CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6b. Bijlage Ruimtelijke Onderbouwing Molijnlaan 166 en 172

Commissie Ruimte en Wonen 12 juni 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Projectuitvoeringsbesluit-Chw voor het project F.A. Molijnlaan 166 en 172 te Nunspeet, Verklaring van geen bedenkingen.33.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

7 Artikel 3.1.6, 1e lid aanhef, en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt als volgt:

“Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een Toelichting, waarin zijn neergelegd: a.(…..). b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.”

76

Overzicht beleid in verband met Wateraspecten Rijk Nationaal Bestuursakkoord Water actueel (NBW actueel) In 2003 is door het Rijk, de provincies, de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging van het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking, het watersysteem in 2015 op orde te hebben en voor de toekomst op orde te houden. In 2008 werd het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geactualiseerd. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. Het Nationaal Waterplan vervangt de vierde Nota Waterhuishouding. In het Waterplan wordt beschreven welk beleid het Rijk voert in de periode 2009-2015 om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Waterplan Provincie Gelderland Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is mede het kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het Waterplan is geschreven aan de hand van een aantal thema's zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2015 er liggen. Hierbij is rekening gehouden met de Europese Kaderrichtlijn Water (zie hierboven onder Wetgeving).

Waterbeheersplan Waterschap Vallei en Eem/Veluwe In de Waterbeheersplannen 2010 - 2015 hebben beide Waterschappen Vallei en Eem / Veluwe (is nu Waterschap Vallei en Veluwe) hun ambities en uitvoeringsprogramma's vastgelegd voor de periode 2010 rot en met 2015. De plannen bepalen in grote lijnen de agenda's voor de komende zes jaar. De plannen zijn mede kaderstellend voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Waterinclusieve bebouwde omgeving Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad / de gemeente aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldige en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Blauwe Omgevingsvisie (Bovi) voor het jaar 2050 Afwegingen over eventuele nieuwe, stedelijke, uitbreidingen dienen te worde gemaakt vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief.

Voor meer informatie verwijst het Waterschap naar de Blauwe Omgevingsvisie (Bovi) voor het jaar 2050 (https://bovi2020.nl/verhaal/waterinclusieve -bebouwde-omgeving/). Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van “groene daken” op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterbergingscapaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer-vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken. Zie voor uitleg en inspiratie hierover: http://www.ruimtelijkeadaptatie.nl; https://www.deltaprogramma.nl/themas/ruimtelijke-adaptatie; https://klimaatvalleienveluwe.nl/atlas/ en https://www.urbangreenbluegrids.com/. De Keur De Keur is een eigen verordening van het Waterschap die van oudsher zo heet. De Keur dient ter bescherming van de waterhuishoudkundige infrastructuur, de waterkeringen en de handhaving van het waterpeil. De Keur kent "verboden" en "geboden" voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. Voor een deel van de verboden activiteiten uit de Keur kan onder voorwaarden een watervergunning worden verleend. Het bestuur van het Waterschap Vellei en Veluwe heeft de nu vigerende Keur vastgesteld: de “Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013”.

Gemeente Nunspeet Waterplan Er is door de gemeentes Elburg en Nunspeet in 2012 / 2013 een "Afvalwaterketenplan" opgesteld. Met de opstelling van dit plan voldoen de gemeentes Elburg en Nunspeet ook aan de wettelijke verplichting tot het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan. De thema's die in het "Afvalwaterketenplan" zijn gekozen om richting te geven aan de gezamenlijke strategie, zijn de volgende:  

77

de keten als één geheel beschouwen; brede scope: afvalwaterketen en watersysteem in relatie tot de buitenruimte;

 

kwetsbaarheid verminderen; beïnvloeden van handelen bewoners en bedrijven.

6.6.2

Watertoets

De watertoets is ontvangen – na een aanvraag daartoe – van Waterschap Vallei en Veluwe d.d. 10 maart 2021. Uit de “Samenvatting: normale procedure” uit de Watertoets volgt dat er meer dan 1.500 m2 aan nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd. In de “Afsprakennotitie voor ruimtelijke plannen met mogelijk een groot waterbelang (normale procedure)” uit de Watertoets staat dat via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Uit de Beoordeling blijkt, dat binnen het plangebied een of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging liggen. Dit betekent, dat mogelijk primaire waterbelangen worden geraakt. In het specifieke geval van het plan “Veluwestaete Molijnlaan” gaat het om de volgende primaire belangen, waarover nader overleg diende plaats te vinden. Naast de primaire waterbelangen dienden in het overleg ook een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water aan de orde te komen. Algemene aandachtspunten Vasthouden – bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.

Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het Waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het Waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het Waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak oor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden – scheiden – schoonmaken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het Waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken.

Gebiedsspecifieke aandachtspunten Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee

78

te houden, om toekomstige grondwateroverlast te voorkomen. Meer informatie over de genoemde grondwaterfluctuatiezone is te vinden op de website van de Provincie Gelderland. Voor de ligging van de Grondwaterfluctuatiezone in relatie tot het projectgebied verwijzen wij naar onderstaande Afbeelding 6.3.

Afbeelding 6.3

Grondwaterfluctuatiezone

Voor de “Watertoets” van het Waterschap Vallei en Veluwe (dossiernummer 20210310-10-25793 d.d. 10 maart 2021 wordt verwezen naar de Bijlage 19 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.

6.6.3

Vooroverleg Waterschap Vallei en Veluwe

Er is over de voorgaande Watertoets/Waterparagraaf, vooroverleg gevoerd met het Waterschap Vallei en Veluwe. In verband daarmee is er op 26 maart 2021 een e-mailbericht gezonden door het Waterschap (mw. J. de Ruijter). Uit de digitale watertoets komt naar voren dat voor de ontwikkeling het verhard oppervlakte zal toenemen met circa 1.500 m2. De Keur van het Waterschap stelt dat wanneer er meer dan 1.500 m2 extra verharding (o.a. wegen en daken) in stedelijk gebied wordt toegevoegd en dit wordt afgevoerd op oppervlaktewater er watercompensatie gerealiseerd dient te worden. Er ligt geen oppervlaktewater in de buurt, dus het Waterschap stelt geen eisen aan waterberging. Dit neemt niet weg dat er waterberging nodig is. Voor dit plan gelden de eisen van de gemeente Nunspeet voor waterberging.

79

Voor wat betreft het Waterschap was er geen nader overleg nodig, omdat er geen water zal worden afgevoerd op het oppervaktewatersysteem en de waterberging met de gemeente zal worden afgestemd. Berekening Hemelwater (HWA) Infiltratie voor het appartementengebouw (8 appartementen) d.d. 12 oktober 2021 Door Slaa + van Asselt architecten BNA is een berekening gemaakt voor de hemelwaterinfiltratie voor het nieuwbouwproject voor het appartementengebouw (voor 8 luxe appartementen met algemene voorzieningen en een bijgebouw aan de Molijnlaan 166 te Nunspeet. Hiermee is de hemelwaterinfiltratie voor het appartementengebouw voldoende geborgd. De hemelwaterinfiltratie voor de vier vrijstaande woningen zal geregeld worden bij de toekomstige verlening van de omgevingsvergunning(en) voor de “activiteit bouwen”.

Uit de Watertoets blijkt dat het Waterschap Vallei en Veluwe qua de wateraspecten kan instemmen met het plan/project, indien de noodzakelijke waterberging (hemelwaterinfiltratie) met de gemeente zal worden afgestemd.

Voor de “Watertoets” van het Waterschap Vallei en Veluwe” (dossiernummer 20210310-10-25793) d.d. 10 maart 2021, zie Bijlage 19 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor de Berekening Hemelwater (HWA) Infiltratie voor het appartementengebouw (8 appartementen) d.d. 12 oktober 2021 zie Bijlage 20 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.

80

6.7

Ecologie (Flora & Fauna / Natuur)

6.7.1

Wet- en regelgeving

De van toepassing zijnde wet- en regelgeving met betrekking de ecologie is in het onderstaande kader aangegeven. Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wetgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones ("Natura 2000"-gebieden) aangewezen. Gebiedsbescherming is in het Nederlands recht geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke verordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij het NNN (in de provincie Gelderland is dat de GNN) zijn ook de door de Europese Unie vastgestelde Natura 2000 gebieden van groot belang.

De bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van planten- en diersoorten in hun natuurlijke leefgebied is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb) Het uitgangspunt van de wet is “nee, tenzij”. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen (“nee”) kan onder voorwaarden (“tenzij”) worden afgeweken met een ontheffing of vrijstelling.

6.7.2

Ecologie en het Projectgebied Molijnlaan 166 – 172

Onderzoek bureau Ecogroen In de eerste plaats is in 2017 er door het bureau Ecogroen een Quikscan uitgevoerd naar de ecologische aspecten van de locatie F.A. Molijnlaan 166 te Nunspeet. Hiervan is het volgende rapport opgesteld: “Natuurtoets. Quickscan natuurtoets F.A. Molijnlaan 166, Nunspeet. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en beleid” door het adviesbureau Ecogroen (projectcode 17-382) d.d. 28 augustus 2017 (concept).zie Bijlage 13 van deze Ruimtelijke Onderbouwing. De conclusies en aanbevelingen van dit onderzoeksrapport zijn de volgende: • Ecogroen adviseert om, zodra concrete plannen voor het plangebied bekend zijn, een modelberekening van de stikstofemissie uit te voeren met het rekeninstrument AERIUS. • Het is noodzakelijk om nader vleermuisonderzoek uit te veren naar het gebruik van potentiele vaste verblijfplaatsen in de bebouwing. Dit dient te worden uitgevoerd conform de regels van het geldende Vleermuisprotocol, dit betekend in dit geval het verrichten van minimaal vier nachtelijke bezoeken verspreid over het jaar. • Alle broedvolgels zijn gedurende het broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden. (….). • Voor algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën geldt in Gelderland bij ruimtelijke ingrepen een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming.

Het nemen van verplichte vervolgstappen is oor deze soorten in deze situatie niet aan de orde. (zie blz. 2 van het rapport). Onderzoek bureau Habitus Door het bureau Habitus te Bodegraven is Quickscan Wet natuurbescherming (Wnb) uitgevoerd. het onderzoek dat is uitgevoerd heeft geresulteerd heeft in het rapport “Quickscan wet natuurbescherming F.A. Molijnlaan 166-172” d.d. 21 oktober 2021.

81

6.7.2.1 Gebiedsbescherming De afstanden van het plangebied tot de beschermde gebieden in de provincie Gelderland zijn de volgende, volgens onderstaande tabel.

Tabel 6.D (ontleend aan de Tabel op bladzijde 7 van het onderzoeksrapport) Beschermd gebied Natura 2000-gebied “de Veluwe” Natura 2000-gebied “Veluwerandmeren” Gelders Natuurnetwerk

Afstand tot het plangebied (in meters) 525 3.600 475

Er heeft een effecttoetsing ten aanzien van de Natura 2000-gebieden plaatsgevonden. Er heeft een toetsing plaatsgevonden aan de Effectenindicator Natura 2000-gebiden va het Ministerie van Economische Zaken 2017, Bijlag 7. In deze effectenindicator is gekozen voor de activiteit “woningbouw”, omdat deze activiteit het beste vergelijkbaar is met de ontwikkeling die plaatsvindt aan de Molijnlaan 166 en 172. De effectenindicator geeft aan dat mogelijke effecten van “woningbouw” op Natura 2000-gebieden “de Veluwe” en “Veluwerandmeren” worden veroorzaakt door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten,. Van deze effecten in s bij het project Molijnlaan 166 – 172 geen sprake, aangezien de effecten zeker niet tot de Natura 2000-gebieden zullen reiken. Het Natura 2000-gebied ligt daarvoor op een te grote afstand met daarnaast de tussenliggende omgeving van landschap en bebouwing. Vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop worden in het plangebied geen habitatsoorten of (net_ broedvogelsoorten verwacht. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffend gebied zijn niet aan de orde. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 475 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een GNN-gebied.

De werkzaamheden zullen niet leiden tot een aantasting van wezenlijke kenmerken en warden. In de provincie Gelderland is er geen sprake van externe werking. Negatieve effecten worden uitgesloten. Door de aard van de activiteit in combinatie met de geringe afstand tussen de Natura 2000-gebeide die gevoelig zijn voor de depositie van stikstof, kan een depositie-effect van stikstof net vooraf worden uitgesloten.

6.7.2.2 Soortenbescherming Het bureau-onderzoek is uitgevoerd op 30 juli 2020 voorafgaand aan een veldonderzoek. Tijdens het veldonderzoek op 31 juli 2020 was het droog, en circa 29 graden. In de tabel 2 op pagina 10 van het rapport, de Quickscan, is te zien welke soorten (mogelijk in het plangebied voorkomen en welke functies er verwacht worden. Ook is weergegeven welke ecologische risico’s dit project Molijnlaan 166 en 172 met zich meebrengt tot de Wet natuurbescherming (Wnb). De soorten in de genoemde tabel worden zowel op basis van het bureau- als het veldonderzoek verwacht worden zijn weergegeven in de onderstaande tabel 6.E.

82

Tabel 6.E.

Te verwachten soorten op basis van de tabel 2, blz. 10 uit de Quickscan van het Adviesbureau Habitus Te verwachten soorten op Toetsing aan de Wet basis van bureau- en natuurbescherming veldonderzoek Vogels zonder jaarrond Artikel 3.1, lid 1,2, en 4. beschermd nest En/of Artikel 1.11 Inclusief categorie 5-soorten zonder zwaarwegende ecologische redenen voor bescherming Huismus Artikel 3, lid 1, 2, en 4.

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, bosvleermuis Gewone grootoorvleermuis, franjestaart Wezel, bunzing, boommarter, steenmarter

Vogels met jaarrond beschermd nest Artikel 3.5, lid 1, 2, en 4. HR soorten. Artikel 3.5, lid 1, 2, en 4. HR soorten. Artikel 3.10, lid 1. Andere soorten.

6.7.3

Conclusies met betrekking tot de Wet natuurbescherming (Wnb) volgens de Quickscan d.d. 21 oktober 2021 van het Adviesbureau Habitus

De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting in strijd met het onderdeel soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Er kunnen namelijk vleermuizen, (kleine) marterachtigen, en nesten van huismus, en volgens zonder jaarrond beschermd nest op de projectlocatie aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling is daarnaast, volgens de Quickscan van het adviesbureau Habitus, mogelijk in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens het rapport Quickscan van het advies bureau Habitus is er nader onderzoek nodig voor de volgende soorten en gebieden. Bij huisnummer 166 was reeds eerder een quickscan uitgevoerd. Deze onderzoeken waren geldig tot juni 2021. Indien het gebouw gesloopt wordt voor juni 2021 is er geen aanvullend nader onderzoek noodzakelijk voor dit gebouw. Indien er later wordt gesloopt is er een nader onderzoek naar vleermuizen en huismus benodigd. Voor elke soort waarvoor de Wet natuurbescherming en/of natuurbeleid van de provincie (mogelijk) wordt overtreden, worden de volgende vervolgstappen beschreven. •

•

83

Vleermuizen: Een vervolgonderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober. Volgens het meest recente vleermuizenprotocol (2021). Er zijn onderaan der veldbezoeken in het najaar en in het voorjaar benodigd. Huismus: nesten en of functionele leefomgeving. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal twee veldbezoeken in d periode april t/m 20 juni.

• •

Er is een Aeriuscalculatie benodigd om te bepalen of er depositie-effecten optreden. Bunzing, wezel, boommarter, steenmarter: Dit onderzoek dient bij voorkeur verricht te worden in de voortplantingsperiode, die globaal loop van maart tot juli voor de boommarter en de steenmarter, van maart t/m augustus voor de bunzing en van mei t/m augustus voor de wezel. Tijdens deze periode dienen gedurende zes weken sporen buizen neergelegd en cameravallen opgehangen te worden op de mogelijke verblijfslocaties (stapel los materiaal). Onderzoek buiten deze periode is ook mogelijk, maar dan is en verhoogde onderzoeksinspanning benodigd.

Maatregelen In hoofdstuk 5 zijn de aanbevolen maatregelen beschreven. Deze maatregelen kunnen als volgt worden onderverdeeld.

6.7.4

Conclusies met betrekking tot de Wet natuurbescherming (Wnb) volgens het Nader Onderzoek beschermde soorten uit het rapport d.d. 15 november 2021 van het Adviesbureau Habitus

Op basis van het Nader onderzoek naar de beschermde soorten is in het onderzoeksrapport van Adviesbureau Habitus het volgende geconcludeerd: Tabel 6.F

Conclusies Ecologisch Onderzoek (ontleend aan de tabel op blz. 4 van het onderzoeksrapport van Adviesbureau Habitus van 15 november 2022). Soort Soort en beschermde Worden verbodsbepalingen functie aanwezig in het overtreden en is een ontheffing plangebied? nodig? Gewone dwergvleermuis Ja, bij huisnummer 166: één Ja zomer- en winterverblijfplaats Ruige dwergvleermuis Nee Nee Laatvlieger Nee Nee Bosvleermuis Nee Nee Gewone grootoorvleermuis Nee Nee Franjestaart Nee Nee Huismus Nee Nee Wezel Nee Nee Bunzing Nee Nee Boommarter Nee Nee Steenmarter Nee Nee Benodigde maatregelen Indien de werkzaamheden doorgang vinden, en er een ontheffing wordt aangevraagd, dienen de volgende maatregelen te worden genomen (volgens blz. 4 van het onderzoeksrapport van Adviesbureau Habitus van 15 november 2022). • Vraag een ontheffing aan. Laat het activiteitenplan opstellen door een ecoloog. • Maak de (potentiële) verblijfplaatsen in het plangebied ongeschikt nadat de ontheffing is verleend en voordat de werkzaamheden plaatsvinden. • Voorkom dat de verblijfplaatsen rond het plangebied verstoord worden. Verstoring kan optreden door bijvoorbeeld verlichting en/of trillingen tijdens de werkzaamheden. • Realiseer voldoende alternatieve vleermuisverblijfplaatsen voor zowel de bouw- als de gebruiksfase.

• Start, nadat de ontheffing is verleend, met de werkzaamheden buiten de winterslaapperiode van vleermuizen (1 november tot 1 april).

84

6.7.5 Vergunningaanvraag / Ontheffingsaanvraag bij de Provincie Gelderland met betrekking tot de Wet natuurbescherming (Wnb) Overeenkomstig de ecologische onderzoeksrapporten van het adviesbureau Habitus is een vergunning noodzakelijk van de Provincie Gelderland op grond van de Wet natuurbescherming. Dit in verband met een zomer- en winterverblijfplaats bij huisnummer 166 van de Gewone dwergvleermuis Er is een rapport opgesteld voor een ontheffingsaanvraag bij de Provincie Gelderland door mevrouw Saskia Mulder van het Adviesbureau “Mulder Ecologie”. Deze ontheffing is inmiddels verleend d.d. 22 september 2022 door Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland (zaaknummer 2022-006133). Dit dient bij het besluit over de onderhavige omgevingsvergunning te worden betrokken. Er is een ontheffingsaanvraag voorbereid bij de Provincie Gelderland. Deze ontheffing is inmiddels d.d. 22 september 2022 verleend (zaaknummer 2022-006133).

Voor het rapport "Natuurtoets. Quickscan natuurtoets F.A. Molijnlaan 166, Nunspeet. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid” van bureau Ecogroen B.V. (rapport nr. 17-382) d.d. 28 augustus 2017 wordt verwezen naar Bijlage 13 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het rapport ecologie “Quickscan Wet natuurbescherming F.A. Molijnlaan 166-172” Adviesbureau Habitus (NOMB 2020 -1-QS1-V2) d.d. 21 oktober 2021 wordt verwezen naar Bijlage 14 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het rapport ecologie “Nader onderzoek beschermde soorten F.A. Molijnlaan 166-172 Veluwe Staete Residentie B.V.” Adviesbureau Habitus (NOMB2021-1-NO1-V1) d.d. 15 november 2021 wordt verwezen naar Bijlage 15 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het besluit tot het verlenen van de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) d.d. 22 september 2022 wordt verwezen naar Bijlage 32 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.

85

6.8

Stikstofdepositie. Onderzoek

6.8.1

Onderzoek naar de stikstofdepositie van het project

Om de ontwikkeling van woningbouw op de percelen F.A. Molijnlaan 166 – 172 mogelijk te maken wordt de huidige bestemming “Bedrijf “ (“Bedrijf– opslagbedrijf” (nr. 172) en “Maatschappelijk (nr. 166) gewijzigd worden naar de bestemming “Wonen”. Voor de ontwikkeling van het plangebied F.A. Molijnlaan 166 – 172 te Nunspeet heeft het Adviesbureau De Haan B.V. een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is neergelegd in het rapport “Onderzoek Stikstofdepositie F.A. Molijnlaan” door Adviesbureau De Haan B.V. (AH.2020.0787 02.R001) definitief d.d. 13 december 2022. Het doel van het genoemde onderzoek is om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling geen significant negatief effect op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In het onderzoek is de bouwfase en de gebruiksfase beschouwd. Het plangebied ligt aan de oostzijde van de F.A. Molijnlaan te Nunspeet. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe, dat op circa 600 meter afstand ligt. De Veluwe is hierbij het maatgevende stikstofgevoelige Natura 2000-gebied.

6.8.2

Conclusies van het onderzoek naar de stikstofdepositie van het project

Bouwfase Uit het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V. van 13 december 2022 volgt dat er sprake is van stikstofdepositie van 0,02 mol per hectare per jaar als gevolg van de bouwfase. Het gaat hier om een tijdelijke depositie. Conform de richtlijnen uit de Handreiking Voortoets veroorzaken tijdelijke bouwwerkzaamheden geen significant negatief effect wanneer de stikstofdepositie kleiner dan, of gelijk is aan 0,1 mol/ha/jaar. Gebruiksfase Uit het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V. van 13 december 2022 volgt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van relevante stikstofdepositie (depositie groter dan 0,00 mol per hectare per jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uit het bovenstaande volgt dat stikstofdepositie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bouwfase Uit het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V. van 13 december 2022 volgt dat er sprake is van stikstofdepositie van 0,02 mol per hectare per jaar als gevolg van de bouwfase. Het gaat hier om een tijdelijke depositie. Conform de richtlijnen uit de Handreiking Voortoets veroorzaken tijdelijke bouwwerkzaamheden geen significant negatief effect wanneer de stikstofdepositie kleiner dan, of gelijk is aan 0,1 mol/ha/jaar. Gebruiksfase Uit het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V.

van 13 december 2022 volgt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van relevante stikstofdepositie (depositie groter dan 0,00 mol per hectare per jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het is om die reden dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het onderhavige project voor de bouw van het appartementencomplex voor 8 appartementen en voor de bouw van de 4 geplande

86

woningen.

Voor het rapport “Onderzoek stikstofdepositie F.A. Molijnlaan” opgesteld door Adviesbureau De Haan B.V. (AH.2020.0787.02.R001) definitief d.d. 13 december 2022 wordt verwezen naar Bijlage 11 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.

87

6.9

Externe Veiligheid

6.9.1

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Om het transport van gevaarlijke stoffen te reguleren is het Basisnet opgezet en vastgesteld. Het beleid en de regels voor inrichtingen (bedrijven) zijn afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevis) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het beleid en de regels voor transportmodaliteiten staan beschreven in het per 1 april 2015 van kracht geworden Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet (Rbn). Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Wet- en Regelgeving met betrekking tot externe veiligheid Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het plaatsgevonden risico kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogenoemde risicocontouren. Binnen de 10-6 contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden geprojecteerd.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als een grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) geeft de kans weer dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt niet op de kaart weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens, ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) formuleert milieukwaliteitseisen op het gebied van de externe veiligheid. Met dit besluit zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi de bevoegde gezagen Wet milieubeheer (Wm) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstand te houden tussen kwetsbare objecten (objecten waar zich veel mensen ophouden) en risicovolle bedrijven.

Tevens beperkt het Bevi het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovolle inrichting. Hiertoe is de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) vastgesteld. Het Revi beschrijft de normen met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Bevi. Gemeenten en provincies moeten de normen uit het Bevi (en het daarbij behorende Revi) naleven bij het opstellen van ruimtelijke besluiten, en ook bij omgevingsvergunning/omgevingsvergunningen ex artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo, zoals de onderhavige. (En daarnaast ook bij het verlenen van milieuvergunningen). Eén van de normen is, dat zowel de gemeentelijke als de regionale Brandweer bij projecten, waarbij Bevi-aspecten aan de orde zijn, om advies moet worden gevraagd. In het Bevi is voor het plaatsgebonden risico ten opzichte van kwetsbare objecten een grenswaarde vastgesteld en voor beperkt kwetsbare objecten is er voor dit plaatsgebonden risico een richtwaarde opgenomen. De normen in het Bevi zijn niet effectgericht maar zijn gebaseerd op een risico-effect benadering. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Dat wil zeggen, dat gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade daarin niet zijn meegenomen.

In het Bevi is geen harde norm voor het groepsrisico vastgelegd. Er is voor gekozen om de norm voor het groepsrisico als oriëntatiewaarde te hanteren, zij het met een nadrukkelijke verantwoordingsplicht. In het Bevi is een voorschrift opgenomen (artikel 13) op grond waarvan inzicht moet worden gegeven in de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent een inspanningsverplichting bij de besluitvorming rond ruimtelijke projecten, waarbij onder andere de mogelijkheden tot het verlagen van de risico's, de zelfredzaamheid en de hulpverlening van belang zijn. Hiervoor is door de (toenmalige) Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Binnenlandse Zaken de Handreiking Verantwoordingsplicht

88

Groepsrisico (december 2007) opgesteld. Transport van gevaarlijke stoffen - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat beschreven in het per 1 april 2015 van kracht geworden Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het vervoer van gevaarlijke stoffen kent verschillende modaliteiten: 1. vervoer over de weg. 2. vervoer over het spoor. 3. vervoer over water (zee en binnenwater). 4. vervoer door buisleidingen. Voor de modaliteiten weg, spoor en water zijn in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zogenoemde risicoatlassen opgesteld. Hierin zijn voor de verschillende modaliteiten de risico's en mogelijke knelpunten in kaart gebracht. Deze atlassen geven een beeld van de bestaande situatie met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor buisleidingen is een dergelijke atlas niet opgesteld. De wetgeving met betrekking tot het vervoer door buisleidingen is geregeld met de AMvB "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) van 24 juli 2010. Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is ook de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Op grond van het bepaalde in artikel 11 van deze wet is degene die gevaarlijke stoffen vervoert verplicht de bebouwde kom zoveel mogelijk te mijden.

Deze verplichting geldt niet indien het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden of lossen of indien er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is. Op grond van artikel 18 van de genoemde Wet vervoer gevaarlijke stoffen kan de gemeenteraad op het grondgebied van zijn gemeente wegen of weggedeelten aanwijzen waarover bij Ministeriële Regeling aangewezen gevaarlijke stoffen bij uitsluiting mogen worden vervoerd. Regeling Basisnet In de Regeling Basisnet zijn sinds 1 april 2015 de Basisnetten Weg, Water en Spoor vastgelegd. Veranderingen die vanwege de ontwikkelingen omtrent het Basisnet zijn doorgevoerd, betreffen de volgende: • Berekeningen van PR 10-6/jr.-contouren voor (rijks)wegen en spoorlijnen opgenomen in het Basisnet zijn niet meer nodig, aangezien veiligheidszones zijn gegeven die als plaatsvervangend voor de PR 10-6/jr.-contouren gelden. • Bij vaarwegen is een onderscheid gemaakt tussen “rode” en “zwarte” vaarwegen afhankelijk van het type schip dat over deze vaarweg stoffen vervoert. Tevens is aangegeven welke transporteenheden dienen te worden gehanteerd bij risicoberekeningen. Deze aantallen zijn zo gekozen dat ze geen PR 10-6/jr.-contour veroorzaken die buiten de vaarweg is gelegen. Vaarwegen die niet in de Regeling worden genoemd, hebben geen noemenswaardige risicocontouren.

• Bij de berekening van het groepsrisico voor zowel Weg, Water als Spoor dienen de getallen uit de Regeling te worden gebruikt. In het geval van de Weg wordt alleen nog gebruik gemaakt van de hoeveelheden LPG. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. Hierbij geldt eveneens een grenswaarde en een richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR) en een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico voor het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening. Voor de verantwoordingsplicht is een onderscheid gemaakt tussen het 100%-letaliteitsgebied en het 1% letaliteitsgebied. Binnen het eerstgenoemde gebied geldt er een uitgebreide verantwoordingsplicht, in het laatstgenoemde gebied dient alleen de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid beschouwd te worden. Een bestemmingsplan dient de ligging weer te geven van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Deze belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

Plasbrandaandachtsgebied Met de komst van het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een nieuw toetsingselement toegevoegd, het plasbrandaandachtsgebied. Dit betreft een strook van 30 meter, gemeten vanaf de buitenzijde van de transportroute. Het plasbrandaandachtsgebied is geen zone waarbinnen verboden gaan gelden zoals bij het plaatsgebonden risico. Binnen dit plasbrandaandachtsgebied moet worden onderzocht hoe schade en letsel ten gevolge van de warmte van een plasbrand kan worden beheerst. Verantwoording Groepsrisico In het Bevi en in het Bevt is een verplichting opgenomen tot verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat elke wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en worden verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. In het Bevt geldt voor elk plan binnen het invloedsgebied van een transportas een beperkte verantwoordingsplicht, waarbij enkel bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd dienen te worden.

De uitgebreide verantwoordingsplicht geldt indien het plangebied allereerst binnen 200 meter van de transportas ligt. Daarnaast kan van de uitgebreide verantwoording GR worden afgezien, indien het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of niet met meer dan 10% toeneemt en het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde ligt.

89

6.9.2

Lokaal en Regionaal Beleidskader

De gemeente heeft gezamenlijk met de andere gemeenten in de regio Noord-Veluwe een beleidsvisie externe veiligheid opgesteld, de “Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord” (Oranjewoud, januari 2014). Deze beleidsvisie geeft de gemeente een handvat in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico die de gemeente in samenwerking met de veiligheidsregio dient uit te voeren. De beleidsvisie kan worden gezien als een hulpmiddel van hoe beleidsmatig om te gaan met het milieuaspect externe veiligheid in de ruimtelijke ordening. Voor de verantwoordingsplicht bij ruimtelijke besluiten gaat dit beleid uit van drie gradaties van verantwoording, afhankelijk van de afstand tot de risicobron. Daarvoor hanteert het beleid drie zones:

Tabel 6.G: Zone-indeling gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid regio Noord Veluwe (ontleend aan het onderzoeksrapport “Toelichting externe veiligheid ontwikkeling F.A. Molijnlaan” van Adviesbureau De Haan (tabel 1, blz. 3). Risicobron (Spoor)wegen Vaarwegen Aardgastransportleidingen LPG tankstations Overige Bevi-inrichtingen

6.9.3

Zone 1 30 meter 25 meter PR 10 -6 contour PR 10 -6 contour PR 10 -6 contour

Zone 2 200 meter 90 meter 100 % letaliteitsgrens 150 meter PR 10 -8 contour

Zone 3 1500 meter 1000 meter 1% letaliteitsgrens 400 meter invloedsgebied

Onderzoek naar de externe veiligheidsaspecten

Er is onderzoek verricht door Adviesbureau de Haan B.V, met het rapport “Toelichting externe veiligheid ontwikkeling F.A. Molijnlaan” d.d. 13 oktober 2020. Van dit onderzoek wordt in de volgende paragrafen verslag gedaan. Allereerst is er een inventarisatie van de risicobronnen verricht. Deze zijn weergegeven op de onderstaande Afbeelding. Hierop zijn de externe risicobronnen aangegeven op basis van de risicokaart (per 26 juni 2020). Het gaat om de volgende risicobronnen: • Nestlé Nederland B.V. • Sport- en recreatiecentrum De Brake. • Gasdrukverdeelstation (op het terrein van Nestlé). • Hogedruk aardgasleidingen N-570 -20 en N-570 -32. • De spoorlijn Amersfoort – Zwolle en de snelweg 28. Deze behoren tot het basisnet spoor respectievelijk het basisnet weg. De bovenstaande bronnen zijn hieronder verder beschouwd.

6.9.3.1 Bedrijven Circa 200 meter ten noorden van de planlocatie staat het bedrijf Nestlé. Dit bedrijf beschikt over een koelinstallatie. De koelinstallatie bevat 700 kg ammoniak en valt daarmee niet onder het Bevi. Er is geen 10-6 PR contour en geen invloedsgebied waarvoor het groepsrisico moet worden verantwoord. Op het terrein van Nestlé staat verder een gasdrukmeet- en regelstation. Voor dit station geldt vanuit het activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 15 meter. Omdat het station niet onder het Bevi valt, hoeft voor ontwikkelingen buiten deze afstand van 15 meter geen verantwoording te worden opgesteld. De afstand van dit gasdrukverdeelstation tot het plangebied is circa 400 meter, zodat dit verdeelstation geen extern risico vormt.

90

De afstand van het sportcentrum De Brake tot het plangebied is bijna 500 meter, zodat de opslag van chloorbleekloog geen extern risico vormt voor het plangebied. Op 170 meter ten noordwesten van de planlocatie ligt het tankstation BP Nunspeet. Omdat dit tankstation geen LPG verkoopt, valt het niet onder het Bevi en staat het daarom ook niet op de risicokaart. Voor onbemande benzinestations geldt een vergunningplicht als binnen 20 meter kwetsbare objecten aanwezig zijn. De ontwikkeling voorziet niet in ontwikkelingen binnen deze afstand. Het benzinestation vormt op deze afstand geen extern risico. De overige risicobronnen volgens de Afbeelding 6.4 liggen op meer dan een kilometer afstand en vormen geen extern risico voor de planlocatie.

Afbeelding 6.4:

Risicobronnen in de omgeving van de planlocatie (ontleend aan het onderzoeksrapport “Toelichting externe veiligheid ontwikkeling F.A. Molijnlaan” van Adviesbureau De Haan (Figuur 1, blz. 4)

6.9.3.2 Hogedruk aardgasleidingen In de omgeving van de planlocatie liggen twee hogedruk aardgasleidingen: • Aardgasleiding N-570-20 ligt 370 meter ten noorden van de planlocatie en heeft een druk van 40 bar en een diameter van 12’’. Daarmee is de 1% letaliteitsafstand 140 meter. Het plan ligt buiten deze afstand, zodat de risico’s voor het plan minimaal zijn en behoeven niet te worden beschouwd. • Aardgasleiding A-510 ligt 1900 meter ten zuidoosten van de planlocatie en heeft een druk van 66 bar en een diameter van 36 ‘’. Daarmee is de 1 % letaliteitsafstand 430 meter. Het plan ligt buiten deze afstand, zodat de risico’s voor het plan minimaal zijn en behoeven niet te worden beschouwd.

91

6.9.3.3 Transport van geklasseerde stoffen over de Spoorlijn Amersfoort – Zwolle en over de A28 Ten zuiden van de planlocatie liggen twee basisnetroutes: • De spoorlijn Amersfoort – Zwolle ligt op 1 kilometer van de planlocatie. • De snelweg A28 ligt op 2 kilometer van de planlocatie. Over beide transportroutes worden naast brandbare stoffen ook toxische stoffen vervoerd. Er geldt volgens de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid regio Noord Veluwe een invloedsgebied van 1500 meter. Voor het transport over de spoorlijn moet volgens de beleidsvisie voor kwetsbare objecten, zoals het voorgenomen plan, een standaard verantwoording worden opgesteld. Voor de snelweg mag deze verantwoording achterweg blijven. 6.9.3.4 Transport van gevaarlijke stoffen over de F.A. Molijnlaan De gemeente Nunspeet heeft geen routering van gevaarlijke stoffen voorgeschreven. De meest logische route van de snelweg naar het nabijgelegen tankstation is langs de planlocatie. Het tankstation verkoopt alleen benzine en diesel. Het enige risicoscenario voor de transportroute betreft daarom en plasbrand. Gezien het beperkt aantal transporten en het relatief kleine invloedsgebied van een plasbrand, zal het groepsrisico laag zijn Ook de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Noord Veluwe stelt dat het aantal transporten op gemeentelijke wegen beperkt is.

6.9.4

Verantwoording groepsrisico

Hiervoor is geconstateerd dat enkel het externe risico als gevolg van transporten over de spoorlijn Amersfoort – Zwolle moet worden verantwoord. Bij de ontwikkeling van kwetsbare objecten tussen de 200 en 1500 meter van een spoorlijn met gevaarlijke stoffen volstaat conform de beleidsvisie Veluwe Noord een standaard verantwoording. In het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. is een standaard verantwoording groepsrisico opgesteld die hieronder is overgenomen in Afbeelding 6.5.

Afbeelding 6.5:

92

Standaard verantwoording groepsrisico volgens het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. d.d. 13 oktober 2010, blz. 6

6.9.5

Advies Veiligheidsregio VNOG (regionale Brandweer)

Met betrekking tot het uitgebrachte adviesrapport “Toelichting externe veiligheid ontwikkeling F.A. Molijnlaan 166-172 te Nunspeet” van Adviesbureau De Haan B.V. (kenmerk AH 2020.07870.01.N001) d.d. 13 oktober 2020 en met betrekking tot het te verantwoorden groepsrisico is advies gevraagd van de Veiligheidsregio VNOG (de Regionale Brandweer). Het advies van de VNOG van 11 april 2022 is door de gemeente ontvangen op 11 april 2022. Dit advies luidt: “Ik kan mij vinden in de conclusies die worden getrokken in de ruimtelijke onderbouwing. Er is rondom het plangebied een inventarisatie van de voor externe veiligheid relevante risicobronnen uitgevoerd en deze inventarisatie is compleet. Voor dit plangebied is alleen het spoortraject Amersfoort-Zwolle relevant in het kader van externe veiligheid. Het plangebied valt namelijk binnen het invloedsgebied van dit spoortraject en ligt op ongeveer 1.000 meter. Omdat het spoortraject op meer dan 200 meter afstand van het plangebied ligt, mag u het groepsrisico (GR) voor deze ontwikkeling daarom – conform de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de Regio Noord-Veluwe – beperkt verantwoorden in uw besluitvorming. Daarmee kan deze ontwikkeling als kansrijk worden beschouwd vanuit het oogpunt van externe veiligheid.”

6.9.6

Conclusies met betrekking tot Externe Veiligheid

Zoals uit bovenstaande paragrafen blijkt, kan aan de wet- en regelgeving en het beleid met betrekking tot de externe veiligheid worden voldaan, als de omschreven aanbevelingen en voorwaarden in acht worden genomen. Voor wat betreft het aspect externe veiligheid kan het project voor de bouw van het appartementengebouw (acht appartementen) en van de vier vrijstaande woningen worden uitgevoerd, met dien verstande dat de aanbevelingen met betrekking de verantwoording van het Groepsrisico van met name de Veiligheidsregio (de Regionale Brandweer) worden opgevolgd voor het project F.A. Molijnlaan 166 – 172.

Voor wat betreft het aspect externe veiligheid kan het project voor de bouw van het appartementengebouw (acht appartementen) en van de vier vrijstaande woningen worden uitgevoerd, met dien verstande dat de aanbevelingen met betrekking de verantwoording van het Groepsrisico van met name de Veiligheidsregio (de Regionale Brandweer) worden opgevolgd voor het project.

Voor het rapport "Toelichting externe veiligheid ontwikkeling F.A. Molijnlaan” van Adviesbureau De Haan B.V. (kenmerk AH.2020.0787.01 N001) d.d. 13 oktober 2020 wordt verwezen naar Bijlage 12 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het Advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) (kenmerk 2259594/22-079825/MN/SG van 11 april 2022 wordt verwezen naar Bijlage 28 van deze Ruimtelijke Onderbouwing.

93

6.10

Duurzaamheid

De duurzaamheidsparagraaf luidt als volgt voor het project F.A. Molijnlaan 166-172. Duurzaamheid, energie en leefomgevingskwaliteit In de duurzaamheidsvisie van de gemeente Nunspeet is het motto ‘Nunspeet leeft natuurlijk’. Duurzaamheid bestaat daarin uit de volgende zes pijlers: 1. Energie besparing 2. Energie opwekking 3. Energie transitie 4. Groene mobiliteit 5. Klimaatadaptatie en biodiversiteit 6. Circulaire economie Hieronder is een uitwerking weergegeven van elke pijler in het voorliggende plan. Energiebesparing Energiebesparende maatregelen helpen het verbruik van brandstoffen te verminderen. Dat kan door te isoleren of door slimmer gebruik te maken van energie. Maar je kunt ook besparen door gebruik te maken van producten die minder energie verbruiken, zoals verlichting, computers, televisies en een cv-installatie met een zuinig tot zeer zuinig energielabel. Als je die producten dan ook nog zo min mogelijk gebruikt, is de winst nog groter! Het gehele complex zal voldoen aan de Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) eisen. Met de BENG eisen wordt tegelijk een zomercomfort eis voor gebouwen ingevoerd. De BENG eisen zijn de nieuwe energetische eisen die vanaf 1 januari 2021 worden gesteld aan alle nieuwbouw projecten. De eisen zijn anders dan ons voorgaande stelsel en zijn opgesplitst in 3 indicatoren. Dit zijn de BENG 1, de BENG 2 en de BENG 3 indicatoren.

Er dient aan alle drie de onderdelen te worden voldaan. De BENG berekening is opgezet volgens het principe van de Trias Energetica. De drie stappen van de Trias Energetica zijn basisvuistregels bij het duurzaam ontwerpen van gebouwen. De eerste van de drie stappen waaraan de gebouwen gaan voldoen is: Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan; bijvoorbeeld een compacte gebouwvorm of door isolatie van de buitenschil (gevels, daken en vloeren). -

Compacte bouwvolumes voorkomen teveel warmteverlies op koude dagen Ruim voldoende isolatiewaardes van de thermische schil houden de warmte vast Grote overstekken vooromen een te snelle opwarming op warme dagen

Energie opwekking Voor het opwekken van energie gebruiken we in Nederland vervuilende fossiele brandstoffen als kolen en gas. Steeds vaker gebruiken we daarvoor ook duurzame bronnen, zoals water, wind en zon. Zo verminderen we de uitstoot van broeikasgassen, verbeteren we de luchtkwaliteit en beperken we klimaatverandering. De tweede van de drie stappen waaraan de gebouwen gaan voldoen is: Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen, zoals wind-, water-, en zonneenergie; bijvoorbeeld door installatie van een zonneboiler of zonnepanelen.

94

-

Voor de opwekking van elektrische energie wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen. Voor de opwekking van warmte wordt gebruik gemaakt van bodemwarmte. Voor het koelen van de woning wordt gebruik gemaakt van bodemkoelte.

Energie transitie We stappen de komende jaren over van vervuilende energiebronnen op duurzame, groene energie. Geen aardgas en steenkool, maar zon, wind, aarde en lucht. Die overstap heet de energietransitie en daar werkt ook de gemeente Nunspeet aan. Dat gebeurt onder andere in regionaal verband met de Regionale Energie Strategie (RES) en in lokaal verband met een Transitievisie Warmte. De derde van de drie stappen waaraan de gebouwen gaan voldoen is: Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen om in de resterende energiebehoefte te voorzien; bijvoorbeeld door lage temperatuurverwarming (vaak in de vorm van vloerverwarming), het beperken van leidinglengten van warmwaterleidingen en leidingweerstand van verwarmings- en ventilatiesystemen of het gebruikmaken van een warmtepomp. -

De gebouwen worden geheel gasloos gerealiseerd volgens de geldende voorschriften.

Groene mobiliteit Gemotoriseerd vervoer levert een forse bijdrage aan ons totale energieverbruik in Nunspeet: 37%. Het grootste gedeelte daarvan is het wegverkeer. Dat levert fijnstof op, maar ook geluidsoverlast. Bovendien draagt het bij aan de opwarming van de aarde en klimaatverandering. Het gebruik van groene mobiliteit dient te worden gestimuleerd en de hoeveelheid fossiele energie terug gedrongen. -

In het plan wordt ruim voorzien in oplaad mogelijkheden voor elektrische auto’s en fietsen.

Klimaatadaptatie en biodiversiteit Omdat er steeds meer broeikasgassen zoals CO2 in de lucht komen, stijgt de temperatuur en verandert het klimaat. Daardoor neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Planten- en diersoorten worden bedreigd door deze klimaatverandering, maar ook de neerslag van stikstof op de bodem, fijnstof in de lucht en gebrek aan leefruimte werkt hieraan stevig mee. De natuur droogt uit, bomen sterven, vennen drogen op en dieren hebben het zwaar. -

-

Op het terrein is veel groene beplanting aanwezig. De invulling en positionering is zodanig gekozen dat zoveel mogelijk van de bestaande bomen kunnen blijven staan. Om de nieuwe gebouwen weer een goede inpassing te kunnen geven wordt door een landschapsarchitect een groenplan ontwikkeld. De opzet daarbij is om het groene karakter van de plek te behouden waardoor hittestress wordt tegen gegaan. Wateroverlast wordt voorkomen door het toepassen van waterdoorlatende bestrating waar dat kan. Regenwater wordt op eigen terrein in de bodem opgevangen geïnfiltreerd.

Circulaire economie In de circulaire economie is afval niet langer afval, maar een grondstof voor nieuwe producten. Dat is goed voor het milieu en klimaat. Daarom proberen we de hoeveelheid afval te verminderen en stimuleren we het hergebruik van grondstoffen.

95

-

In het bouwproces wordt steeds gezocht naar herbruikbare grondstoffen.

De duurzaamheidsaspecten van het project zijn beschreven in de bovenstaande Paragraaf 6.10. De beschreven maatregelen zullen met het project worden toegepast.

6.11

Bezonningsonderzoek

In Nederland zijn er geen formele wettelijke normen met betrekking tot bezonning voor gebouwen. Indien er veranderingen zijn gepland in de bebouwde omgeving, kan het wenselijk zijn om een bezonningsstudie uit te voeren. Een bezonningsstudie is een studie waarbij de bezonning ten gevolge van de verandering via het ruimtelijke project wordt beoordeeld. In het kader van de bezonning van bebouwing heeft TNO een tweetal normen ontwikkeld; een lichte norm en een strenge norm. De lichte norm Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Bij het analyseren van de bezonning op basis van de lichte norm zijn de volgende data van belang: 19 februari als eerste dag; 21 juni, de dag waarop de zon haar hoogste stand bereikt, en 21 oktober als laatste dag van de lichte norm. De strenge norm Een gebouw voldoet aan de strenge norm wanneer er gedurende drie uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 21 januari tot en met 22 november. Ook bij de strenge norm is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.

Bij het analyseren van de bezonning op basis van de strenge norm zijn de volgende data van belang: 21 januari, als eerste dag; 21 juni, dag waarop de zon haar hoogste stand bereikt, en 22 november als laatste dag van de strenge norm. Vanwege het “parabolische effect” volstaat het om de bezonning op de per norm genoemde dagen te onderzoeken. Op de eerste en laatste dag van de onderzoeksperiode vanwege de lage stand van de zon. Na de eerste dag wordt de bezonning elke dag een beetje groter tot en met 21 juni wanneer de zon op haar hoogst staat. Daarna wordt de bezonning elke dag iets minder tot aan het eind van de onderzoeksperiode. Conclusie In de uitgevoerde bezonningsstudie zijn met name de kavels ten oosten van het plangebied / projectgebied getoetst aan de strenge norm volgens de richtlijnen van TNO. Dit betreft de woningen aan de Boterdijk 11, 13, 13a, 13b, 15, 17, 19, en 21. Zie de afbeeldingen van de bezonning / schaduwwerking op 21 januari, op 21 juni, en op 22 november die in het onderzoeksrapport zijn opgenomen.

96

De conclusie van de bezonningsstudie is dat de bovengenoemde woningen aan de Boterdijk 11, 13, 13a, 13b, 17, 19, en 21 voldoen aan de strenge norm voor wat betreft bezonning in geval van de geplande bebouwing. Dit betekent dat bij de genoemde woningen gedurende minimaal drie uren per etmaal bezonning plaatsvindt in de periode van 21 januari tot en met 22 november. De conclusie van de bezonningsstudie is dus dat de bovengenoemde woningen aan de Boterdijk 11, 13, 13a, 13b, 15, 17, 19, en 21 voldoen aan de strenge norm voor wat betreft bezonning in geval van de geplande bebouwing. Dit betekent dat bij de genoemde woningen gedurende minimaal drie uren per etmaal bezonning plaatsvindt in de periode van 21 januari tot en met 22 november.

Voor de studie “Bezonningsstudie Nieuwbouw luxe appartementen aan de Molijnlaan te Nunspeet” door Slaa + van Asselt architecten BNA (projectnr. 2012) d.d. oktober 2021, zie Bijlage 16 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.

97

6.12

Milieueffectrapportage (m.e.r.) / m.e.r.-beoordeling

Onderstaand is beoordeeld of bij deze Ruimtelijke Onderbouwing voor de onderhavige omgevingsvergunningen een milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden uitgevoerd of dat er een formele m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. Volgens lid D 11.2 van de Bijlage bij het “Besluit milieueffectrapportage” dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen een m.e.r.-beoordelingsrapport te worden opgesteld, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Indien bij een project sprake is van (tenminste) één van de gevallen benoemd in lid D 11.2, is er een m.e.rbeoordelingsplicht op basis van het Besluit milieueffectrapportage. Met het project voor de bouw van het appartementengebouw (acht appartementen) en vier vrijstaande woningen, in totaal twaalf woningen) worden de criteria van lid D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage niet gehaald, zodat een m.e.r-beoordeling in principe niet noodzakelijk zou zijn voor het onderhavige project. Als de drempelwaarde ten aanzien van de activiteit niet wordt bereikt, dan is de vormvrije m.e.r.beoordeling van toepassing.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor onderhavig project is opgesteld in de notitie "Vormvrije m.e.r.-beoordeling project appartementengebouw (acht appartementen) en vier vrijstaande woningen Molijnlaan 166 - 172 Nunspeet” d.d. 31 januari 2022. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is: dat de relevantie van het project voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap er vooral in is gelegen dat de milieuproblemen, die van belang zijn voor het onderhavige project, met name zijn gelegen in de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied de Veluwe die het project met zich mee zou kunnen brengen in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Dit is onderzocht en dit onderzoek is neergelegd in het rapport “Onderzoek stikstofdepositie F.A. Molijnlaan, adviesbureau de Haan d.d. 13 oktober 2020” (zie Bijlage 11 bij de Ruimtelijke Ordening). Uit het onderzoek blijkt, dat het perceel op circa 600 m van het Natura 2000gebied De Veluwe is gelegen. Er is een stikstofberekening uitgevoerd met Aerius 2020. Hieruit blijkt dat er in de gebruiksfase geen stikstofdepositie is van hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Uit het onderzoek volgt dat er geen sprake is van relevante stikstofdepositie (depositie groter dan 0,0 mol per hectare per jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling.

Hieruit blijkt dat de effecten op met name het Natura 2000-gebied aanvaardbaar zijn. Het Natura 2000-gebied zou in theorie, vanwege de waarde en kwetsbaarheid van dat gebied geraakt kunnen worden door de uitvoering van het onderhavige project. Dit gaat dan met name op voor de kwetsbaarheid van het gebied in verband met de stikstofdepositie op het gebied, die al te groot is. Dit is onderzocht en dit onderzoek is neergelegd in het genoemde rapport. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) in verband met stikstofdepositie noodzakelijk is. Ook blijkt uit de verrichte (geluids-)onderzoeken, dat de (cumulatieve) effecten van bijvoorbeeld geluidshinder niet zodanig zijn dat de uitvoering van het project in gevaar komt.

98

Het is niet noodzakelijk om een (project-)m.e.r.-procedure te voeren en een ProjectMER op te stellen. Een nadere m.e.r.-beoordeling is eveneens niet nodig. De milieueffecten en de maatregelen zijn met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoende inzichtelijk gemaakt.

De milieueffecten en de maatregelen zijn met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoende inzichtelijk gemaakt. Het is niet noodzakelijk om een ProjectMER op te stellen. Dit zal als zodanig worden besloten door het college van Burgemeester en Wethouders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12800628/1