AP 6b. Bijlage TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Inhoudsopgave
Motivering
3
Regels
27
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
28
Artikel 1 Begripsbepalingen
28
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
29
Artikel 3 Toepassingsbereik
33
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
34
Artikel 5 Aanvraagvereisten
35
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
36
Hoofdstuk 2
37
Functies en gebiedsaanwijzingen
Artikel 7 Functieomschrijving Tuin
37
Artikel 8 Functieomschrijving Wonen
38
Artikel 9 Functieomschrijving Bedrijventerrein
40
Artikel 10
Functieomschrijving Verkeer
41
Artikel 11
Functieomschrijving Waarde - Archeologie 2
42
Artikel 12
Functieomschrijving Waarde - Archeologie 3
44
Hoofdstuk 3
Algemene regels
46
Artikel 13
Anti-dubbeltelbepaling
46
Artikel 14
Algemene bouwregels
47
Artikel 15
Strijdig gebruik
48
Artikel 16
Algemene aanduidingsregels
49
Artikel 17
Algemene afwijkingsregels
51
Hoofdstuk 4
Overgangsrecht
52
Artikel 18
Overgangsrecht
52
Bijlagen bij de regels
53
Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten
54
2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Motivering
3
TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b NL.IMRO.0302.TAM0022b-ow01
-2-
Toelichting
-3-
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanleiding 1.2 Ligging en plangrenzen Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden 3.2 Strijdigheden met het omgevingsplan Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Rijksbeleid 4.2 Rijksinstructieregels 4.3 Provinciaal- en regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1 Milieu 5.2 Water 5.3 Ecologie 5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.5 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 6 Juridische toelichting 6.1 Algemene opzet
-4-
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanleiding Nunspeet is een groene gemeente en dat wordt door de bewoners gewaardeerd. Denk aan het grote aantal bomen, het groen, de waardevolle wijk- en buurtparken en de lommerrijke straten. Er zijn echter ook strookjes groen (snippergroen), die weinig betekenis hebben voor deze groenbeleving. Ook vragen deze gronden veel onderhoud. Aangezien deze groenstroken veelal grenzen aan woonpercelen heeft de gemeente Nunspeet ervoor gekozen om zoveel mogelijk in te zetten op de verkoop van deze strookjes groen aan particuliere aanwonenden. De gemeente Nunspeet heeft kaarten gepubliceerd met daarop de eventueel verkoopbare stukjes groen. Naar aanleiding hiervan hebben een aantal bewoners aangrenzende gronden snippergroen gekocht van de gemeente. Deze gronden hebben nog niet de functie 'Tuin' of 'Wonen'. Om een passend gebruik van de gronden mogelijk te maken en planologisch juridisch vast te leggen, is dit TAM-omgevingsplan opgesteld Het onderhavige TAM-omgevingsplan ''TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b'' betreft dan ook een partiële herziening van (de functie van) snippergroen gronden in de gemeente Nunspeet. Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de verkochte en bijna verkochte snippergroen gronden in de kernen Nunspeet, Elspeet en Hulshorst. In de kern Vierhouten is geen snippergroen verkocht.
In 2018, 2019 en 2021 hebben de eerste gedeeltelijke herzieningen van snippergroen gronden plaatsgevonden. Dit TAM-omgevingsplan dient dan ook als opvolging van de eerdere planologische herzieningen van snippergroen gronden in de gemeente Nunspeet. 1.2 Ligging en plangrenzen Het plangebied van het onderhavige TAM-omgevingsplan ''TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b'', dat bestaat uit verscheidene losse delen, valt onder de toepassing van de volgende delen van het omgevingsplan van rechtswege: ''Nunspeet Noord en Oost'', ''Nunspeet centrum'', ''Nunspeet west'', ''Bestemmingsplan Elspeet Dorp 2011'' en ''Vierhouten en Hulshorst''. Het betreffende snippergroen ligt verspreid in de gemeente Nunspeet, in de kernen Nunspeet, Elspeet en Hulshorst. De locaties van de (bijna) verkochte gronden snippergroen liggen nabij de volgende locaties: Nunspeet - Mesdaghout 73 - Mesdaghout 107 - Nijverheidsweg 17 - Bremhoek 4 - Jan Topweg 82 - Stationslaan 36 - Feithenhofweg 21 - Mozartlaan 22 - Zwolsewegje 110 - Ben Viegersstraat 38 - Energieweg 2
-5-
Elspeet - Ploegweg 43 - Ploegweg 45 - Ploegweg 47 - Ploegweg 49 - Ploegweg 51 - Ploegweg 53 - Ploegweg 55 - Ploegweg 57 - Ploegweg 59 - Ploegweg 61 - Ploegweg 63 Hulshorst - Kapelweg 12
-6-
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit gronden groen en/of verharding waarvan de gemeente heeft aangegeven deze te willen verkopen. Dit betreft zogeheten 'snippergroen'. De gronden snippergroen die (bijna) verkocht zijn hebben veelal de functie 'Groen' of 'Verkeer', een enkele grond heeft de functie 'Tuin'. De nieuwe eigenaren willen deze gronden aan hun woonfunctie toevoegen. De grond gelegen nabij Kapelweg 12 in Hulshorst is juist eigendom geworden van de gemeente ten behoeve van een verkeersfunctie, in plaats van de huidig geldende tuinfunctie. Het onderhavige snippergroen ligt verspreid in de gemeente Nunspeet, in de kernen Nunspeet, Elspeet, Hulshorst en Vierhouten. De locaties van het snippergroen inclusief de huidige functie staan weergeven in tabel 1. 2.2 Toekomstige situatie Het onderhavige TAM-omgevingsplan ''TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b'' wijzigt kleine delen van het omgevingsplan. Deze delen vallen onder de toepassing van de volgende delen van het omgevingsplan van rechtswege: ''Nunspeet Noord en Oost'', ''Nunspeet centrum'', ''Nunspeet west'', ''Bestemmingsplan Elspeet Dorp 2011'' en ''Vierhouten en Hulshorst''.
De functies 'Tuin', 'Wonen' en 'Verkeer' in het te wijzigen deel van het omgevingsplan, zijn reeds aanwezig in de van rechtswege geldende delen van het omgevingsplan en zijn bovendien grotendeels gelijk aan elkaar. Aangezien het onderhavige TAM-omgevingsplan een herziening is, zijn voor zover mogelijk dezelfde functies en functieregels gehanteerd als in één van de aangrenzende delen van het omgevingsplan van rechtswege. De locaties van het snippergroen inclusief de toekomstige functie staan weergeven in tabel 1. Tabel 1: Locaties snippergroen in onderhavig TAM-omgevingsplan ‘’TAM omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b’’ Planlocatie Huidige functie Toekomstige functie Nunspeet Mesdaghout 73 Groen Tuin Mesdaghout 107 Groen Wonen Nijverheidsweg 17 Groen Tuin Bremhoek 4 Verkeer Tuin Jan Topweg 82 Verkeer Tuin Stationslaan 36 Groen Tuin en Wonen Feithenhofweg 21 Verkeer Tuin Mozartlaan 22 Verkeer Tuin Zwolsewegje 110 Groen Wonen Ben Viegersstraat 38 Verkeer Wonen Energieweg 2 Bos/Bedrijventerrein/Verkeer Bedrijventerrein Elspeet Ploegweg 43 Groen Wonen Ploegweg 45 Groen Wonen Ploegweg 47 Groen Wonen Ploegweg 49 Groen Wonen Ploegweg 51 Groen Wonen Ploegweg 53 Groen Wonen
-7-
Ploegweg 55 Ploegweg 57 Ploegweg 59 Ploegweg 61 Ploegweg 63 Hulshorst Kapelweg 12
Groen Groen Groen Groen Groen
Wonen Wonen Wonen Wonen Wonen
Tuin
Verkeer
Hoofdstuk 3 Toetsing aan het omgevingsplan 3.1 Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden Ter plaatse van het plangebied geldt het omgevingsplan van rechtswege. Deze bestaat uit de voorheen geldende bestemmingsplannen: ''Nunspeet Noord en Oost'', ''Nunspeet centrum'', ''Nunspeet west'', ''Bestemmingsplan Winckelweg van de gemeente Nunspeet'', ''Bestemmingsplan Elspeet Dorp 2011'' en ''Vierhouten en Hulshorst''. Hierbinnen hebben de gronden snippergroen de functies 'Groen' of 'Verkeer'. Een enkele grond heeft de functie 'Tuin'. 3.2 Strijdigheden met het omgevingsplan De wijziging van het omgevingsplan voorziet in een verandering van de planologisch juridische gebruiksmogelijkheden van de gronden snippergroen. De gronden snippergroen worden na verkoop door de koper bij zijn eigendomsperceel getrokken en gaat over het algemeen deel uitmaken van de tuin. De consequentie is dat de eigendomssituatie niet meer met het omgevingsplan overeenstemt.
-8-
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Per Januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet, want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. Sinds de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024 geldt deze omgevingsvisie dan ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. 4.1.2 Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.
Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 4.1.3 Planspecifiek De NOVI richt zich op vraagstukken van nationaal belang. Het onderhavige TAMomgevingsplan voorziet niet in een ontwikkeling die invloed heeft op de nationale belangen. Het onderhavige TAM-omgevingsplan is dan ook niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI. 4.2 Rijksinstructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) opgenomen. In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp. De meeste instructieregels hebben betrekking op omgevingsaspecten en worden in hoofdstuk 5 'Omgevingsaspecten' van dit onderhavige TAM-omgevingsplan beschreven. 4.3 Provinciaal- en regionaal beleid In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 staan de hoofdlijnen van het beleid van de provincie Gelderland voor de fysieke leefomgeving.
De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd, januari 2024) regels staan waar rekening mee gehouden moet worden bij een TAM-omgevingsplan. 4.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018
-9-
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 geeft richting op strategische hoofdlijnen van het beleid van de provincie. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren staat het werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Er is een focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities zijn hieronder kort samengevat: 1. Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; 2. Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; 3. Een voortvarend en innovatief circulair beleid; 4. Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; 5. Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; 6. Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; 7. Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. 4.3.2 Omgevingsverordening Gelderland De gemeente Nunspeet is gelegen in de provincie Gelderland.
De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd, januari 2023) regels staan waar rekening mee moet worden gehouden bij een TAM-omgevingsplan. De omgevingsverordening Gelderland is geraadpleegd. De plannenviewer is geraadpleegd. Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied zoals het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. De enige beschermingszone die over het plangebied heen ligt is de aanduiding ‘intrekgebied’ (art. 2.38). In verband met bescherming van grond- en drinkwater is het niet toegestaan binnen het intrekgebied om winning van fossiele energie mogelijk te maken. Daar is in dit plan geen sprake van 4.3.3 Planspecifiek Met het onderhavige TAM-Omgevingsplan zijn geen provinciale belangen gemoeid. Het beleid van de provincie geeft geen belemmeringen voor dit TAM-Omgevingsplan. 4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Nunspeet De gemeenteraad van Nunspeet heeft op 29 november 2018 de Omgevingsvisie Nunspeet vastgesteld. De gemeente Nunspeet heeft hierin een integrale toekomstvisie opgesteld voor de gehele gemeente. In deze visie kijkt de gemeente vooruit in een periode tot 2030. De gemeente blijft bouwen aan een krachtige en vitale gemeente, waar het goed wonen, werken en recreëren is. De gemeente werkt hier graag aan mee met zoveel mogelijk partijen uit de samenleving.
De Omgevingsvisie heeft een breed karakter.
- 10 -
De Omgevingsvisie Nunspeet geeft de koers, die voor een belangrijk deel samen met de samenleving is uitgestippeld, waar de gemeente vervolgens ook samen mee aan de slag willen gaan. Planspecifiek Voorliggend initiatief is kleinschalig en heeft geen noemenswaardige ruimtelijke effecten die een relatie hebben met de visie en beleidsdoelstelling uit de Omgevingsvisie Nunspeet. Wel kan gesteld worden dat de verkoop van snippergroen gronden, in combinatie met een passende functie op basis van het onderhavige TAMOmgevingsplan, inwoners kansen biedt om het wonen aangenamer te maken. Er kan dus geconcludeerd worden dat het onderhavige TAM-omgevingsplan past binnen de 'Omgevingsvisie Nunspeet'. 4.4.2 Beleidsregel Verkoop onrendabel groen In februari 2017 heeft de gemeente de 'Beleidsregel Verkoop onrendabel groen' vastgesteld. Voor uitleg van het begrip 'onrendabel groen' wordt in deze beleidsregel de volgende definitie gehanteerd: "stroken openbaar gemeentelijk grond, over het algemeen van geringe afmetingen en beheersmatig onrendabel en van ondergeschikte betekenis, die geen duidelijke functie (meer) hebben in de openbare ruimte en meestal grenzen aan percelen van woningen". Binnen een dorp zijn verschillende schaalniveaus te onderscheiden: wijk-, buurt-, en straatniveau. Elk niveau wordt gevormd door eigen ruimtelijke eenheden.
Deze ruimtelijke eenheden zijn bijvoorbeeld een woonbuurt, winkel centrum, park etc. en zijn begrensd door een grote infrastructurele, groene, water scheidende lijnen. De ruimtelijke eenheden zijn vaak in één periode gebouwd en laten daarmee een eigen tijdsbeeld zien. Een dorp bestaat uit wijken en gebiedsontsluitingen met een bijhorende groenstructuur. Deze wijken zijn vervolgens weer opgedeeld in kleinere buurten. En buurten bestaan uit woningen en straten met wijkparken, buurtparken of pleintjes. Dit betreffen plekken om te verblijven, die er ook op structuurniveau zijn. Deze groenstructuur vormt de wijk en bepaalt daarbij ook een deel van de beleving van de wijk. Op straatniveau kan een bomenlaan essentieel zijn voor de beleving, waardoor deze ook als groenstructuur kan worden gezien maar dan op straatniveau. Bij de analyse wordt onder andere gekeken of de strook een samenhang met andere groenstroken in de straat heeft. Dit geldt zowel voor gebiedsontsluitingswegen als voor erftoegangswegen. Uitgangspunten die gehanteerd zijn bij de selectie van de onrendabele groenstroken om al dan niet tot verkoop van het groen over te gaan zijn: • Is er sprake van beeldbepalend groen. • Is er sprake van verkeersgroen. • Is er sprake van functioneel groen. • Is er sprake van kwalitatief hoogwaardig groen. • Is er sprake van kwalitatief laagwaardig groen. • Ondergrens verkoop oppervlakte.
• Is er sprake van verhuurd groen. • Is er sprake van ruimtelijke ontwikkeling. • Is er sprake van berging hemelwaterafvoer. Wettelijk kader Op grond van het bepaalde in artikel 160, lid e van de Gemeentewet is het college bevoegd tot verkoop van onrendabel groenstroken en om daarvoor beleid op te stellen.
- 11 -
De beslissingen over het toe- en afwijzen van een verzoek tot verkoop van onrendabele groenstroken zijn vanwege privaatrechtelijke aard niet vatbaar voor bezwaar of beroep. Wijzigen van het omgevingsplan Over het algemeen kan men ervan uitgaan dat op de meeste onrendabele groenstroken die worden verkocht de functie 'groen' of 'verkeer' ligt. De groenstrook wordt na verkoop door de koper bij zijn eigendomsperceel getrokken en gaat over het algemeen deel uitmaken van de tuin. De consequentie is dat de eigendomssituatie niet meer met het omgevingsplan overeenstemt. De gronden die (bijna) verkocht zijn kunnen in gebruik worden genomen op het moment dat het omgevingsplan is gewijzigd. In de verkoopovereenkomst is dit vastgelegd. Gezien de kleinschalige aard van een groenstrook is het weinig zinvol om bij elke verkoop van een groenstrook een wijziging van het omgevingsplan door te voeren. Om deze reden is het onderhavige TAM-omgevingsplan opgesteld, welke alle (bijna) verkochte snippergroen gronden planologisch regelt. Illegaal grondgebruik Groenstroken die in gebruik zijn genomen en niet voor verkoop in aanmerking komen zullen worden teruggevorderd. Groenstroken die in gebruik zijn genomen, maar die wel voor verkoop in aanmerking komen worden te koop aangeboden. Indien de gebruiker de gronden niet wil kopen zal de grond alsnog worden teruggevorderd.
Planspecifiek Het onderhavige TAM-omgevingsplan is in lijn met het gemeentelijke snippergroenbeleid ''Beleidsregel Verkoop onrendabel groen''. Er wordt aangesloten op de uitgangspunten die in de beleidsregel worden genoemd.
- 12 -
Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk is het onderhavige TAM-Omgevingsplan verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten. 5.1 Milieu 5.1.1 Bodem Met het oog op de bescherming van zowel de gezondheid als het milieu, zijn er voorschriften met betrekking tot bodemaspecten opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De inhoud van deze voorschriften is geïntegreerd in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl door middel van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet. Dit aanvullingsbesluit bepaalt de vereisten voor meldingen bij bepaalde activiteiten. Er worden drie fundamentele vormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die specifiek zijn afgeleid voor de desbetreffende omstandigheden. De overkoepelende doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de bruikbaarheid van de bodem en het bevorderen van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: -
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
De gemeente bepaalt de waarde voor de aanvaardbare kwaliteit van de bodem, die niet boven het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbare risico voor de mens mag uitkomen. Deze specificatie is vastgelegd in bijlage VA van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De aanvaardbare kwaliteit van de bodem vormt een vereiste voor bouwactiviteiten op verontreinigde grond en valt niet onder de noemer van omgevingswaarden. Het Rijk legt gemeenten instructieregels op voor het toestaan van bouwactiviteiten op bodemgevoelige locaties. De gemeente is verplicht om: -
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze voorschriften dragen bij aan zowel een evenwichtige toewijzing van functies aan locaties als aan de bescherming van de gezondheid en het milieu, met name met betrekking tot de kwaliteit van de bodem. Planspecifiek
- 13 -
Het voorliggende initiatief voorziet uitsluitend in een functiewijziging van gronden snippergroen, waarbij geen sprake is van bodemingrepen. Daarom is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk en is het initiatief uitvoerbaar met betrekking tot het omgevingsaspect bodem. 5.1.2 Lucht De belangrijkste regels met betrekking tot luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze regels, gericht op het beschermen van de gezondheid, zijn te vinden in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Ze omvatten onder andere omgevingswaarden voor stoffen zoals stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in de buitenlucht. Een activiteit is toegestaan als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -
Er is geen feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project resulteert netto niet in een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt slechts in verwaarloosbare mate bij aan luchtverontreiniging.
Niet overal wordt de luchtkwaliteit beoordeeld. Voor activiteiten die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof vereist. Conform artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl wordt een project beschouwd als niet in betekenende mate bijdragend aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentraties NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³, wat overeenkomt met 3% van de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee manieren om aan te tonen dat een project binnen de grenzen van niet in betekenende mate blijft: 1. Aantonen dat het project binnen de numerieke grenzen van een aangewezen categorie blijft. Dit geldt voor 'standaardgevallen NIBM' zoals kantoren, woonwijken en landbouwactiviteiten, mits ze binnen bepaalde omvangsgrenzen blijven volgens artikel 5.54 van het Bkl. Als een project binnen de genoemde categorie valt maar buiten de gestelde grenzen valt, kunnen detailberekeningen alsnog aantonen dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aantonen dat het project de 3%-grens niet overschrijdt. Vaak kan een kwalitatieve berekening met behulp van de NIBM-tool snel en eenvoudig aantonen of een project in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Als de tool aangeeft dat dit het geval is, zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het voorliggende initiatief, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan worden gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Het initiatief is dan ook uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lucht(kwaliteit). 5.1.3 Geluid
- 14 -
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) legt regels vast om geluidsoverlast van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beheersen en om geluidgevoelige gebouwen en andere locaties te beschermen (afdeling 3.5 Bkl). Hierbij maakt de wetgever onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Specifieke voorschriften zijn van toepassing op bepaalde geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). De functie van een gebouw, zoals wonen, onderwijs of zorg, bepaalt welke regels van toepassing zijn (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties is het aan de gemeente om de mate van bescherming tegen geluid te bepalen, als onderdeel van haar verantwoordelijkheid voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat relevant. Deze regels betreffen geluidsoverlast door activiteiten binnen of op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegestaan op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De Bruidsschat bevat specifieke geluidswaarden (artikel 22.57 Bruidsschat) voor verschillende soorten activiteiten, zoals: -
Activiteiten anders dan die veroorzaakt door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 BS). Geluid afkomstig van windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 BS). Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen Geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Dit omvat onder andere gebouwen met een woonfunctie. De geluidsnormen zijn gericht op het beschermen van de gezondheid door eisen te stellen aan het geluid op en rondom woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidsniveaus aan de voorgevel, zijgevel en achtergevel van een gebouw. Ter bescherming van de gezondheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat geluidswaarden (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals voorgeschreven door deze instructieregels. Planspecifiek Het onderhavige TAM-omgevingsplan biedt geen mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen. Daarnaast maakt het onderhavige TAMomgevingsplan geen activiteiten mogelijk, die geluidsoverlast zouden kunnen veroorzaken. Er is dus geen sprake van relevante geluidhinder, aangezien er in het plangebied geen wezenlijke veranderingen plaats vinden. Het voorgenomen initiatief is dan ook uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 5.1.4 Milieuzonering
- 15 -
Om geluidhinder van individuele bedrijfsactiviteiten te beoordelen, kan gebruik worden gemaakt van de benadering zoals beschreven in de VNG-handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019). Deze handreiking hanteert de beschikbare ruimte voor het uitvoeren van activiteiten als uitgangspunt. De methodologie uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang deze bestemmingsplannen van kracht blijven, ook na de overgang naar het tijdelijke omgevingsplan, blijft deze benadering van toepassing. In voorliggend geval wordt de methodologie van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' gebruikt voor het plan. Bij het implementeren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin deze functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Is de nieuwe functie geschikt voor de omgeving? (externe werking) 2. Staat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Externe werking Bij externe werking draait het vooral om de vraag of de geplande ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie waarin hinder of gevaar ontstaat die niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit doet zich voor wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden ernstig wordt geschaad. Er wordt voldaan aan de richtafstanden m.b.t.
milieuzonering bij de functiewijziging die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt. De nieuwe functies zijn over het algemeen niet milieubelastend voor de omgeving. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden. Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functies, die dit TAMomgevingsplan mogelijk maakt, hinder ondervinden van bestaande functies in de nabijheid van het plangebied en omgekeerd. Het onderhavige plan maakt geen nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk. In de nabijheid van het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig, welke gehinderd zouden kunnen worden in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door de voorgenomen functiewijzigingen. Planspecifiek Vanuit het aspect milieuzonering is het onderhavige TAM-omgevingsplan uitvoerbaar. 5.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijst specifieke activiteiten aan als risicobronnen. Deze bronnen zijn van belang voor de regelgeving met betrekking tot het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Het omvat de volgende activiteiten:
- 16 -
-
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, waaronder diverse milieubelastende activiteiten zoals gespecificeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangemerkt als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Bovendien bevat het Bkl instructieregels voor de volgende risicobronnen, die zijn aangemerkt als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: - Opslag, verwerking en herverpakking van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 van het Bkl). - Opslag en verwerking van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 van het Bkl). - Exploitatie van een IPPC-installatie voor de productie van explosieven (afdeling 5.1.2.5 van het Bkl). - Opslag en verwerking van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 van het Bkl). Planspecifiek Met het onderhavige TAM-omgevingsplan worden geen nieuwe woningen, of andere ontwikkelingen die tot de aanwezigheid van meer personen leiden, mogelijk gemaakt. Er is dus ook geen sprake van een mogelijke toename van risico's. In het kader van het onderhavige TAM-omgevingsplan is een verantwoording van risico's niet nodig. Het voorgenomen plan is dan ook uitvoerbaar met betrekking tot externe veiligheid. 5.2 Water 5.2.1 Beleid en regelgeving Op diverse bestuursniveaus zijn beleidsdocumenten uitgebracht die zich concentreren op duurzaam waterbeheer, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve termen. Op het hoogste niveau dienen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterprogramma (NWP) als leidraad. Op regionaal niveau is met name het beleid van het waterschap van belang voor dit plan.
Dit beleid sluit aan bij en vult aan wat het Rijk en de provincies hebben vastgesteld voor waterbeheer. Daarom wordt hier slechts beknopt ingegaan op de kernpunten van het beleid van het waterschap Vallei en Veluwe. 5.2.2 Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap heeft in het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) haar ambities en uitvoeringsagenda vastgelegd voor de periode 2022 tot en met 2027. Deze plannen zetten de grote lijnen uit voor de komende zes jaar en bepalen mede hoe water wordt beheerd binnen de plangebieden. Het BOP is officieel vastgesteld op 22 november 2021. Voor het uitvoeren van haar rol als waterbeheerder en het bereiken van doelstellingen uit de Waterwet maakt het waterschap gebruik van de Keur en de Legger. De Keur is een verordening die regels bevat over wat wel en niet is toegestaan met betrekking tot waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Legger bevat informatie over de locatie en afmetingen van waterstaatkundige werken en waterpartijen, inclusief onderhouds- en beschermingszones. Hierin staat ook wie verantwoordelijk is voor het
- 17 -
onderhoud van watergangen, dijken of constructies, en of er inspecties (schouw) worden uitgevoerd. Vasthouden – Bergen - Afvoeren Een essentieel principe is om een deel van het hemelwater binnen het plangebied vast te houden en/of te bergen, zodat het niet onmiddellijk wordt afgevoerd naar de riolering of oppervlaktewater. Dit bevordert een betere werking van de waterzuiveringsinstallatie, helpt bij het tegengaan van verdroging, en voorkomt piekafvoeren in het oppervlaktewater, wat potentieel tot wateroverlast in lagergelegen gebieden kan leiden. Bij het lozen van water op oppervlaktewater is het noodzakelijk om hiervan melding te maken bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen, raadt het waterschap aan om te ontwerpen boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit houdt in dat bij het ontwerpen rekening wordt gehouden met factoren zoals de ontwateringsdiepte en de infiltratie van hemelwater in relatie tot de GHG. Het structureel onttrekken of draineren van grondwater wordt niet gezien als een duurzame oplossing en moet worden vermeden. Daarom adviseert het waterschap initiatiefnemers om voorafgaand aan ontwikkelingen een goed inzicht te krijgen in de actuele grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast valt in eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van de betreffende perceeleigenaar.
Schoonhouden – Scheiden – Schoon maken Het is cruciaal om te voorkomen dat afstromend hemelwater bodem, grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt. Dit kan worden bereikt door strikte eisen en randvoorwaarden te stellen aan de gebruikte (bouw)materialen. Het primaire doel is om duurzame bouwmaterialen te benutten en geen materialen toe te passen die leiden tot uitloging op oppervlakken waar hemelwater op valt, zoals daken, gevels en verharde terreinen. Planspecifiek Het onderhavige TAM-omgevingsplan heeft geen betrekking op nieuwbouwprojecten en maakt op enkele locaties slechts nieuwbouw van bijbehorende bouwwerken van geringe omvang mogelijk. In het plangebied kunnen hooguit, ter plaatse van de functie 'Wonen', kleine bouwwerken worden gerealiseerd, omdat de oppervlakte van de deelgebieden van het plangebied zeer kleinschalig zijn. De af te voeren hoeveelheid regenwater in het plangebied zal dus ook zeer beperkt zijn. Er is daarom geen aanleiding om af te koppelen, of waterberging te realiseren. Tevens is, in samenhang met de voorschriften van het omgevingsplan van rechtswege, een maximale bebouwingsoppervlakte voor een perceel van toepassing. 5.2.3 Watertoets Het Waterschap Vallei en Veluwe is geraadpleegd over het onderhavige plan middels de Digitale Watertoets. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen.
Verder overleg met het waterschap is daarom niet benodigd. 5.2.4 Conclusie
- 18 -
Het aspect water(huishouding) vormt geen belemmering voor het onderhavige TAMomgevingsplan. 5.3 Ecologie 5.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Dit netwerk omvat zowel gebieden aangewezen onder de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) als gebieden gemeld volgens de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst deze Natura 2000-gebieden aan en legt tevens de instandhoudingsdoelstellingen vast op basis van artikel 2.43 van de Omgevingswet, in een aanwijzingsbesluit. Indien projecten, plannen of activiteiten afzonderlijk of gezamenlijk mogelijk significante effecten hebben, dienen deze geanalyseerd en beoordeeld te worden bij de voorbereiding van een omgevingsplan of een afwijking daarvan. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, waardoor ook activiteiten buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, worden beoordeeld op hun effect op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal schaden.
Als deze zekerheid niet kan worden verkregen, kan het plan toch worden goedgekeurd onder de volgende voorwaarden: - Er zijn geen alternatieve oplossingen beschikbaar. - Het plan is noodzakelijk om dwingende redenen van groot openbaar belang, inclusief sociale of economische redenen. - Passende compensatiemaatregelen worden genomen om de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk te behouden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt de essentie van het Nederlandse natuurbeleid en wordt uitgewerkt in provinciale structuurvisies. In en rondom het NNN geldt het principe van "nee, tenzij". Dit betekent dat in principe geen ontwikkelingen worden toegestaan als zij de essentiële kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Planspecifiek Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Vanwege de aard en de zeer beperkte ruimtelijke effecten, als mede de afstand tot Natura 2000-gebieden van het onderhavige TAM-omgevingsplan is er geen sprake van aantasting van de eerder genoemde instandhoudingsdoelstellingen. In de nabijheid van het plangebied van het onderhavige TAM-omgevingsplan ligt geen aangewezen NNN-gebied. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
- 19 -
Een stikstofberekening wordt ook niet noodzakelijk geacht. Dit aangezien het onderhavige TAM-omgevingsplan weinig en beperkte bouwactiviteiten mogelijk maakt en het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. 5.3.2 Soortenbescherming Soortenbescherming onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet genieten tal van dier- en plantensoorten bescherming, waaronder soorten van Europees belang die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals nationaal belangrijke soorten. Deze bescherming strekt zich uit binnen én buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dat kan alles omvatten, van regels en voorschriften tot concrete acties die helpen bij het beschermen, verspreiden of vergroten van de aantallen van deze soorten. In beginsel zijn provincies verantwoordelijk op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f van de Omgevingswet, maar ook decentrale overheden kunnen actief beleid voeren, zoals het opstellen van soortenbeschermingsprogramma's. Door strikte voorschriften met betrekking tot flora en fauna moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden gecontroleerd of er: - soorten aanwezig zijn; - welke soorten dat zijn. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalt wanneer een vergunning vereist is.
Planspecifiek Ten aanzien van eventuele soorten die zich in het plangebied bevinden, vormt het onderhavige TAM-omgevingsplan geen belemmering omdat het plan ten opzichte van het omgevingsplan van rechtswege geen ontwikkeling mogelijk maakt die relevante invloed hebben op beschermde soorten. De algemene zorgplicht is, voor zover van belang, wel van toepassing. 5.3.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het onderhavige TAMomgevingsplan. 5.4 Cultuurhistorie en Archeologie Artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij het opstellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk wordt besproken hoe binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De definitie van cultureel erfgoed is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Hieronder vallen monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, indien relevant voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt de basis voor wet- en regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
- 20 -
Op basis hiervan is het vereist om de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Dit omvat zowel beschermde als niet-formeel beschermde objecten en structuren. 5.4.1 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden vallen alle structuren, elementen en gebieden die van cultuurhistorisch belang zijn en inzicht bieden in de ontwikkeling van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak bestaat er een nauwe relatie tussen aardkundige en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook worden gedacht aan nabijgelegen werelderfgoedlocaties. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente bepaalde uitgangspunten in acht nemen. Artikel 5.130 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt instructieregels vast die door het Rijk zijn opgesteld. Deze regels hebben betrekking op: - het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; - de mogelijkheid tot verplaatsing van beschermde monumenten; - het gebruik van monumenten om leegstand te voorkomen; - het voorkomen van aantasting van de omgeving van een beschermd monument; - het behoud van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; - het behoud en de instandhouding van archeologische monumenten.
Planspecifiek Er is geenszins sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden (in de omgeving) bij de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. In de omgeving van (deelgebieden van) het plangebied bevinden zich verder ook geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten die negatief worden aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. 5.4.2 Archeologie De gemeente Nunspeet heeft een archeologische kaart laten opstellen door bureau RAAP. Binnen het plangebied liggen alleen gebieden met Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3. Voor een deel van de locaties geldt geen archeologische waarde. Voor de binnen het plangebied voorkomende archeologische functies geldt het volgende: a. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2. Deze zijn bestemd als Waarde - Archeologie 2. b. Voor gebieden met een middelmatige archeologische verwachting is archeologische onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2. Deze zijn bestemd als Waarde - Archeologie 3. In het onderhavige TAM-omgevingsplan zijn tevens regels opgenomen ter bescherming van (mogelijke) archeologische vondsten.
Deze regels komen overeen met de op dit moment geldende regels ter bescherming van archeologische vondsten. 5.4.3 Conclusie
- 21 -
De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige TAM-Omgevingsplan. 5.5 Economische uitvoerbaarheid Deze paragraaf beoordeelt of de voorgestelde ontwikkeling niet duidelijk onuitvoerbaar is. Het moet worden vastgesteld dat er geen financiële of economische redenen zijn die het aannemelijk maken dat de ontwikkeling niet kan worden gerealiseerd. Het onderhavige TAM-omgevingsplan heeft betrekking op kleine gronden waaraan een nieuwe planologische regeling is verbonden, en heeft verder geen betrekking op bouwplannen waarvoor (nadere) kosten moeten worden verhaald. De gemaakte kosten voor dit TAM-Omgevingsplan worden gedekt door de verkoopopbrengst van de snippergroen gronden.
- 22 -
Hoofdstuk 6 Juridische toelichting 6.1 Algemene opzet Inleiding Dit TAM-omgevingsplan betreft een wijziging van het bestaande omgevingsplan. Het beoogde gebruik van de locaties is in strijd met het geldende omgevingsplan, waardoor aanpassing noodzakelijk is. Hoewel het TAM-omgevingsplan op het eerste gezicht lijkt los te staan van het omgevingsplan, maakt het zowel functioneel als juridisch integraal deel uit van het omgevingslan. Om te waarborgen dat dit TAM-omgevingsplan juridisch als één geheel met het omgevingsplan geldt, wordt het toegevoegd als een nieuw hoofdstuk. Het onderhavige TAM-omgevingsplan moet daarom in samenhang worden gelezen met de bruidsschat van het omgevingsplan. In de regels is dan ook een preambule opgenomen waarin staat dat dit plan geldt als hoofdstuk 22b van het omgevingsplan. Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit houdt in dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op de (bijna) verkochte snippergroen-gronden. In de regels worden daarom alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor deze gronden. Waar dit TAM-omgevingsplan afwijkt van onderdelen van de bruidsschat, zijn er specifieke voorrangsregels opgenomen.
Hoofdstuk 2 – Functies en gebiedsaanwijzingen In lijn met de eisen van de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor de specifieke locaties beschreven. Hoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP en er daarom over 'functies' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', worden deze op de bijbehorende verbeelding nog steeds aangeduid als 'bestemming'. Dit is noodzakelijk om het plan correct te kunnen publiceren op de (tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Bij de opstelling van dit TAM-omgevingsplan is geprobeerd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies uit het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Nunspeet. Deze zijn echter aangepast om te voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Hoofdstuk 3 – Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hoofdstuk 4 – Overgangsregels In dit hoofdstuk is opgenomen dat de legale bebouwing en legaal gebruik binnen het plangebied dat in strijd is met het TAM-omgevingsplan mag worden voortgezet.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
26
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Regels (= Pre-ambule) Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van het wijzigen van de functie van (bijna) verkochte gronden snippergroen in de gemeente Nunspeet. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.
27
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen
Begripsbepalingen
1.1 Begripsbepalingen Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 2 daarvan is afgeweken.
28
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Artikel 2
Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen: 2.1
TAM-omgevingsplan
het TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b met identificatienummer TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b-ow01 van de gemeente Nunspeet; 2.2
omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet; 2.3
aan huis gebonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 2.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden 2.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 2.6
achtererfgebied
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw 2.7
ander bouwwerk
een bouwwerk, geen gebouw of een bijbehorend bouwwerk zijnde. 2.8
ander werk
een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid. 2.9
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 2.10
bebouwingspercentage
de oppervlakte van de bebouwing binnen een bouwvlak, of binnen een functievlak indien daarbinnen geen bouwvlak voorkomt, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak. 2.11
bed & breakfast
een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. 2.12
bedrijfsmatig
in de uitoefening van een beroep of bedrijf tegen vergoeding.
29
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
2.13
bestaande
bestaand en legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan. 2.14
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 2.15
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 2.16
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 2.17
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 2.18
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 2.19
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 2.20
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 2.21
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 2.22
dak
iedere bovenbeëindiging boven de goothoogte van een bouwwerk. 2.23
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2.24
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van die woning. 2.25
functiegrens
de grens van een functievlak. 2.26
functievlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde gebruiksactiviteit.
30
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
2.27
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 2.28
hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkste is. 2.29
inwoning
twee huishoudens in een woning waarbij er sprake is van een hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft en waarbij er sprake blijft van één aansluiting op de nutsvoorzieningen. 2.30
kap
een dak dat loodrecht geprojecteerd voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt. 2.31
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel en prostitutie zijnde, waarvan de omvang zodanig is, dat het woonhuis of de bedrijfswoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 2.32
mantelzorg
zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. 2.33
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 2.34
ondergeschikte bouwdelen
hieronder wordt verstaan plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken. 2.35
onderkomens
voor verblijf geschikte al dan niet aan de functie onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen 2.36
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 2.37
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden, dan wel met twee wanden, waarvan maximaal één wand tot de constructie behoort. 2.38
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
31
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
2.39
peil
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; a. b. c.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil; indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil.
2.40
praktijkruimte
een niet voor bewoning bedoeld gebouw of deel van een gebouw, dat uitsluitend dienstbaar is aan de uitoefening van een vrij beroep, zoals dat van accountant, advocaat, architect, arts of kunstenaar. 2.41
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar 2.42
uitvoeren
het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven. 2.43
verbeelding/plankaart
De verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM - omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b'; 2.44
voorerfgebied
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. 2.45
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel 2.46
woning
een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
32
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Artikel 3 1. 2. 3.
Toepassingsbereik
Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de (bijna) verkochte snippergroen gronden, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022b-ow01. De regels uit het Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten/Seizoenarbeiders e.a. (vastgesteld d.d. 2 juni 2022), het Parapluplan Bed en Breakfast (vastgesteld d.d. 13 mei 2022) en het Parapluplan Parkeren (vastgesteld d.d. 29 april 2021) zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties zoals genoemd in het TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022b-ow01.
33
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Artikel 4 4.1
Meet- en rekenbepalingen
de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens
tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 4.2
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 4.3
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 4.4
de dakhelling
de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak gerekend in graden. 4.5
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 4.6
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
34
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Artikel 5
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
35
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Artikel 6
Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locaties toegedeelde functies.
36
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Snippergroen 2024 H22b (ontwerp)
Hoofdstuk 2 Artikel 7 7.1
Functies en gebiedsaanwijzingen
Functieomschrijving Tuin
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Tuin. 7.2
Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Tuin heeft de volgende functies: d.
Tuinen met de daarbij behorende voorzieningen zoals in- en uitritten, paden, bermen, parkeervoorzieningen en andere bouwwerken
7.3
Beoordelingsregels - bouwen
7.3.1
Algemeen
Op de voor Tuin aangewezen gronden mogen uitsluitend uitbouwen zoals erkers, overkappingen, en andere bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd. 7.3.2
Bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 7.3.1 gelden de volgende eisen: Andere bouwwerken
Maximale bouwhoogte
Vlaggenmasten:
6m
Erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel van een woning
1m
Overige erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken
2m
7.4
Specifieke beoordelingsregels - bouwwerken
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sublid 7.3.1 ten behoeve van het bouwen van bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen, erkers en ingangspartijen, vóór de voorgevel van een woning. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning gelden de volgende eisen: a. b.
c. d. e.
De diepte van de erker en/of ingangspartij bedraagt ten hoogste 1,5 meter, mits de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde voortuin, ten minste 2,5 meter bedragen; De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 20 m2 en een overkapping, met dien verstande dat bij aaneengebouwde woningen slechts een oppervlakte van 14 m2 en een overkapping is toegestaan; De goothoogte en bouwhoogte van de bijbehorende bouwwerken mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3,5 en 5 meter; Het woongenot van de naaste buren mag niet onevenredig worden aangetast; Het straatbeeld mag niet onevenredig worden aangetast;