AP 6b. st.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Staverdenseweg 89a
Tekst van het document
27
4.3
Bodem
4.3.1 Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s). Een bodemonderzoek is niet nodig als: Er geen bodemwerkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld het bouwen van een dakkapel of het plaatsen van een extra verdieping op een gebouw); Het gaat om een verandering of vergroting waarbij geen grond wordt verzet en het gebruik hetzelfde blijft; Er al voldoende actuele en bruikbare onderzoeksresultaten bij de gemeente beschikbaar zijn, waarop de bodemtoets kan worden gebaseerd.
4.3.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. Voor de gewenste planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging in de grond en het freatisch grondwater. Tijdens een verkennend bodemonderzoek is éénmalig een sterk verhoogd gehalte minerale olie aangetoond en is een zwakke olie-indicatie waargenomen. Tijdens een opvolgend onderzoek is dit gehalte niet opnieuw aangetoond en zijn de olie-indicaties niet opnieuw waargenomen. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt niet verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van aanwezigheid van bodemverontreiniging. Wel worden tijdens het onderzoek de waarnemingen nogmaals gecontroleerd. De bodembedreigende activiteiten zijn met de voorgaande onderzoeken in voldoende mate onderzocht. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 57404. Op 17 februari 2023 is het veldwerk uitgevoerd, de monsters zijn aangeboden aan het RvA geaccrediteerde laboratorium.
De resultaten van het veldonderzoek geven geen aanleiding meerdere (meng)monsters te onderzoeken of andere analyses uit te voeren dan conform de gehanteerde strategie. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. Enkele parameters zijn in de bovengrond licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in grondonderzoek te adviseren. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde woonbestemming. Aanvullend onderzoek Het kantoorpand met een omliggende strook grond is reeds onderzocht (kenmerk PJ Milieu 23006501A, d.d. 9 maart 2023). Op verzoek van de gemeente/omgevingsdienst is ook het overig deel van de locatie onderzocht. Het overig deel van de locatie is onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 57402 uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Op 16 mei 2024 is het veldwerk uitgevoerd. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren. De vastgestelde milieuhygiënische
28
bodemkwaliteit (vastgesteld met dit onderzoek en het voorgaand onderzoek van PJ Milieu BV) vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan en de voorgenomen herontwikkeling. 4.3.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader bodemonderzoek is daarom ook niet nodig.
29
4.4
Water
4.4.1 Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. De belangrijkste beleidsdocumenten waarin de waterhuishoudkundige doelstellingen zijn beschreven zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027), de Provinciale Omgevingsverordening en het regionaal Blauw Omgevingsprogramma (2022-2027). Uitgangspunten ruimtelijke ontwikkeling Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.
Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken /draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.
4.4.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. Het hemelwater wordt niet op de riolering geloosd, het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem van het plangebied. In de nieuwe situatie worden de vier appartementen voor vuilwater aangesloten op de riolering. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Het plangebied ligt niet in het intrekgebied of binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals de provincie Gelderland deze heeft gedefinieerd. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over voorliggend initiatief door gebruik te maken van de digitale watertoets (zie bijlage 3 van deze toelichting). Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. Gezien plangebied geen watergangen raakt en er niet meer dan 1.500 m2 toename verharding is kan er uitgegaan worden van een ‘’korte procedure’’. Het algemene advies met de aandachtspunten (vasthouden-bergen-afvoeren, grondwaterneutraal bouwen en
30
schoonhouden-scheiden-schoon maken) geldt altijd. Gelet op de beperkte impact op het watersysteem geeft het waterschap een positief wateradvies. 4.4.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
31
4.5
Geluid
4.5.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen wegverkeerslawaai, spoorverkeerlawaai en industrielawaai. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarbij een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt toegevoegd een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Industrie Voor een zonering plichtig industrieterrein wordt de geluidszone voor ieder afzonderlijk industrieterrein vastgesteld. Deze geluidszone wordt vastgesteld door middel van zonebesluit en vastgelegd op een zonekaart of door middel van een bestemmingsplan, waarbij de zone wordt vastgelegd op de bestemmingsplankaart. Niet ieder industrieterrein is zoneplichtig. Zonering plichtig zijn alleen dié industrieterreinen waarop bepaalde soorten bedrijven die veel lawaai veroorzaken aanwezig zijn of zich kunnen vestigen. Deze categorieën zijn aangewezen in artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit Wet milieubeheer. De voorkeursgrenswaarde vanwege een gezoneerd industrieterrein is 50 dB(A) en de ten hoogst toelaatbare waarde is 55 dB(A). Spoorweg Langs alle spoorwegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de spoorweg getoetst moet worden.
De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De voorkeursgrenswaarde vanwege een spoorweg is 55 dB(A) en de ten hoogst toelaatbare waarde is 68 dB(A). Wegverkeerslawaai: Geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo’n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van: wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. In binnen stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.
In buiten stedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter. Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren.
32
Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting op de woning niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53 dB (binnenstedelijk) of 63 dB (buitenstedelijk) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Voor een agrarische woning geldt een maximale grenswaarde van 58 dB (buitenstedelijk). In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh. Gemeentelijk beleid De gemeente Nunspeet heeft voor het verlenen van hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder een geluidbeleid vastgesteld. De gemeente volgt de Wet geluidhinder voor de afweging van bron- en overdrachtsmaatregelen alvorens hogere waarden te overwegen. In afwijking van de Wet worden 30 km/u wegen betrokken in de afweging van hogere waarden. Aan het vaststellen van hogere waarden worden, afhankelijk van de hoogte van de geluidbelasting, voorwaarden gesteld.
4.5.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg of industrieterrein gelegen. In de nabijheid van het plangebied is de Staverdenseweg gelegen, deze weg heeft een geluidszone van 200 meter. Het nieuw te bouwen woongebouw is gesitueerd binnen deze geluidszone, er is dan ook sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelige objecten (wooneenheden) binnen een geluidszone van de weg. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk. In juni 2023 is er door een erkend bureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4 van deze onderbouwing). Het te realiseren woongebouw ligt in het wettelijk invloedsgebied (zone) van de Staverdenseweg. Overige omliggende wegen betreffen 30 km/u wegen en/of hebben geen relevante verkeersintensiteit. Alleen de Staverdenseweg is getoetst aan de Wet geluidhinder. Op basis van het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Staverdenseweg ten hoogste 53 dB (incl. aftrek) bedraagt. De geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar voldoet aan de maximale grenswaarde.
Omdat het treffen van maatregelen niet doelmatig is of stuit op financiële en stedenbouwkundige bezwaren, wordt de gemeente Nunspeet verzocht hogere waarden voor de twee noordelijke wooneenheden, à 53 dB, vast te stellen. Een hogere waarde kan verleend worden omdat voldaan wordt aan de voorwaarden die in het gemeentelijk geluidbeleid gesteld worden: Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen stuit op financiële, stedenbouwkundige en verkeerskundige bezwaren of zijn onvoldoende doeltreffend; Elke woning beschikt over een geluidluwe gevel. De slaapkamers van woningen 1 en 2 grenzen aan een geluidluwe gevel; De tuin ten oosten en westen (en zuiden) van het woongebouw is geluidluw; Vanwege omliggende 30 km/u wegen is er geen sprake van een relevante cumulatie; Op basis van GES-score is er geen sprake van een onvoldoende woonkwaliteit. Omdat de geluidbelasting op twee woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde is, conform het Bouwbesluit, nader onderzoek nodig naar de geluidwering van de gevels. Dit teneinde een binnenniveau van 33 dB in de woningen te kunnen borgen. In mei 2024 is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bepalen van de geluidwering (zie bijlage 4 van deze onderbouwing). In dit onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd voor woonkamer-keuken 2.07 op de begane grond (incl. vide).
De slaapkamer van deze woning grenst aan de geluidluwe zijgevel en achtergevel en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten. De resultaten van woonkamer-keuken 2.07 staan representatief voor woonkamer-keuken 1.07 (woning 1). Uit het onderzoek blijkt dat met de huidige
33
bouwkundige constructies conform de bouwtekening wordt voldaan aan de vereiste karakteristieke geluidwering conform het Bbl. Daarnaast wordt voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB. 4.5.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid.
34
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als lpg-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.6.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is wel sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object. De risicokaart geeft aan dat er in de omgeving geen gevaarlijke functies voorkomen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. 4.6.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig
35
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvBnibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. 4.7.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt.
Een appartement (sociale huur) heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 1,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal (rest bebouwde kom, weinig stedelijk). In de nieuwe situatie zijn dit in totaal maximaal 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een kantoor heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 2,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo (rest bebouwde kom, weinig stedelijk). Het bestaande kantoorgebouw heeft een oppervlakte van 300 m2. In de bestaande situatie zijn dit in totaal maximaal 8,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie iets afnemen. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.
Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij verblijfsgebouwen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2020.
Fijnstof PM 2,5 Fijnstof PM 10 Stikstofdioxide
Achtergrondconcentratie 2020 7-8 ug/m3 <15 ug/m3 <10 ug/m3
36
Grenswaarde 25 ug/m3 40 ug/m3 40 ug/m3
Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentraties stikstofdioxide en fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 4.7.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
37
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet is het beoordelingskader voor geurhinder bij milieuvergunningen en bestemmingsplannen.
4.8.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. Het plan voegt geen milieubelastende activiteiten toe. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende activiteiten die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van het plan. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.8.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
38
4.9
Kabels en leidingen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofd transportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.9.1 Onderzoek plangebied In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen 4.9.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect kabels en leidingen, nader onderzoek op het gebied van kabels en leidingen is daarom ook niet nodig.
39
4.10 Verkeer en parkeren Bij de aspecten verkeer en parkeren gaat erom dat het plangebied goed bereikbaar is, er geen onveilige verkeerskundige situaties ontstaan en er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is. 4.10.1 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. Een appartement (sociale huur) heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 4,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal (rest bebouwde kom, weinig stedelijk). In de nieuwe situatie zijn dit in totaal maximaal 18 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een kantoor heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 9,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo (rest bebouwde kom, weinig stedelijk). Het bestaande kantoorgebouw heeft een oppervlakte van 300 m2. In de bestaande situatie zijn dit in totaal maximaal 28,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie iets afnemen. Ontsluiting van het perceel vindt plaats op de Oude Hof. De bijdrage van het verkeer zal geen verkeersproblemen geven op de Oude Hof. Parkeren Volgens de parkeernota van de gemeente Nunspeet, heeft een appartement (sociale huur) een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per appartement.
Op basis van het gemeentelijk beleid dienen er in de nieuwe situatie 7,2 parkeerplaatsen aanwezig te zijn in het plangebied. In de nieuwe situatie worden er 8 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het plan voldoet daarmee aan de gemeentelijke parkeernormen.
Toekomstige parkeersituatie
4.10.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.
40
4.11 Milieueffectrapportage (MER) 4.11.1 Wettelijk kader Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.
4.11.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. Deze onderbouwing voorziet in de planologische kaders voor een nieuw te bouwen woongebouw met vier appartementen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
41
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.- toets. 4.11.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.
42
4.12 Molenbiotoop In het plangebied moet rekening worden gehouden met de zogenaamde 'molenbiotoop' behorende bij de molen 'De Hoop' gelegen aan de Molenweg 6 in Elspeet. Dit is een Beltmolen uit 1894, die nog op vrijwillige basis op vrijdag en zaterdag maalt. Deze molen dient vanuit historisch perspectief beschermd te worden. Bij deze bescherming behoort ook het garanderen van een bepaalde hoeveelheid windvang voor deze molen, zodat de wieken kunnen blijven draaien. In september 2020 is er, in kader van de ontwikkeling aan de Staverdenseweg 93, nader onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het bouwplan op de windvang van molen ‘De Hoop’ (zie bijlage 5 van deze onderbouwing). De conclusie uit de analyse is dat er sprake is van een mogelijk beperkte invloed van het geplande bijgebouw op het perceel Staverdenseweg 93, die worst-case gedurende 0,6% van de tijd optreedt. De overige 99,4% van het aantal uren per jaar komt de wind uit een andere richting of valt de windsnelheid buiten het gehanteerde windsnelheidsbereik van de molen. In relatie tot de capaciteit van de molen bij alle windrichtingen is het mogelijk dat het nieuwe bijgebouw tot 2,3% vermindering tot gevolg heeft. De overige 97,7% van de capaciteit van molen treedt op bij wind uit andere richtingen. De molenbiotoop vormt derhalve geen belemmering om het bijgebouw te realiseren.
Het bijgebouw op het perceel Staverdenseweg 93 heeft een goot- en bouwhoogte van circa 3 meter en 7,5 meter. Het nieuw te bouwen woongebouw op het perceel Staverdenseweg 89 heeft een goothoogte van 2,88 meter en een bouwhoogte van 7,23 meter. De conclusie is dat de ontwikkeling die met voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt gelijk te stellen is aan de ontwikkeling aan de Staverdenseweg 93. De molenbiotoop vormt derhalve dan ook geen belemmering om het woongebouw te realiseren. In maart 2023 is er een aanvullende studie (zie bijlage 5 van deze onderbouwing) verricht naar de invloed van het voorliggend bouwplan op de windvang van de molen. De conclusie in deze studie is ook dat de werkelijke invloed van realisatie van de geplande woningen in het bereik valt van 0% tot 0,4% van de tijd of 0% tot 1,6% van het bruikbare windaanbod van de molen. Opgemerkt wordt dat een deel van deze hoeksector voor een groot deel overlapt met de eerder bepaalde hoeksector voor de geplande bebouwing aan de Staverdenseweg 93.
43
5. Uitvoerbaarheid van het plan Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer is vastgelegd dat de gemeentelijke kosten, die verband houden met de ruimtelijke procedure en mogelijke planschade, op de initiatiefnemer worden verhaald. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. De ontwerpbeschikking ligt gedurende zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden hierop reageren door middel van het indienen van een zienswijze. De gemeente beantwoordt alle zienswijzen. Nadat de ingekomen zienswijzen zijn beantwoord en de verklaring van geen bedenkingen is gegeven, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Dit wordt gepubliceerd in de lokale krant, waarna de beroepstermijn van zes weken van start gaat. De beschikking (het besluit tot het verlenen van de vergunning) staat open voor beroep bij de Rechtbank. De initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium omwonenden geïnformeerd over de voorgenomen planontwikkeling. Er zijn geen bezwaren op het plan binnen gekomen (zie bijlage 6 van deze onderbouwing).
44
6. Ruimtelijke afweging De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met vier sociale huur appartementen op het perceel Staverdenseweg 89 t/m 89b. Het bestaande kantoorgebouw wordt daarbij gesloopt. De percelen hebben in het geldend bestemmingsplan ‘Elspeet Dorp 2011’ de enkelbestemming ‘Gemengd’. In de bestemming ‘Gemengd’ is dienstverlening en detailhandel samengebracht. De functies dienstverlening en detailhandel zijn uitsluitend op de begane grond mogelijk. Daarnaast wordt wonen mogelijk gemaakt. Per bedrijfsvestiging is ten hoogste één woning toegestaan. Een aanpassing of afwijking van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de gewenste woning mogelijk te maken. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het beleid van de verschillende overheden. De ontwikkeling sluit aan bij het opgestelde beleid van de provincie Gelderland en de gemeente Nunspeet. In het voorgaande hoofdstuk zijn de onderzoekaspecten van het plan beschreven. Het project levert geen problemen op ten aanzien van de onderzochte milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten (ecologie, water, bodem, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, verkeer, archeologie en milieuzonering). Tenslotte is geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling ook economisch uitvoerbaar wordt geacht.
De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer is vastgelegd dat de gemeentelijke kosten, die verband houden met de ruimtelijke procedure en mogelijke planschade, op de initiatiefnemer worden verhaald. Concluderend kan worden gesteld dat het plan mogelijk is binnen het toekomstige beleid en er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de uitvoering.
45
Colofon Projectgegevens Project Realiseren 4 appartementen Staverdenseweg 89 t/m 89b Projectnummer 0302-17 Kenmerk 0302/RH/20240619 Datum 19 juni 2024 Status Definitief Gegevens opdrachtgever ASB Bouw en ontwikkeling Staverdenseweg 89a 8075 AP Elspeet Contactpersoon Dhr. T. van de Pol Opdrachtnemer Huisman Ruimte Putterweg 32 3886 PC Garderen T 06 52 35 18 71 M info@huismanruimte.nl I www.huismanruimte.nl Contactpersoon Dhr. R. Huisman
46
Bijlagen Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming en Aeriusberekening Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Watertoets Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Bijlage 5 Invloed bouwplan Staverdenseweg 93 Elspeet op windvang molen de Hoop Bijlage 6 Omgevingsdialoog
47
Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming
48
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
49
Bijlage 3 Watertoets
50
Bijlage 4 Akoestisch onderzoek
51
Bijlage 5 Invloed bouwplan Staverdenseweg 93 Elspeet op windvang molen de Hoop
52
Bijlage 6 Omgevingsdialoog
53