand kunnen de trillingen van het inbrengen van de damwand een effect hebben op mogelijk achtergebleven afwerpmunitie. Daarom dient de bodem in een straal van 10 meter rondom de damwand gedetecteerd te worden. Hoogfrequent trillen: bij het inbrengen van damwanden via hoogfrequent trillen in een verdacht gebied dient rekening te worden gehouden met een risico voor de omgeving van de locatie waar de damwand wordt ingebracht. In een straal van 2,5 meter rondom de damwand kunnen de trillingen van het inbrengen van de damwand een effect hebben op mogelijk achtergebleven afwerpmunitie. Daarom dient de bodem in een straal van 2,5 meter rondom de damwand gedetecteerd te worden. Drukken: bij het inbrengen van damwanden via een druktechniek in een verdacht gebied hoeft geen marge aangehouden te worden. Ter plaatse van de locatie van de damwand zelf dient gedetecteerd te worden.

7.4

Leemten in kennis bronnenmateriaal

◼

Bij het opstellen van een RA wordt vanuit beginsel gebruik gemaakt van een of meerdere vooronderzoeken. Bij vooronderzoeken, evenals alle andere historische onderzoeken, kan nooit een volledig overzicht van alle bronnen worden verkregen. Als gevolg daarvan bestaat de mogelijkheid dat er geschikte bronnen aanwezig zijn (geweest), waar de onderzoekers geen gebruik van hebben gemaakt. Informatie die de basis vormt van een RA kan uit gegevens bestaan die voorheen als onbelangrijk of onmeetbaar zijn beschouwd. Dit betekent dat er mogelijk een gebrek bestaat aan historisch materiaal dat relevant is voor een dergelijk onderzoek. Hierbij moet bijvoorbeeld aan maaiveldhoogtes uit het verleden worden gedacht. Om een RA zo volledig mogelijk te kunnen opstellen, is een groot aantal bronnen nodig. Bij het opstellen van een RA is men altijd afhankelijk van het materiaal dat voorhanden is. Er zijn helaas geen tekeningen aanwezig waaruit kan worden opgemaakt tot welke diepte naoorlogse werkzaamheden hebben plaatsgevonden. AVG heeft geen locaties van de dwarsprofielen ontvangen en heeft zelf op basis van de omschrijvingen bepaald waar de dwarsprofielen zich bevinden. Op basis van het bovenaanzicht is de lengte van de taluds bepaald en die zijn ingetekend op de dwarsprofielen. Bovenstaande heeft ook effect op de verhouding tussen de nieuwe en de bestaande hoogte van het maaiveld.

AVG heeft zelf een inschatting gemaakt hoe de nieuwe situatie zich verhoudt tot de bestaande situatie waar dit niet duidelijk is.

◼

◼

◼

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 42 van 56

8 OPSPORINGSFASE CE ONDERZOEK De opsporingsfase omvat het geheel van organisatie en uitvoering binnen het opsporingsgebied van achtereenvolgens:

◼

Werkvoorbereiding; Detecteren, lokaliseren en interpreteren; Laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven; Tijdelijk veiligstellen van de situatie; De overdracht aan de EODD; Proces-verbaal van oplevering.

8.1

Werkvoorbereiding

◼ ◼ ◼ ◼ ◼

Het opsporen van CE is uiteraard niet zonder risico. Het is in het belang van zowel de opdrachtgever, het civiele opsporingsbedrijf, de personen op het projectlocatie als de omgeving dat dit werk zorgvuldig en veilig gebeurt. Daarom moet een gecertificeerd opsporingsbedrijf aan strenge eisen voldoen. Deze eisen zijn geformuleerd in het “Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen van Conventionele Explosieven” (WSCS-OCE). De WSCS-OCE is vastgesteld door het Ministerie van SZW. Gelet op de grote gevaren voor veiligheid en gezondheid van werknemers en andere personen die betrokken zijn bij het opsporen van CE, is in het arbeidsomstandighedenbesluit (art.4.10 lid 2) voorgeschreven dat deze werkzaamheden alleen door WSCS-OCE gecertificeerde bedrijven mogen worden uitgevoerd. Eén van de eisen die de WSCS-OCE stelt, is dat het explosieven opsporingsbedrijf de processen die nodig zijn voor een veilige, deskundige en juiste uitvoering van het project moet identificeren en plannen. Dit houdt in dat de werkvoorbereiding schriftelijk wordt vastgelegd in een projectplan. In het projectplan wordt o.a. aandacht besteed aan: ◼ ◼ ◼ ◼

Verantwoordelijkheden (inclusief vaststelling en goedkeuring projectplan); Samenwerking, identificatie en communicatie met verschillende disciplines; Planning; Documentatie en registraties.

Dit projectplan omschrijft de werkvoorbereiding van het onderzoek naar CE. Hierin wordt aandacht besteed aan: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

Projectorganisatie; Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden; Communicatie; Wijze van uitvoeren; Planning; Veiligheid-, gezondheid- en milieuplan (VGM-plan); Verzekeringen; Certificaten en vergunningen.

Het projectplan dient voor de opdrachtgever en alle bij de uitvoering van een CE onderzoek betrokken partijen te worden opgesteld. Het projectplan moet worden goedgekeurd door het bevoegde gezag (gemeente) in het kader van de verantwoordelijkheden op het gebied van openbare veiligheid.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 43 van 56

Detecteren, interpreteren en lokaliseren Detecteren is het vaststellen van de aanwezigheid van (mogelijke) CE door het met behulp van detectieapparatuur uitvoeren van een meting en de beoordeling van de meetgegevens. Lokaliseren betreft het 3-dimensionaal vaststellen van de ligplaats van gedetecteerde objecten. Na afronding van het detectieonderzoek is bekend of en in welke mate er significante uitslagen zijn gedetecteerd. Een significante uitslag is een gedetecteerde verstoring die doet vermoeden dat er een CE aanwezig is. Op basis van de detectieresultaten kan het opsporingsgebied in drie terreintypen worden opgedeeld: ◼

◼

◼

Dit kunnen gebieden zijn waarvan is vastgesteld dat er geen significante uitslagen aanwezig zijn. In deze gebieden kunnen werkzaamheden tot aan de behaalde onderzoekdiepte veilig en verantwoord worden uitgevoerd. Dit kunnen gebieden zijn met individueel te onderscheiden significante uitslagen. Er wordt geadviseerd om de objecten die deze verstoringen veroorzaken laagsgewijs te ontgraven en te identificeren om vast te stellen of er daadwerkelijk CE aanwezig zijn. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de grondwaterstand en de plaatselijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem en/of het grondwater. Dit kunnen gebieden zijn waarin gedetecteerde verstoringen niet individueel te onderscheiden zijn. Verstoringen beïnvloeden de detectieresultaten dusdanig, dat er op basis van de detectieresultaten geen uitspraken over de aanwezigheid van CE kunnen worden gedaan. De verstoringen kunnen zowel in de omgeving als in de bodem aanwezig zijn. In overleg met verantwoordelijke betrokken zal moeten worden bepaald welke aanvullende onderzoeken nodig zijn om tot een aanvaardbaar veiligheidsrisico te komen.

Laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven Door het laagsgewijs ontgraven wordt het object blootgelegd, waardoor deze kan worden waargenomen. Identificeren betreft het vaststellen of men al dan niet met een explosief te maken heeft en daarna het bepalen van de soort, subsoort, wapeningstoestand, kaliber en nationaliteit van het explosief en eventueel geplaatste ontstekers.

Tijdelijk veiligstellen van de situatie tot aan overdracht aan de EODD Dit betreft alle activiteiten na benadering en identificatie die benodigd zijn om de uitwerkingsrisico’s van het explosief in relatie tot de omgeving te beheersen tot aan het tijdstip van overdracht van het explosief aan de EODD. Er worden bij het tijdelijk veiligstellen van de situatie geen handelingen aan het explosief zelf verricht anders dan het eventueel verplaatsen ervan naar een tijdelijke opslagplaats.

Proces-verbaal van oplevering Na uitvoering van het project dient het terrein conform afspraak te worden opgeleverd. De wijze van opleveren dient te worden omschreven in het projectplan. Indien daarin niets is vermeld, moet het terrein in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht. In dat geval moet er een beschrijving van de oorspronkelijke staat in het projectdossier te zijn opgenomen. Indien na oordeel van de Senior OCE-deskundige de locatie voldoet aan de vastgelegde afspraak, vraagt de organisatie opname van het werk aan bij de opdrachtgever. Voor opneming, goedkeuring en oplevering geldt het U.A.V. 1989.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 44 van 56

8.2

Opsporingstechnieken

Vanaf de Tweede Wereldoorlog wordt het opsporen van CE uitgevoerd middels metaaldetectie. Tegenwoordig zijn er ook andere methoden beschikbaar. In de WSCS-OCE is voorgeschreven dat vooraf moet worden aangetoond dat de in te zetten detectietechniek voor het beoogde onderzoeksdoel geschikt is (validatie). Metaaldetectie kan op basis van het werkingsprincipe in twee hoofdgroepen worden ingedeeld: ◼ ◼

Passieve detectietechniek Actieve detectietechniek

Het is ook mogelijk om explosieven op te sporen middels geofysische detectietechnieken. Voor de locaties, zoals langs het spoor, waar een grote kans bestaat op verstoring van de metaaldetectie prefereert ProRail het gebruik van een detectietechniek die geen hinder ondervindt van ferrohoudende objecten.16 ◼

Grondradar detectie

Passieve detectie Bij passieve detectietechniek worden verstoringen in het aardmagnetisch veld gedetecteerd. De eigenschappen van een passieve detector zijn: ◼ ◼ ◼

Groot detectiebereik (afhankelijk van het type sonde); Gevoelig voor omgevingsfactoren (ferromagnetische verstoringen); Detecteert uitsluitend ferromagnetische verstoringen (geen non-ferro klein kaliber munitie).

Actieve detectie Bij actieve detectietechniek wordt door de detectieapparatuur een eigen magnetisch veld opgewekt waarbij verstoringen in dit veld worden gedetecteerd. De eigenschappen van een actieve detector zijn: ◼ ◼ ◼

Beperkt detectiebereik (afhankelijk van het type detectieapparatuur); Minder gevoelig voor omgevingsfactoren; Detecteert zowel ferro- als non-ferrometalen (wel klein kaliber munitie).

Grondradar detectie Grondradar is een geofysisch meetinstrument dat door middel van het uitzenden en ontvangen van signaalpulsen een grafisch profiel genereert van het medium dat wordt gemeten. Grondradar kan tegelijkertijd op twee frequenties meten: namelijk op 200- en 600MHz. Het voordeel van deze twee frequenties die tegelijkertijd worden opgenomen is, dat de data met elkaar vergeleken kan worden die op dezelfde plek is opgenomen. De hoge frequentie zal meer detail kunnen vastleggen in de ondiepere ondergrond, terwijl de lage frequentie minder detail geeft maar wel dieper kan komen. Afhankelijk van de bodemsoort kan een diepte van tientallen meters worden behaald. De grondradar detectie kan tegelijkertijd op twee frequenties meten: namelijk op 200- en 600MHz. Het voordeel van deze twee frequenties die tegelijkertijd worden opgenomen is, dat de data met elkaar vergeleken

16

AVG maakt in de regel geen gebruik van detectie middels grondradartechnieken. ProRail heeft echter aangegeven deze detectiemethodiek te ondersteunen, vandaar dat de mogelijkheid tot detectie middels grondradartechnieken toch in deze risicoanalyse is opgenomen.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 45 van 56

kan worden die op dezelfde plek is opgenomen. De hoge frequentie zal meer detail kunnen vastleggen in de ondiepere ondergrond, terwijl de lage frequentie minder detail geeft maar wel dieper kan komen.

8.3

Uitvoeringsmethoden

De in paragraaf 8.5 besproken verschillende opsporingstechnieken kunnen op verschillende manieren worden toegepast. In de onderstaande paragraven worden realtime en non-realtime oppervlaktedetectie besproken.

Realtime en non-realtime detectie Detectie kan zowel analoog of computerondersteund worden uitgevoerd: ◼

◼

Bij realtime oppervlaktedetectie worden gedetecteerde verdachte objecten direct benaderd. Een verstoring wordt waargenomen door een visuele weergave op de detectieapparatuur; soms in combinatie met een akoestisch signaal. Deze uitvoeringsmethode is geschikt voor het onderzoeken van kleinere en moeilijk toegankelijke gebieden. Het nadeel ervan is dat de uitvoeringsduur vooraf niet kan worden bepaald en de meetgegevens niet worden vastgelegd. Bij non-realtime oppervlaktedetectie worden de gedetecteerde afwijkingen geregistreerd en opgeslagen in een datalogger. De resultaten worden op een later moment geïnterpreteerd. Tijdens het interpreteren wordt beoordeeld of de verstoringen worden veroorzaakt door de objecten die moeten worden opgespoord. Het is belangrijk dat de koppeling tussen de gedetecteerde meetwaarden en de posities waar deze zijn gedetecteerd nauwkeurig worden vastgelegd. Hoe nauwkeuriger de positie wordt gekoppeld aan de daadwerkelijke meetwaarde in het veld, hoe beter de kwaliteit van de metingen. Voordeel van deze uitvoeringsmethode is dat de uitvoeringsduur van de detectie en in een latere fase ook het benaderen van gedetecteerde significante objecten vrij nauwkeurig is te bepalen. Een computerondersteunde detectie geeft iedereen inzicht in de detectieresultaten.

Oppervlaktedetectie Passieve en actieve detectietechnieken kunnen beide door middel van oppervlaktedetectie worden toegepast: ◼

◼

Bij oppervlaktedetectie met magnetometers wordt er vanaf de oppervlakte gedetecteerd. Het meetbereik is hierdoor beperkt tot maximaal 4,5 à 5 meter. Hierbij moet rekening worden gehouden met andere (ferro-houdende) verstoringen. Voor een onderzoek binnen het werkgebied kunnen kabels en leidingen, spoorstaven, ballast, bovenleiding(portalen), seinen en andere spoor gerelateerde objecten de oppervlaktedetectie verstoren. Bij oppervlaktedetectie met actieve detectoren wordt er vanaf de oppervlakte gedetecteerd. Het meetbereik is hierdoor beperkt tot maximaal 30 tot 50 centimeter.

Dieptedetectie Op de locaties waar damwanden worden aangebracht, dieper dan de 4,00 meter -mv, dient te worden onderzocht tussen 4,00 meter -mv en de bodemlaag die als de maximale indringingsdiepte is bepaald (zie pagina 23). Door middel van een sondeer/magnetometerconus worden ter plaatse van de damwanden sonderingen geplaatst tot de gewenste diepte. Deze sonderingen worden realtime geplaatst. Dat wil zeggen dat tijdens het drukken van de sondeerconus direct de meetdata van de magnetometer wordt bekeken om eventuele naderende objecten waar te kunnen nemen. Indien tijdens het sonderen een object wordt waargenomen, die overeenkomt met de mogelijk aan te treffen explosieven, wordt de sondering stopgezet. Als er na de oorlog reeds sprake is geweest van grondroerende werkzaamheden dan hoeft deze bodemlaag

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 46 van 56

niet te worden onderzocht (zie paragraaf 9.6.3.). De sondeergaten behoeven na afloop van de sondering niet te worden aangevuld.

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 47 van 56

9 BIJLAGEN 9.1

Bronnenlijst en geraadpleegde instanties Archieven

◼ ◼

Gemeentearchief Nunspeet (Brabants Historisch Informatiecentrum) Archief AVG

Literatuur en rapporten ◼ ◼

Royal HaskoningDHV, Concept tekening dwarsdoorsneden Stationsgebied Nunspeet: Onderdoorgang Elspeterweg, d.d. 13-06-2019, projectnummer: BG4029-DR-CO-CD-1000 Royal HaskoningDHV, Concept tekening bovenaanzicht Stationsgebied Nunspeet: Onderdoorgang Elspeterweg, d.d. 29-03-2019 (herziene versie: datum onbekend), projectnummer: BG4029-DR-COCD-1001

Websites ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), http://www.ahn.nl/index.html Atlas Leefomgeving, http://www.atlasleefomgeving.nl/ Bodemloket, https://www.bodemloket.nl/kaart?search=nunspeet#181852,486836,182377,487298 Dinoloket, https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen Kadaster, https://www.kadaster.nl/Kabels-en-leidingen Topotijdreis, http://www.topotijdreis.nl/

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 48 van 56

9.2

Certificaat WSCS-OCE

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 49 van 56

9.3

Kaarten en tekeningen projectlocaties

◼

9.3.1: Luchtfotocollage: 1944 – 1962 – 1989 – 2005 9.3.2: Naoorlogse veranderingen 9.3.3: Bovenaanzicht gehele projectlocatie 9.3.4: Principeprofielen 9.3.5: Bodemvervuiling

◼ ◼ ◼ ◼

1962078-RA-02

Nunspeet Onderdoorgangen Station

Pagina 50 van 56

9.3.1 - LUCHTFOTO OVERZICHT 1945 - HEDEN - NUNSPEET ONDERDOORGANGEN STATION NS 1945

1962

1989

2005

Esri Nederland, beeldmateriaal.nl

LEGENDA Onderzoeksgebied

0

50

100

200

300 Meter

±

9.3.2 - NAOORLOGSE VERANDERINGEN - NUNSPEET ONDERDOORGANGEN STATION NS

Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1945 1:192.000), TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000)

Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1970 1:192.000), TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000)

Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1990 1:192.000), TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000)

2019

© 2009 OpenStreetMap

LEGENDA Onderzoeksgebied

0

50 100

200

300 Meter

±

© OpenStreetMap (and) contributors, CC-BY-SA LEGENDA

Onderzoeksgebied Risicoanalyse Dwarsprofielen locaties

DP14

Bestektekening projectgebied Werkzaamheden regulier uitvoeren CE-onderzoek vanaf maaiveld CE-onderzoek vanaf 100 cm -mv CE-onderzoek vanaf 80 cm -mv CE-onderzoek vanaf 73 cm -BS

DP13

CE-onderzoek vanaf onderzijde (voormalig) spoorbed CE-onderzoek vanaf 30 cm -mv

DP

CE-onderzoek vanaf 60 cm -mv

17

D P7

DP15

DP16

DP11

DP12

DP8 DP 9

DP 4

DP1 0

D P3

DP 2

D P6

DP1

0

Esri Nederland, beeldmateriaal.nl

10

20

40 Meter

PROJECTNUMMER: TEKENINGNUMMER: FORMAAT: GETEKEND DOOR: DATUM: OPDRACHTGEVER: VOOR AKKOORD:

1962078 BBK RA 2 A2 GdB 17-11-2020 Gemeente Nunspeet MAA

Vestiging Kaatsheuvel: Veerweg 10 5171 PW Kaatsheuvel 0416-700220

Vestiging Heijen: De Grens 7 6598 DK Heijen 0485-802010

Email: eo@avg.eu Web: www.avg.eu

1.0

G. den Braven

M.A. Abee

M.A. Abee

17-11-2020

omschrijving

getekend

gecontroleerd

akkoord

datum

opdrachtgever

Gemeente Nunspeet Royal HaskoningDHV project

STATIONSGEBIED NUNSPEET Nunspeet Onderdoorgangen Station omschrijving

Omgeving Nunspeet Station Principeprofielen

AVG Explosieven Opsporing Nederland

documentstatus

Definitief formaat

A0 (841x1260)

schaal

1:150

fase

RA

bladnr.

van

01

01

documentversie

1.0

projectnummer / tekeningnummer

1962078-RA-DP-02

Filename : X:\afd-eo-vo-projecten\Projecten_2019\1962078 Nunspeet Station\5 GIS\GIS Dwarsprofielen\Principeprofielen Nunspeet Onderdoorgangen Station.dwg

revisie

Infra Bouwstoffen Transport Explosieven Opsporing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11531292/1