AP 6c. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 20 Onderzoek Niet Gesprongen Explosieven
Tekst van het document
Luchtfoto van Nunspeet station uit 1944. Bron: Kadaster Zwolle, 106G-2750-4129 d.d. 10 september 1944.
RISICOANALYSE Nunspeet Onderdoorgangen Station
OPDRACHTGEVER
: Gemeente Nunspeet
LOCATIE
: Nunspeet Station
ONS PROJECTNR.
: 1962078
UW PROJECTNR.
: BG4029-DR-CO-CD
VERSIE
: RA-02, Definitief, opgesteld conform de WSCS-OCE versie juli 2016
DATUM
: 17-11-2020
AVG Explosieven Opsporing Nederland Vestiging Heijen De Grens 7 NL-6598 DK Heijen T +31 48 580 2010 F +31 48 580 2084
Vestiging Kaatsheuvel Veerweg 10 NL-5171 PW Kaatsheuvel T +31 41 6700 220
eo@avg.eu www.explosievenopsporing.com KvK 1202942
Distributielijst ◼ ◼
Gemeente Nunspeet AVG Explosieven Opsporing Nederland
Dit document is bestemd voor de opdrachtgever. Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Rapport
1962078-RA-02
Naam
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Versie
RA-01, Concept, opgesteld conform de WSCS-OCE versie juli 2016
Datum
17-11-2019
Vrijgegeven door:
Menno Abee (afdelingshoofd OCE)
Paraaf:
Vrijgegeven door:
Jeffry van den Bout (Coördinator OCE / senior OCE-deskundige)
Paraaf:
Opgesteld door:
Gijs den Braven MA (historicus)
Paraaf:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. (Artikel 16 Auteurswet 1912). Het is de opdrachtgever toegestaan voor intern gebruik kopieën te maken zonder voorafgaande toestemming van de auteur.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 1 van 56
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
8
Inleiding....................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding en doelstelling ..................................................................................................... 4
1.2
Vaststellen projectlocatie ....................................................................................................... 4
1.3
Relevante wet- en regelgeving OCE ...................................................................................... 6
1.4
Uitgangspunten RA ............................................................................................................... 7
1.5
Gebiedsbenamingen ............................................................................................................ 7
1.6
Verantwoording .................................................................................................................... 8
1.7
Leeswijzer ............................................................................................................................ 8
Analyse eerder uitgevoerd vooronderzoek ....................................................................................... 9 2.1
INLEIDING.............................................................................................................................. 9
2.2
Soort en verschijningsvorm explosieven ................................................................................ 11
2.3
Aantal mogelijk aan te treffen explosieven ............................................................................ 11
2.4
Horizontale en verticale afbakening ..................................................................................... 11
Omgevingsschets projectlocatie ................................................................................................... 13 3.1
INLEIDING............................................................................................................................ 13
3.2
Locatiespecifieke omstandigheden ....................................................................................... 13
3.3
Relevante naoorlogse ontwikkelingen ................................................................................... 25
Definitie project .......................................................................................................................... 28 4.1
Inleiding ............................................................................................................................ 28
4.2
Normale gebruiksfunctie ..................................................................................................... 28
Invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren CE ............................................................................... 31 5.1
Identificatie invloedsfactoren ................................................................................................ 31
5.2
Studie gevaarsfactoren ........................................................................................................ 32
5.3
Identificatie uitwerkingsfactoren ........................................................................................... 33
Scenariostudie ............................................................................................................................ 36 6.1
Beoordeling van risico’s ...................................................................................................... 36
6.2
Scenario’s .......................................................................................................................... 36
Conclusie en Advies .................................................................................................................... 38 7.1
Inleiding ............................................................................................................................ 38
7.2
Conclusie .......................................................................................................................... 38
7.3
Advies en aannames ........................................................................................................... 40
7.4
Leemten in kennis bronnenmateriaal .................................................................................... 42
Opsporingsfase CE onderzoek ..................................................................................................... 43 8.1
Werkvoorbereiding ............................................................................................................. 43
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 2 van 56
9
8.2
Opsporingstechnieken ........................................................................................................ 45
8.3
Uitvoeringsmethoden .......................................................................................................... 46
Bijlagen ..................................................................................................................................... 48 9.1
Bronnenlijst en geraadpleegde instanties .............................................................................. 48
9.2
Certificaat WSCS-OCE ....................................................................................................... 49
9.3
Kaarten en tekeningen projectlocaties .................................................................................. 50
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 3 van 56
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding en doelstelling
In Nunspeet wordt de infrastructuur rondom het station opnieuw ingericht om twee nieuwe onderdoorgangen onder het spoor te realiseren. Een onderdoorgang wordt gerealiseerd ten westen van de huidige overweg (Elspeterweg) rond kilometrering 61.0 en een onderdoorgang voor fietsers wordt gerealiseerd onder het station op kilometrering 61.2.1 Uit het vooronderzoek Nunspeet onderdoorgangen station NS, opgesteld door AVG op 24 mei 2019 met kenmerk 1962078-VO-01, blijkt dat de projectlocatie deels verdacht is op conventionele explosieven (hierna: CE). De Gemeente Nunspeet heeft AVG gevraagd een risicoanalyse (hierna: RA) uit te voeren om te beoordelen of de toekomstige werkzaamheden invloed hebben op het verdachte gebied. Indien er veranderingen hebben plaatsgevonden, wordt bekeken of en op welke wijze deze werkzaamheden zo efficiënt en pragmatisch mogelijk kunnen worden uitgevoerd. Op pagina 10 is het onderzoeksgebied met de CE verdachte gebieden uit het vooronderzoek weergegeven. Indien één of meerdere CE in de bodem zijn achtergebleven, vormt dat een risico in de uitvoeringsfase van het project. De kans dat een CE ongecontroleerd tot explosie komt door effecten die kunnen optreden bij werkzaamheden is gering. Het effect is echter in de meeste gevallen groot. Achtergebleven CE vormen een risico voor: ◼ ◼ ◼
De openbare veiligheid. Het betrokken personeel (Arbo-veiligheid). Bestaande infrastructuur.
Daarnaast verhoogt het aantreffen van CE de kans op onrust en kostenverhogingen door stagnatie van werkzaamheden. In deze RA willen wij de meest pragmatische en efficiënte manier van onderzoek omschrijven waarmee de risico’s die met explosieven gepaard gaan zo veel mogelijk kunnen worden beperkt.
1.2
Vaststellen projectlocatie
In overleg met de opdrachtgever is het projectlocatie als volgt vastgesteld. Het projectlocatie betreft de volgende straten: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼
Nijverheidsweg Elspeterweg Industrieweg F.A. Molijnlaan Aansluiting Stationsplein Aansluiting Stationslaan
Mailwisseling dhr. M. Abee en dhr. J. Juk, 3 april 2019 m.b.t. ‘Vervolg onderzoek Nunspeet verkleinen CE verdachte gebieden’. 1
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 4 van 56
1.3
Relevante wet- en regelgeving OCE
De Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet) is een Nederlandse wet die regels bevat voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandige ondernemers te bevorderen. Doel is om ongevallen en ziekten veroorzaakt door het werk te voorkomen. De Arbowet is een kaderwet. Dat betekent dat hierin geen concrete regels staan, maar algemene bepalingen en richtlijnen over het arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid). Arbo-wetgeving valt uiteen in vier delen: ◼ ◼ ◼ ◼
De Arbeidsomstandighedenwet Het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) De Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbobeleidsregels)
Vanaf 1994 geldt vanuit de Arbowet voor alle werkzaamheden een wettelijke verplichting om voorafgaand aan werkzaamheden een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) uit te voeren om te bepalen of er tijdens de uitvoeringsfase van een project risico´s zijn te verwachten. Zo ja, dan dient te worden bepaald hoe risico’s kunnen worden weggenomen of kunnen worden teruggebracht naar een aanvaardbaar veiligheidsniveau. De belangrijkste regelgeving met betrekking tot het opsporen van CE volgt uit artikel 4.10 van het Arbobesluit (Staatsblad 2006, nummer 142). Hierin staat omschreven dat bedrijven die werkzaamheden samenhangende met het opsporen van CE verrichten, in het bezit van een procescertificaat opsporen conventionele explosieven dienen te zijn. Dit besluit is met ingang van 31 december 2006 (Staatsblad 2006, nummer 715) in werking getreden. Vanaf 1 juli 2012 is de BRL-OCE vervangen door het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). De doelstelling van dit certificatieschema is drieledig. Het dient te bewerkstelligen dat: ◼ ◼ ◼
Risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; Risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid worden gewaarborgd; Het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt/worden uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in een proces-verbaal van oplevering).
In de WSCS-OCE worden aan het opsporen van CE eisen gesteld. Het opsporen van CE omvat het geheel van organisatie en uitvoering binnen het opsporingsgebied van: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼
Detecteren, lokaliseren en interpreteren; Laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven; Tijdelijk veiligstellen van de situatie; De overdracht aan de EODD; Proces-verbaal van oplevering.
In juli 2013 is door de Vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) een conceptmethode Projectgebonden Risicoanalyse opgesteld (3VEO-CER.07024.V). In deze conceptmethode worden enkele aspecten samenhangende met de RA en de positie van de RA in het opsporingsproces toegelicht. De betreffende methode is mede voor deze RA gehanteerd.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 6 van 56
1.4
Uitgangspunten RA
Deze RA heeft de volgende uitgangspunten: ◼ ◼ ◼
◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼
Er vindt een analyse van eerder uitgevoerde vooronderzoeken met betrekking tot het vastgestelde projectlocatie plaats. Aan de hand van deze analyse wordt de horizontale en verticale afbakening van het projectlocatie (indien mogelijk) nader verfijnd aan de hand van contra-indicaties. De verdachte gebieden worden in verticale zin afgebakend, waarbij onder andere aandacht aan de maximale indringingsdiepte van CE wordt besteed. Dit wordt gedaan met behulp van de verkregen sonderingsgegevens en de onlangs uitgebrachte (concept)rekenmethode. De geplande civieltechnische werkzaamheden worden geïnventariseerd en beoordeeld. De locatiespecifieke omstandigheden worden geïnventariseerd, onder andere door middel van een locatiebezoek. Recente satellietbeelden, luchtfoto’s en de GBKN van de projectlocatie worden met luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog vergeleken om goed zicht te krijgen op naoorlogse bodemingrepen. Er wordt op de risico’s van de vermoedelijke CE in relatie tot het toekomstige gebruik van de locatie ingegaan. Er wordt een advies met betrekking tot de noodzaak om wel/niet over te gaan op de opsporing van CE uitgebracht. Indien er noodzaak is om tot het uitvoeren van opsporingswerkzaamheden over te gaan, wordt een advies gegeven over welke opsporingsmethode voor de omschreven werkzaamheden als meest doeltreffend wordt gezien.
Uitgangspunten m.b.t. de gebruikte principeprofielen AVG heeft enkel dwarsprofielen van de nieuwe situatie ontvangen en niet van de bestaande situatie. Daardoor waren wij genoodzaakt zelf te bepalen hoe de bestaande situatie ter plaatse van de dwarsprofielen er uit ziet en hebben wij zelf metingen gedaan met betrekking tot maaiveldhoogtes en andere afstanden. Wij willen benadrukken dat de conclusies en adviezen van deze risicoanalyse afgestemd zijn op de aangeleverde ontwerptekeningen. Vanwege bovenstaande is het mogelijk dat de werkelijke situatie niet één op één overeenkomt met wat er op de door AVG gemaakte kaarten en dwarsprofielen staat weergegeven. Hiermee dient rekening te worden gehouden tijdens de vervolgwerkzaamheden.
1.5
Gebiedsbenamingen
Binnen deze RA wordt van verschillende gebiedsbenamingen gebruik gemaakt. Het betreft de volgende benamingen: ◼ ◼ ◼
Onderzoeksgebied: Het gebied dat is gehanteerd in het vooronderzoek. Het onderzoeksgebied omvat in de regel een groter gebied dan het uiteindelijke civieltechnische werkgebied. Projectlocatie: Het gebied dat is gehanteerd in de risicoanalyse. Dit is het gebied waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden. CE verdachte gebied: Het gebied dat uit het vooronderzoek naar voren is gekomen als verdacht op conventionele explosieven. Binnen het CE verdachte gebied dient vooraf aan grondroerende werkzaamheden een explosievenonderzoek plaats te vinden.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 7 van 56
1.6
Verantwoording
De risicoanalyse is tot stand gekomen dankzij de volgende personen: ◼ ◼ ◼
Dhr. G. den Braven MA (historicus/risico analyticus): opstellen van de RA Dhr. M.A. Abee (manager OCE/civiel technicus): interne beoordeling opzet en inhoud rapportage Dhr. J. van den Bout (coördinator OCE / senior OCE-deskundige): interne beoordeling inhoud rapportage
1.7
Leeswijzer
◼
Hoofdstuk 2 bevat een analyse van een eerder uitgevoerd vooronderzoek. Er wordt nagegaan of dit vooronderzoek aan de eisen conform paragraaf 6.5 van de WSCS-OCE voldoet. In hoofdstuk 3 wordt een omgevingsschets van het projectlocatie weergegeven. De definitie van het project, met daarin de identificatie van het toekomstige gebruik van de locatie wordt in hoofdstuk 4 behandeld. In hoofdstuk 5 worden de invloeds-, gevaar- en uitwerkingsfactoren besproken. Hoofdstuk 6 voorziet in een overzicht van de vijf verschillende scenario’s, inclusief argumentatie. De rapportage van de bevindingen is in hoofdstuk 7 terug te vinden. De bijlagen inclusief RA CE Bodembelastingkaart (bovenaanzicht) in hoofdstuk 8 sluiten deze RA af.
◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 8 van 56
2 ANALYSE EERDER UITGEVOERD VOORONDERZOEK 2.1
INLEIDING
Als basis voor de RA dienen de resultaten van het vooronderzoek Nunspeet onderdoorgangen station NS, d.d. 24-05-2019, kenmerk: 1962078-VO-01, uitgevoerd conform paragraaf 6.5 van het WSCS-OCE. Er wordt nagegaan of de volgende zaken in het vooronderzoek aan de orde zijn geweest: ◼ ◼ ◼
Verticale afbakening van het verdachte gebied (maximale indringingsdiepte); Inventarisatie van aantal, soort, sub-soort en verschijningsvorm van vermoedelijke CE; Onderzoek naar de mogelijke (contra-)indicaties met betrekking tot de periode 1945-heden (naoorlogse ontwikkelingen).
Zo niet, dan zijn de hierboven genoemde zaken in deze RA geanalyseerd en verwerkt. Op pagina 10 is de projectlocatie geprojecteerd op de CE Bodembelastingkaart van het vooronderzoek, zodat te zien is waar de CE verdachte gebieden zich bevinden.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 9 van 56
© OpenStreetMap (and) contributors, CC-BY-SA LEGENDA
Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Risicoanalyse Verdacht gebied afwerpmunitie Verdacht gebied boordwapenmunitie
B1 en B2
B3
B4
De nummers naast de symbolen op de kaart verwijzen naar de feitentabel in het vooronderzoek.
0
12,5 25
50 Meter
PROJECTNUMMER: TEKENINGNUMMER: FORMAAT: GETEKEND DOOR: DATUM: OPDRACHTGEVER: VOOR AKKOORD:
Esri Nederland, Community Map Contributors
Vestiging Kaatsheuvel: Veerweg 10 5171 PW Kaatsheuvel 0416-700220
1962078 BBK VO 2 A2 GdB 16-11-2020 Gemeente Nunspeet MAA
Vestiging Heijen: De Grens 7 6598 DK Heijen 0485-802010
Email: eo@avg.eu Web: www.avg.eu
2.2
Soort en verschijningsvorm explosieven
De resultaten van het vooronderzoek zijn in de onderstaande paragraaf weergegeven. Daarnaast staat in deze paragraaf welke soorten CE in de bodem aanwezig kunnen zijn en in welke vorm zij kunnen worden aangetroffen.
Tactische luchtaanvallen De geraadpleegde bronnen maken melding van de volgende gevechtshandelingen: ◼ ◼
De afworp van geallieerde vliegtuigbommen met een gewicht van 250 lb., 500 lb. en 1000 lb. Er was sprake van tactische duikbombardementen. Beschietingen met vliegtuigboordwapenmunitie.
De volgende soorten CE zijn als gevolg van de bovengenoemde gevechtshandelingen mogelijk in de bodem aanwezig: Soort explosief
Nationaliteit
Subsoort
Verschijningsvorm
Afwerpmunitie
Geallieerd
250 lb., 500 lb. 1000 lb. (Geallieerd)
Afgeworpen
Vliegtuigboordwapenmunitie
Geallieerd
20 mm
Verschoten
2.3
Aantal mogelijk aan te treffen explosieven
De volgende aantallen CE kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen. E.e.a. is gebaseerd op een inschatting van AVG, omdat er in de (historische) bronnen geen exacte aantallen worden genoemd: Soort explosief
Aantal mogelijk aan te treffen explosieven
Afwerpmunitie
Eén t/m enkele
Vliegtuigboordwapenmunitie
Eén t/m tientallen
2.4
Horizontale en verticale afbakening
De verdachte gebieden die in deze paragraaf worden besproken zijn ingetekend op de CEbodembelastingkaart (zie pagina 10). In de volgende deelparagraaf wordt de begrenzing van ieder verdacht gebied besproken en gemotiveerd.
Verdachte locaties afwerpmunitie en vliegtuigboordwapenmunitie Dit betreft de locaties die in de Tweede Wereldoorlog het doelwit zijn geweest van tactische luchtaanvallen. Het volgende onderscheid wordt gemaakt: ◼ ◼ ◼
Tactische luchtaanvallen op een pin point target Tactische luchtaanvallen op een line target Vliegtuigbeschietingen
Afwerpmunitie van 250 en 500 lb. kan volgens het vooronderzoek in de vastgestelde verdachte gebieden worden aangetroffen tot een maximale conusweerstand van 10 MPa met een minimale laagdikte van 1 meter.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 11 van 56
In paragraaf 3.2.8 wordt dieper ingegaan op sonderingen die AVG heeft aangetroffen m.b.t. de projectlocatie. In deze paragraaf is de Deltares methode gebruikt om de maximale indringingsdiepte te bepalen. Het op vliegtuigboordwapenmunitie (geschutgranaten afgevuurd door vliegtuigen) CE verdachte gebied is situationeel afgebakend, omdat er in de WSCS-OCE niets specifieks over vliegtuigbeschietingen wordt genoemd. De afbakening is als volgt op basis van kennis/ervaring van AVG vastgesteld: AVG heeft een afbakening toegepast met een buffer van 25 meter aan weerszijde van het spoor. Vliegtuigboordwapenmunitie kan tot maximaal 0,5 meter minus het maaiveld uit de Tweede Wereldoorlog zijn ingedrongen (AVG beschikt niet over gegevens betreffende de maaiveldhoogte t.o.v. het NAP van het desbetreffende CE verdachte gebied in de Tweede Wereldoorlog).
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 12 van 56
3 OMGEVINGSSCHETS PROJECTLOCATIE 3.1
INLEIDING
In dit hoofdstuk worden de voor de RA relevante locatie specifieke omstandigheden besproken. Hierbij worden de volgende onderwerpen behandeld: ◼ ◼ ◼ ◼
Aanwezigheid van ondergrondse en bovengrondse kwetsbare infrastructuur; Omgevingsfactoren die een detectieonderzoek kunnen verstoren of hinderen; Grondwaterpeil en (water)bodemsoort, en in geval van waterbodem de waterdiepte; Beschikbare informatie over bodemverontreiniging en te verwachten archeologische vondsten.
In de volgende paragraaf worden bovenstaande onderwerpen met betrekking tot het projectlocatie nader toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op eventuele relevante naoorlogse ontwikkelingen in het projectlocatie.
3.2
Locatiespecifieke omstandigheden Kwetsbare infrastructuur
Infrastructuur betreft de voorzieningen die nodig zijn om een samenleving in de brede zin van het woord, zoals op landelijk of lokaal niveau, bedrijven en instellingen, goed te kunnen laten functioneren. Het gaat hierbij om boven- en ondergronds verbindingen, op land en in de lucht. In het geval van kwetsbare infrastructuur moet met name worden gedacht aan wegen, bekabeling voor verschillende doeleinden, riolering en drinkwaterleidingen. Deze infrastructuur kan een grote invloed hebben op de uitvoering van detectieonderzoek en de resultaten die daaraan worden verbonden. Kabels en leidingen Binnen een verdacht gebied waar naoorlogse leidingen zijn gesitueerd en waar grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden is het van belang om te weten wat voor soort ondergrondse kwetsbare infrastructuur aldaar aanwezig is. Aan de hand van deze informatie kan worden ingeschat hoe groot de uitgegraven sleuf is rondom de leidingen en in welke mate de leidingen op detectiewerkzaamheden van invloed zijn. Dit laatste heeft te maken het verstorend magnetisch moment van de ijzerhoudende leidingen. Het is bekend dat er in de bodem ter plaatse van het projectlocatie bekabeling aanwezig is.
Het betreft verschillende spanningskabels (laag en midden) van Liander, ProRail en de Gemeente Nunspeet, databekabeling (KPN, ProRail, Ziggo, BT Nederland, Eurofiber, Reggefiber Oper, CAI Harderwijk, Liander en Relined), gasleidingen van Liander, waterleidingen van Vitens en riolering van Prorail en de gemeente Nunspeet. Op de volgende pagina is een kaart weergegeven waarop de complete infrastructuur te zien is voor de gehele projectlocatie. Tijdens toekomstige bodemingrepen dient op voorzichtige wijze met dergelijke kwetsbare infrastructuur te worden omgegaan. Verkeerd ingrijpen kan grote schade aanrichten, zowel lichamelijk als materieel, met alle gevolgen van dien. Op de volgende pagina is een kaart met daarop de bestaande kabels en leidingen weergegeven. AVG gaat ervan uit dat deze kabels en leidingen zijn aangelegd in een sleuf van maximaal 60 centimeter diep en 30 centimeter breed. Deze sleuven zijn meegenomen als onverdacht gebied op de RA bodembelastingkaart (bovenaanzicht) in bijlage 9.3.3.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 13 van 56
Wegverharding Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog warem er rondom het station van Nunspeet reeds een aantal wegen aanwezig. De Industrieweg, de Nijverheidsweg, de Elspeterweg, de F.A. Molijnlaan en de Plesmanlaan waren reeds aanwezig. Deze wegen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog in verschillende fasen echter drastisch gereconstrueerd. AVG is ervan uitgegaan dat voor het reconstrueren van de bestaande wegen meer dan eens nieuwe cunetten zijn gegraven, om vervolgens het zandbed te profileren. Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog was er een klinkerverharding aanwezig op bovengenoemde wegen (zie afbeelding 1.1 ter illustratie). Later, vermoedelijk in de jaren ’70, zijn deze wegen verbreed en geasfalteerd (zie afbeelding 1.2). Begin jaren ‘90 zijn de wegen nogmaals gereconstrueerd en zijn er bovendien rotondes aangelegd.
Afbeelding 1.1 – De Elspeterweg ter plaatse van de spoorwegovergang vóór W.O. 2. (Bron: Beeldbank Streekarchivaat Noordwest-Veluwe)
Afbeelding 1.2 – De Elspeterweg ter plaatse van de spoorwegovergang in de jaren ’70. (Bron: Beeldbank Streekarchivaat Noordwest-Veluwe)
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 14 van 56
Omgevingsfactoren Omgevingsfactoren zijn potentieel risicovolle objecten of situaties en kunnen een detectieonderzoek verstoren of verhinderen. Een analyse van de projectlocatie heeft aangetoond dat dergelijke omgevingsfactoren daar aanwezig zijn. Voordat met detectiewerkzaamheden kan worden aangevangen, is het noodzakelijk dat de detectieverstorende elementen zijn verwijderd. Ter plaatse van de nieuw aan te leggen infrastructuur en de onderdoorgangen is op dit moment reeds verharding aanwezig. Tevens is er bebouwing aanwezig in de vorm van een Emté Supermarkt ter plaatse van een deel van de nieuw aan te brengen verharding. Voordat de nieuwe bestrating kan worden aangebracht dient de huidige bebouwing en de bestaande bestrating te worden verwijderd. Het is van belang om te achterhalen of de huidige bestrating er al voor de Tweede Wereldoorlog lag. Als dat het geval is dan dient deze ter plaatse van de verdachte gebieden eerst onderzocht te worden, voordat de grondroerende werkzaamheden worden aangevangen. De kabels en leidingen die zich onder de grond bevinden kunnen ook het detectieonderzoek verstoren. Datzelfde geldt voor objecten op het maaiveld. Denk daarbij aan bijvoorbeeld: hekwerk, lantaarnpalen, verkeersborden en andere objecten die mogelijk verstorend werken bij detectie.
Ter plaatse van de spoorlijn Zwolle-Harderwijk is een groot aantal objecten aanwezig die verstoringen kunnen veroorzaken tijdens detectiewerkzaamheden. Zo kunnen de aanwezige bovenleiding, de portalen, spoorstaven en ballast invloed hebben op de detectiedata.
Grondwaterpeil en (water)bodemsoort Het Nederlandse landschap heeft in de loop der duizenden jaren zijn vorm gekregen en is erg gevarieerd. Binnen Nederland zijn er verschillende landschappelijke zones te onderscheiden, geordend op basis van de aard van het landschap. De aard van het landschap brengt mogelijkheden en beperkingen met zich mee, die invloed op het gebruik van het landschap hebben. De Atlas Leefomgeving deelt de omgeving van de projectlocatie in de gemeente Nunspeet grofweg in, in de Fysisch Geografische Regio “Hogere zandgronden”.2 Royal HaskoningDHV heeft in 2019 uitgebreid onderzoek gedaan naar de bodemgesteldheid. De bodem in het plangebied bestaat uit matig grof tot uiterst grof (210-2000 µm) zand en is zwak tot sterk grindhoudend. Daarnaast bevat de bodem plaatselijk klei en leemlagen. Het maaiveld binnen het plangebied ligt gemiddeld op een hoogte van 8,6 m t.o.v. NAP. De regionale bodemopbouw is weergegeven op afbeelding 2.3 Daarbij kwam naar voren dat de volgende bodemlagen ter plaatse van de projectlocatie te onderscheiden zijn: ◼ ◼
Van 8,6 – 4,6 m +NAP: Vanaf het maaiveld tot een diepte van 4,0 m is er sprake van een antropogene laag. Van 4,6 m + NAP tot 5,4 m – NAP: Van 4,0 – 14,0 m onder het maaiveld heeft de bodem de volgende eigenschappen: Zand, matig fijn tot matig grof (150-300 µm), zwak siltig, lichtgeel tot donkerbruin, kalkloos tot kalkhoudend. Zand, sterk siltig, zeer fun tot matig fijn (105-210 µm), lichtgeel tot lichtgrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend. Leem, zwak tot sterk zandig, soms kleiig, soms humeus, grijsbruin tot donkergrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend.4
PDOK - Fysisch Geografische Regio’s (https://www.pdok.nl/viewer/#) Royal HaskoningDHV, Rapport: Nunspeet – Kwaliteitsverbetering stationsomgeving: Vooronderzoek NEN5727, d.d. 26 april 2019. Referentie: BG4029TPRP1904010923 4 Idem.
2 3
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 15 van 56
Zie voor diepgaande gegevens over de bodemgesteldheid van het projectlocatie de resultaten van het volgende rapport: ◼
Royal HaskoningDHV, Rapport: Nunspeet – Kwaliteitsverbetering stationsomgeving: Vooronderzoek NEN5727, d.d. 26 april 2019. Referentie: BG4029TPRP1904010923
Uit bovengenoemd onderzoek is gebleken dat de diepte van het freatisch grondwater varieert tussen de 5,15 en de 6,05 m +NAP.5
Afb. 2 – Regionale bodemopbouw (Bron: Rapport Royal Haskoning DHV. Kenmerk: BG4029TPRP1904010923)
te
Nunspeet
Bodemverontreiniging Royal HaskoningDHV heeft in de rapportage van 26 april 2019 meerdere bodemonderzoeken behandeld die beschikbaar waren bij de gemeente Nunspeet en de provincie Gelderland.6 Royal HaskoningDHV concludeerde dat er op diverse locaties verontreinigingen zijn ontstaan door historische activiteiten. Een deel van deze verontreinigingen is gesaneerd en een deel is achtergebleven als restverontreiniging. De locaties van deze restverontreinigingen zijn weergegeven in bijlage 9.3.5.7
Royal HaskoningDHV, Rapport: Nunspeet – Kwaliteitsverbetering stationsomgeving: Vooronderzoek NEN5727, d.d. 26 april 2019. Referentie: BG4029TPRP1904010923 6 Idem, p. 11-16. 7 Idem, p. 19.
5
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 16 van 56
Uit een onderzoek van Arcadis Nederland B.V. is gebleken dat in de omgeving Harderwijk, Provincie Gelderland een groot aantal (particuliere) asbesthoudende wegen, paden en erven in het verleden zijn verhard met restmateriaal uit voormalige asbestfabrieken. Dit is bevestigd door een onderzoek aan de Elspeterweg 2 waar in het verleden een asbestsanering heeft plaatsgevonden: “Saneringsevaluatie, Arcadis, 110301/OF9/S1/001770, d.d. 05-03-2010”.8 Tot slot concludeert Royal HaskoningDHV dat er niet tot nauwelijks bodeminformatie bekend is en rondom de huidige openbare weg en de locatie van de toekomstig aan te leggen infrastructuur. Royal HaskoningDHV heeft geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren ter plaatse van de locaties waar in de toekomst graafwerkzaamheden plaats zullen vinden. In totaal heeft het onderzoeksgebied een oppervlakte van circa 3 hectare. Er zal een verhardingsonderzoek (CROW 210), een asbestonderzoek puinfundatie (NEN 5897), een asbestonderzoek grond (NEN 5707) en een regulier grondonderzoek (NEN5740) worden uitgevoerd. Indien er geen puinfundatie onder de verharding wordt aangetroffen, dan is dit onderzoek niet noodzakelijk. Dit wordt tijdens de uitvoering van het veldwerk bepaald. Zie voor een verdieping van de geadviseerde werkzaamheden de rapportage zelf.9
Wegverharding en bebouwing Royal HaskoningDHV heeft in de rapportage van 26 april 2019 onderzoek gedaan naar de samenstelling van de wegverharding binnen de begrenzing van de projectlocatie te Nunspeet. Daarin is geconstateerd dat de verharding van de N310 (F.A. Molijnlaan en Elspeterweg) en de aansluitende wegen mogelijk vóór 1995 aangelegd zijn, maar dat de exacte aanlegdatum niet bekend is. Asfalt aangelegd vóór 1995 is mogelijk teerhoudend. De aard van het funderingsmateriaal onder de asfaltwegen is onbekend. Op basis van de resultaten van een onderzoek aan de Elspeterweg 2 is gebleken dat de wegen binnen de projectlocatie asbestverdacht zijn. Daarnaast kan puin aanwezig zijn in de toegangspaden vanaf de openbare weg. De aanwezigheid van (zink-)sintels of slakken als funderingsmateriaal wordt door Royal HaskoningDHV niet verwacht, maar ook niet uitgesloten. De bovengrond in wegbermen kan verhoogde gehalten aan verontreinigingen (zoals minerale olie, PAK, lood en zink) bevatten als gevolg van het afvloeien en infiltreren van regenwater afkomstig van de wegen en het verkeer. Binnen de begrenzing van de projectlocatie is een spoorweg en station gelegen.
In het verleden heeft op deze locatie kolenop- en overslag plaatsgevonden welke mogelijk bodemverontreiniging heeft veroorzaakt.10 Een groot aantal huizen binnen de onderzoekslocatie is gebouwd in een periode waarin asbest veelvuldig als bouwmateriaal is toegepast (1950-1980). De grond in de directe omgeving van de asbesthoudende bebouwing is verdacht ten aanzien van verontreiniging met stukken asbestplaat en/of met asbestvezels.11
Archeologische vondsten Tijdens grondroerende werkzaamheden kunnen tevens archeologische vondsten worden aangetroffen. De aard van het landschap kan een indicatie zijn voor de archeologische vondsten die er te vinden zijn. Locaties met een hoge verwachting dienen planologisch te worden beschermd door opname in het bestemmingsplan. Royal HaskoningDHV, Rapport: Nunspeet – Kwaliteitsverbetering stationsomgeving: Vooronderzoek NEN5727, d.d. 26 april 2019. Referentie: BG4029TPRP1904010923, p. 19) 9 Idem, p. 20 en 21. 10 Idem. 11 Idem.
8
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 17 van 56
Bij ontwikkelingen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Indien er geen gegevens beschikbaar zijn of is geconstateerd dat er binnen een werkgebied geen verhoogd risico is op het aantreffen van archeologische artefacten, dan wil dit niet zeggen dat ze niet kunnen worden aangetroffen. De archeologische waardenkaart (pagina 24) toont dat de projectlocatie van de onderdoorgangen te Nunspeet gedeeltelijk in een gebied ligt met een archeologische waarde. Het deel van de projectlocatie dat zich ten zuiden van het spoor bevindt heeft een middelhoge archeologische waarde. Binnen de begrenzing van de projectlocatie bevinden zich verder geen locaties met een uitzonderlijke archeologische, of cultuurhistorische waarde. Nader archeologisch onderzoek, of begeleiding door één of meerdere archeologen is niet noodzakelijk gezien het feit dat de projectlocatie wel in een gebied ligt met een verhoogde archeologische waarde, maar geen uitzonderlijke archeologische of cultuurhistorische waarde heeft.
Maaiveld en NAP-hoogten Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) voorziet in een kaart waarop gedetailleerde en precieze hoogtegegevens voor heel Nederland kunnen worden afgelezen. Hiermee kunnen onder andere hoogteverschillen in het landschap worden bepaald. Met kennis van deze informatie kan eventueel verticale afbakening van verdacht gebied worden gereduceerd. Door Royal HaskoningDHV wordt gesproken over een gemiddelde hoogte van 8,6 meter + NAP. De gemiddelde maaiveldhoogte geeft echter niet goed de situatie ter plaatse van de gehele projectlocatie weer. Op afbeelding 3 op pagina 18 is een greep uit de maaiveldhoogten van de gehele projectlocatie weergegeven. De variatie ter plaatse van de projectlocatie is maximaal 3 meter, wanneer de maaiveldhoogte ter plaatse van de Nijverheidsweg in het uiterste noordwestelijke gedeelte van de projectlocatie wordt vergeleken met de maaiveldhoogte ter plaatse van de nieuw aan te leggen onderdoorgang aan de oostzijde van de projectlocatie. Het maaiveld bevindt zich ter plaatse van deze locaties op respectievelijk 8,25 en 11,25 meter + NAP. Er is weinig informatie beschikbaar voor wat betreft de maaiveldhoogte ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
Wanneer de afbeelding op pagina 21 wordt vergeleken met de afbeelding op pagina 22, waarop een historische kaart is afgebeeld, dan is te zien dat de omgeving van de projectlocatie niet noemenswaardig veranderd is qua hoogtes. Om tot een zo goed mogelijk beeld te komen heeft AVG naast de historische kaarten van Topotijdreis ook de historische kaarten van Rijkswaterstaat er op nageslagen. Een analyse van deze kaarten heeft helaas niet geleid tot een beter beeld voor wat betreft de hoogte van het maaiveld ten tijden van de Tweede Wereldoorlog.
Sonderingen en de maximale indringingsdiepte AVG heeft 22 sonderingen mogen ontvangen van Royal HaskoningDHV. Via de concept rekenmethode van Deltares heeft AVG deze sonderingen geanalyseerd en aan de hand van deze rekenmethode is de maximale indringingsdiepte berekend ter plaatse van de sonderingslocaties.12 De resultaten gelden voor de sonderingslocaties en het gebied in een straal van 35 meter daaromheen (zie pagina 23). Om tot de juiste indringingsdiepte te komen heeft AVG een inschatting moeten maken van de omstandigheden waaronder de vliegtuigen hun bommen ter plaatse van het onderzoeksgebied afwierpen. In het vooronderzoek is gebruik gemaakt van onder andere Daily Logs van de 2nd Tactical Air Force en van de daaraan ten grondslag liggende 12
AVG is geen voorstander van het gebruik van de tot op heden niet beproefde rekenmethode van Deltares. Het is daarmee niet gezegd dat AVG de rekenmethode per definitie verwerpt. Echter, vanwege het feit dat de rekenmethode niet definitief goed bevonden is maakt AVG hier normaliter geen gebruik van. ProRail heeft aangegeven de conclusies van de risicoanalyse enkel te accepteren indien gebruik wordt gemaakt van de concept rekenmethode van Deltares. Daarom heeft AVG voor deze risicoanalyse voor het bepalen van de maximale indringingsdiepte deze rekenmethode gehanteerd.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 18 van 56
Operations Record Books. Helaas is het niet mogelijk gebleken uit de vermeldingen van de bombardementen ter plaatse van het onderzoeksgebied bruikbare informatie te ontleden, zoals de afwerphoogte, snelheid van de toestellen en andere mogelijk relevante informatie. Bij het bepalen van de maximale indringingsdiepte is AVG uitgegaan van het zwaarst mogelijk aan te treffen kaliber vliegtuigbom. Het betreft hier 1000 lb. bommen van geallieerde afkomst met een massa van 486.25 kg. en een diameter van 41.02 cm. In de onderstaande tabel staan de verschillende sonderingen weergegeven met maaiveldhoogte, de maximale indringingsdiepte ten opzichte van NAP en ten opzichte van het maaiveld. Sondering #
Maaiveldhoogte (m)
Max. indringingsdiepte t.o.v. NAP (m)
Max. indringingsdiepte t.o.v. MV (m)
2019-1281_C-S01
9,93 meter +NAP
6,33 meter +NAP
3,60 meter -MV
2019-1281_C-S02
10,22 meter +NAP
6,32 meter +NAP
3,90 meter -MV
2019-1281_C-S03
10,25 meter +NAP
6,25 meter +NAP
4,00 meter -MV
2019-1281_C-S04
9,95 meter +NAP
6,75 meter +NAP
3,20 meter -MV
2019-1281_C-S05
9,80 meter +NAP
6,30 meter +NAP
3,50 meter -MV
2019-1281_D-S01
9,94 meter +NAP
6,14 meter +NAP
3,80 meter -MV
2019-1281_D-S02
9,86 meter +NAP
6,36 meter +NAP
3,50 meter -MV
2019-1281_D-S03
9,86 meter +NAP
5,46 meter +NAP
4,40 meter -MV
2019-1281_D-S04
9,88 meter +NAP
6,38 meter +NAP
3,50 meter -MV
2019-1281_E-S01
11,15 meter +NAP
6,85 meter +NAP
4,30 meter -MV
2019-1281_E-S02
10,40 meter +NAP
6,60 meter +NAP
3,80 meter -MV
2019-1281_E-S03
10,34 meter +NAP
6,94 meter +NAP
3,40 meter -MV
2019-1281_E-S04
10,43 meter +NAP
6,73 meter +NAP
3,70 meter -MV
2019-1281_E-S05
9,79 meter +NAP
6,29 meter +NAP
3,50 meter -MV
2019-1281_E-S06
9,92 meter +NAP
6,92 meter +NAP
3,00 meter -MV
2019-1281_E-S07
9,84 meter +NAP
6,64 meter +NAP
3,20 meter -MV
2019-1281_F-S01
8,93 meter +NAP
4,83 meter +NAP
4,10 meter -MV
2019-1281_F-S02
8,77 meter +NAP
4,87 meter +NAP
3,90 meter -MV
2019-1281_F-S03
9,55 meter +NAP
6,15 meter +NAP
3,40 meter -MV
2019-1281_F-S04
9,10 meter +NAP
6,20 meter +NAP
2,90 meter -MV
2019-1281_F-S05
9,84 meter +NAP
6,24 meter +NAP
3,60 meter -MV
2019-1281_F-S06
10,03 meter +NAP
6,43 meter +NAP
3,60 meter -MV
Op de kaart op pagina 23 is voor de sonderingslocaties aangegeven op welke diepte ten opzichte van NAP de afwerpmunitie maximaal zou kunnen indringen. Hierbij heeft AVG ervoor gekozen om de diepste indringingsdiepte aan te houden als er meerdere waarden over elkaar aanwezig zijn. Aangezien er sprake is
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 19 van 56
van een duidelijke harde laag zijn de verschillen nooit groter dan enkele decimeters. Ten opzichte van het maaiveld is de maximale indringingsdiepte nergens groter dan 4,10 meter en nergens kleiner dan 2,90 meter.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 20 van 56
HOOGTES NAP - NUNSPEET ONDERDOORGANGEN STATION NS 8,25 meter + NAP
8,50 meter + NAP
9,35 meter + NAP
LEGENDA 10,50 meter + NAP
Projectlocatie
0 12,5 25
11,25 meter + NAP 10,05 meter + NAP 9,10 meter + NAP
50
PROJECTNUMMER: TEKENINGNUMMER: FORMAAT: GETEKEND DOOR: DATUM: OPDRACHTGEVER: VOOR AKKOORD:
±
75 Meter 1962078 NAK-1 A4 Gijs den Braven 01-10-2019 Gemeente Nunspeet Menno Abee
10,35 meter + NAP
9,80 meter + NAP Vestiging Kaatsheuvel: Vestiging Heijen: Veerweg 10 De Grens 7 5171 PW Kaatsheuvel 6598 DK Heijen 0416-700220 0485-802010
Email: oce@avg.eu Web: www.avg.eu
HOOGTES NAP WO 2 - NUNSPEET ONDERDOORGANGEN STATION NS
© 2009 OpenStreetMap
LEGENDA Projectlocatie
±
012,5 25 50 75 Meter PROJECTNUMMER: TEKENINGNUMMER: FORMAAT: GETEKEND DOOR: DATUM: OPDRACHTGEVER: VOOR AKKOORD:
Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1:192.000), TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000)
1962078 NAK-1 A4 Gijs den Braven 01-10-2019 Gemeente Nunspeet Menno Abee
Vestiging Kaatsheuvel: Vestiging Heijen: Veerweg 10 De Grens 7 5171 PW Kaatsheuvel 6598 DK Heijen 0416-700220 0485-802010
Email: oce@avg.eu Web: www.avg.eu
ARCHEOLOGISCHE WAARDENKAART - NUNSPEET ONDERDOORGANGEN STATION NS
Esri Nederland, Community Map Contributors
LEGENDA Onderzoeksgebied
0
125
250
500
750 Meter
±
3.3
Relevante naoorlogse ontwikkelingen
Om de horizontale en/of verticale afbakening van het CE verdachte gebied mogelijk te kunnen reduceren is het van belang om de naoorlogse ontwikkelingen in kaart te brengen. Een locatie waar grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, is tot de betreffende diepte vrij van explosieven. Luchtfoto’s, kaartmateriaal en bestekstekeningen zijn belangrijke bronnen voor dergelijke informatie.
Luchtfoto’s en overig kaartmateriaal Op luchtfoto’s en historische kaarten is te zien welke ontwikkelingen er door de jaren heen op een projectlocatie hebben plaatsgevonden. Via Dotka Report zijn luchtfoto’s uit 1962, 1989 en 2005 met betrekking tot de projectlocatie opgevraagd en vervolgens geanalyseerd. AVG heeft daarnaast twee luchtfoto’s van de projectlocatie uit 1975 ontvangen van ProRail. Bij de analyse fungeert het jaar 1945 als het startpunt en de huidige situatie als het eindpunt. Voor het overzicht is in de bijlage in paragraaf 9.3.1 een collage met de gebruikte luchtfoto’s opgenomen waarop de ontwikkeling van de situatie rond de Tweede Wereldoorlog tot de huidige situatie te zien is. In de bijlage in paragraaf 9.3.2 is een collage te vinden waarop de naoorlogse veranderingen zijn getoond via historische kaarten van topotijdreis. De naoorlogse veranderingen zijn hieronder omschreven. Een vergelijking van de beschikbare luchtfoto’s (zie paragraaf 9.3.1) toont dat de projectlocatie te Nunspeet vrijwel geheel veranderd is: ◼ ◼ ◼ ◼
◼
◼
◼
◼
De complete infrastructuur rondom het station van Nunspeet is aangepast. D.w.z., alle wegen zijn (meer dan eens) gereconstrueerd, of verlegd. Er is op meerdere plaatsen bebouwing verwijderd en/of vervangen. De panden ter plaatse van de supermarkten en de parkeerplaats aan de Industrieweg zijn in de jaren negentig gebouwd. Het station is op enkele fronten onveranderd gebleven. Zo is het perron weinig veranderd ten opzichte de Tweede Wereldoorlog. Het dak dat werd getroffen is iets ingekort waardoor het beschadigde deel niet langer bestaat. Het spoor is ten westen van het station Nunspeet sinds de Tweede Wereldoorlog meermaals veranderd. Het is niet overal bekend tot welke diepte er grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ter plaatse van een gedeelte van het spoor bij het station van Nunspeet is 73 centimeter -BS vrijgegeven op de mogelijke aanwezigheid van munitie ≥ 20 mm geschut. ProRail heeft aangegeven dat het spoorbed eens in de 30 jaar wordt vervangen. Ter plaatse van de aanwezige sporen en ter plaatse van de naoorlogs aangelegde sporen die reeds weer zijn verwijderd heeft AVG daarom een diepte van 73 cm aangehouden als naoorlogs geroerde bodem. Ter plaatse van het station hebben na de oorlog enkele reconstructies plaatsgevonden. AVG heeft bij de verschillende archieven geen brondocumenten gevonden die hier relevante uitspraken over doen.
AVG heeft daarom als uitgangspunt genomen dat het perron tot 30 centimeter diepte is ontgraven. De meest westelijke van de twee te verwezenlijken onderdoorgangen wordt ter plaatse van de Elspeterweg aangelegd. De Elspeterweg is qua locatie amper gewijzigd ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog. Zo bevindt de spoorwegovergang zich op dezelfde locatie als in 1945. AVG is er echter vanuit gegaan dat er plaatse van de spoorwegovergang een cunet is aangelegd, waarbij de grond tot minimaal 80 cm – mv is geroerd. AVG gaat ervan uit dat de grond hierbij tot 10 meter aan weerszijden van de Elspeterweg is afgegraven.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 25 van 56
Archief Nederlandse Spoorwegen Om meer informatie te achterhalen over de situatie ter plaatse van het station Nunspeet en de veranderingen die daar tussen 1945 en het heden hebben plaatsgevonden, heeft AVG het archief van de Nederlandse Spoorwegen geraadpleegd. Dit archief is gelegen te Utrecht, bij het Utrechts Archief, en grotendeels digitaal raadpleegbaar. AVG heeft gezocht naar mogelijk bruikbaar bronmateriaal. In de onderstaande tabel staat genoteerde welke archieven en bijbehorende inventarisnummers zijn bekeken. Toegang 959. NV Nederlandse Spoorwegen: tekeningen infrastructuur en tekeningen objecten. Het Utrechts Archief.
Periode
7160 - Stationsgebouw 3e klasse, Putten, Nunspeet en Hattem.
n.b.
7174-2 - Voorlopig station te Soest, Putten, Nunspeet en Elburg (2).
1863
7174-12 - Ontwerp voor emplacement Nunspeet (13).
1863
7199 - Gebouwen onder de overkapping van station Nunspeet (bestek 49 NCS). 1. Aanzichten, plattegrond en doorsneden (blad 1).
n.b.
2. Situatie (blad 2), z.j. Steendruk. 7210 - Gebouw A en gebouw B op station Nunspeet, z.j. Calque.
Toegang 937. NV Nederlandse Spoorwegen: rapporten. Het Utrechts Archief. Geen relevante inventarisnummers aangetroffen.
n.b.
Periode -
Toegang 939. NV Nederlandse Spoorwegen: beheertekeningen van de infrastructuur schaal 1:1000. Het Utrechts Archief.
Periode
317 - Km 49.500-50.500 en de en Wezep en Nunspeet, 1959, 1961, 1964 revisie 1964, 1974.
1974
327 - Nunspeet, 1917, 1926, 1962 revisie 1968. Calque.
1968
Toegang 960. NV Nederlandse Spoorwegen: dienst weg en werken. Het Utrechts Archief.
Periode
416 - (3909) Het wijzigen van de emplacementen Nunspeet, 't Harde en Wezep, het reconstrueren van overwegen en het maken van een nieuwe overweg in de lijn Amersfoort - Zwolle in verband met CVL- beveiliging, 1975
1975
Toegang 962-2. NV Nederlandse Spoorwegen: verzameling foto’s. Het Utrechts Archief.
Periode
Geen relevante inventarisnummers aangetroffen.
Toegang 6248. NV Nederlandse Spoorwegen: presentatietekeningen van spoorverbredingen. Het Utrechts Archief. Geen relevante inventarisnummers aangetroffen.
-
Periode -
Er is in de archieven van de Nederlandse Spoorwegen geen relevante informatie aangetroffen waarmee AVG het verticale verdachte gebied heeft kunnen verkleinen. Volgens ProRail mag AVG ervan uitgaan dat de balast van het spoor zeker iedere dertig jaar wordt vervangen. Daarom is deze niet langer verdacht op de mogelijke aanwezigheid van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 26 van 56
Gemeentearchief Nunspeet AVG heeft het gemeentearchief te Nunspeet geraadpleegd. Daarnaast heeft AVG contact opgenomen met de gemeente Nunspeet om via deze weg documenten met betrekking tot het projectgebied te bemachtigen. De gemeente Nunspeet heeft daarnaast een grote hoeveelheid foto’s opgestuurd. Vanwege het grote aantal heeft AVG ervoor gekozen deze niet in de rapportage weer te geven, tenzij ze als relevant zijn beoordeeld. Bovenstaande inspanningen hebben geleid tot de onderstaande lijst met mogelijk relevante inventarisnummers: Toegang 4002 - Gemeentebestuur Ermelo. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe.
Periode
2419 – Aanleg rijwielpaden langs Elspeterweg
1954-1957
2540 - Ontwerpplan Stationslaan, Brinkersweg en Zeeweg-Memorie van toelichting plan Nunspeet-ontwerp Stationsstraat/Telgterweg Ermelo-straatontwateringsplan G. Vethlaan
1913-1952
2554 – Riolering Industrieweg/Wagenweg e.o. (bestek 70-04)
1970-1971
In de geraadpleegde inventarisnummers is geen relevante informatie met betrekking tot het projectgebied aangetroffen.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 27 van 56
4 DEFINITIE PROJECT 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ten behoeve van de RA het toekomstig gebruik van het projectlocatie in beeld gebracht en geïnventariseerd. Hierbij wordt naar de volgende handelingen gekeken: ◼ ◼ ◼ ◼
Normale gebruiksfunctie Verharding verwijderen en ontgraven Slopen bebouwing Groenwerk
Iedere handeling wordt in het kort toegelicht. Vervolgens wordt de handeling aan de voorhanden zijnde informatie met betrekking tot het projectlocatie gerelateerd.
4.2
Normale gebruiksfunctie
De projectlocatie bestaat op dit moment uit meerdere wegen die worden gebruikt door zowel auto’s, fietsen als voetgangers. Er staan bovendien meerdere gebouwen en er bevindt zich een spoorlijn en een gedeelte van het station van Nunspeet. De infrastructuur rondom het station van Nunspeet wordt volledig gereconstrueerd ten behoeve van de herontwikkeling van het stationsgebied. Het is de bedoeling dat de verkeerschaos rondom het treinstation van Nunspeet op deze wijze wordt opgelost. Om dit te verwezenlijken worden nieuwe wegen en fietspaden aangelegd. Hiervoor worden taluds aangebracht en ter plaatse van de nieuw te realiseren onderdoorgangen worden bovendien betonnen constructies aangebracht om de tunnels te ondersteunen. Bovendien worden verscheidene gebouwen gesloopt om ruimte te maken voor nieuwe parkeergelegenheden en de nieuwe wegen en fietspaden.
Verharding verwijderen en ontgraven Aangezien de complete infrastructuur ter plaatse van de projectlocatie wordt gereconstrueerd dient de bestrating van alle te reconstrueren en te verleggen wegen te worden verwijderd. Datzelfde geldt voor het verwijderen van de bestrating ter plaatse van de parkeerplaats bij Jumbo en de Emté. Vervolgens worden nieuwe cunetten gegraven en worden de onderdoorgangen gegraven. Wanneer de nieuwe cunetten dieper komen te liggen dan de huidige cunetten, dan wordt in op afwerpmunitie verdacht gebied gegraven en dan is detectie en mogelijk benadering noodzakelijk. Enkele beschikbare sonderingen hebben uitgewezen dat de maximale indringingsdiepte van de in de Tweede Wereldoorlog afgeworpen munitie 4 meter - mv is.
Slopen bebouwing Ter plaatse van de projectlocatie bevinden zich enkele gebouwen die gesloopt worden om de nieuwe wegen te kunnen realiseren. Het betreft de panden aan de Elspeterweg 2, de Elspeterweg 4 en de Nijverheidsweg 3. Van de drie te slopen panden is alleen de Elspeterweg 2 (gedeeltelijk) vooroorlogs gebouwd. Alvorens er detectie wordt uitgevoerd dienen de panden in ieder geval tot het maaiveld gesloopt te worden. Naoorlogs gebouwde panden waarvan ook het fundament naoorlogs is aangebracht kunnen tot en met onderkant fundament gesloopt worden alvorens detectie kan worden uitgevoerd. Panden die voor, of tijdens de Tweede
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 28 van 56
Wereldoorlog zijn gebouwd dienen gesloopt te worden tot het fundament. Voordat het fundament kan worden verwijderd dient eerst detectie en eventueel benadering plaats te vinden.
Groenwerk Bomen, struikgewas en overig groen kan hinderlijk zijn voor het uitvoeren van detectie en graafwerkzaamheden. Indien dergelijke objecten binnen de begrenzing van de projectlocatie aanwezig zijn, dienen deze te worden verwijderd. Binnen de projectlocatie zijn meerdere bomen, en is op meerdere locaties ander groen aanwezig. Deze bomen en het groenwerk dienen te worden verwijderd. Een nadere analyse van de luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog toont dat de bomen die zich momenteel ter plaatse van de projectlocatie bevinden allemaal naoorlogs zijn geplant en zodoende regulier kunnen worden verwijderd. Alle grasvelden, groenstroken en perkjes zijn naoorlogs aangelegd. Daarom gaat AVG ervan uit dat de bodem ter plaatse van deze locaties tot 30 centimeter onder het maaiveld geroerd is, vanwege de werkzaamheden die bij het aanleggen van dergelijk groenwerk komen kijken (denk aan frezen, inzaaien van het gras, etc.).
Aanbrengen en afgraven taluds Vanwege de nieuwe onderdoorgangen die worden gerealiseerd en de hoogteverschillen die hierdoor ontstaan, worden er langs de nieuwe wegen en fietspaden taluds aangebracht en ontgraven. Hiervoor vinden diverse graafwerkzaamheden plaats. Deze graafwerkzaamheden gaan hoofdzakelijk plaatsvinden in op afwerpmunitie verdacht gebied. Bijna alle locaties hebben echter sinds de Tweede Wereldoorlog een verandering ondergaan waardoor de toplaag is geroerd en daardoor niet langer verdacht is op conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog.
Cunetten AVG gaat ervan uit dat ter plaatse van bestaande naoorlogs aangelegde wegen cunetten zijn gegraven waarbij de bodem tot minimaal 80 centimeter is afgegraven. AVG heeft gebruik gemaakt van de kennis van de eigen infra-/wegenbouw-afdeling om tot een weloverwogen aanname te komen. AVG had dit liever aan de hand van bronmateriaal gedaan, maar zoals in hoofdstuk 3 staat aangegeven is dit niet mogelijk gebleken.
Uitgraven en construeren onderdoorgangen Ter plaatse van de nieuwe onderdoorgangen worden in de toekomst betonnen constructies gerealiseerd. Daarvoor zullen diverse grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden. Verwijderen spoor ter plaatse van bestaande overgang De huidige spoorwegovergang in de Elspeterweg wordt in de toekomst vervangen door een onderdoorgang. Indien hierbij grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden, dan dient rekening te worden gehouden met het op afwerpmunitie verdachte gebied. AVG gaat ervan uit dat bij het realiseren van de asfaltverharding over het spoor reeds een cunet van 80 centimeter diep is uitgegraven. Wanneer in de nieuwe situatie grondroerende werkzaamheden plaats vinden waarbij grond wordt geroerd die zich dieper dan 80 centimeter onder het huidige maaiveld bevindt, dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. AVG heeft geen informatie ontvangen waarop is aangegeven tot welke diepte de grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden en heeft hier zelf een inschatting voor gemaakt. Inbrengen betonnen wanden t.b.v. onderdoorgangen Het inbrengen van betonnen wanden veroorzaakt een tweetal bewegingen in de bodem, namelijk een schuifgolf en een compressiegolf. Beide golven verspreiden zich radiaal. Wanneer een golf het maaiveldoppervlak bereikt, ontstaat er een Rayleigh-golf.
Deze loopt langs het oppervlak en breidt zich alleen in horizontale richting uit. Onder het maaiveld is een dergelijke golf overheersend tot een diepte die
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 29 van 56
overeenkomt met de lengte van die golf. Op een grotere diepte wordt de amplitude kleiner. De invloed van schuif- en compressiegolven is op enige afstand van de heipaal niet merkbaar. Bij de inbreng van damwanden is het mogelijk om meerdere technieken te hanteren. Iedere techniek brengt een andere onderzoeksmethode met zich mee. Wanneer wordt gekozen voor trillen, dan zijn er twee mogelijkheden. Bij standaard trillen dient de locatie van de in te brengen damwand te worden onderzocht en een straal van 10 meter rondom de locatie waar de damwand wordt ingebracht. Als wordt gekozen voor hoogfrequent trillen, dan dient de locatie van de in te brengen damwand, en een straal van 2,5 meter rondom de locatie waar de damwand wordt ingebracht, te worden onderzocht. Wanneer wordt gekozen voor het inbrengen van de damwanden met een druktechniek, dan dient enkel de lijn van de damwand te worden onderzocht. Als tijdens de detectiewerkzaamheden verdachte verstoringen worden gemeten, dan dienen deze objecten eerst te worden benaderd en eventueel te worden verwijderd, alvorens de grondroerende werkzaamheden kunnen aanvangen.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 30 van 56
5 INVLOEDS-, GEVAARS- EN UITWERKINGSFACTOREN CE De risico’s die de ruiming van explosieven met zich meebrengen worden beschreven aan de hand van invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren. Invloedsfactoren zijn alle factoren die van buitenaf tot een ongecontroleerde werking van een CE kunnen leiden. Ook gevaarsfactoren kunnen tot een ongecontroleerde werking van een CE leiden en hebben betrekking op het explosief zelf. Uitwerkingsfactoren vinden plaats na het in werking treden van een explosief. In dit hoofdstuk worden deze drie categorieën besproken en per handeling geïnventariseerd en geëvalueerd.
5.1
Identificatie invloedsfactoren
Binnen deze RA wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende invloedsfactoren: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼ ◼
Beweging Grondtrillingen Toucheren van de CE Brand/temperatuur (Lucht)Druk Blootstelling aan de buitenlucht
Beweging Met beweging wordt een ongewenste positieverandering van een CE bedoeld, waardoor een ontstekingsinrichting in werking kan worden gesteld. Het bewegen van een CE kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door grondverplaatsing, graafwerkzaamheden of contact van het CE met een funderingspaal of damwandplank tijdens drukken, intrillen of heien. Tot de toekomstige werkzaamheden binnen het projectlocatie behoren graafwerkzaamheden en grondverplaatsing. Tijdens deze werkzaamheden moet met de mogelijke gevolgen ervan met betrekking tot CE rekening worden gehouden.
Grondtrillingen Het is bij bepaalde ontstekers van afwerpmunitie mogelijk dat deze door trillingen worden geïnitieerd, waardoor de kans op een ongewilde werking ernstig toeneemt. Bij weg- en spoorwegverkeer en uit te voeren bouw- en heiwerkzaamheden wordt de uitvoerende partij door de commandant EOD-ruimploeg van informatie voorzien met betrekking tot de afstanden waarbinnen dergelijk verkeer en dergelijke werkzaamheden mogen plaatsvinden. Het projectlocatie is vrijwel geheel verdacht op geallieerde afwerpmunitie van verschillende kalibers. Vanuit de EOD-ruimploeg zal advies worden verleend over in welke mate grondtrillingen een gevaar voor de omgeving vormen, vanwege de mogelijke aanwezigheid van CE. De mogelijk aanwezige 20 mm granaten afkomstig van vliegtuigboordwapengeschut komen niet tot uitwerking door grondtrillingen veroorzaakt tijdens werkzaamheden.
1962078-RA-02
Nunspeet Onderdoorgangen Station
Pagina 31 van 56
Toucheren van de CE Het toucheren van een CE kan de ontsteking van het object in werking laten treden met een explosie als gevolg. Toucheren kan variëren van een simpele aanraking van het object tot grovere beroering, bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden. Met de invloed van het toucheren van CE op het tot uitwerking komen van mogelijk aanwezige afwerpmunitie en 20 mm geschutmunitie dient rekening te worden gehouden tijdens de grondroerende werkzaamheden. De grondlagen die niet kunnen worden vrijgegeven dienen met grote voorzichtigheid te worden bewerkt.
Brand/temperatuur Het is niet toegestaan explosieven aan brand en/of extreme hitte bloot te stellen. Om dit te voorkomen dienen CE van (directe of indirecte) verhitting door de zon te worden beschermd; het ontstaan van hitte, bijvoorbeeld door wrijving, te worden tegengegaan; en maatregelen met betrekking tot algemene brandpreventie te worden toegepast.
(Lucht)Druk Het is mogelijk dat een CE van een barometrisch ontstekingssysteem is voorzien. Middels het principe van hoge en lage luchtdruk kan het voorkomen dat de blokkering van een voorgespannen slagpin door het samendrukken van een balg wordt opgeheven. Als gevolg hiervan vindt er een ontsteking van de springstoflading plaats. De mogelijk aanwezige afwerpmunitie en 20 mm geschutmunitie zijn niet voorzien van een barometrisch ontstekingssysteem. Met deze factor hoeft geen rekening te worden gehouden.