AP 6b. Bijlage Ruimtelijke Onderbouwing Molijnlaan 166 en 172
Tekst van het document
Molijnlaan 172 Voor de bomen bij/op het perceel F.A. Molijnlaan 172 wordt verwezen naar het memo van de gemeente van juni 2018 dat als Bijlage 22 is opgenomen bij deze Ruimtelijke Onderbouwing, met een verwijzing naar de Tekeningen (juni 2018) die als Bijlage 23 zijn opgenomen bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Met deze inventarisatie van het groen en van de bomen dient rekening te worden gehouden bij de verdere uitwerking en uitvoering van de plannen. Groenstructuur / Groenzone De groenstructuur in het gebied tussen F.A. Molijnlaan 166 (appartementengebouw op het terrein van de voormalige Huishoudschool) en het perceel waar de 4 nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd is in het Beeldkwaliteitsplan (BKP) voor de vier vrijstaande woningen (zie Bijlage 18 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing) vastgelegd. De verplichting tot het realiseren en het instandhouden van deze groenstrook, als een buffer, zal in de anterieure overeenkomst, die zal worden gesloten met de initiatiefnemers van het plan, worden opgenomen, en tevens zal deze verplichting worden opgenomen als een voorwaarde bij de te verlenen omgevingsvergunning(en). Nader onderzoek naar waardevolle eiken op het perceel Molijnlaan 166 Er is op verzoek van de gemeente (na 16 mei 2022) nog een nader onderzoek uitgevoerd naar de waardevolle eiken die zich op het perceel Molijnlaan 166 bevinden.
Dit als aanvulling op het rapport “Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan 166 te Nunspeet” van 17 oktober 2017. Dit nader onderzoek is verricht door Boomadvies Nederland. Het rapport is “Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan 166, Nunspeet” van 27 juli 2022. Volgens het rapport dient de wijze van de uitvoering van de sloop- en bouwwerkzaamheden te worden afgestemd om de impact op de bomen te minimaliseren. Op blz. 17 van het rapport zijn op de afbeelding 17 zones aangegeven waar, zonder voorzieningen, geen sloop- en bouwactiviteiten mogen plaatsvinden zoals het rijden met machines of plaatsen van steigers/hijskranen. De kans op groeiplaatsverstoring en/of kroonschade is hier groot. In paragraaf 5.3.2 is de “boomvriendelijke constructie” beschreven die dient te worden toegepast. In paragraaf 5.3.3 is aangegeven welke bomen voorafgaand aan de werkzaamheden gesnoeid dienen te worden. In paragraaf 5.3.4. is aangegeven hoe de groeiplaatscompensatie dient plaats te vinden voor de zomereiken (nr. 2, 3 en 4). De boombeschermende maatregelen worden in paragraaf 5.3.5 van het rapport verder toegelicht.
53
Nader Onderzoek naar de particuliere bomen grenzend aan het perceel F.A. Molijnlaan 166 te Nunspeet Er is door Boomadvies Nederland B.V. verder nog een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd voor de particuliere bomen grenzend aan het perceel F.A. Molijnlaan 166 te Nunspeet. Het betreft een aanvulling op het eerder uitgevoerde BEA (BA220725 wb.1_Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan) van 27 juli 2022. Aanleiding voor deze BEA zijn de voorgenomen plannen om een verhoogd terras tot vlak aan de grens van het perceel te realiseren. Op korte afstand van dit te realiseren terras staat een rij bomen die het eigendom is van de bewoners van F.A. Molijnlaan 158. De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op deze bomen. In de conclusie van het rapport staat: “Op basis van de boominventaristie, de beoordeling van de projectinvloeden en de resultaten van het aanvullend bewortelingsonderzoek, is te concluderen dat het realiseren van een verhoogd terras geen negatief effect heeft op het duurzaam behoud van de 15 aangrenzende bomen aan de F.A. Molijnlaan 158 te Nunspeet. Het terras kan zonder aanpassingen gerealiseerd worden. Wel wordt geadviseerd om boombeschermende maatregelen te treffen tijdens de aanleg van het terras.
De bomen staan namelijk direct op de erfgrens (zonder enige bescherming van bijvoorbeeld een hekwerk), waardoor ongewenste schade aan de bomen kan ontstaan.” De verplichting tot het realiseren en instandhouden van de groenstrook, als een buffer, zoals aangegeven op de tekening bij het Beeldkwaliteitplan (BKP) (zie Afbeelding 5.8), en zie ook Bijlage 18 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing, zal in de anterieure overeenkomst, die zal worden gesloten met de initiatiefnemers van het plan, worden opgenomen.
Voor het rapport “Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan 166 te Nunspeet” door BSN Bomenservice Inspectie & Advies (projectcode 170117) d.d. 17 oktober 2017, zie Bijlage 21 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het “Memo van de Gemeente Nunspeet met betrekking tot het Groen en de Bomen op de percelen F.A. Molijnlaan 166 en 172” van juni 2018, zie Bijlage 22 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor de “Tekeningen met nummers van de geïnventariseerde bomen waarnaar wordt verwezen in het Memo van de Gemeente” van juni 2018, zie Bijlage 23 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het rapport “Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan 166, Nunspeet” van Boomadvies Nederland (BA220725 wb.1) d.d. 27 juli 2022, zie Bijlage 29 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Voor het rapport “Boom Effect Analyse F.A. Molijnlaan 166, Nunspeet” van Boomadvies Nederland (BA230270 wb.1) d.d. 15 maart 2023, zie Bijlage 30 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
54
5.10 Beeldkwaliteit Paragraaf voor het bouwplan voor Vier woningen en een Appartementengebouw tussen de Molijnlaan en Boterdijk 5.10.1 Aanleiding Het doel van de functiewijziging is dat er een woongebouw met luxe appartementen en kwalitatief hoogwaardige woonkavels worden gerealiseerd. Beide moeten goed passen in het groene gebied tussen de Molijnlaan en de Boterdijk. Om tot een goede invulling te komen van de bebouwing zijn daarom beeldkwaliteit richtlijnen opgesteld. Voor wat betreft de woningen en bijgebouwen is daarbij niet alleen gekeken naar de hoofdvorm; breedte, diepte en hoogte. Er is ook aandacht besteed aan de positionering, de detaillering en de aankleding van het erf. Op deze manier wordt gezorgd voor een zekere eenheid, passend bij de sfeer van de Molijnlaan en de Boterdijk
5.10.2 Randvoorwaarden appartementengebouw Als appartementengebouw op het perceel F.A. Molijnlaan 166 dient er een “bijzonder” en “voornaam” gebouw te worden gerealiseerd die past in de omgeving van de Molijnlaan, waaraan reeds eerder karakteristieke gebouwen zijn gerealiseerd in de loop der tijd (vanaf circa 1905). Er zijn gebouwen onder architectuur gerealiseerd langs de F.A. Molijnlaan, zoals veel villa’s en andere grotere gebouwen (zoals de Veluvine). Het appartementengebouw moet in een groene setting komen te staan. Dit, zonder fysieke scheidingen, zodat de openbare ruimte overgaat in het groene tuinplan. De aanwezigheid van bomen, die behouden dienen te blijven, zorgen voor een filtering en voor een achtergrond. Het appartementengebouw bestaat uit twee delen en er is sprake van gelaagdheid in architectuur. De maximale bouwhoogte van het gebouw is 13,50 meter. De gevelarchitectuur heeft een voldoende geleding in diepte, hoogte en breedte om de schaal van de gebouwen te verfijnen. De gebouwen zijn afgedekt met een schuine dakafwerking en hebben grote dakoverstekken. Het is een eis dat de kleuren en materialen van het appartementengebouw moeten passen in het palet van de Molijnlaan. Technische voorzieningen en zonnepanelen zijn verborgen opgesteld en/of geïntegreerd met de architectuur. Bijgebouwen hebben een verwante architectuur.
De tuininrichting samen met de natuurlijke verhardingsoppervlakten passen naadloos in het beeld van het parkachtige karakter van de Molijnlaan. Het parkeren op het voorterrein heeft een ondergeschikte functie. Kleuren zijn gedempt en ondersteunen de architectuur.
55
5.10.3 Uitwerking appartementengebouw Op basis van de randvoorwaarden is een plan uitgewerkt zoals weergegeven op de onderstaande impressies en in de tekeningenset (bijlage 25) bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
Afbeelding 5.7:
Impressies van het Appartementengebouw
5.10.4 Toetsingscriteria woningen Uit het gemeentelijk beleid volgen de volgende toetsingscriteria: Algemeen De vormgeving van de woningen dient aan te sluiten bij de kenmerkende ruime opzet van de verkaveling en de rustige atmosfeer van het gebied. Zowel de woning als de bijgebouwen zullen worden getoetst op beeldkwaliteit. Bebouwing wordt met de representatieve zijde naar de openbare ruimte gesitueerd. De woningen dienen een villa-achtige uitstraling te krijgen waarbij symmetrie in de voorgevel dient te worden vermeden.
56
Woningen De woningen worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak. Elke woning kent slechts één ontsluiting op de Molijnlaan of de Boterdijk. De afstand van een woning tot de zijdelingse perceelsgrens of –grenzen mag niet minder dan 3 meter bedragen. De hoofdmassa heeft een dakhelling tussen 45 en 60 graden. De woningen aan de Boterdijk hebben een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. De woningen aan de Molijnlaan hebben een maximale goothoogte van 8 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. De woningentree is met zorg vormgegeven en is duidelijk zichtbaar in de voorgevel aan de straatzijde. De gevels krijgen een verticale geleding met een voorkeur voor hoge, verticale, vensters. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen et cetera De goothoogte en bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen, en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet meer bedragen dan hierna is aangegeven: • aan- en uitbouwen: goothoogte 3 meter, bouwhoogte 5 meter; • bijgebouwen en overkappingen: goothoogte 3 meter, bouwhoogte 5 meter; • pergola’s: bouwhoogte 3 meter; • overig erf- en terreinafscheidingen en overige, andere bouwwerken, niet zijnde vlaggenmasten: bouwhoogte 2 meter. Bebouwingspercentages et cetera Van de bij een woning behorende gronden, niet meegerekend die binnen het bouwvlak, mag ten hoogste 50% worden bebouwd.
Onverminderd deze 50% regel mag de gezamenlijke oppervlakte van bij een woning behorende bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 60 m2 bedragen. De bijgebouwen worden, indien deze geen onderdeel vormen van de hoofdmassa, op afstand van de straat gesitueerd zodat het open karakter tussen de woningen versterkt wordt. De minimale afstand tot de voorgevel is 3 meter. Bijbehorende bouwwerken en aanbouwen dienen zorgvuldig op het kavel te worden gesitueerd binnen het bestemmingsvlak wonen. De minimale afstand tot de voorgevel is 3 meter.
57
Afbeelding 5.8:
Stedenbouwkundige structuur van de geplande vier vrijstaande woningen
Materiaal gebruik Er is een behoorlijke vrijheid in de keuze van kleur en materialisering mits passend bij de gekozen architectuur. Daarbij dient gestreefd te worden naar het behoud van de stedenbouwkundige kenmerken van het gebied zoals hiervoor beschreven. Materiaal gevels en daken past bij het beeld van de Molijnlaan. Materiaal gevels en daken passen consequent bij de gekozen architectuurstijl. Zoveel mogelijk gebruik van de natuurlijke kleur van materialen, ton-sur-ton, felle kleuren vermijden. Stucwerk mag slechts worden toegepast in combinatie met andere materialen. Detaillering - De gebouwen worden rijk gedetailleerd passend bij het afwerkingsniveau van de omliggende villa’s en afgestemd op de architectuur van de betreffende woning. Afwerking van het erf - Bij de erfinrichting wordt gestreefd naar het behoud van het groene karakter van het gebied zoals beschreven. - Erfafscheidingen bij voorkeur in natuurlijke materialen bijvoorbeeld een haag. - Erfafscheidingen aan de openbare weg, alsook tussen de weg en de voorgevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 0,80 meter.
58
Referentiebeelden voor de 4 geplande vrijstaande woningen In de Bijlage 18 bij deze Ruimtelijke onderbouwing “Beeldkwaliteitparagraaf. Vier woningen tussen Molijnlaan en Boterdijk” zijn referentiebeelden voor deze 4 woningen opgenomen. Het Beeldkwaliteitplan (BKP) dient als een wijziging van de Welstandsnota te worden vastgesteld door de gemeenteraad op grond van artikel 12a van de Woningwet.
Voor het Beeldkwaliteitsplan (Beeldkwaliteit paragraaf) wordt verwezen naar de Bijlage 18 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Vier woningen en een appartementengebouw tussen Molijnlaan en Boterdijk. Beeldkwaliteit paragraaf” (juni 2022).
5.11
Relatie van het Onderhavige Project met andere Plannen en Projecten
Het project heeft een relatie met een plan tot uitbreiding van de school die gevestigd is in de Veluvine. Om die reden werd een deel van het perceel F.A. Molijnlaan 172 (het noordelijke deel dat is gelegen tussen de Veluvine en het projectgebied F.A. Molijnlaan 166 – 172) door de gemeente gekocht en is het eigendom overgegaan naar de gemeente in 2019 met een akte van ruiling. De plannen voor de uitbreiding van de school worden nog verder uitgewerkt op het betreffende perceel tussen de Veluvine en het onderhavige plan F.A. Molijnlaan 166-172. De gemeente zal nadere afspraken maken met de school over de uitbreidingsplannen op het betreffende perceel.
5.12
Toetsing van het Plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Voorafgaand aan het opstellen van de woonvisie is een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd (zie Paragraaf 3.3.3). In dit onderzoek is gekeken naar zowel de kwantitatieve woonbehoefte als naar de kwalitatieve woonbehoefte. De kwantitatieve woonbehoefte is gebaseerd op de huishoudensontwikkeling van de gemeente Nunspeet. Een toename van het aantal huishoudens zorgt voor een toename van de woningvoorraad. Voor de periode 2020 -2025 is berekend dat een uitbreiding van onze woningvoorraad met circa 665 woningen nodig is. Deze uitbreiding zal zich vooral moeten richten op de groepen starters en senioren. Maar ook gezinnen blijven een stevige basis vormen in de gemeente Nunspeet. Dit zorgt ervoor dat de behoefte aan koop-eengezinswoningen in Nunspeet ook in de toekomst groot blijft. De voorgenomen woningbouwontwikkeling aan de F.A. Molijnlaan 166 -172 bestaande uit acht luxe appartementen en vier vrijstaande woningen is opgenomen in de plancapaciteit van de gemeente om in de verwachte woningbehoefte te kunnen voorzien. Voor de kwalitatieve woonbehoefte baseren wij ons op de uitkomsten van het landelijke woonbehoefteonderzoek (WoON 2018) waar de gemeente Nunspeet aan heeft deelgenomen. In dit onderzoek zijn de woonwensen meegenomen van de huishoudens in Nunspeet.
Deze woonwensen zijn verbonden met de verwachte huishoudprognose waardoor inzichtelijk gemaakt is wat kansrijke en minder kansrijke segmenten zijn op de woningmarkt in Nunspeet. De gemeente Nunspeet kenmerkt zich als een echte kopersmarkt, waarvoor geldt dat zowel voor de korte termijn als voor de lange termijn er behoefte bestaat aan woningen in alle koopprijssegmenten, en ook aan de acht appartementen in het
59
appartementengebouw en aan de vier vrijstaande woningen. Het plan voldoet derhalve aan de criteria van de “Ladder voor duurzame verstedelijking”. Het plan/project is getoetst aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking”. Uit deze toetsing blijkt dat het project wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Verder is aangetoond dat er behoefte bestaat aan de te bouwen acht appartementen (in het appartementengebouw) en aan de vier vrijstaande woningen.
60
HOOFDSTUK 6
6.1
OMGEVINGSASPECTEN
Algemeen
Een project kan gevolgen hebben voor het milieu, de natuur, de waterhuishouding en onder meer de externe veiligheid. Een goede ruimtelijke ordening vereist daarom dat er aandacht wordt besteed aan de diverse relevante milieuaspecten, die bij de ruimtelijke afwegingen een rol spelen. Het bestuursorgaan dient bij de voorbereiding van een project, waarvan met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan, te onderzoeken welke waarden er bij het plan / project in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan / project zijn voor deze waarden. Op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° van de Wabo en artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) juncto de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de gemeente verplicht om de resultaten van het onderzoek naar de milieuaspecten te beschrijven in een Ruimtelijke Onderbouwing die benodigd is voor de omgevingsvergunning. In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens de milieu- en omgevingsaspecten geluid(hinder), luchtkwaliteit, bodem, water, ecologie (flora & fauna), stikstofdepositie, externe veiligheid, duurzaamheid, en bezonning, aan de orde. Ook wordt ingegaan op het aspect bedrijven & milieuzonering, en op de milieueffectrapportage / m.e.r.-beoordeling.
6.2
Geluid(hinder)
6.2.1
Algemeen
Ten behoeve van het ruimtelijke ordeningsproject “F.A. Molijnlaan 166 – 172” is, omdat het de bouw van woningen (geluidgevoelige bestemmingen) inhoudt, een akoestisch onderzoek nodig. Dit onderzoek is uitgevoerd door het adviesbureau De Haan B.V. te Arnhem.
6.2.2
Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting van een weg, een spoorweg en een industrieterrein bij geluidsgevoelige functies. Geluidsgevoelige functies in het project zijn de geplande acht appartementen in het appartementengebouw en vier vrijstaande woningen. In zijn algemeenheid stelt de Wgh eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting indien de geluidgevoelige bestemming in de geluidszone van de bron is geprojecteerd. Naast geluidsbelasting vanwege wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen (binnen de bijbehorende geluidszones) kan er ook sprake zijn van specifiek geluid geproduceerd door bepaalde activiteiten (van bedrijven/inrichtingen). De grenswaarden voor de geluidsbelasting vanwege die activiteiten staan in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in etmaalperiodes en type geluidsbelasting. Ten aanzien van de grenswaarden voor piekgeluid is geen sprake van hogere waarden c.q. ontheffingen zoals in de Wet geluidhinder (Wgh). De grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel toegepast bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten.
61
Hieronder wordt in het kader de van belang zijnde wet- en regelgeving met betrekking tot de Geluid(hinder) weergegeven Geluidgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder (Wgh) geeft aan dat de geluidsbelasting dient te worden getoetst ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige bestemmingen. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, scholen, gezondheidszorggebouwen en kinderdagverblijven. Kantoren, hotels en horecagebouwen zijn volgens de wet in principe niet geluidgevoelig. Bij dit project bestaan de geluidgevoelige bestemmingen uit een appartementengebouw met acht appartementen (F.A. Molijnlaan 166) en uit vier vrijstaande woningen (F.A. Molijnlaan 172/Boterdijk). Begrip gevel Ten behoeve van de stedenbouwkundige wens om op geluidbelaste locaties toch woningbouw te kunnen realiseren is op 9 november 1998 de definitie van het begrip "gevel" bij wet gewijzigd. De wijziging is opgenomen in Staatsblad 660 van 1998. De wijziging houdt in dat de bestaande definitie "de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak", is aangevuld met "met uitzondering van: a.
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering, die tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede; b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.” Het bovenstaande betekent dat, indien een geveldeel zonder te openen delen voldoende geluidwering heeft, dit geveldeel niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Een dergelijke gevel wordt “dove gevel” genoemd. Een gevel is een bouwkundige constructie die een ruimte scheidt van de buitenlucht. Een gevel, die is uitgevoerd als een constructie met lichtopeningen die niet geopend kunnen worden en zonder ventilatievoorzieningen, en een voldoende karakteristieke geluidwering heeft, behoeft bij de beoordeling in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) niet te worden betrokken. Deze constructie is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) “geen gevel”. Bij een dergelijke gevel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een: - blinde gevel: gevel zonder ramen en deuren. - dove gevel: gevel zonder ramen die kunnen worden geopend. - vliesgevel: gevel die bouwkundig is verbonden met een geluidsscherm. - geluidswalgevel: geluidswalzijde van een geluidswalwoning.
Maximale binnenwaarde In geval van ontheffing stelt het Bouwbesluit eisen aan de maximale binnenwaarde. Deze waarde mag in beginsel ten hoogste 33 dB bedragen. Voor het bepalen van het benodigde geluidsisolerend vermogen van de gevel geldt de hoogste te verlenen hogere waarde, zonder eventuele correctie volgens artikel 110g Wet geluidhinder. Wegverkeer In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt voor het wegverkeer bepaald dat alle wegen zones hebben waarbinnen niet zondermeer nieuwe geluidgevoelige bebouwing mag worden opgericht. Artikel 74 van de wet bepaalt dat zich langs wegen de volgende zones bevinden die aan weerszijden van die weg de volgende breedtes hebben: in stedelijk gebied: - voor een weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken: 200 meter; - voor een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken: 350 meter. in het buitenstedelijk gebied: - voor een weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken: 250 meter; - voor een weg bestaande uit 3 of 4 rijstroken: 400 meter; - voor een weg bestaande uit 5 of meer rijstroken: 600 meter. Deze zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km per uur.
Krachtens artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) is het college van Burgemeester en Wethouders verplicht om onder andere bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo, dat voorziet in de bouw van woningen of andere geluidgevoelige bebouwing in een zone als hiervoor bedoeld, een onderzoek in te stellen naar de geluidsbelasting die deze woningen (of andere geluidgevoelige bebouwing) zouden ondervinden van het verkeer op die weg. Uitgangspunt in dezen is dat de geluidsbelasting de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet te boven gaat. De voorkeursgrenswaarde voor de gevelbelasting van geluidgevoelige bestemmingen bedraagt 48 dB (artikel 82 Wgh). De ten hoogste toelaatbare gevelbelasting met ontheffing voor nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen bedraagt in buitenstedelijk gebied 53 dB (artikel 83, lid 1 Wgh) en in binnenstedelijk gebied 63 dB (artikel 83, lid 2 Wgh). Daarboven is
62
bouwen alleen mogelijk als: - dove gevels worden toegepast; - eventuele afschermende gevelelementen worden toegepast die het geluid terugbrengen tot deze maximaal te ontheffen waarde. Correctie op berekende geluidsniveaus Volgens artikel 110g Wet geluidhinder (Wgh) wordt een aftrek toegepast. Er wordt verwacht dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst zal afnemen door technische ontwikkelingen en aanscherping van type-keuringen. Daarom mag een aftrek worden gehanteerd op de berekende geluidsbelastingen alvorens dat deze aan de wettelijke grenswaarden worden getoetst (artikel 110g Wgh). Op 20 mei 2014 zijn de rekenregels voor de aftrek aangepast voor geluidsbelastingen vanwege het wegverkeer boven 55 dB. Spoorwegverkeer De Wet Geluidhinder (Wgh) geeft voor railverkeerslawaai een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB voor de geluidsbelasting van nieuw te bouwen woningen. In beginsel mag de geluidsbelasting niet hoger zijn dan deze waarde. Indien de geluidsbelasting toch hoger is, kan nieuwbouw pas mogelijk worden gemaakt nadat het bevoegd gezag hiervoor een zogenoemde “hogere waarde” (ontheffing) heeft verleend. Voor het railverkeer geldt een maximale te ontheffen waarde van 68 dB.
6.2.3
Voorkeursgrenswaarden en de Hogere grenswaarden (maximale ontheffingswaarden)
Zoals hierboven verwoord, bevat de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting van een weg, spoorweg en industrieterrein bij geluidsgevoelige bestemmingen. Geluidsgevoelige functies in het plan zijn acht appartementen in het te bouwen appartementengebouw (F.A. Molijnlaan 166) en vier vrijstaande woningen (F.A. Molijnlaan 172/Boterdijk). In zijn algemeenheid stelt de Wgh eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting indien de geluidsgevoelige bestemming in de geluidszone van de bron is geprojecteerd. Daarnaast bevat de wet een bandbreedte waartussen hogere waarden nodig zijn. De bandbreedte wordt voor wat betreft wegverkeer (bij nieuwe woningen) begrensd door de onderstaande waarden, zie Tabel 6.A. Tabel 6.A
Grenswaarden geluidsbelasting nieuwe woningen
Geluidsbron
Voorkeursgrenswaarde
Maximale ontheffingswaarde
wegverkeer in binnenstedelijk gebied wegverkeer in buitenstedelijk gebied
48 dB 48 dB
63 dB 53 dB
Een waarde boven de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarden aanvaardbaar. Een hogere geluidsbelasting op de gevel dan de maximale ontheffingswaarde is slechts mogelijk als deze gevel ‘doof’ wordt uitgevoerd of wordt afgeschermd van het geluid van de bron (vliesgevel). Indien de geluidsbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde, dan kan ontheffing (hogere waarde) worden aangevraagd. Naast geluidsbelasting vanwege wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen (binnen de bijbehorende geluidszones) kan er ook sprake zijn van specifiek geluid geproduceerd door bepaalde activiteiten (van bedrijven/inrichtingen). De grenswaarden voor de geluidsbelasting vanwege die activiteiten staan in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in etmaalperiodes en type geluidsbelasting. Ten aanzien van de grenswaarden voor piekgeluid is geen sprake van hogere waarden c.q. ontheffingen zoals in de Wet geluidhinder. De grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening toegepast bij de realisatie van nieuwe woningen.
63
6.2.4
Uitgangspunten akoestisch onderzoek
Het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. Met het akoestisch onderzoek wordt onder meer inzicht gegeven in het aantal woningen met geluidsbelasting(en) boven de grenswaarden en in het aantal benodigde hogere waarden. Dit, ten behoeve van het te bouwen appartementengebouw (acht appartementen) en ten behoeve van de vier vrijstaande woningen. Het resultaat van dit onderzoek is te vinden in het rapport "Onderzoeken (akoestisch onderzoek, luchtkwaliteit, bedrijven & milieuzonering) F.A. Molijnlaan, Nunspeet, van Adviesbureau de Haan B.V. (AH.2020.0787.00.R001) d.d. 7 januari 2022. De bevindingen en conclusies van het akoestisch onderzoek worden hieronder besproken.
6.2.5
Wegverkeerslawaai
In het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. is de invloed van de wegen in de omgeving van het plan inzichtelijk gemaakt. De verkeersgegevens voor de wegen zijn aangeleverd door de gemeente Nunspeet (verkeersmodel, prognose 2030). Voor het peiljaar 2032 zijn de gegevens van 2030 opgehoogd met een autonome groei van 1,5% per jaar. In het verkeersmodel was geen verdeling van het verkeer opgenomen. Hiervoor is de standaardverdeling uit het geluidbeleid gehanteerd, zie de tabel 2 in het onderzoeksrapport (blz. 11). Wegdektypen en rijsnelheid De beide van toepassing zijnde wegen, de F.A. Molijnlaan en de Boterdijk zijn voorzien van dicht asfaltbeton. De F.A. Molijnlaan heeft een rijsnelheid van maximaal 50 km/uur. De Boterdijk heeft een rijsnelheid van maximaal 30 km/uur. Verkeersaantrekkende werking De verkeersaantrekkende werking is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. In de berekening hiervoor is door Adviesbureau De Haan B.V. uitgegaan van het kengetal voor de verkeersgeneratie van een “koop appartement duur” in de rest van de bebouwde kom van een matig stedelijk gebied. Per appartementen ontstaan 7,5 vervoersbewegingen per dag. Bij de 8 appartementen ontstaan dan 60 vervoersbewegingen. Voor de woningen is uitgegaan van “koop, huis, vrijstaand” in rest van de bebouwde kom van een matig stedelijk gebied.
Per woning ontstaan 8,6 vervoersbewegingen per dag. Voor 4 woningen ontstaan dan 34 vervoersbewegingen. Totaal is er dus sprake van 94 vervoerbewegingen per etmaal. De appartementen en twee kavels worden ontsloten via de F.A. Molijnlaan. De andere twee kavels worden ontsloten op de Boterdijk. De verkeersintensiteiten van de wegen rondom het plan zijn dermate hoog, dat deze verandering geen relevante invloed heeft op de geluidsbelasting. De invloed van de verkeersaantrekkende werking van het plan is door Adviesbureau De Haan B.V. daarom in het akoestisch onderzoek buiten beschouwing gelaten. In de onderstaande tabel, tabel 6.B zijn de belangrijkste verkeersgegevens weergegeven. Zie tabel 3: verkeersgegevens 2032 (weekdaggemiddelden). Zie ook bijlage 2 bij het onderzoeksrapport.
64
Tabel 6.B Wegvak F.A. Molijnlaan Boterdijk
Verkeersgegevens Etmaal-intensiteit [mvt/etm] 8.345 618
Wegdek Dicht asfalt beton (DAB) Dicht asfalt beton (DAB)0000
Maximale snelheid 50 km/uur 30 km/uur
Appartementen in het te bouwen appartementengebouw Uit het akoestisch onderzoek volgt dat op de westgevel van de appartementen de geluidsbelasting hoogstens 54 dB inclusief aftrek is. Hiermee is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB, maar wel wordt er voldaan aan de grenswaarde van 63 dB. De figuren op de bladzijden 15, 16 en 17 van het onderzoeksrapport tonen aan dat bij zes appartementen e geluidsbelasting hoger is dan 48 dB. Voor deze woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd. De Boterdijk is een 30 km/uur weg. Formeel hoeft deze niet aan de Wet geluidhinder (Wgh) getoetst te worden. Wanneer de waarden vergeleken worden met de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder (Wgh), dan volgt dat de geluidsbelasting op de appartementen onder de voorkeurswaarde is. Vrijstaande woningen Zoals uit de onderstaande Afbeelding 6.1. blijkt is op de westgevel van de woningen 1 en 2 de geluidsbelasting hoogstens 57 dB inclusief aftrek. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de maximale ontheffingswaarden niet. Een hogere waarde is nodig. Op de woning 3 en 4 aan de oostzijde, voldoet de geluidsbelasting van de F.A. Molijnlaan aan de voorkeurswaarde. De Boterdijk is een 30 km/uur weg, formeel behoeft deze weg niet aan de Wet geluidhinder (Wgh) te worden getoetst.
Wanneer de waarden worden vergeleken met de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder (Wgh) dan volgt dat de geluidsbelasting op alle vier de woningen onder de voorkeurswaarde is.
Afbeelding 6.1
65
De nieuw geprojecteerde woningen en het wegverkeerslawaai vanwege de Molijnlaan.
6.2.6
Cumulatieve geluidsbelasting
Volgens het akoestisch onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. d.d. 7 januari 2022, Paragraaf 4.4. (blz. 21) voldoet de geluidsbelasting van de Boterdijk op alle woningen aan de voorkeurswaarde. Hiermee is volgens het rapport op de woningen dus geen sprake van “cumulatie” zoals omschreven in Hoofdstuk 2, bijlage 1 van het Reken en Meetvoorschrift geluid. In de figuren 14, 15, en 16 op blz. 21, 22, en 23, van het onderzoeksrapport is de optelling van de geluidsbelastingen weergegeven. De hoogste geluidsbelastingen worden op de westgevels van de woningen 1 en 2 (62 dB exclusief aftrek) en de appartementen berekend (59 dB exclusief aftrek). 6.2.7
Conclusies
Uit het akoestische onderzoek blijkt, dat er Hogere grenswaarden noodzakelijk zijn voor de realisatie van het plangebied aan de Molijnlaan 166-172. In het kader van dit project is onderzoek gedaan naar de verwachte geluidbelasting vanwege de F.A. Molijnlaan. Daaruit blijkt dat niet aan de wettelijke grenswaarde kan worden voldaan vanwege de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai vanwege de F.A. Molijnlaan. De grenswaarde is 48 dB voor wegverkeerslawaai. De berekende geluidbelasting, na aftrek van 5 dB op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder (WGH), bedraagt vanwege de genoemde weg, de waarden zoals in onderstaande Tabel 6.C zijn weergegeven. Tabel 6.C Woning A1 A2 A3 A4 A5 A6 W1 W2
Vast te stellen Hogere Grenswaarden F.A. Molijnlaan Vast te stellen HGW 52 dB 52 dB 54 dB 54 dB 54 dB 54 dB 57 dB 56 dB
Om mee te kunnen werken aan het bouwplan voor een appartementengebouw aan de F.A. Molijnlaan 166 en vier vrijstaande woningen op het perceel F.A. Molijnlaan 172, is het noodzakelijk dat er Hogere grenswaarden worden vastgesteld. Deze Hogere grenswaarden zijn opgenomen in Tabel 6.C. Zie voor het vast te stellen besluit om de Hogere grenswaarden vast te stellen, Bijlage 24 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Om mee te kunnen werken aan het bouwplan voor een appartementengebouw aan de F.A. Molijnlaan 166 en vier vrijstaande woningen op het perceel F.A. Molijnlaan 172 zijn er Hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. Zie voor het vast te stellen besluit om de Hogere grenswaarden vast te stellen, Bijlage 24 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
Voor het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. “Onderzoeken F.A. Molijnlaan, Nunspeet (AH 2020.0787.00.R001) definitief”, d.d. 7 januari 2022, wordt verwezen naar Bijlage 10 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
66
Voor het ontwerp-besluit vaststelling Hogere grenswaarden Wet Geluidhinder (Wgh) wordt verwezen naar Bijlage 24 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
67
6.3
Luchtkwaliteit
6.3.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Het belangrijkste wettelijke kader in verband met de luchtkwaliteit is de Wet luchtkwaliteit die is opgenomen in de Wet milieubeheer. Daarnaast zijn enkele Algemene Maatregelen van Bestuur van belang, namelijk het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en verder het “Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)”. Als nationaal beleid is in 2009 het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet en vastgelegd. Dit Nationaal Samenwerkingsprogramma had een looptijd van 5 jaar tot 1 augustus 2014. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is verlengd tot 1 januari 2017. Dit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgesteld om (in de toekomst) aan de normen van de Europese Unie met betrekking tot luchtkwaliteit te kunnen voldoen en om in de tussentijd wel projecten te kunnen realiseren. Met het NSL wordt de luchtkwaliteit gemonitord en wordt er voor gezorgd dat de luchtkwaliteit niet substantieel verslechtert als gevolg van een ruimtelijke- en/of infrastructurele ontwikkeling. Het onderhavige project is niet opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het project zal moeten voldoen aan één of meerdere van de andere luchtkwaliteitseisen die zijn vastgesteld bij de invoering van het NSL en die in de Wet luchtkwaliteit (wijziging van de Wet milieubeheer) zijn opgenomen. De luchtkwaliteitseisen zijn nu opgenomen in Hoofdstuk 5, Titel 5.2, van de Wet milieubeheer.
Hieronder wordt in het kader de van belang zijnde wet- en regelgeving met betrekking tot de Luchtkwaliteit weergegeven Wet luchtkwaliteit (Hoofdstuk 5, Titel 5.2, van de Wet Milieubeheer) De Europese richtlijn inzake beoordeling van en beheer van luchtkwaliteit, de Kaderrichtlijn uit 1996 (96/62/EG), gaf de juridische basis voor het gemeenschappelijk luchtkwaliteitsbeleid in Europa. De implementatie van deze Europese Kaderrichtlijn (en de daarop gebaseerde dochterrichtlijnen met luchtkwaliteitsnormen) is in Nederland geregeld in de Wet luchtkwaliteit, die daarna werd opgenomen in Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Op 11 juni 2008 is de (op dat moment nieuwe) Europese Richtlijn betreffende luchtkwaliteit en schone lucht voor Europa (nr. 2008/50EG van 20 mei 2008) gepubliceerd. Op 26 oktober 2022heeft de Europese Commissie het voorstel gepubliceerd voor de nieuwe Richtlijn luchtkwaliteit.6 Specifieke onderdelen van de Wet luchtkwaliteit zijn uitgewerkt in AMvB’s en in Ministeriële Regelingen. Bestuursorganen (Rijk, provincies en gemeenten) moeten als gevolg van de Wet luchtkwaliteit bij de uitoefening van hun bevoegdheden, die gevolgen voor de luchtkwaliteit kunnen hebben, de in de wet vastgestelde grenswaarden in acht nemen voor de volgende stoffen: • zwaveldioxide; • stikstofdioxide (NO2); • stikstofoxiden; • zwevende deeltjes (PM10); • lood; • koolmonoxide; • benzeen.
Uit het bepaalde in de Wet luchtkwaliteit kan worden opgemaakt dat onder andere het vaststellen van een Ruimtelijke
6 Het meest opvallende in het voorstel is de aanscherping van de grenswaarden voor de meest luchtvervuilende stoffen. Zo moeten
uiterlijk in 2030 de jaargemiddelde concentraties PM2.5 en PM10 gedaald zijn naar respectievelijk 10 en 20 цg/m3. Dit is nu 25 e 40 цg/m3. Voor NO2 wordt de nieuwe waarde 20 цg/m3. Dit was 40 цg/m3. In 2050 moeten volgens de Commissie dan de advieswaarden zelf behaald zijn, in lijn met de visie “Zero Pollution” die de EU heeft geformuleerd. De Commissie stelt voor om de twee bestaande richtlijnen uit 2004 en 2008 samen te voegen. Met de aanscherpingen worden de Europese luchtkwaliteitseisen meer in lijn gebracht met de nieuwe advieswaarden die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vorig jaar in september heeft gepubliceerd.
68
Onderbouwing op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo tot de hiervoor genoemde “uitoefening van hun bevoegdheden’’ behoort. Bij het nemen van een besluit over de omgevingsvergunning(en) volgens het bovengenoemde artikel van de Wabo zal primair gekeken moeten worden naar de grenswaarden (kwaliteitsnormen) van stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) aangezien op bepaalde plaatsen in Nederland de voor deze stoffen geldende normen worden overschreden. Op basis van het Nationaal Luchtkwaliteitplan 2005 kan worden geconcludeerd dat in Nederland momenteel slechts in uitzonderingssituaties overschrijdingen van de grenswaarden voorkomen van de andere in de wet genoemde stoffen. De wet vermeldt bij de verschillende grenswaarden een tijdstip waarop de luchtkwaliteit uiterlijk aan deze grenswaarden moet voldoen. Voor stikstofdioxide (NO2) en voor zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) gelden voor Nederland de in de wet gestelde grenswaarden (zie verder hieronder). Op grond van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) en het voordien geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 ontstane jurisprudentie, dienen in principe de consequenties van nieuwe ontwikkelingen voor de luchtkwaliteit te worden onderzocht. Voor wat betreft deze nieuwe ontwikkelingen kan onderscheid worden gemaakt in: • de consequenties van de aanwezige en nieuwe bedrijvigheid.
• de consequenties van toenemend wegverkeer. • de consequenties van het situeren van zogenaamde gevoelige bestemmingen (zoals woningen en scholen) in de omgeving van deze bedrijven en wegen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de "Wet luchtkwaliteit" geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: • er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde. • een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtverontreiniging. • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Grenswaarden Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2 Wet milieubeheer) In de Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2 Wet milieubeheer, Bijlage II) zijn normen (grenswaarden en plandrempels) vastgesteld voor onder andere de concentraties zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (fijnstof, PM10 en PM2,5), lood (Pb), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6) en ozon (O3) in de lucht. Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Milieu en Natuur Planbureau blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan.
Uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide De grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is 200 µg/m3. Deze grenswaarde mag maximaal 18 maal per jaar worden overschreden. Met behulp van de formules in bijlage 2, hoofdstuk 3, onder e, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is geconcludeerd, dat pas bij een jaargemiddelde concentratie van 82 µg/m 3 er meer dan 18 uuroverschrijdingen per jaar van de grenswaarde van 200 µg/m3 plaatsvinden. Etmaalgemiddelde concentratie fijnstof De grenswaarde voor de etmaalgemiddelde concentratie PM10 is 50 µg/m3. Deze grenswaarde mag maximaal 35 maal per jaar worden overschreden. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit De Wet Luchtkwaliteit vormt het kader voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In dit programma worden projecten die "in betekenende mate" (IBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit gebundeld. Tevens wordt een groot aantal maatregelen gepresenteerd. De verslechtering van de luchtkwaliteit, die veroorzaakt wordt door de realisatie van de projecten, moet binnen het NSL worden gecompenseerd door de inzet van maatregelen. (Op 5 juni 2016 is de NSL verlengd tot en met 31 december 2016). Door maatregelen in te zetten om projecten mogelijk te maken, wordt op een grote schaal gesaldeerd en gesaneerd, waarbij de maatregelen de verslechtering van de projecten (meer dan) teniet moeten doen.
AMvB Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) [Besluit NIBM] en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) [Regeling NIBM] In het Besluit “Niet in betekenende mate” (NIBM) is een algemene grens van 3% opgenomen ter bepaling of een project al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen grenswaarde. Deze grens geldt nadat het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit van kracht is geworden. (Tot die tijd gold een tijdelijke 1% grens). In het Besluit NIBM is vastgelegd dat het gaat om 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide of fijn stof. Daarnaast is in het Besluit NIBM een grondslag opgenomen om bij Ministeriële Regeling categorieën van gevallen aan te wijzen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen. Een project dat volledig binnen een aldus aangewezen categorie of combinatie van categorieën valt, beneden de daarvoor eventueel gestelde nadere begrenzing blijft en beschikt over eventuele daarbij genoemde voorzieningen of maatregelen, draagt in ieder geval niet in betekenende mate bij aan de concentraties in de buitenlucht
69
van de hiervoor bedoelde stoffen. Als toelichting op het begrip "niet in betekenende mate" is de "Handreiking niet in betekenende mate (NIBM) luchtkwaliteit" opgesteld. Deze handreiking heeft geen formeel juridische status, maar kan in voorkomende gevallen wel houvast bieden bij het bepalen of een project NIBM is, zodat besluiten goed kunnen worden onderbouwd. AMvB Besluit Gevoelige Bestemmingen In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dat bij de voorgenomen realisering van “gevoelige bestemmingen”, zoals scholen, kinderdagverblijven en verzorgingshuizen op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM 10 en/of NO2. Indien uit het onderzoek blijkt, dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat behoort bij een "gevoelige bestemming" niet toenemen. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van "niet in betekenende mate" projecten of "in betekenende mate" projecten. De AMvB Gevoelige Bestemmingen moet in beide gevallen worden nageleefd.
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl2007) bevat voorschriften over metingen en berekeningen om de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen vast te stellen. De regeling vereist ook een plan met maatregelen om een goede luchtkwaliteit te bewerkstelligen in geval van overschrijding.
6.3.2
Verricht onderzoek Luchtkwaliteit
Door het Adviesbureau De Haan B.V. is onderzoek verricht naar de Luchtkwaliteit. De invloed op de luchtkwaliteit is bepaald op basis van de toename van het verkeer. Voor het onderzoek is er geen correctie voor de huidige bestemmingen toegepast. Dit is voor de berekening van de luchtkwaliteit de worst-case situatie. In totaal worden 4 woningen en 8 appartementen gerealiseerd. Zoals uit het onderzoeksrapport blijkt genereert het plan maximaal 94 vervoerbewegingen per etmaal (zie ook het rapport “Verkeerskundig Onderzoek. Huishoudschool Nunspeet” van Adviesbureau Bonotraffics (20.0172) d.d. 8 maart 2021, zie bijlage 17 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing). Resultaten In het plangebied is de concentratie voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op verschillende punten bepaald. De hoogst berekende concentratie is voor NO2 12,4 цg / m3. Voor PM10 16,4 цg/m3 en voor PM2,5 10,4 цg/m3. Hiermee voldoen de berekende concentraties ruimschoots aan de jaargemiddelde grenswaarden van 40 цg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 цg/m3 voor PM2,5. Ook worden de daggemiddelde en uurgemiddelde normen niet overschreden. 6.3.3
Conclusie m.b.t. de Luchtkwaliteit
In het plangebied is de concentratie voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op verschillende punten bepaald. De hoogst berekende concentratie is voor NO2 12,4 цg / m3. Voor PM10 16,4 цg/m3 en voor PM2,5 10,4 цg/m3. Hiermee voldoen de berekende concentraties ruimschoots aan de jaargemiddelde grenswaarden van 40 цg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 цg/m3 voor PM2,5. Ook worden de daggemiddelde en uurgemiddelde normen niet overschreden. Niet in betekenende mate (NIBM) In het onderzoeksrapport is de luchtkwaliteit ook beoordeeld op basis van het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) en op basis van de Regeling niet in betekenende mate (NIBM). Vanwege het plan zijn, naast de voertuigbewegingen van het wegverkeer, geen bronnen actief (installaties of werktuigen) die luchtverontreinigende stoffen uitstoten.
70
Afbeelding 6.2:
Resultaten NIBM berekening volgens figuur 17 van het onderzoeksrapport van Adviesbureau De Haan B.V. (blz. 24 van het rapport).
Voor het rapport van Adviesbureau De Haan B.V. “Onderzoeken F.A. Molijnlaan, Nunspeet” (AH.2020.0787.00.R001), versie 003, definitief, d.d. 7 januari 2022, zie Bijlage 10 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
71
6.4
Bedrijven & Milieuzonering
Onderzoek naar de aspecten met betrekking tot Bedrijven & Milieuzonering is verricht door het Adviesbureau De Haan B.V. te Arnhem. Hierbij is, zoals gebruikelijk, gebruik gemaakt van de VNG publicatie “Bedrijven en Milieuzonering’. De genoemde VNG-publicatie maakt voor de beoordeling een onderscheid tussen een rustige woonwijk / rustig buitengebied of een gemengd gebied. In het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V. is uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied”, omdat in de omgeving sprake is van functiemenging van woningen en bedrijven, en er is sprake van wegen met een hoge verkeersintensiteit. In de onderstaande Tabel 6.D is een overzicht gegeven van richtafstanden en de categorieën voor functiemenging van de geluidsbelastende bestemmingen rond het plangebied. Aan de zuid-westzijde is op het adres F.A. Molijnlaan 131-133 de bestemming “dienstverlening” aanwezig. Voor “Overige zakelijke dienstverlening: kantoren” is de richtafstand in gemengd gebied 0 meter. Aan de Noordzijde ligt de Veluvine, een culturele instelling, met een middelbare school. Voor een school voor basis- en algemeen voorgezet onderwijs is de richtafstand 10 meter voor een gemengd gebied. Tabel 6.D
Richtafstanden en functiemenging functies
Bedrijf / Instelling Veluvine F.A. Molijnlaan 131 - 133
Functie School (voortgezet onderwijs) Overige zakelijke dienstverlening: kantoren
Richtafstand gemengd gebied 10 meter 0 meter
Voor het rapport van het onderzoek van Adviesbureau De Haan B.V. “Onderzoeken F.A. Molijnlaan, Nunspeet (AH.2020.0787.00.R001) definitief, d.d. 7 januari 2022, wordt verwezen naar Bijlage 10 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Conclusies die volgen uit het onderzoek Aan de zuid-westzijde is op het adres F.A. Molijnlaan 131-133 de bestemming “dienstverlening” aanwezig. Voor “Overige zakelijke dienstverlening: kantoren” is de richtafstand in gemengd gebied 0 meter. De afstand tussen de rand van het plangebied en dit perceel is circa 20 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de noordzijde ligt de Veluvine, een culturele instelling met een middelbare school. Voor een school voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs is de richtafstand 10 meter voor gemengd gebied. De afstand tussen het plangebied en de bestaande school is 30 meter. Voor de bestaande school wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Voor het tussenliggende gebied, tussen de Veluvine en het plangebied F.A. Molijnlaan 166-172 zijn plannen in voorbereiding voor de uitbreiding van de school die in de Veluvine is gevestigd. De gemeente is in principe bereid om aan de uitbreiding van de school op deze locatie – tussen de Veluvine en het plangebied F.A. Molijnlaan 166-172 – mee te werken.
De conclusie luidt, dat het aspect “Bedrijven en Milieuzonering” geen belemmeringen oplevert voor de realisering van het project F.A. Molijnlaan 166 - 172.
Het aspect “Bedrijven en milieuzonering” levert geen belemmeringen op voor de realisering van het project F.A. Molijnlaan 166 – 172. Voor het rapport van Adviesbureau De Haan B.V. “Onderzoeken F.A. Molijnlaan, Nunspeet” (AH.2020.0787.00.R001), versie 003, definitief, d.d. 7 januari 2022, zie Bijlage 10 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing.
72
6.5
Bodem
6.5.1
Algemeen
Bij een Ruimtelijke Onderbouwing voor een Omgevingsvergunning ex artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo juncto artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) moet onderzoek worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het plan-/projectgebied. De reden hiervoor is dat het project op een vanuit milieuoogpunt zorgvuldige manier dient te worden uitgevoerd. Ook is hierbij van belang om aan te tonen dat het project economisch uitvoerbaar is voor wat betreft eventuele kosten in verband met de bodemkwaliteit. Bodemonderzoeken kunnen in verschillende gradaties plaatsvinden. Naast de uitvoering van een historisch onderzoek, kan het noodzakelijk zijn een verkennend, of – indien de onderzoeksresultaten daartoe aanleiding geven – aanvullend bodemonderzoek te laten verrichten in het kader van de voorbereiding van een project. Zo nodig moet er een saneringsplan worden opgesteld. In het kader van de ontwikkeling van het project Molijnlaan 166-172 is een recent onderzoek naar de bodem verricht door het onderzoeksbureau PJ Milieu B.V. Dit heeft geresulteerd in het rapport “Verkennend Bodem- en Asbest in Puinonderzoek. F.A. Molijnlaan 166-172 Nunspeet door PJ Milieu B.V. (kenmerk PJ Milieu B.V. : 20046301A) d.d. 27 juli 2020.
6.5.2
Resultaten bodemonderzoek
Uit het bodemonderzoek, zoals is verricht door PJ Milieu B.V. blijkt dat op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd, dat ten aan aanzien van aspect de onderzoekslocatie verdacht is. De opzet van het verrichte bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5740 en het asbest in puinonderzoek op de NEN 5897. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” voor het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. In de bovengrond is “kwik licht verhoogd” aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt echter niet noodzakelijk geacht. In de conclusies wordt opgemerkt dat er, met uitzondering van het puinpad, zintuigelijk geen bijmengingen zijn aangetroffen. Daarom is geen asbest in grondonderzoek uitgevoerd. De hypothese “verdachte locatie” voor het verkennend asbest in puinonderzoek houdt geen stand. In het mengmonster (MM-A) van de gaten 25 t/m 29 is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Er wordt in de conclusies wel opgemerkt dat er geen gericht onderzoek ter plaatse van de afgevulde/verwijderde ondergrondse tanks heeft plaatsgevonden, aangezien de locaties niet te achterhalen zijn. De algehele conclusies luidt, dat de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de aanvraag omgevingsvergunning.
Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in puinonderzoek te adviseren.
73
Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer vangrond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden.
6.5.3
Conclusies
Het rapport “Verkennend Bodem- en Asbest in Puinonderzoek. F.A. Molijnlaan 166-172 Nunspeet van PJ. Milieu B.V. (kenmerk 20046301A) d.d. 27 juli 2020 is door de gemeente beoordeeld. Zoals de resultaten aangeven is er in dit onderzoek slechts licht verhoogd kwik in de bovengrond aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde waarden aangetroffen. Er is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest in de puinverharding aangetroffen. Het grondwater is in overleg in dit onderzoek niet onderzocht. Uit resultaten van voorgaande onderzoeken blijkt dat er verhoogde waarden met zware metalen aangetroffen zijn waardoor er een gebruiksbeperking (niet gebruiken voor consumptie) voor het ondiepe grondwater geldt, zoals dit gebruikelijk is voor vrijwel geheel Nunspeet. Bij afvoer van grond zal nog een aanvullend onderzoek, AP04 nodig zijn voor het vaststellen van het PFAS gehalte, tenzij ondertussen de Bodemkwaliteitskaart geactualiseerd is voor PFAS. Ook kan de aanwezigheid van de ondergrondse tanks nog voor meerkosten zorgen omdat deze door een gecertificeerd bedrijf verwijderd en verwerkt moeten worden. Dit staat echter de haalbaarheid van het plan niet in de weg. Dit onderzoek samen met de voorgaande bodemonderzoeken is voldoende voor het wijzigen van de bestemming en het aanvragen van een bouwvergunning (omgevingsvergunning .voor de activiteit bouwen).
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de bodemaspecten geen belemmeringen opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling en de voorgenomen bouw van de acht appartementen en van de vier vrijstaande woningen.
De onderzoeksresultaten van het verrichte bodemonderzoek dat voor dit project F.A. Molijnlaan 166 – 172 is verricht, geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in puinonderzoek te adviseren.
Voor het rapport “Verkennend Bodem- en Asbest in Puinonderzoek. F.A. Molijnlaan 166-172 Nunspeet”, PJ Milieu B.V. (kenmerk 20046301A) d.d. 27 juli 2020 wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing. Daarnaast zijn de volgende oudere bodem-onderzoeksrapporten van belang. Met deze oudere bodemonderzoeken is rekening gehouden in het onderzoek van PJ Milieu B.V. van 27 juli 2020. Dit zijn de volgende Bijlagen (Bijlage 3 tot en met de Bijlagen 3 t/m Bijlage 9):
74
Bijlage 3 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Actualiserend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek F.A. Molijnlaan 172 te Nunspeet”, TAUW (projectnummer 1269088) d.d. 22 februari 2019. Bijlage 4 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Verkennend Bodemonderzoek F.A. Molijnlaan 166Nunspeet”, PJ Milieu B.V. (Kenmerk 1341601A) d.d. 13 augustus 2013. Bijlage 5 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Verkennend Bodemonderzoek F.A. Molijnlaan 172 te Nunspeet”, Tauw (Projectnummer 4524398) d.d. 5 juni 2007. Bijlage 6 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Nader bodemonderzoek F.A. Molijnlaan 172 te Nunspeet”, Gelders Adviesbureau Infrastructuur Milieu B.V. d.d. 4 april 1996. Bijlage 7 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Rapport verkennend Milieukundig Bodemonderzoek”, Centraal Bodemkundig Bureau d.d. november 1994. Bijlage 8 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Oriënterend bodemonderzoek Molijnlaan 166 te Nunspeet, DHV (dossier G 4751-01-001) d.d. maart 1993. Bijlage 9 bij deze Ruimtelijke Onderbouwing: “Onderzoek naar mogelijke bodemverontreiniging van het terrein Molijnlaan 172 te Nunspeet, waarop een kantoor met opslagloods”, DHV (dossier D 0685-76-002) d.d. oktober 1989.
75
6.6
Waterparagraaf
6.6.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 7 schrijft voor dat de waterhuishouding in kaart moet worden gebracht voor ruimtelijke plannen. Daarom dient een watertoets te worden verricht. Bij de beoordeling van de watertoets door de verantwoordelijke instantie, het Waterschap, wordt onder meer rekening gehouden met Wet- en regelgeving en Beleid i.v.m. Wateraspecten volgens onderstaande kaders.
Wet en regelgeving Overzicht Wet- en regelgeving i.v.m. Wateraspecten Europa De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (van kracht vanaf 22 december 2000) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (waaronder het herstel van verbindingen tussen infiltratie- en kwelgebieden). De KRW verwoordt het streven om emissie naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Rijk Waterwet De acht bestaande wetten op watergebied, waaronder de Wet Gemeentelijke Watertaken, zijn vervangen door de Waterwet. Deze Waterwet is inclusief de invoeringsregeling en de invoeringswet op 22 december 2009 in werking getreden. De Waterwet stelt een integraal waterbeheer op basis van de "watersysteembenadering" centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De belangrijkste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name in het ruimtelijke domein. Verschillende vergunningenstelsels zijn met de invoering van de Waterwet gebundeld tot een watervergunning voor alle handelingen in het watersysteem.
Hierin zijn de vergunningenstelsels uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet op de waterhuishouding, de Grondwaterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de verordeningen (de Keur) van de waterschappen samengevoegd. Veel handelingen in het watersysteem vallen onder algemene regels en dan is er geen watervergunning nodig. Een melding is vaak wel noodzakelijk. Vergunningplichtige handelingen volgen uit de Waterwet en uit de Keur van het Waterschap. Wet Gemeentelijke Watertaken Op 1 januari 2008 trad de Wet Gemeentelijke Watertaken in werking. Nieuw was op dat moment dat de gemeenten hiermee de zorgplicht voor hemelwater en grondwater kregen toebedeeld, terwijl de bestaande gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater enigszins werden aangepast. Bij de hemelwaterzorgplicht gaat het om de verwerking van overtollig hemelwater dat de perceeleigenaar niet zelf kan verwerken. De gemeente dient hiervoor een aansluitpunt aan te bieden. De zorgplicht voor het grondwater geldt voor bebouwd gebied. Deze zorg richt zich op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming. Met deze gemeentelijke zorgplichten blijven particulieren de verantwoordelijkheid houden voor het nemen van maatregelen op eigen terrein.
De gemeentelijke taken liggen vooral in de openbare ruimte en bij coördinatie en onderzoek. De zorgplicht voor het grondwater geldt voor bebouwd gebied. Deze zorg richt zich op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen voor het grondwater. De Wet Gemeentelijke Watertaken (2008) is later weer opgenomen in de bovengenoemde Waterwet van 2009.
Beleid inzake water Bij een watertoets worden meerdere beleidskaders in acht genomen. De verschillende beleidsdocumenten staan hieronder (kort) beschreven.