AP 6b. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Nunspeet, Vreeweg 11
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
26
geluidbelasting bij de nieuwe woning lager zijn dan de voorkeurswaarde. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woning te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woning te kunnen realiseren, moet de gemeente Nunspeet hogere waarden tot 55 dB, ten gevolge van het wegverkeerslawaai, vaststellen en vastleggen in het kadaster. Hierbij wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan alle eisen die de gemeente Nunspeet stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw (geluidluwe zijde, buitenruimte aan de geluidluwe zijde en minimaal drie verblijfsruimten aan een geluidluwe zijde). De totale geluidbelasting, zonder aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 60 dB. Op basis van de in de gemeentelijke beleidsregel opgenomen systematiek blijkt dat er bij de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. Uit het akoestisch onderzoek (Wet geluidhinder) is gebleken dat de geluidbelasting dermate hoog is, dat aan akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels in het kader van het Bouwbesluit noodzakelijk is. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd door SPA WNP Ingenieurs. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste conclusies en resultaten zijn als volgt.
Uit het onderzoek blijkt dat op basis van de in het voorliggende rapport opgenomen uitgangspunten wordt voldaan aan de gestelde eisen conform Bouwbesluit 2012, voor wat betreft de geluidwering van de gevels. Met de toepassing van niet bijzonder geluidisolerende constructies en materialen kan er voldaan worden aan de gestelde eisen. Voorwaarde is wel dat er geventileerd wordt via Mechanische toe- en afvoer. 4.6.3
Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek. Hiertoe wordt de gemeente verzocht Hogere waarde vast te stellen. 4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
27
gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Vreeweg 11 met de afwisseling van de bestemming ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’, worden gekarakteriseerd als rustig buitengebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype
Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Het nieuwe pand met zorgappartementen betreft een gevoelige functie. Het gaat echter niet om een nieuwe gevoelige functie, aangezien in de huidige situatie op de locatie zich reeds een woning bevindt. Voor de volledigheid is het plan getoetst aan de omliggende bedrijvigheid. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een perceel met de bestemming ‘Detailhandel’. Op dit perceel kan detailhandel ten behoeve van auto’s en motoren zich vestigen. Voor een ‘handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ geldt conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, in rustig buitengebied een richtafstand van 30 meter tot de gevel van een milieugevoelig object. De afstand tussen de grens van de bestemming ‘Detailhandel’ en de dichtstbij gelegen van het pand bedraagt ruim 140 meter. Daarmee is en ter plaatse van het plangebied sprake van een goed Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
28
woon- en leefklimaat en is aanvullend (akoestisch) onderzoek niet benodigd. Andersom geldt dat dit bedrijf geen (extra) belemmeringen ondervindt ten gevolge van het realiseren van het voorgenomen plan. Tevens is, vanwege veehouderijen in de nabije omgeving, inzicht nodig in de geursituatie. De relevante veehouderijen voor onderhavig plan bevinden zich aan de Vreeweg 26 op een afstand van circa 90 meter en de Hardenbrinkweg 25 op circa 120 meter vanaf het plangebied. Daarom is door SPA WNP Ingenieurs een quickscan Wet geurhinder en veehouderijen uitgevoerd. Doel van de quickscan is inzicht geven in de verwachte geurhinder op de nieuwbouw. Tevens dient de quickscan er ook toe te voorkomen dat de genoemde veehouderijen als gevolg van het plan geschaad worden in hun belangen. De volledige rapportage van de quickscan is bijgevoegd als bijlage 10. De belangrijkste conclusie luidt als volgt. Het beoogde appartementencomplex betreft een geurgevoelig object dat gerealiseerd wordt ter plaatse van een voormalige veehouderij. Om die reden geldt er op grond van de Wgv een minimaal aan te houden afstand van 50 meter tussen de gevels van het te realiseren (geurgevoelige) object en de inrichtingsgrenzen van relevante veehouderijen. Aan deze afstand wordt voldaan.
Gelet op het voorgaande vormt het aspect geur op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt bouw van de zorgappartementen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
•
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
•
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
29
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
30
een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord De gemeente Nunspeet heeft gezamenlijk met de andere gemeenten in de regio Noord-Veluwe een beleidsvisie externe veiligheid opgesteld, de “Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord” (Oranjewoud, januari 2014). Deze beleidsvisie geeft de gemeente een handvat in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico die de gemeente in samenwerking met de veiligheidsregio dient uit te voeren. De beleidsvisie kan worden gezien als een hulpmiddel van hoe beleidsmatig om te gaan met het milieuaspect externe veiligheid in de ruimtelijke ordening. Voor de verantwoordingsplicht bij ruimtelijke besluiten gaat dit beleid uit van drie gradaties van verantwoording, afhankelijk van de afstand tot de risicobron. Daarvoor hanteert het beleid die zones: Risicobron
Zone 1
Zone 2
Zone 3
(Spoor)wegen
30 meter
200 meter
1500 meter
Vaarwegen
25 wegen
90 meter
1000 meter
Aardgastransportleidingen
PR 10-6 contour
100 % letaliteitsgrens
1% letaliteitsgrens
LPG tankstations
PR 10-6 contour
150 meter
500 meter
Overig Bevi-inrichtingen
PR 10-6 contour
PR 10-6 contour
Invloedsgebied
Bron: Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord
Tevens is met de beleidsvisie aanvullend op de twee wettelijke categorieën ‘beperkt kwetsbare objecten’ en ‘kwetsbare objecten’, de categorie ‘zeer kwetsbare objecten’ vastgesteld: •
Beperkt kwetsbaarobject: objecten waar gedurende langere aangesloten tijd minder dan 50 personen aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld in kantoren met een bruto vloeroppervlak kleiner dan 1500 m².
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
31
•
Kwetsbaar object: woningen (meer dan 2 per hectare), gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig plegen te zijn (kantoren, complexen), kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50
•
personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar. Zeer kwetsbaar object: Een zeer kwetsbaar object is bestemd voor personen die niet of beperkt zelfredzaamheid zijn. Dit zijn personen die in geval van een calamiteit niet in staat zijn zichzelf zonder hulp van buitenaf in veiligheid te brengen. Voorbeelden van zeer kwetsbare objecten zijn zorgcomplexen, ziekenhuizen, detentiecentra, kinderdagverblijven, basisscholen, begeleid wonen met 24-uurszorg en bejaardenhuizen. De categorie "zeer kwetsbaar object" is geen wettelijke categorie.
4.8.2
Beoordeling
Een pand ten behoeve van zes zorgappartementen (met 24-uurszorg) betreft een zeer kwetsbaar object, zodat de herbouw getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Wel ligt nabij het plangebied het spoor Amersfoort-Zwolle. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze spoorlijn ligt op circa 1,2 kilometer van het plangebied "Vreeweg 11". Dit spoor heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van het spoor bedraagt 30 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt 460 meter voor brand & explosie. Voor een toxische ramp is dit 4.000 meter
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
32
Gezien het een zeer kwetsbaar object betreft en er sprake is van een toename van het aantal personen, is in verband met de ligging binnen het invloedsgebied toxisch van het spoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Hierbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid Voor de bestrijdbaarheid van zowel dagelijkse incidenten, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn in of nabij het plangebied. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Binnen het plangebied zijn meerdere ontsluitingswegen. Het plangebied is te bereiken via de Vreeweg. Op die manier kan in geval van een incident via deze weg van de bron af worden gevlucht. Voor incidenten is het plangebied via diverse wegen, vanuit verschillende richtingen goed bereikbaar voor hulpdiensten. Er is voldoende ruimte in het plangebied voor hulpdiensten om zich hier te manoeuvreren.
Door deze ruimtelijke wijziging verandert de kans op een incident niet en blijft gelijk. Hierdoor verandert de bestrijding van een incident niet. Wat wel is veranderd, is het aantal potentiële slachtoffers dat door de ontwikkeling toeneemt en de mate van zelfredzaamheid (zie hierna). Zelfredzaamheid Bij een incident met toxische stoffen over het spoor kan een giftige gaswolk ontstaan. Het voorgenomen plan bestaat uit de realisatie van zes zorgappartementen. De verwachting is dat het overgrote deel van de aanwezige personen kan worden beschouwd als niet of verminderd zelfredzame personen. De aanwezige bewoners kunnen door verzorgers/begeleiders begeleid worden indien zich een incident voordoet. Bij een dergelijk incident kan de omvang van de ramp worden beperkt door het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en het gebouw geschikt is om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van eventuele (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid.
Daarnaast ligt op ongeveer 170 meter van de planlocatie een hogedrukaardgastransportleidingen van de Gasunie. Hieronder is de invloedsgebieden van de leiding weergegeven (1%-letaliteitsgrens). Leiding
Diameter (inches)
Druk
100%-letaliteitsgrens
1%-letaliteitsgrens
N-570-20
12,44
4000 kPa
65 meter
140 meter
Geconcludeerd kan worden dat het plangebied buiten het invloedsgebied van de buisleiding ligt en geen belemmering vormt.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
33
Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds, is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving. 4.8.3
Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het spoor Amersfoort-Zwolle. Daarom is een beperkte verantwoording van het groepsrisico beschreven. De mogelijkheden voor de brandweer om de gevolgen van een ongeval te bestrijden, worden door de planvaststelling niet dusdanig negatief beïnvloed dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. De zelfredzaamheid van personen kan voldoende worden gewaarborgd door de aanwezigheid van begeleiders. Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan de Vreeweg 11 in Nunspeet. 4.9
Kabels en leidingen
Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘VREEWEG 11’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied, of in de directe omgeving daarvan, aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden. 4.10 Water 4.10.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
34
Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording.
Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.10.3
Beoordeling
Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is op 24 juni 2016 de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat van de watertoets is bijgevoegd als bijlage 11. Het resultaat van de digitale watertoets dient beoordeeld te worden door Waterschap Vallei en Veluwe. 4.10.4
Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief. 4.11 Duurzaamheid 4.11.1
Duurzame leefomgeving
Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. 4.11.2
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
35
winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. 4.11.3
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •
de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie;
•
de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.
4.11.4
Conclusie
Voor deze ontwikkeling wordt een verouderd, niet duurzaam pand gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een woning met een duurzaam karakter. De nieuwe woning voldoet aan de eisen voor energieprestatie van nieuwe gebouwen. De woning voldoet aan de BENG-normen en wordt energiezuinig in gebruik. De energiebehoefte van de woning wordt teruggebracht en het gebruik van fossiele brandstoffen wordt beperkt. De kansen om hernieuwbare energie te gebruiken voor de woning worden benut. De woning maakt geen gebruik meer van gas. Er wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het op termijn plaatsen van zonnepanelen binnen het plangebied. Wat betreft water is te concluderen dat het voorgenomen plan niet leidt tot belemmeringen. Samen met bovenstaande maatregelen, wordt bij de realisatie van de woning aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. 4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
36
4.12.2
Vormvrij m.e.r.-beoordeling
Kenmerken: In de gewenste situatie wordt de bestaande woning gesloopt en op het perceel een nieuw pand ten behoeve van zes zorgappartementen gerealiseerd. Locatie: Het plangebied is gelegen aan de Vreeweg 11 te Nunspeet. Het is gelegen in het buitengebied van Nunspeet. Het plangebied ligt niet in beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde NNN gebied, Belvederebos, ligt op een afstand van circa 330 meter. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied de Veluwe ligt op en afstand van 500 meter. Effecten: Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In het bestemmingsplan worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor dit bestemmingsplan is het dan ook niet noodzakelijk een formele m.e.r.-procedure te doorlopen. 4.12.3
Conclusie
Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
37
5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
38
6 Eindconclusie Voorliggend initiatief voor de realisatie van zorgappartementen aan de Vreeweg 11 in Nunspeet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk of de provincie Gelderland. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Nunspeet en voorziet het initiatief in het voorkomen van leegstand. Met de realisatie van het initiatief wordt een kleinschalig woon-zorg-initiatief gerealiseerd. Bij de realisatie van de zorgappartementen wordt rekening gehouden met diverse aspecten, waaronder duurzaamheid en ecologie.
Ruimtelijke onderbouwing – Vreeweg 11 te Nunspeet
39
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu