AP 6b. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • • • •
• • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan hand van de Risicokaart (risicokaart.nl) is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing dertien soorten rampen weergegeven. In Afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart ter plaatse van het projectgebied en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasvandeleefomgeving.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevindt binnen de veiligheidafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; wel is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
Op circa 64 meter van het plan gebied bevindt zich een gasleiding met een uitwendige diameter van 316 millimeter en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij gasleidingen zijn, voor wat betreft het groepsrisico, de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. Het projectgebied ligt binnen de 100% letaliteitscontour, waarmee een nadere verantwoording noodzakelijk is. Dit leidt ertoe dat er aanvullend onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Carola-berekening. Dit aanvullende onderzoek is uitgevoerd door Kragten en is terug te vinden in bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt het volgende: ‘’Onderzocht is of de buisleiding een belemmering vormen voor de planontwikkeling. Tevens is bepaald welke effecten de plannen hebben op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. De berekening heeft overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekeningen volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt wel binnen de 1% letaliteitsafstand voor BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing externe veiligheid van de buisleiding N-570-20, zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Het plangebied ligt buiten de 100% letaliteitsafstand van de buisleidingen. Voor de buisleidingen geldt dat, ter hoogte van het plangebied, zowel in de huidige als in de toekomstige situatie, een maximale overschrijdingsfactor van 0,251743 wordt berekend. Planrealisatie heeft daarmee geen rekenkundige invloed op het groepsrisico. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt derhalve geen belemmering. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio.‘’
5.4.3
Conclusie
Het milieuaspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, mits het bevoegde gezag (de gemeente) advies opvraagt bij de regionale brandweer/ veiligheidsregio en dit advies instemt met het project.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.5.2
Gebiedstypen
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied is gevarieerd. Aan de noordzijde van het plangebied, ten noorden van de Elburgerweg, bevindt zich een bedrijventerrein. De gronden ten zuiden, oosten en westen van het plangebied zijn voornamelijk in gebruik voor woondoeleinden. De planlocatie bevindt zich aan de rand van de woonkern als eerstelijns bebouwing vanaf het bedrijventerrein en de Elburgerweg. Gelet op de ligging van de locatie aan deze doorgaande weg en nabij het bedrijventerrein, is de omgeving als ‘gemengd gebied’ te karakteriseren. 5.5.3
Situatie projectgebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie door Kragten, zie bijlage 5. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich twee functies die een milieubelasting met zich meebrengen. En zijn opgenomen in de staat van bedrijvigheden. Zie Afbeelding 5.2 hieronder.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 5.2
Ligging plangebied en bestemmingen in de omgeving (onderzoek milieuzonering, Kragten)
Aan de gearceerde gebieden zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan de volgende functies toegekend: 1. Bedrijf; maximale milieucategorie 2 2. Horeca met uitzondering van automatenhallen, dancings en discotheken; maximale milieucategorie 1 De richtafstanden behorende bij deze milieucategorieën zijn verminderd met één stap als gevolg het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het groen gearceerde gebied is de planlocatie. De richtafstanden van de omliggende functies reiken niet tot over het plangebied, waardoor sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding. Hierna is dit nader uitgewerkt. Bedrijven terrein Lepelingen De afstand tussen de grens van het plangebied en het bedrijventerrein ten noorden van het plangebied bedraagt circa 36 meter. Ook indien zou worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ geldt dat aan de richtafstand van 30 meter vanaf het bedrijventerrein wordt voldaan. Horeca De afstand vanaf het horecaperceel ten zuiden van het plangebied bedraagt circa 17 meter. Voor deze bestemming geldt ook dat aan de richtafstand van 10 meter vanaf het restaurant wordt voldaan. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Uit de beoordeling volgt dat de richtafstanden van de omliggende functies niet reiken tot over de grens van het plangebied en de daarbinnen geprojecteerde woningen. Ook indien wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ reiken de richtafstanden vanuit het bedrijventerrein niet tot aan het plangebied. Er is derhalve sprake van voldoende ruimtelijke scheiding. Eén en ander blijkt tevens uit de in bijlage 6 opgenomen quickscan bedrijven en milieuzonering. Voor het aspect geur is een afzonderlijk agrarisch geuronderzoek uitgevoerd. Hier wordt in 5.6 op in gegaan. Geconcludeerd wordt dat milieuzonering het initiatief niet in de weg staat. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
5.6
Geur
5.6.1 Algemeen 5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals bijvoorbeeld een woning. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheid gemaakt in twee soorten dieren: • dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU-dieren. • dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (‘vaste afstand’) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde vaneen ‘geurgevoelig object’ (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VA-dieren.
5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2 Geurverordening gemeente Nunspeet De gemeente Nunspeet ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. In navolgende Afbeelding 5.3 zijn de concentratie- en de niet-concentratiegebieden opgenomen.
Afbeelding 5.3
Concentratie en niet-concentratiegebieden (rode cirkel gemeente Nunspeet) (agrarisch geuronderzoek, Kragten)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
De gemeente Nunspeet heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. Voor het gehele gemeentelijk grondgebied geldt de ‘Verordening inzake geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Verordening geurhinder en veehouderij)”. In deze verordening is een afwijkende geurnorm opgenomen voor de volgende nieuwbouwprojecten: 1. Molenbeek; alle geurgevoelige objecten in het plangebied hebben een geurnorm 6,5 OUE/m3 en een vaste afstand tot een geurgevoelig object van 50 meter tot een niet intensieve veehouderij. 2. Elspeet; alle geurgevoelige objecten in het plangebied hebben een geurnorm van 6,5 OUE/m3 en een vaste afstand tot een geurgevoelig object van 50 meter tot een niet intensieve veehouderij. Voor de rest van de gemeente geldt de wettelijke normstelling voor OU-dieren: • 14 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. • 3 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Voor VA-dieren gelden minimaal aan te houden vaste afstanden.
Conform de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een regulier geurgevoelig object minimaal: • 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen; • 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen. Onderhavig plan is niet gelegen binnen één van de in de geurverordening aangegeven gebieden. Het plan is gelegen binnen de bebouwde kom. Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geldt een norm van 3 OUE/m3 voor OU-dieren (intensieve veehouderij) en een vaste afstand van 100 meter voor VA-dieren (veehouderij met vaste afstand dieren). 5.6.3 Woon- en leefklimaat Naast het wettelijke toetsingskader dient bij de realisatie van geurgevoelige objecten rekening te worden gehouden met de achtergrondbelasting voor het aspect geur ten gevolge van de omliggende veehouderijen. Eveneens dient te worden onderzocht of sprake is van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vergunde rechten van de omliggende veehouderijen. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” d.d. 1 mei 2007 hierin is een relatie tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied.
4.6.4 Conclusie Kragten heeft een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6 . Dit onderzoek is uitgevoerd om de geurachtergrondbelasting op de geurgevoelige objecten ten gevolge van de omliggende veehouderijen te berekenen en om te onderzoeken of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. Uit het onderzoek volgen de volgende resultaten: • • •
De ontwikkeling maakt geen inbreuk op de bestaande milieu- en planologische geurrechten van de omliggende veehouderijen. In onderhavige situatie is de voorgrondgeurbelasting voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat niet relevant. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘goed’ ter plaatse van het plangebied.
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (in Gelderland Gelders Natuurnetwerk GNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op circa 740 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is er door Eco Reest een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing. ‘De aanlegfase leidt tot een tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/jr. Conform jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een toename van stikstofdepositie – ook kleine of tijdelijke – op een met stikstof overbelast gebied significante gevolgen kan hebben.
In dit geval heeft de stikstofdepositie afkomstig van het plan betrekking op hexagonen die allen reeds overbelast zijn; de achtergronddepositie overschrijdt de kritische depositiewaarde van de betreffende stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten aanzien van tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen geldt de landelijke beleidsregel: “Ontwikkelingen met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent Berekeningen stikstofdepositie hiervan) zijn in beginsel niet vergunningplichtig zijn voor het aspect stikstofdepositie. Dat betekent dat de totale stikstofvracht als gevolg van de ontwikkeling nooit meer dan 0,1 mol stikstof per hectare kan bedragen gedurende de looptijd van het project”9. De berekende stikstofdepositie (max. 0,01 mol/ha/jr) ligt ruim lager dan het gestelde maximum. Het toekomstige gebruik zorgt niet voor stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000 gebieden. Daarnaast is het onderzoek van voor 1 juli 2021, waardoor in het onderzoek de aanlegfase is meegerekend in de berekening. Sinds 1 juli is de stikstofwet in gang getreden, waardoor deze aanlegfase niet meergerekend hoeft te worden. Indien de aanlegfase niet meegerekend wordt in het stikstof onderzoek, zal het resultaat lager uitvallen.
Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan, ten aanzien van het aspect stikstofdepositie, past binnen de regels ten aanzien van stikstofdepositie en daarmee niet vergunningsplichtig is. 5.7.2.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN is gelegen op minimaal 740 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en de invulling van het tussenliggende gebied met infrastructuur en bebouwing (barrièrewerking), wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. In Afbeelding 5.4 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN weergegeven.
Afbeelding 5.4 Ligging van het projectgebied ten opzichte van natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN (Bron: Provincie Gelderland)
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Onderzoeksresultaten Quickscan Ecoreest heeft ter plaatse van het projectgebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 8 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing • • •
• • • • • • •
Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing geen geschikte broedgelegenheid voor vogelsoorten waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn. Roest- en nestplaatsen van ransuil worden niet verwacht binnen het plangebied, gezien het ontbreken van sporen van aanwezigheid (poep en braakballen). Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen wel categorie 5 vogelsoorten en algemene vogelsoorten tot broeden komen. Er zijn voldoende geschikte alternatieven in de directe omgeving voorhanden. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn bij de woning met aanleunwoning en de bungalow 84b niet uit te sluiten. Bij bungalow 84c worden geen verblijfplaatsen verwacht. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Gezien de aanwezigheid van een nestkast en geschikte dicht begroeide bomen zijn nestplaatsen van de eekhoorn niet uit te sluiten. Verblijfplaatsen van marterachtigen waaronder de steenmarter zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten.
In het plangebied zijn algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals muizen en egels te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrens Wnb van Nunspeet. Voor de betreffende te kappen bomen geldt het beschermingsregime vanuit de Wet natuurbescherming niet. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn zodoende niet aan de orde. Wel zijn in enkele gevallen vervolgstappen (omgevingsvergunning) vanuit de gemeentelijke regels aan de orde wanneer er bomen binnen de boomzone met een stamomtrek groter dan 120 centimeter gekapt worden of wanneer er een monumentale boom gekapt wordt.
Uit het onderzoek valt te concluderen dat het bestaan van verblijfplaatsen/nesten van vleermuizen, eekhoorns en/of steenmarters niet uitgesloten is. Om dit te bepalen is aanvullend onderzoek nodig. Daarnaast moeten de bomen op het perceel getoetst worden op de vraag of deze gekapt kunnen worden ten behoeve van het plan. In 5.7.3.3 wordt ingegaan op het vervolgonderzoek van de vleermuizen, eekhoorns en marterachtigen, in 5.7.3.4 wordt nader ingegaan op het bomenonderzoek. 5.7.3.3 Onderzoeksresultaten Nader onderzoek vleermuizen, eekhoorn, marterachtigen en Broedvogelcheck Om te onderzoeken of vleermuizen, marterachtigen en/of eekhoorns aanwezig zijn is nader onderzoek ‘vleermuizen, eekhoorn en marterachtigen’ uitgevoerd door EcoReest. Tevens is de broedvogelcheck uitgevoerd. Het onderzoek is terug te vinden in bijlage 9. In het onderzoek komt naar voren dat het projectgebied geen nesten bevat van een van de onderzochte dieren. Het projectgebied maakt deel uit van het foerageergebied van enkele vleermuizen en de rode eekhoorn, gezien er voldoende alternatieven in de omgeving voor handen liggen, betreft het in geen geval een essentieel foerageergebied en is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Uit de broedvogel check blijkt dat er geen nesten van vogels zijn aangetroffen die het gehele jaar rond worden beschermd.
Uit de check volgt het advies om boomkap voor februari af te ronden om nieuwe nestenbouw voor te zijn. Gelet op bovenstaande resultaten wordt er verwacht dat soortenbescherming geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek en het vervolgonderzoek ‘Nader onderzoek Vleermuizen, Rode eekhoorn en marterachtigen’ heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb. 5.7.3.4 Onderzoeksresultaten bomen effect analyse Treevision heeft in opdracht van initiatiefnemer de bomen effect analyse uitgevoerd per 20 september 2021. Dit onderzoek is terug te vinden in bijlage 10. Op basis van deze analyse kan het volgende geconcludeerd worden. De conditie van de meeste bomen is dankzij relatief gunstige groeiplaatsomstandigheden voldoende tot goed. De bomen staan veelal in een opengrond situatie met ruim voldoende doorwortelbare ruimte van voldoende kwaliteit. Een overzicht van de status staat in afbeelding 5.3, hieronder.
Afbeelding 5.2 Ligging van het projectgebied ten opzichte van natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN (Bron:Provincie Gelderland)
Een viertal bomen staat op of zeer nabij de voorgenomen bouwwerken, met als gevolg dat deze gekapt moeten worden. Eén van deze bomen staat genoteerd als monumentale boom. Ter compensatie wordt deze boom herplant binnen het projectgebied. Voor enkele overige bomen wordt aanbevolen dat er lichte ontwerp aanpassingen worden uitgevoerd ten behoeve van deze bomen. Geconcludeerd kan worden dat mits alle ontwerpaanpassingen worden uitgevoerd het plan geen belemmeringen ondervindt aan het ecologie-aspect ‘bomen’.
5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie projectgebied De regio-archeoloog heeft een beoordeling in het kader van een aanmelding ‘woning op maat’ uitgevoerd zie bijlage 11. Op basis van deze beoordeling, blijkt het projectgebied te liggen in een gebied met middelhoge archeologische verwachtingen en dient er voor het voorste deel van het plangebied onderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoeksbureau Lycens heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd, in augustus 2021. Het rapport is opgenomen als bijlage 12. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten, betreffende het selectieadvies, ingegaan: Gedurende het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het projectgebied. Het verwachte archeologisch interessante niveau, de moerpodzolbodem, ligt op 1,7 meter diepte.
De kelder van het plan bevindt zich met een diepte van 3 meter dieper dan de betreffende bodemlaag. De rest van het gebouw ligt op 1,5 meter diepte. Er wordt nader onderzocht hoe met deze laag wordt omgegaan en of er nadere onderzoeken nodig zijn ten aanzien van de kelder. Dit nader onderzoek zal als voorwaardelijke verplichting worden opgenomen in de te verlenen omgevingsvergunning voor bouwen. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.8.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. In het projectgebied is er geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ ligt op circa 740 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4
Waterschap Vallei en Veluwe
Op 30 september 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. De afgelopen jaren is veel bereikt, maar tegelijk staan er voor de komende jaren nieuwe uitdagingen. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft de koers aan die het waterschap wil gaan varen en beoogt daarmee twee dingen. Ten eerste inzicht geven aan alle gebruikers en partners in het werkgebied in de doelen en maatregelen die het waterschap de komende zes jaar gaat bereiken. Ten tweede de koers intern bij het waterschap, als spoorboekje, expliciet maken en vastleggen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
6.2
Watertoets
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Klimaat en Hittestress
Initiatiefnemer tracht met deze ontwikkeling eveneens in te spelen op vergroening en klimaatadaptieve maatregelen rondom de herontwikkeling van Harderwijkerweg84abc 86 in Nunspeet. Op dit moment is de locatie grotendeels groen met relatief veel bomen op het terrein. In de nieuwe situatie neemt het bebouwd oppervlak toe, en worden enkele bomen herplant. Ook wordt de nieuwbouw straks omrand met groenzones. Geacht wordt dat de nieuwbouw hierom geen negatief effect zal hebben op hittestress in de omgeving van het plangebied. Daarnaast zal er waar mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzaam bouwmateriaal, en zal de (her)ontwikkeling leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Hittestress Door klimaatverandering neemt het aantal zomerse en tropische dagen toe. De zomer van 2018 was de warmste in de afgelopen eeuwen en de zomer van 2019 kende de heetste week ooit: het werd voor het eerst warmer dan 40 graden. Boven een zekere grens leiden hoge tempraturen tot hittestress. Deze hittestress kan leiden tot een verminderd thermisch comfort, slaapverstoring, gedragsverandering (grotere agressie) en verminderde arbeidsproductiviteit. Hittestress kan ook tot serieuze hitte gerelateerde ziekten leiden zoals: huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen.
Soms kan hittestress zelfs sterfte tot gevolg hebben. Klimaat Door de het behoud of herplant van de bomen gelegen op het perceel blijft het perceel aanzienlijk bestendig tegen de hitte. Meer groen betekent minder hitte. Planten/struiken/bomen voor droge en natte bodem voor betere drainage/ wateropname van de grond en minder hitte. Planten nemen ook water op. Duurzame locatieontwikkeling (inbreiding versus uitbreiding) Realisatie van het plan levert een belangrijke bijdrage aan de forse taakstelling van de overheid om te zorgen voor voldoende woningbouw in de komende jaren. Door juist te kiezen voor inbreiding t.o.v. uitbreiding worden woningen gerealiseerd dicht bij de voorzieningen. Dit leidt tot minder voertuigbewegingen en daarmee minder overlast. Dit geldt o.a. voor de winkels voor de dagelijks boodschappen, de overige centrumvoorzieningen en ook voor bezoeken aan de huisarts, apotheek etc.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 6.2.3
Watertoetsproces
Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan , deze heeft de watertoets uitgevoerd. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Standaard Waterparagraaf’ is opgenomen in bijlage 13 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies. Hemelwater Wat betreft hemelwater dient bij nieuwbouw het nieuwe verharde oppervlakte niet te worden aangesloten op de riolering. Binnen het projectgebied moet in bergings- en infiltratiecapaciteit worden voorzien. Dit kan zowel bovengronds als ondergronds. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Met voorgenoemde eisen wordt rekening gehouden.
Tevens zullen er niet uitlogende materialen worden toegepast, waardoor wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater het grond- en/of oppervlaktewater zal verontreinigen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning of bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor de economische uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het project financieel haalbaar is en of het kostenverhaal (grondexploitatie) goed geregeld is. Financiële haalbaarheid Aan de realisatie van de appartementen liggen particuliere initiatieven ten grondslag. De initiatiefnemers bekostigen deze zelf. Daarbij moeten zij bij de vergunningaanvraag aantonen hiervoor over voldoende financiële middelen te beschikken. In het geval van de eigenaren in het projectgebied is dit het geval. Grondexploitatie Voor dit project is de grondexploitatieregeling van toepassing, omdat bouwplannen (de bouw van het appartementengebouw) mogelijk worden gemaakt. Het kostenverhaal hoeft niet via het publiekrechtelijke spoor (vaststelling exploitatieplan) te lopen.
De gemeente verhaalt de plankosten via de leges bij de omgevingsvergunning. Deze leges zijn dekkend voor de door de gemeente te maken kosten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
8.1
Vooroverleg
9.1.1
Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Gelderland
Het voornemen voor de bouw van het appartementengebouw zal ter beoordeling worden aangeboden aan de provincie. 8.1.3
Waterschap Vallei en Veluwe
Het waterschap is geïnformeerd door gebruik te maken van de ‘watertoets’. Hieruit bleek dat de zogenaamde ‘korte procedure’ van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is opgenomen in de bijlage 13 bij deze toelichting. Het waterschap adviseert hiermee positief, waarmee het wettelijke vooroverleg is afgerond.
8.2
Inspraak en burgerparticipatie
Initiatiefnemer heeft met omliggende bewoners contact gezocht. Hieraan zijn de bouwplannen mondeling en visueel toegelicht. Hieruit zijn diverse planwijzigingen voortgevloeid, om het complex zo goed mogelijk in te passen in haar omgeving. Zo is de entree verplaatst en wordt er een geluidwerende schutting geplaatst richting de buren toe. In bijlage 14 is een omgevingsdialoog toegevoegd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Harderwijkseweg 84 abc, 86, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Bouwtekeningen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
x
x
x
x
x
x
Asp.
C
x
x
x
x
B.
x
x
B.
x
A.
x B.
xx xx xx xx xx xx
bu.
bu.
bu.
xx
kga.
xx xx
hwa
hwa bu.
xx
xx
bu.
wtw-uit
xx
RM
xx
x
x
x
Asp.
x
x
x
B.
B.
mr
x
x
wtw-in
x
x
B.
wtw-in
SA x
x
Asp.
x
x
B.
C
x
C
C
B. no.
30
no.
A
vide
A
lift
houten lamellen (verdiepingshoog)
A
A
0 0 3 4
x
x
x
B
x
B
x
x
x
x
x
x 30
x
x
x
x
xx
xx
x
B. x
x
x
B. x
x
B. x
mr
30
no.
A. x
x
no.
B. x
x
B
x
B
B
30 wtw-in
wtw-in
C.
0 0 7 2
RM
RM
RM
RM
RM
RM
RM
xx
0 0 9 3
B 0.2 slaapkamer
B.
xx
30
x mr
SA
A
xx
x
RM
xx
xx
mr
mr
900
xx
hwa
wp+ wtw
bu.
hwa
hwa
wtw-uit
bu.
bu.
bu.
D.
A
balkon ca. 6m2
buitenruimte
kga.
kga.
kga.
Begane grond (peil = 0.000)
wp
opstelplaats luchtwarmtepomp
beton (in het werk gestort)
alle constructie onderdelen stormvast verankeren dmv ankers en boutconstructies
bu
opstelplaats buitenunit wp
prefab beton
kk
opstelplaats koelkast
isolatie
wm
opstelplaats wasmachine
wd
opstelplaats wasdroger
kga
kookgasafvoer
mv-uit
afvoer mechanische ventilatie
stl.
standleiding
xx xx xx xx
A
balkon ca. 6m2
A
A
C
1
4
Eerste verdieping (3.000+)
alle constructieve onderdelen volgens berekening van de constructeur
balkon ca. 5m2
0 0 8 7
0 0 8 5
2
Renvooi
appartement 09 ca. 83m2 BVO
B
C C
0 0 9 1 2
0 0 8 7
3
Algemeen
type A-2
B
A E.
C
buitenruimte
J.
xx
F.
xx
xx xx
xx
E.
appartement 08 ca. 60m2 BVO
0 0 4 2
xx
xx
H.
0 7 9 2
xx
bu.
B
xx xx
C.
maaiveld = peil -740
4
wtw-uit
xx
xx
appartement 07 ca. 83m2 BVO
type B
xx
type A
xx
appartement 03 ca. 83m2 BVO
0 0 3
F.
buitenruimte
wp+ wtw kk
xx
B 0.4 woonkamer/keuken
0 0 3
0 0 5 7
0 0 4
G.
type A-2
xx
appartement 02 ca. 60m2 BVO
0 5 7 5
xx 6 3 0 5
xx
xx xx
0 5 9 4
bu.
wm
kk
type B
xx
6 8 5 4
wp+ wm wtw
xx
kk
xx
xx
kk
xx
wp+ wtw
xx
xx wm
xx
B 0.5 0wp+ 1wtw wm
wm
xx
xx
900
xx
0 5 3 1
xx
B 0.3 badkamer
xx
0 0 9 2
0 0 5 2
900
kk
F.
0 0 7 1
x mr
B.
xx
B 0.1 entree 0 0 9 3 RM
techniek hwa 0 5
A 0.5 woonkamer/keuken
E.
x
SA Asp.
0 5 3
0 0 A 0.6 wm 4 1 berging techniek wp+ wtw
kk
A
x
B.
xx
x
B.
xx
xx
xx
x
B.
xx
x
xx
x
0 5 0 1
A 0.4 toilet
0 0 6
900
0 0 3 0 1
SA
A.
900 0 0 1 1
A 0.3 badkamer
900
x
B.
900
0 0 5 1
0 0 1 2
peil = 0.000 0 0 9 2
0 0 4 2
900
x
900
30
A 0.7 0 0 slaapkamer 12 3
RM
A 0.1 entree
x
0 5 3
0 0 0 1 0 1 1
0 0 1 4
0 5 9 7
RM
x
B.
xx
x mr
B.
xx
x
900
30
D.
luchtverversing dient overeen te komen met de waarde genoemd in de NEN 1087 in de meterruimte
RM
SA
30
xx
x
900
C.
luchtverversing volgens NEN 1087 beweegbare delen en ventilatieroosters zoals is aangegeven op geveltekening
kga.
bu.
hwa
houten lamellen borstwering tot 1.000+vl.
SA
A.
xx
x
A 0.2 slaapkamer 1
0 8 6 4
isolatiewaardes volgens NEN 1068 en BENG-berekening
kga.
wtw-uit
wp+ wtw
xx
xx
mr
30
xx
x
xx
x
B.
appartement 01 ca. 83m2 BVO
alle materialen leveren en aanbrengen volgense KOMO-kenmerk
appartement 10 ca. 83m2 BVO
RM
xx
C
x
B.
30
SA
Asp.
type A
Kelder (-3.000)
xx
xx xx xx xx xx xx xx xx xx
x B.
D
0
900
3
mr
xx
x
lift
5 2 SA 1
0 0 7 3
0 0 7 3
0 8 0 3
0 4 0 2
A
xx
x
B.
trap: o: 187 a: 220 b: 1200
0 0 8 1
peil = 0.000
hellingbaan +0,74m1 / 1:20
4
B
B
C x
D
wm
xx xx xx
x B.
wm
RM
SA
SA
30
xx
x
C.
A
mr
xx
x
xx
x Asp.
0 0 5 5
B
0 0 8 0 1
x
wp+ wtw
xx
xx xx xx xx xx
x B.
appartement 11 ca. 60m2 BVO
kk
RM
C.
hwa
trap: o: 185 a: 220 b: 12000 0 2 0 5 6 1
B
wm
RM
D
no.
B.
B
x
A.
xx
x 30
0 5 8 1
berging 02
x
xx
0 0 2 1
x
xx
0 0 8 4
x B.
SA
xx
0 0 3 4
A berging 01
x
0 0 9 0 5 1
0 5 4 2
berging 03
x
0 0 2
k.
0 5 8 1
mr
xx
C
wm
1
type A-2 sp
0 6 5 1
0 9 2 1
2
J.
kk
wp+ wtw
RM
balkon ca. 6m2
F.
kk
RM
Dv.
H.
0 0 8 1
0 6 9
A
C
appartement 12 ca. 83m2 BVO
0 0 7 6
trap: o: 173 a: 220 b: 900
A
0 0 2
0 0 1 2
C
appartement 04 ca. 83m2 BVO
Ev.
type B sp
wp+ wtw
RM
SA
F.
xx
xx
hwa
mr
RM
C.
fk.
type A sp
xx
wm
xx
hwa
xx
gang
berging 12
0 2 9 1
algemene berging
type A-2 sp xx
wp+ wtw
xx
RM 0 2 9 1
3
1
balkon ca. 5m2
G.
kk
0 2 9 1
berging 04
berging 11
F.
J.
xx
kk
wm 0 5 2 5 1
D
Ev.
balkon ca. 6m2
C.
kk
wp+ wtw
0 2 9 1
D F.
Ev.
xx
xx
berging 05
0 0 3 0 1
Dv.
xx
xx xx xx
appartement 05 ca. 60m2 BVO
xx
berging 10
0 0 8 0 1
D.
type B sp
appartement 06 ca. 83m2 BVO
0 2 9 1
E.
H.
xx 0 2 9 1
berging 06
buitenruimte
xx
F.
xx
0 2 9 1
2
xx
G.
type A sp
berging 09
3
xx
F.
0 2 9 1
berging 07
E.
xx
D C.
0 2 9 1
4
xx
D
E.
xx
D
buitenruimte
xx
buitenruimte
berging 08
1
2900
D.
0 2 9 1
2
xx
1500
3
C
4 2900
4
B
C
3
C
4
3
2
1
4
3
2
1
Dakaanzicht
kalkzandsteen schoonmetselwerk lichte scheidingswand HWA hemelwaterafvoer no noodoverstort volgens opgave constructeur
STATIONSLAAN 34 8071 CM NUNSPEET
hang- en sluitwerk volgens Politiekeurmerk Veilig Wonen. Deze dient te voldoen aan NEN 5096 die voldoet aan de norm aangegeven weerstandsklasse 2
mr.
meterruimte
verborgen afvoeren van PVC volgens NEN 3215
mv
opstelplaats ventilatieunit
vr
ventilatierooster (glasrooster)
xx
60 min WBDBO
opdrachtgever:
wateropname materialen vloeren, wanden en plafonds in natte ruimtes dient te voldoen aan de minimale eisen conform de NEN 2778
kl.
kruipluik, geisoleerd en luchtdicht
x
30 min WBDBO
Nunspeetse Onroerend Goed Maatschappij (N.O.M.) B.V.
sk.
stalen kolom volgens opgave constructeur
Materiaal en kleur metselwerk kozijnen spekbanden kroonlijst plat dak dakbedekking hemelwaterafvoeren ventilatieroosters geveldragers hekwerken HSB-plafond boven balkons gevelbekleding lift lamellen eerste verdieping
baksteen hout prefab beton prefab beton epdm zink aluminium staal (gepoedercoat) staal (gepoedercoat) multiplex (hor)/ wrc (vert) aluminium hout (op zwart stalen frame)
geel / okeraccenten grijs (ntb / ca. RAL 7037) lichtgrijs/wit (toeslag 2% titaan) lichtgrijs/wit (toeslag 2% titaan) zwart naturel grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) vergrijzend
30
SA
RM niet ioniserende rookmelder aangesloten op electrisch netwerk conform NEN 2555
brandwerende en zelfsluitdende deur, WBDBO 30 minuten v.v. vrijloop deurdranger, treedt alleen in werking bij brandalarm
0341 26 97 23 _ 06 21 963 847 MAIL@JOHANHOFMAN.NL WWW.JOHANHOFMAN.NL
project:
Ontwikkeling Harderwijkerweg 84a, b, c en 86 Nunspeet
Riolering onderwerp:
riolering dikwandig PVC gescheiden systeem met KOMO keurmerk nieuwe riolering aansluiten op gemeentelijke riolering
Plattegronden projectnummer:
fase:
datum:
gewijzigd:
het gebouw voorzien van hwa's volgens opgave installateur, hwa's zichtwerk in zink
2005
Bouwaanvraag
01-12-2021
31-03-2022
E.e.a. volgens nadere berekening van de installateur
getekend:
schaal:
formaat:
Johan Hofman
1:100
1189 x 594 mm
tekeningnr.
blad Bv-01
Rc > 6,3m2K/W
04
01
0 9 1 0 0 2
+6200 +5650
0 6 2 0 5 6 2
02
0 9
+3000 xx
06
05
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx 0 xx 6 2
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
0 5 6 2
03
Rc > 4,7m2K/W
0 9 0 6 2
+0 -350 xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
-1000
Voorgevel
Rechter zijgevel
Rc > 3,7m2K/W
-3000
xx
xx
xx 0 xx 4 1
-740
0 1 5 2
0 0 3
D
C
B
A
Doorsnede C-C
Algemeen
Renvooi
alle constructieve onderdelen volgens berekening van de constructeur
wp
opstelplaats luchtwarmtepomp
beton (in het werk gestort)
alle constructie onderdelen stormvast verankeren dmv ankers en boutconstructies
bu
opstelplaats buitenunit wp
prefab beton
kk
opstelplaats koelkast
isolatie
wm
opstelplaats wasmachine
wd
opstelplaats wasdroger
alle materialen leveren en aanbrengen volgense KOMO-kenmerk isolatiewaardes volgens NEN 1068 en BENG-berekening luchtverversing volgens NEN 1087 beweegbare delen en ventilatieroosters zoals is aangegeven op geveltekening luchtverversing dient overeen te komen met de waarde genoemd in de NEN 1087 in de meterruimte
kga
kookgasafvoer
mv-uit
afvoer mechanische ventilatie
no noodoverstort volgens opgave constructeur
stl.
standleiding
mr.
meterruimte
verborgen afvoeren van PVC volgens NEN 3215
mv
opstelplaats ventilatieunit
wateropname materialen vloeren, wanden en plafonds in natte ruimtes dient te voldoen aan de minimale eisen conform de NEN 2778
vr
ventilatierooster (glasrooster)
xx
60 min WBDBO
kl.
kruipluik, geisoleerd en luchtdicht
x
30 min WBDBO
sk.
stalen kolom volgens opgave constructeur
metselwerk kozijnen spekbanden kroonlijst plat dak dakbedekking hemelwaterafvoeren ventilatieroosters geveldragers hekwerken HSB-plafond boven balkons gevelbekleding lift lamellen eerste verdieping
Linker zijgevel
HWA hemelwaterafvoer
hang- en sluitwerk volgens Politiekeurmerk Veilig Wonen. Deze dient te voldoen aan NEN 5096 die voldoet aan de norm aangegeven weerstandsklasse 2
Materiaal en kleur Achtergevel
schoonmetselwerk lichte scheidingswand
baksteen hout prefab beton prefab beton epdm zink aluminium staal (gepoedercoat) staal (gepoedercoat) multiplex (hor)/ wrc (vert) aluminium hout (op zwart stalen frame)
geel / okeraccenten grijs (ntb / ca. RAL 7037) lichtgrijs/wit (toeslag 2% titaan) lichtgrijs/wit (toeslag 2% titaan) zwart naturel grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) grijs (conform kozijnen) vergrijzend
30
RM niet ioniserende rookmelder aangesloten op electrisch netwerk conform NEN 2555
SA
06
kalkzandsteen
brandwerende en zelfsluitdende deur, WBDBO 30 minuten v.v. vrijloop deurdranger, treedt alleen in werking bij brandalarm
Riolering riolering dikwandig PVC gescheiden systeem met KOMO keurmerk nieuwe riolering aansluiten op gemeentelijke riolering het gebouw voorzien van hwa's volgens opgave installateur, hwa's zichtwerk in zink E.e.a. volgens nadere berekening van de installateur
Rc > 6,3m2K/W 0 9 1
+6200
+6200
0 0 2
+5650
0 6 2
0 0 3
0 5 6 2
0 0 5 2
0 9
+3000
+3000
0 0 3
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
0 xx6 2
xx
xx
xx
xx
xx
xx
07 0 5 6 2
0 5 6 2
Rc > 4,7m2K/W
erfafscheiding met kokosmatten
0 0 3
+0
+0 -350
0 9 1
-740 -1000
-740
STATIONSLAAN 34 8071 CM NUNSPEET
-1000 0 1 5 2
0 0 7 2
0341 26 97 23 _ 06 21 963 847 MAIL@JOHANHOFMAN.NL WWW.JOHANHOFMAN.NL
Rc > 3,7m2K/W opdrachtgever:
-3000
-3000
4
3
2
1
Nunspeetse Onroerend Goed Maatschappij (N.O.M.) B.V.
A
B
C
D
project:
Ontwikkeling Harderwijkerweg 84a, b, c en 86 Nunspeet onderwerp:
Doorsnede A-A
Doorsnede B-B
Gevelaanzichten en doorsnedes projectnummer:
fase:
datum:
gewijzigd:
31-03-2022
2005
Bouwaanvraag
01-12-2021
getekend:
schaal:
formaat:
Johan Hofman
1:100
1189 x 594 mm
tekeningnr.
blad Bv-02
4
3
4
3
2
1 4
3
2
1
4
3
2
1
prefab betonwand d=150 prefab balkon d= 300mm
D
D
hwa
D
hwa
prefab balkon d= 300mm
prefab balkon d= 300mm
D
D
D
D balklaag 171x71
gs
balklaag 171x71
balklaag 171x71
gs
kanaalplaatvloer 260 + isolatie + spackwerk
geisoleerde kanaalplaatvloer 260
geisoleerde kanaalplaatvloer 260
breedplaatvloer 260
breedplaatvloer 260
kanaalplaatvloer 260
breedplaatvloer 260
kanaalplaatvloer 260
kanaalplaatvloer 260
gs vw
wt
d.
wc
vw
vw
wt
wt
wt hwa
wm
d.
wc
hwa wt
wc
d. wm
prefab betonwand d=150 prefab betonwand d=300
C
-0.090
C
C
C
C
C
C
peil = 0.000 (
t u o h
n j i z o k d n e g a r d
prefabvloer (elementen d=300mm) hwa
)
verdeling ntb
k. prefab element
prefab elementen
prefab elementen
balklaag 171x71 t u o h
n j i z o k d n e g a r d (
liftkoker (prefab of kzst)
)
prefab koppelen aan binnenblad / bpv
B
B
B
B
B
B
B
prefab betonwand d=300 hellingbaan bestrating op zandpakket