CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6b. Bijlage Onderzoek bosrandontwikkeling Elspeterbos

Commissie Ruimte en Wonen 7 april 2025, gemeente NunspeetBij agendapunt: Principeverzoek uitbreiding aantal graven op natuurbegraafplaats Elspeterbos en natuurcompensatie bosrandontwikkeling Elspeet.11.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

R. Haveman & l. de Ronde Mei 2024 Rapportnummer DRH2024.02

Ronde & Haveman

Colofon R. Haveman & l. de Ronde (2024). Bosrandontwikkeling Elspeterbos. De Ronde & Haveman — Onderzoeks- en adviesbureau voor Geobotanie en Landschap, rapport DRH2024.02, Zetten, 38 pp. + bijlages. ln opdracht van Elspeterbos BV, projectnummer DRH2024.06.

Dit werk is gepubliceerd onder een Creative Commons licentie. Deze houdt in dat je vrij bent om deze publicatie onveranderd te delen, te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat. Daarbij dient de gebruiker de auteurs van de publicatie te vermelden en een link naar de licentie te plaatsen. Van de publicatie mag geen gebruik worden gemaakt voor commerciele doeleinden en het mag niet verspreid worden als de publicatie veranderd is. Bij de verspreiding mogen geen aanvullende restricties toegepast worden in welke vorm dan ook.

De Ronde & Haveman — Onderzoeks- en adviesbureau voor Geobotanie en Landschap Kerkstraat 19 6671AP Zetten info@derondehaveman.nl KVK: 87273861

Samenvatting Ten behoeve van de compensatie voor de uitbreiding van de Natuurbegraafplaats Elspeterbos is een onderzoek uitgevoerd naar de structuur van de bosranden langs de westrand van het Elspeterbos en de mogelijkheden voor de ontwikkeling hiervan. Op basis van een veldinventarisatie is een inductieve typoiogie gemaakt van de bosrandstructuur waarin drie hoofdtypen worden onderscheiden op basis van de aanwezigheid en positie van een mantel. Vergelijking met de literatuur maakt duidelijk dat er langs het Elspeterbos weinig mogelijkheden zijn voor een duurzame ontwikkeling van brede bosranden zoals deze vaak in de natuurbeheerliteratuur gepropageerd worden. De biodiversiteit van de bosrand is echter het meeste gebaat bij een extensivering van de landbouwgronden aangrenzend aan het bos. Er worden aanbevelingen gedaan voor de ontwikkeling van kruidenrijk schraal grasland en onkruidrijke akkers door vermindering van de bemesting en stopzetten van chemische onkruidbestrijding. Er wordt speciaal aandacht besteed aan een adequaat overgangs- of ontwikkelingsbeheer. Extensivering zal naar verwachting leiden tot bloemrijkere vegetatie direct grenzend aan het bos en hiervan zullen vooral insecten en in het gevolg hiervan ook vogels en kleine zoogdieren profiteren.

Abstract Forthe purpose ofa compensation forthe expansion ofthe Elspeter Forest Natural Cemetery, a study of the structure of forest edges of the Elspeter Forest and the possibilities for their development was made. On the basis ofan inductive analysis, three main types offorest edges are distinguished, based on the presence and position of a mantle. After a brief literature review it is concluded that there are few possibilities for sustainable development of wide forest edges as widely promoted in the nature conservation literature. The overall condition of the forest edge will benefit most from an extensification of the land-use of the agricultural area directly bordering the forest. Recommendations are given for the development of herb-rich dry grasslands and cereal fields.

Inhoudsopgave Samenvatting..............................................................................................................................2 Abstract......................................................................................................................................2 lnhoudsopgave...........................................................................................................................3 1 lnleiding .............................................................................................................................4 1.1 Opdracht en vraagstelling ..........................................................................................4 Leeswijzer...................................................................................................................5 1.2 2 Werkwijze ..........................................................................................................................6 2.1 Korte gebiedsbeschrijving ..........................................................................................6 2.2 Analyse .......................................................................................................................8 3 De bosranden van het Elspeterbos....................................................................................9 3.1 Bosrandtypen en algemene

karakteristieken.............................................................9 3.2 De afzonderlijke locaties ..........................................................................................11 Ontwikkelingsmogelijkheden ..........................................................................................28 4 4.1 De ideale bosrand.....................................................................................................28 4.2 Potenties van de randen langs het Elspeterbos .......................................................28 4.3 Het aangrenzende grondgebruik..............................................................................30 Advies...............................................................................................................................32 5 5.1 Uitgangspunten en gedachten .................................................................................32 5.2 Doelkeuze per perceel..............................................................................................32 Adviezen voor het beheer ........................................................................................33 5.3 Akkerbeheer .....................................................................................................33 5.3.1

Graslandbeheer................................................................................................35 5.3.2 Exotenbeheer ...................................................................................................35 5.3.3 Literatuur.........................................................................................................................36 6 Bijlagen .....................................................................................................................................39

1 Inleiding 1.1 Opdracht en vraagstelling Voor de uitbreiding van de Natuurbegraafplaats Elspeterbos is natuurcompensatie vereist. De Provincie Gelderland heeft aangegeven dat de ruimte hiervoor gezocht kan worden in de randen van het landbouwgebied ten noorden en oosten van Elspeet met het Elspeterbos. Deze gronden werden tot 2023 verpacht, maar vanaf 2024 is een aantal randstroken uit de pacht en beschikbaar gekomen voor het ontwikkelen van een overgang van het landbouwgebied naar het bos. Elspeterbos BV heeft De Ronde & Haveman opdracht gegeven voor een advies voor de inrichting en het beheervan deze 18 randstroken die liggen tussen de N310 in het noorden en de Heetkamp in het zuidoosten (zie Figuur 1), waarbij zowei ontwikkeling van de bosrand als van de voorliggende landbouwgronden (in de stroken) moet worden betrokken. Hiervoor staat op de meeste locaties een rand van 20 m ter beschikking. Alieen de randen 10, 17 en 18 betreffen hele percelen. Rand 1 t/m 3 ziin nu niet beschikbaar voor herinrichting omdat deze percelen nog verpacht worden. Ze zijn meegenomen in het onderzoek en het advies vooruitlopend op het mogelijk vrijkomen van deze randen.

Elspeeter

De

______

_____

____ ______

!

Figuur 1. Ligging van de te compensat,ezones langs het E/speterbos. De nrs. 1 (1W en 10), 2 en 3 zijn in het onderzoek meegenomen, maar op deze gronden ligt nu nog reguliere pacht.

Over bosranden wordt al decennialang geschreven, maar het gaat om een in detail onbekend en onbegrepen fenomeen (Sauerwein & Gehlken 2022). ln een volledig ontwikkelde bosrand kunnen de volgende zones onderscheiden worden: 1.) de randbomen, die vaak een veel sterkere vertakking hebben aan de buitenzijde dan aan de binnenzijde (of cle overige bomen in het bos), 2.) de mantel, een zone met steeds lager wordende struiken, 3.) de manchet, gevormd door schaduw mijdende bramen en 4.) de zoom, waarin hoog opgaande kruidachtige planten de boventoon voeren. Voor de biodiversiteit worden in de literatuur doorgaans 20 tot 40 m

brede bosranden als ideaal voorgesteld waarin deze zones naast elkaar voorkomen (bijv. Flückiger 1999, Stortelder et al. 1999, Veling et al. 2004, Fuhrer et al. 2017, Bremer 2020). ln realiteit zijn bosranden maar zelden zo breed en zijn mantel en zoom onder de randbomen teruggetrokken (een holle bosrand, zoals op de foto op de voorkant van dit rapport), reiken de takken van de randbomen tot op de bodem en is er geen plaats voor een mantel, of ontbreken er één of meer van bovengenoemde bosrandelementen (Gehlken 2021). Tüxen (1952) wees er al op dat de mantel vaak onder de takken van de randbomen voorkomt en dat de zoom een bijzonder smalle gordel vormt in de uiterste rand van de mantel. Voor het opstellen van het gevraagde advies voor de randen van Elspeterbos is informatie over de actuele toestand van de bosranden langs de genoemde stroken onmisbaar. Daarom is een systematische inventarisatie uitgevoerd van de randen, ter voorbereiding van het advies. De vragen die hierbij centraal hebben gestaan zijn - welke bosrandtypen kunnen worden onderscheiden /angs de te extensiveren stroken en - zijn erfactoren te identiificeren die de structuur van de bosrand bepalen?

1.2

Leeswijzer

Deze rapportage omvat zowel de resultaten van het onderzoek als het advies over de inrichting en het beheer van de bosranden. Na een korte beschrijving van de gevolgde werkwijze in het volgende hoofdstuk, worden in hoofdstuk 3 de resultaten beschreven van het veldonderzoek. ln hoofdstuk 4 plaatsen we deze resultaten in het kader van de bestaande kennis, om de potentie en ontwikkelingsmogelijkheden van de randen langs het Elspeterbos in te kunnen schatten. Het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 5, omvat het advies voor de inrichting en het beheer van de randen.

2 Werkwijze 2.1 Korte gebiedsbeschrijving Het onderzoeks- en inrichtingsgebied ligt ten noorden en oosten van Elspeet op de puinwaaiercomplexen aan de westzijde van de grote stuwwal Hattem-Dieren op de Veluwe. Elspeet is een (vroeg) Middeleeuwse nederzetting (Veen et al. 2017) temidden van landbouwgronden, vooral akkers (Figuur 1). Volgens de landschappelijke bodemkaart (Van Delft & Maas 2022) bestaat de bodem van het onderzoeksgebied volledig uit oude bouwlanden (Figuur 2), maar dit zal waarschijnlijk alleen de delen buiten het oude bosareaal betreffen, dus die delen die (vanuit het dorp geredeneerd) binnen de enkwallen van Elspeet rond het Elspeterbos liggen.

Figuur 2. Uitsnede uit de Landschappelijke BodemKaart voor het gebied rond Eìspeet. De te ontwikkeien randen zijn vrijwe! allemaaf geklass,fíceerd ais oude bouw!anden (HzOB/HzQZ), afgezien van rand 17, die als Iemig plateau (HzGPJ) is aangegeven.

De grens tussen bos en open veld is oud: een vergelijking van oude en nieuwe topografische kaarten (Kadaster 2023) maakt duidelijk dat sinds 1830 nauwelijks veranderingen hebben plaatsgevonden in de ligging van deze grens (Figuur 3). De oude wallen rond het bos die het bos scheidden van het landbouwgebied werden gebruikt als akkermaalsheg, dus als eikenhakhout. Dit betekende dat het eikenbos (beter: de eikenstruiken) die hier groeiden op gezette tijden werden gekapt, waarna de takken werden geschild en van hun bast werden ontdaan. Het product werd gebruikt voor de leerlooierij. Het hout werd ook gebruikt voor houtskool (Figuur 4). Het landbouwgebied rond Elspeet is de laatste anderhalve eeuw (maar waarschijnlijk al veel langer) vooral als akkerbouwgebied in gebruik geweest en ook nu nog bestaat het landgebruik voor het grootste deel uit akkerbouw. Kleinere oppervlaktes bestaan uit grasland ten behoeve van de veeteelt. De bosrand wordt begraasd door edelherten en reeën, wat zeker invloed zal hebben op de structuur en de soortensamenstelling.

Figuur 3. Historische ontwikkeling van de bosranden aan de westzijde van het Elspeterbos (lb: 1850, rb: 1940, lo: 1970, ro: 2000). Opvallend is de stabiliteit von de grens tussen bos en open veld.

Het Elspeterbos is een oud malebos dat in gezamenlijk bezit en gebruik was van een groep gerechtigden, de malen. De geschiedenis van het bos is tamelijk goed gedocumenteerd, onder andere doordat het Malenboek van 1595 bewaard is gebleven, en gedetailleerd beschreven door Veen et al. (2017). Het werd in 1917 door de Elspetenaren verkocht aan de familie Van

Figuur 4. Houtskoo/meilers in de buurt van Elspeet. Bron. ansichtkaart col/ectie R. Haveman.

___

7

Beuningen, met als doel èn voorwaarde dat het voor altijd toegankelijk zou blijven voor de inwoners van het dorp.

2.2

Anaiyse

Tijdens twee terreinbezoeken op 24 en 29 april 2024 ziin de bosranden onderzocht op hun structuur en het voorkomen van bosrelictsoorten. Voor de beschrijvìng en classificatie van de randen is gebruik gemaakt van een werkwijze die recent in Duitsland is ontwikkeld (Möller & Gehlken 2013, Wellhäuser 2020, Gehlken 2021). De structuurkenmerken zijn genoteerd op een inventarisatieformulier (Bijlage 1) en vervolgens verwerkt in Microsoft Excel. Waar de bosrand opvallend verschillende aspecten had zijn meerdere eenheden onderscheiden (Figuur 1), zodat uiteindelijk 23 beschrijvingen gemaakt zijn. Volgens de werkwijze die geleend is van de plantensociologie (Den Held & Den Held 1973, Dierschke et al. 1973) ziin de gegevens in Excel verwerkt tot een bosrandtypologie. Om dit mogelijk te maken zijn echter wel een paar aanpassirtgen nodig ten opzichte van de plantensociologische werkwijze (Gehlken 2021). Bij het opstellen van een vegetatietypologie ziin de eenheden — de soorten — principieel gelijkwaardig, maar als structureie kenmerken tot een typologie worden verwerkt, moet onderscheid gemaakt worden in primaire en afhankelijke kenmerken. (Bäuerle & Theiling 1996, Gehlken 2021). Zo is de aanwezigheid van een mantel een primair kenmerk, maar of de mantel doorgaand of gedeeltelijk een afhankelijke (namelijk van de aanwezigheid van een mantel).

Tabel 1 geeft een overzicht van de primaire en afhankelijke kenmerken in deze inventarisatie. Voor het maken van de typologie zijn de structuuropnames op basis van de primaire kenmerken gesorteerd in eenheden en ondereenheden. De tabel die de uiteindelijke typologie weergeeft is gebruikt voor het opstellen van hypotheses hoe de structuur van de betreffende bosranden tot stand is gekomen. Bovendien geeft de analyse inzicht in de mogelijkheden en onmogelijkheden voor de ontwikkeiing van de bosranden. Hierbij is ook de historische situatie zoals die kan worden afgeleid uit historische kaarten (Kadaster 2023) betrokken. Daarnaast is gebruik gemaakt van de minuutplans uit 1832, de eerste kadastrale kaarten die gemaakt werden van de omgeving. Deze ¡s te raadplegen op de website Elspeethistorie.nl. Tabe/ 1. lnde/ing van de opgenomen randkenmerken in dom,nonte, afhankelijke en overige kenmerken (naar Gehlken 2021)

Vorm van de kroon van de randbomen Mantel aanwezig Manchet aanwezig Zoom aanwezig

Dominante randboom Horizontale structuur randbomen Soortensamenstelling van de mantel Positie van de mantel % Aanwezigheid van de mantel Horizontale structuur van de mantel Mantelhoogte Mantelbreedte Positie van het manchet % Aanwezigheid van het manchet Horizontale structuur van het manchet Manchethoogte Manchetbreedte Zoomgemeenschap Positte van de zoom % Aanwezigheid van de zoom Horizontale structuur vsn de zoom Zoombreedte

Boomsoorten in bos Leeftijd van het bosbestand Substraat Expositie Overige mantelstructuren Overige manchetstructuren Overige zoomstructuren Aangrenzend gebruik Voorliggende weg Overige structuren

3 De bosranden van het Elspeterbos 3.1 Bosrandtypen en algemene karakteristieken Langs de westrand van het Elspeterbos kunnen op grond van de onderzochte structuurkenmerken drie hoofdtypen bosranden onderscheiden worden, namelijk A.1) bosranden met een doorgaande mantel, A.2) bosranden met een gedeeltelijke mantel en B.) bosranden zonder mantel (Tabel 2 en Bijlage 2). Deze drie typen kunnen als volgt verder onderverdeeld worden (zie Bijlage 3 voor de ligging van de verschillende typen): A.1. Bosranden met een doorgaande mantel A.1.a. Manchet aanwezig A.1.b. Manchet afwezig A.1.b.1. Zoom aanwezig A.1.b.1. Zoom doorgaand A.1.b.1. Zoom gedeeltelijk A.1.b.2. Zoom afwezig A.2. Bosranden met een gedeeltelijke mantei A.2.a. Manchet en zoom aanwezig A.2.a.1. Zoom doorgaand A.2.a.2. Zoom gedeeltelijk A.2.b. Manchet en zoom afwezig B. Bosranden zonder mantel met manchet B.1.Zoom doorgaand B.2.Zoom onderbroken Tabel 2. Bosrandtypen /angs de westrand van het Elspeterbos (verkorte tabel, zie Bijlage 2 voor volledige tobel). A

Z

...

* * w * z z 50104902217950105 H H H A H H O A A * A A A A

w 23 * A

O zon.,po noonAplan 19321 nw0o491oo 1932 I OUT..u.lM0oo.de aMaa,Ue.. n 9.aaeall.. Uarde aaooezç Vedirç ruon.en hol

* z 10620 H H * A

zw

VrnlAo rald,omen 501 015ag.,.d RaaMoon de UaUe 44or9lM UaUe4 eed l3 m) UaUe4 UaUemood(l 5-3nr) Urnrchet .rnvetezç

B

..,

-

.-

o

rn

,.

rn

w

z ? H H

z

w 90 W A

n w w 254434 B Hw B E/SHIAE)U

nw B) A

n loo * A

* o

o o

H A

H H

o o

x

n

o

*

*

*

*

o

o

O

*

o

l

n w n o 0520 30 H B B B HIAB E)BE/B

O

O

o

*

X o

*

O

*

*

x

*

*

1

:I

Zoorn .anetezç Zoom 000rgaaid (75) Zornn ondeotaolrnn

1*

o Granzoom

1*

O)

o

o

o

l

-nwnoowmtNo

De mantel in type A (1 en 2) wordt voornamelijk gevormd door zomergroene, niet gestekelde struiken en jonge bomen (voornamelijk Amerikaanse vogelkers, verder zomereik en beuk) en de wintergroene, stekelige hulst. De soorten in de rand zijn doorgaans ook verspreid in het bos aanwezig als struiklaag, maar in de randen van type A weten ze aan een dichtere begroeiing te vormen door de hogere lichtbeschikbaarheid aan de rand. De mantel is vrijwel overal teruggetrokken onder de randbomen, waardoor het beeld ontstaat van een zgn. holle bosrand (zie

o.a. de foto op de titelpagina van dit rapport). Op de enige plek waar de mantel voor de kroon staat (locatie 7Z) ontbreken zowel zoom als manchet. Hier grenst de bosrand aan een braakliggend grasland (zie ook verderop). Mantels zijn zowel aangetroffen langs akkers als langs graslanden. Als de mantel doorgaand is (>80 % van de lengte van de rand) dan is hij ook vaak breder dan 3 m. onderbroken of gedeeltelijke mantels daarentegen zijn vrijwel altijd smaller dan 3 m. Het is opvallend dat de mantel vrijwel altijd ontbreekt (of slechts bestaat uit een enkele individuele struik) waar de randbomen voornamelijk of gedeeltelijk schaduwboomsoorten zijn (beuk, sparren) en afhangende takken hebben. De zoomvegetatie in de bosranden is, indien aanwezig, vaak bijzonder onopvallend en teruggeplaatst onder de kroon van de randbomen. Op de meeste plekken wordt de vegetatie voiledig gedomineerd door grassen, met name gladde witbol (Holcus mollis), een enkele keer door adelaarsvaren (Pteridium aquilinum, een bosrelictsoort). Vaak is de zoom niet erg breed (0,31 m) en, hoewel hier niet specifiek naar gekeken is, soortenarm en in elk geval arm aan opvallende bloeiende soorten.

Hiermee voldoen deze begroeiingen uit de groep van havikskruidzomen van zure zandgronden (Melampyro-Holcetea, zie Weeda & Haveman 2017) heel typisch aan de kwalificatie verborgen zomen die er wel aan is gegeven (Sauerwein 2007). Op enkele plaatsen (locaties 7 en 17) komen opvallender zomen voor uit de groep van de brandnetelzomen (Galio-Urticetea, zie Weeda et al. 1999), maar op de voedselarme, zure zandgronden langs het Elspeterbos zijn deze zomen siechts fragmentair ontwikkeld. Op locatie 7N vormt Japanse duizendknoop (Fa/lopiajaponica) een dichte en hoge zoom. De mantel is — als uitgegroeide struiklaag — sterk aan het bos gebonden. De zoom lijkt juist sterker beïnvloed te worden door het aangrenzende landgebruik. De plaats — onder de kroon van de randbomen — wordt veroorzaakt door het landbouwkundige gebruik tot onder de bomen. Het gebruik als akker of weiiand is wellicht van invloed op de soortensamenstelling van de zoom, maar dat is uit dit onderzoek niet duidelijk. Als het aangrenzende grondgebruik een akker is dan wordt de zoom begrenst door een scherpe ploegrand. Waar het aangrenzende landgebruik echter onregelmatig is, of het grasland braak ligt, ontbreken de zomen geheel (type A.1.2.b en A.2.b), of zijn brandnetelzomen (type B.2) aanwezig.

Blijkbaar zijn de concurrentiezwakke soorten uit de havikskruidzomen, zelfs als het alleen maar gaat om gladde witbol, niet opgewassen tegen de concurrentiesterke doordouwers die in het grasland gaan overheersen als het gebruik wordt opgegeven (vgl. Weeda & Haveman 2017).

Figuur S. Lijsterbesspirea (Sorbaria sorbifolia) in de manchet von rand 10, ontsnopt van het aangrenzende erfdoor ondergrondse uit/opers

Manchetten zijn slechts in ongeveer de helft van de bosranden aanwezig en daar waar ze wel voorkomen zijn ze slechts zwak ontwikkeld (laag en open). Ze worden gevormd door algemene bramen uit de Brummelklasse (Lonicero-Rubetea, Haveman et al. 1999, De Ronde & Haveman 2017); de soort die het meeste is aangetroffen is zandhaagbraam (Rubus nemoralis). Op een aantal plaatsen (locatie 1O, 3 en 4) groeit de bosrelictsoort bladhumusbraam (Rubus fo/iosus) in de manchet, op locatie 2 ook knieviltbraam (Rubus genicu/atus) die op de Veluwe alleen te vinden is bij geringe begrazing (Bijlsma 2002). Op één

plaats (locatie 10) wordt de mantel gevormd door lijsterbesspirea (Sorbaria sorbifolia, Figuur 5). Deze soort weet zich ondergronds sterk uit te breiden vanuit de belendende tuin. ln alle typen kunnen wallen onderdeel uitmaken van de bosrand. De vegetatie op deze wallen wijkt sterk af van de vegetatie in de rest van de rand, maar ook van de bosondergroei. Vaak domineren (algemene bos)mossen, maar op de wallen zijn plaatselijk ook soorten aanwezig als witte klaverzuring (Oxa/is acetosella), eikvaren (Po/ypodium vu/qare), gewone salomonszegel (Polyqonatum multiflorum), pilzegge (Carex pilulifera) en bochtige smele (Deschampsia f/exuosa). De eerste drie worden door Bijlsma (2002) als bosrelictsoort beschouwd, dus kenmerkend voor oude bosstandplaatsen. Bremer (2021) beschouwt ook pilzegge in Twente als zodanig, namelijk voor houtwallen die stammen uit de tijd van de verdeling van de markegronden, Op de wallen is het voormalige gebruik als (eiken)hakhout goed zichtbaar, namelijk in de meerstammigheid van de bomen (Figuur 6).

Figuur 6. Meerstammige eiken en beuken in rand 8

32

De afzonderlijke locaties

Hieronder geven we een korte kenschets van de locaties die onderzocht zijn. De nummering volgt Figuur 1. Enkele van de locaties zijn gesplitst, ofwel omdat de randen bijzonder lang waren, dan wel omdat er opvallende verschillen zichtbaar waren in cle opbouw van de rand. Ter onderscheid zijn letters voor de windrichting toegevoegd aan de nummers (N = noord, O = oost, etc.). Rand 17 is meer naar het oosten gekanteld dan in het veld ingeschat is; 17N betreft de ONO-rand van het perceel (etc.). Randlw Randtype: A1b1

Randbomen: zomereik, af en toe gemengd met grove den. Mantel: doorgaand, onder de kroon en rond de stam van de randbomen, vooral bestaand uit Amerikaanse vogelkers, maar o.a. ook gewone vlier, wilde lijsterbes en sporkehout Manchet: afwezig Zoom: onderbroken, gladde witbol (+ gewoon struisgras) onder de kroon Achterliggend bosbestand: zomereik, grove den, in struiklaag hulst en Amerikaanse vogelkers Wal: aanwezig, met voormalig hakhout. Bijzonderheden: gewone salomonszegel, koepelnest van bosmier (Formica spec.)1 Opmerkingen: de draad stond vroeger verder de bosrand in getuige de resten in de rand Aangrenzend landgebruik: regulier weiland Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Figuur7. RandlW

RandlO Randtype: A1b1 Randbomen: zomereik, plaatselijk gemengd met grove den. Mantel: doorgaand, onder kroon en rond stam van de randbomen, vooral Amerikaanse vogelkers, maar o.a. ook gewone vlier, wilde lijsterbes en sporkehout Manchet: afwezig, heel plaatselijk bramen Zoom: doorgaand, gladde witbol (+ gewoon struisgras) onder de kroon Achterliggend bosbestand: zomereik en grove den, in struiklaag hulst en Amerikaanse vogelkers Wal: aanwezig, met voormalig hakhout. Bijzonderheden: bladhumusbraam (Rubusfoliosus) Aangrenzend landgebruik: regulier weiland Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout Bosmieren worden vermeld op de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer uit 2022. De nesten moeten bij werkzaamheden beschermd en ontzien worden.

:

:

...

.

,

.

. 1I., .

••

.: :

..

. ; •.--

•

•.

•

•.

-

.-...

•. ...

.

F . •

.

.

.

-,

# ;

••• •

..;.

..,..•..

•: •

.• • .

.

.

,

.--

Randbomen: zomereik (oud hakhout) Mantel: doorgaand, onder kroon en rond stam: Amerikaanse vogelkers, wilde lijsterbes, Amerikaans krentenboompje Manchet: nauwelijks ontwikkeld Zoom: onder de kroon, gladde witbol (+ gewoon struisgras) Achterliggend bosbestand: zomereik, grove den, beuk, in struiklaag hulst en Amerikaanse vogelkers Wal: aanwezig, voorkant vrij vlak, naar achter met een verhoging, voormalig hakhout Bijzonderheden: knieviltbraam (Rubus genicu/atus), gewone salomonszegel, gewone veldbies Aangrenzend landgebruik: weila nd Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout Rand 3 Randtype: A1a Randbomen: zomereik Mantel: doorgaand, onder de kroon, Amerikaanse vogelkers, gewone vlier Manchet: plaatselijk, met bramen Zoom: onderbroken, onder de kroon, gladde witbol (+ gewoon struisgras) Achteriiggend bosbestand: zomereik en beuk, struiklaag met hulst, Amerikaanse vogelkers en bramen Wal: achter de randbomen: eikenhakhoutheg Bijzonderheden: bladhumusbraam (Rubusfoliosus), op wal heel veel gewone salomonszegel, kleine maagdenpalm, laurierkers (laatste twee verwilderde tuinplanten) Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Figuurlo. Rand3

Rand4

Randtype: A1a Randbomen: zomereik Mantel: doorgaand, onder kroon, vooral Amerikaanse vogelkers, maar ook gewone vlier, huist en meidoorn

Manchet: plaatselijk, met bramen. Zoom: doorgaande graszoom voor de mantel, plaatselijk nitrofiele zoom onder kroon teruggeplaatst

Achterliggend bosbestand: vooral beuk, maar ook zomereik, struiklaag met Amerikaanse vogelkers en beuk Wal: nee

Bijzonderheden: bladhumusbraam (Rubus fo/iosus) Opmerkingen: 2 plekken grasdump Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

riguurll. Rctnd4

Rand5

Randtype: A1b1 Randbomen: zomereik Mantel: doorgaand, onder kroon, vooral Amerikaanse vogelkers, maar ook vaak gewone vlier, hulst en esdoorn Manchet: nauwelijks ontwikkeld Zoom: doorgaand, onder kroon, gladde witbol Achterliggend bosbestand: beuk en zomereik, struiklaag met Amerikaanse vogelkers en hulst

Wal: nee Bijzonderheden: takkenrillen

Aangrenzend landgebruik: akker met bijzondere kwaliteitssoorten bleke klaproos, leeuwenklauw, akkerviooltje Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Figuur 13. Rand 5

Figuur 12. Rand 6

kleine

Rand6 Randtype: A1b1 Randbomen: zomereik Mantel: doorgaand, onder kroon, vooral Amerikaanse vogelkers, maar ook gewone vlier, hulst, wilde lijsterbes en berk Manchet: nauwelijks Zoom: onderbroken, onder kroon, gladde witbolzoom, verzomend met o.a. brandnetel Achterliggend bosbestand: beuk en zomereik, struiklaag met Amerikaanse vogelkers, beuk en gewone vlier Wal: nee Bijzonderheden: gewone vogelmelk, bosandoorn, kruipend zenegroen Opmerkingen: tuinafval in rand en takkenstort Aangrenzend landgebruik: akker met bijzondere kwaliteitssoorten als bleke klaproos, kleine leeuwenklauw, akkerviooltje Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout Rand 7N Randtype: Alb1 Randbomen: zomereik Mantel: doorgaand, achter de stammen van de randbomen, hoge brede hulstmantel (met een beetje Amerikaanse vogelkers) Manchet: afwezig Zoom: doorgaand, Japanse duizendknoop (invasieve exoot) Achterliggend bosbestand: zomereik en spar, struiklaag met veel hulst Wal: nee

Figuur 14. Rarid 7

Aangrenzend landgebruik: braakliggend grasland, dominante gestreepte witbol, ridderzuring Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Rand 7Z Randtype: A1b2 Randbomen: zomereik en spar Mantel: doorgaand, voor de kroon, vooral Amerikaanse vogelkers, maar ook hulst en zomereik Manchet: afwezig Zoom: afwezig Achterliggend bosbestand: zomereik en spar, struiklaag met hulst en Amerikaanse vogelkers Wal: nee Aangrenzend landgebruik: braakliggend grasland, dominante gestreepte witbol, ridderzuring Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Rand 8 Randtype: A1bl Randbomen: zomereik en beuk Mantel: doorgaand, onder de kroon, veel Hulst, daarnaast tal van andere soorten, zoals gewone vlier, Amerikaanse vogelkers, Amerikaans krentenboompje, beuk Manchet: afwezig Zoom: op wal, onderbroken, onder kroon, gladde witbol Achterliggend bosbestand: zomereik en beuk, in de struiklaag hulst en beuk Wal: ja, soms iet verder van de randbomen afbuigend Bijzonderheden: rand onderbroken door een perceelsingang Opmerkingen: laurierkers in rand (tuinescape) Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand niet geclassificeerd

fqLu

Rcrd S

Rand 9 Randtype: B2 Randbomen: beuk, plaatselijk ruwe berk Mantel: geen, soms een solitaire hulst Manchet: onderbroken, onder kroon, bramen Zoom: onderbroken, weinig, onder kroon, gladde witbol Achterliggend bosbestand: zomereik, in struiklaag hulst en beuk Wal: nee Bijzonderheden: adeiaarsvaren en gewone salomonszegel Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, huidige bos erachter was weiland

Figuur16. Rarid9

Rand 10 Randtype: A2a2 Randbomen: zomereik, maar ook ruwe berk, robinia en larix Mantel: onderbroken, onder kroon, lijsterbesspirea (tuinplant), vuurdoorn, laurierkers, kardinaalsmuts, hulst, Amerikaanse vogelkers, beuk, wilde lijsterbes

Manchet: onderbroken, onder kroon, lijsterbesspirea, plaatselijk braam Zoom: onderbroken, onder kroon, grassen Achterliggend bosbestand: zomereik, larix, grove den en een struiklaag met hulst, Amerikaanse vogelkers, wilde lijsterbes en aangeplante soorten Wal: nee Opmerkingen: achterliggend erf zorgt voor onnatuuriijke perceelsrand met uitheemse soorten Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, huidige bos erachter was weiland

Figuur17. RandlO

Rand 11 Randtype: A2a2 Randbomen: zomereik

Figuur 18. Rand 11

Mantel: onderbroken, enkele losse meidoorns voor de stam, achter de stam gewone vlier, hulst en Amerikaanse vogelkers

Manchet: onderbroken, onder de kroon, bramen Zoom: onderbroken, onder kroon, gladde witbol, plaatselijk een nitrofiele brandnetelzoom Achterliggend bosbestand: zomereik, struiklaag met hulst, Amerikaans vogelkers en wilde lijsterbes Wal: nee Opmerkingen: niet ver achter de rand loopt een weg Aangrenzend landgebruik: akker met vogelpootje, klein bronkruid, vroegeling Minuutplan 1832: perceel bouwland, maar de rand en een deel van de huidige akker langs deze rand was hakhout

Rand 12 Randtype: B1 Randbomen: zomereik en beuk Mantel: afwezig

Manchet: onderbroken, onder kroon, bramen Zoom: onder de kroon,doorgaand, gladde witbol, adelaarsvaren, brandnetel Achterliggend bosbestand: beuk, in struiklaag beuk en hulst Wal: ja Bijzonderheden: gewone salomonszegel (veel), eikvaren Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, deel rand hakhout, deel opgaand bos

Figuur 19. Rand 12

Rand 13 Randtype: A2a1 Randbomen: zomereik Mantel: onderbroken, onder kroon, open mantei met vlier (waarvan 2 dood), zoete kers Manchet: onderbroken, onder kroon, bramen Zoom: onder kroon, doorgaand, gladde witbol, plaatselijk hondsdraf Achterliggend bosbestand: zomereik, in de struiklaag beuk en wilde lijsterbes

Wal: ja Bijzonderheden: gewone salomonszegel Opmerkingen: wal met randbomen loopt door het bos, daarvoor een wal langs de akker Aangrenzend landgebruik: akker

Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Figuur 20. Rand 13

Rand 14 Randtvpe: A2a1 Randbomen: zomereik Mantel: onderbroken, weinig, rond de stam, hulst Manchet: doorgaand, onder kroon, bramen met hulst, Amerikaanse vogelkers en gewone hennepnetel

Zoom: onder kroon, doorgaand, gladde witbol Achterliggend bosbestand: zomereik (spaartelgen), struiklaag met wilde lijsterbes en zomereik

Wal: ja Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, maar de rand en een deel van de huidige akker langs deze rand was hakhout

Figuur21. Rand14

Rand15 Randtvpe: 82 Randbomen: zomereik Mantel: afwezig Manchet: onderbroken, onder kroon, bramen Zoom: onderbroken, onder kroon, gladde witbol, laatste deel met adelaarsvaren Achteriiggend bosbestand: beuk, zomereik en ruwe berk, in de struiklaag beuken en grove den Wal: ja, achter de randbomen, plaatselijk bij de randbomen vandaan Bijzonderheden: gewone salomonszegel, witte klaverzuring en op de wal kussentjesmos en veelbloemige veldbies Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand hakhout

Rand16 Randtype: B1 Randbomen: douglasspar, zomereik en ruwe berk Mantel: afwezig Manchet: doorgaand, onder kroon, bramen, ook met Amerikaanse vogelkers Zoom: doorgaand, onder kroon, graszoom (vorig jaar nog meegeploegd getuige de maisstoppel) Achterliggend bosbestand: douglasspar, in de struiklaag douglasspar, ruwe berk en wilde lijsterbes Wal: nee Bijzonderheden: gewone salomonszegel (op de hoek) Aangrenzend landgebruik: akker Minuutplan 1832: bouwland (ook de bosrand)

-¿

f

h .,

j

¡.

.

.... ..

.

..

-•--• : .-. . .-.-.- . , ... - .,-, / ,. -.-- ...-. --., --,_

-

- --: -:.

-2u-, . -

-

-.: ,

. .-.-. ., _ 1

?

-- --,

-

.

..-

Rand17W Randtype: geen (geen bosrand, heg) Randbomen: geen Mantel: aangeplante beukenheg Manchet: open braammanchet Zoom: onderbroken, in manchet, gladde witbol Achterliggend bosbestand: geen, achter de heg een verharde weg Wal: geen Aangrenzend landgebruik: braakliggend, verzomend en holstaand gestreept witbolgrasland Minuutplan 1832: bouwland en opgaande bomen

Fïguur 24. Rand 17W

Rand 17N Randtype: A1b1 Randbomen: beuk Mantel: doorgaand, maar open mantel onder de kroon, met hulst, gewone vlier, tamme kastanje en beuk Manchet: afwezig Zoom: niet ontwikkeld, wel een beetje robertskruid Achterliggend bosbestand: beuk, nauwelijks struiklaag, verderop beuk Wal: niet Aangrenzend landgebruik: braakliggend, verzomend en holstaand gestreept witbolgrasland Minuutplan 1832: perceel bouwland, rand opgaande bomen

Figuur 25. Rand 170 (vanaf noord naar zuid)

Figuur26. Rand17N

Rand 170Z Randtype: B2 Randbomen: beuk Mantel: afwezig Manchet: onderbroken, onder kroon, braam, maar ook hulst, gewone vlier en rhododendron Zoom: nauwelijks ontwikkeld, met een beetje look zonder look onder kroon Achterliggend bosbestand: beuk, in de struiklaag met beuk en plaatselijk hulst Wal: nee Aangrenzend landgebruik: aan deze kant meer kweek in het braakliggende, verzomende en holstaande grasland Minuutplan 1832: perceel bouwland en opgaande bomen

Rand17ON Randtype: A2b Randbomen: zomereik Mantel: onderbroken, onder de kroon met beuk, gewone vlier en tamme kastanje Manchet: afwezig Zoom: afwezig Achterliggend bosbestand: beuk, in de struiklaag met beuk en plaatselijk wat hulst Wal: nee Aangrenzend landgebruik: aan deze kant meer kweek in het braakliggende, verzomende en holstaande gestreepte witbolgrasland Minuutplan 1832: perceel bouwland en opgaande bomen

Rand17Z Randtype: B2 Randbomen: beuk en zomereik Mantel: afwezig Manchet: doorgaand, onder kroon, bramen Zoom: nauwelijks ontwikkeld, onder kroon, schijnaardbei (verwiiderde tuinplant) Achterliggend bosbestand: beuk en plaatselijk zomereik Wal: nee Aangrenzend landgebruik: braakliggend, verzomend en holstaand gestreept witbolgrasland Minuutplan 1832: schuur en erf Rand 18 Randtype: A2b Randbomen: Amerikaanse eik en plaatselijk zomereik, randbomen grotendeels gekapt en naar binnen gekarteld Mantel: voor de kroon, vooral Amerikaanse vogelkers, ook hulst, wilde lijsterbes, zandhaarbraam (Rubus nemoraiis) Manchet: geen Zoom: geen Achterliggend bosbestand: Amerikaanse eik en grove den, struiklaag van Amerikaanse vogelkers, hulst en Amerikaans krentenboompje Wal: ja Bijzonderheden: gewone salomonszegel Opmerkingen: achter randbomen kapvlakte met veel vingerhoedskruid Aangrenzend Iandgebruik: grasland Minuutplan 1832: heide

Figuur27. Rand18

4 Ontwikkelingsmogelijkheden 4.1 De ideale bosrand ln de bos- en natuurbeheerliteratuur wordt veelvuldig een beeld van de ideale bosrand geschetst (bijv. Joachim z.j., Coch 1995, Stortelder et al. 1999, Landesamt für Forsten und Großschutzgebiete 2000, Flückiger et al. 2002, Veling et al. 2004). Deze ideale bosrand zou plaats bieden aan een veelheid aan dieren en planten en zo bijdragen aan de instandhouding van de biodiversiteit. Vanuit het open veld (grasland, akker, heide) bestaat de vegetatie in een dergelijke bosrand achtereenvolgens uit een aantai meters brede bloemrijke zoomvegetatie, een in hoogte steeds oplopende mantel, en een pionierbosstadium, tot het opgaande bos, idealiter een breedte van 20 tot 40 meter (Figuur 28). ln de praktijk blijken dergelijke bosran-

5.

Figuur 28. De ideale bosrand volgens Flückiger et al. 2002 (licht veranderd).

den nauwelijks voor te komen (Möller and Gehlken 2013, Wellhäuser 2020, Gehlken 2022) en het ideaalbeeld is vooral gebaseerd op schilderachtige beelden die ontstaan zijn ¡n de romantiek (Gehlken 2014). Von Salisch (1911) beveelt dergelijke bosranden aan in zijn beroemde boek Forstästhetik om esthetische redenen en wellicht is zijn werk de oorsprong van het veelvuldige gebruik van dit beeld. Het is overigens de vraag of dergelijke bosranden daadwerkelíjk meerwaarde hebben voor de biodiversiteit (Haveman et al. 2023).

4.2 Potenties van de randen langs het Elspeterbos Ook de onderzochte bosranden langs het Elspeterbos staan ver weg bij het geschetste ideaalbeeld, maar deze situatie is heel gewoon in het zandlandschap. Tüxen (1952) schreef al dat in het arme zandlandschap mantels nauwelijks tot ontwikkeling komen, doordat de klassieke

mantelsoorten (zoals hondsroos, tweestijlige meidoorn en sleedoorn) van rijkere bodem hier zo goed als helemaal ontbreken. Voor wilgenstruwelen is de bodem te droog, en de mantels kunnen hier op natuurlijke wijze alleen maar gevormd worden door jonge bomen of soorten die zowel ais struik als boom kunnen voorkomen, zoals hulst en Amerikaanse vogelkers. Dit is op de hele Veluwe waar te nemen: mantels zijn afwezig, of worden gevormd door wat onze oosterburen een Vorwald-stadium noemen. Niet alleen op arme zandbodems voldoen de bosranden niet aan het ideaalplaatje: zelfs op rijke bodem is vrijwel nooit sprake van de ontwikkeling van een ideale bosrand. Alleen daar waar in het aangrenzende open gebied het gebruik is opgegeven of het beheer is gestaakt kan kortstondig een dergelijke bosrand ontstaan. Door natuurlijke successie verandert zon dynamische bosrand op den duur echter weer in bos, zodat het uiteindelijke effect vooral is dat de bosrand opschuift en weer een harde, abrupte bosrand wordt (Reif and Hetzel 1994, Krüsi et al. 1996, Landesamt für Forsten und Großschutzgebiete 2000, Gehlken 2014, 2022, Haveman et al. 2023). Om dit te voorkomen is continue beheer nodig om boomopslag tegen te gaan en/of te verwijderen en verstruweling van de ruigere kruidenbegroeiingen te verhinderen.

Langs het Elspeterbos waar, zoals overal in het droge zandlandschap, de mantel alleen maar gevormd wordt boomopslag, is het maar de vraag wat dit dan oplevert voor de biodiversiteit. De ideale bosrand uit de natuurbeschermingsliteratuur kan dan ook niet zondermeer als blauwdruk gebruikt worden voor bosrandontwikkeling in het droge zandlandschap, zoals langs het Elspeterbos. ln het droge zandlandschap kunnen, zeker op de niet te arme bodems (Bijlsma et al. 2023), echter wel lagere braamstruwelen in de bosrand voorkomen die we hier hebben aangeduid als manchet. Het is echter opvallend dat manchetten langs het Elspeterbos nergens goed ontwikkeld zijn. Plaatselijk zijn wel bramen aanwezig, maar vrijwel nergens vormen ze aaneengesloten randen en op de meeste plekken gaat het maar om één of twee soorten. ln het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied zijn zandhaagbraam (Rubus nemoralis) en zoete haarbraam (Rubus gratus) de belangrijkste soorten. Dit zijn soorten die algemeen verspreid zijn in ons land en die ook op de armere standplaatsen voorkomen. Bladhumusbraam (Rubusfoliosus) die ais bosrelict geldt (Bijlsma 2002) is beperkt tot het noorden van het gebied, evenals knieviltbraam (Rubus geniculatus). Deze laatste twee komen niet voor op de arme standplaatsen waar de twee voornoemde soorten wel groeien.

ln goed ontwikkelde braamstruwelen kunnen gemakkelijk vijf of zelfs meer braamsoorten door elkaar groeien (Haveman et al. 1999, De Ronde & Haveman 2017), wat in de randen langs het Elspeterbos nergens het geval is. Daar waar een doorlopende mantel voorkomt heeft de marginale ontwikkeling van de manchetten waarschijnlijk te maken met de geringe ruimte die over is tussen agrarisch gebruik en de mantel. Andere factoren die een rol spelen in de onderdrukking van bramenmanchetten zijn het gebrek aan licht onder de dominante donkerhoutsoorten (beuk!) en de graasdruk. Bramen worden ondanks de stekels sterk begraasd (Oates 1996, Bijlsma 2002) en bramen zijn op de Veluwe alleen daar prominent aanwezig waar ze beschermd worden tegen vraat (Bijlsma 2002). Ook de zomen van het Elspeterbos zijn slechts matig ontwikkeld. Daar waar ze voorkomen betreft het zeer geringe oppervlaktes soortenarme brandnetelzomen (Galio-Urticetea, in plantensociologische termen), of om soortenarme graszomen met gladde witbol (Melampyro-Holcetea), gestreepte witbol, of fioringras (Molinio-Arrhenatheretea). Gehlken et al. (2000) wijten de soortenarmoede van graszomen aan het naastliggende akkergebruik en vooral aan het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen in akkers. Dit kan in de randen van het Elspeterbos niet uitgesloten worden, maar er is nog een factor van belang.

ln het zand-boslandschap komen goed ontwikkelde havikskruidzomen (Melampyro-Holcetea) alleen voor op hellingen, zoals beekinsnijdingen of wallen (vgl. Klauck 1992, Gehlken 2000). Op vlakke terreindelen in de

bosrand hoopt veei bladstrooisel op en havikskruiden leggen het hier af tegen gladde witbol, die hiermee als strooiselindicator kan gelden. Rond het Elspeterbos zijn wel degelijk wallen aanwezig, maar deze liggen, mede door historische ontwikkelingen, achter de bosrand. De vegetatiestructuur op deze wallen herinnert wel aan goed ontwikkelde zoombegroeiingen uit de havikskruidzomen, met weinig bladstrooisel, veel mossen en polvormende grassen en schijngrassen (bochtige smele, pilzegge, veelbloemige veldbies), maar de meer typische soorten (havikskruiden, hengel) ontbreken. Voor deze soorten is het in het bos te donker en wellicht dat de graasdruk ook hier een rol speelt, net zo als spelende jeugd (cross-sporen!). De enige soort uit de havikskruidzomen die af en toe voorkomt op de wallen is de gewone eikvaren (zie ook Weeda & Haveman 2017). Veelal wordt aangenomen dat niets doen en verruiging gunstig zijn voor de ontwikkeling van zoomvegetatie, maar dit zeker niet het geval voor de havikskruidzomen die zo typisch zijn voor het zandlandschap. Dit is ook duidelijk in cle randen langs het Elspeterbos: daar waar het gebruik van graslanden wordt gestaakt ontstaan soortenarme grasruigtes, geen bloemrijke ruigtes.

Door verdergaande strooiselophoping (versterkt door de neerslag van stikstof) kunnen de doordouwers uit de brandnetelzomen zich onder een niets-doen-beheer breed maken en zo blijft er geen ruimte voor de kieskeuriger en weinig concurrentiekrachtige havikskruidzomen. Ook daar waar bramenmanchetten tot ontwikkeling komen blijft weinig plaats voor havikskruidzomen, doordat ze in dezelfde zone in de bosrand hun plek hebben en bramen heel gemakkelijk over de zomen heen groeien (Bijlsma et al. 2023). Welke factoren een rol spelen n de stabilisering en instandhouding van de kwetsbare havikskruidzomen is niet duidelijk. Voor de ontwikkeling van goed ontwikkelde havikskruidzomen langs het Elspeterbos zien wij nauweiijks mogelijkheden, gezien de eerder beschreven ligging van de wallen achter de bosrand. Daarnaast ontbreken de betreffende soorten in het landschap en ook dit verhindert de ontwikkeling van typische havikskruidzomen.

4.3

Het aangrenzende grondgebruik

ln de literatuur wordt veelvuldig gewezen op de hoge biodiversiteit in bosranden, die het gevolg is van het samenkomen van soorten uit de beide aangrenzende structuren (open veld en bos) en de soort daarbij ook nog eigen soorten heeft (Coch 1995), Of iets dergelijks ook geldt voor bosranden op zand is onduidelijk: deze zijn nauwelijks onderzocht, wellicht omdat ze uitblinken door hun onopvallendheid en weinig spectaculaire uiterlijk. Uit een lopende literatuurstudie (Haveman & De Ronde 2024) blijkt bovendien dat bosrandbeheer als een soort panacee wordt beschouwd voor het oplossen van alle biodiversiteitsvraagstukken in het landelijke gebied. Zo zou ook voor soorten die voor hun voorkomen helemaal niet afhankelijk zijn van bosranden (zoals zandhagedis) bosrandbeheer moeten worden uitgevoerd. Ook de ontwikkeling van bloemrijke bosrandruigtes als nectarbron moet in elk geval voor een belangrijk deel als zodanig beschouwd worden. Feitelijk gaat het hier niet om bosranden of bosrandbeheer, maar om verbetering van de omstandigheden voor de biodiversiteit onafhankelijk van de bosrond.

Waar bloemrijke bosranden gepropageerd worden door middel van verruiging, kan beter verstandig grasland- of akkerbeheer worden uitgevoerd, zeker in het zandlandschap waar de bosrand nooit bloemrijk ontwikkeld is; verruiging leidt hier juist tot bloemarme grasruigtes en tot verlies aan eventueel aanwezige (karakteristieke) waardes in de rand. Dit is ook duidelijk in de randen van het Elspeterbos.

Historisch gezien werden de landerijen tussen Eispeet en het bos vrijwel zonder uitzondering gebruikt als akker (Kadaster 2023) en ook nu voeren bouwlanden de boventoon (3 t/m 6 en 8 t/m 16). Slechts her en der zijn graslanden aanwezig, waarvan een deel regulier wordt begraasd (1-2) en een deel min of meer braak ligt (7, 17 en 18). Zoals al geschetst is dit laatste voor de bosrandontwikkeling zondermeer af te raden. Hoewel geen volledig onderzoek is uitgevoerd naar de soortensamenstelling van de belendende landbouwpercelen, bleken, tijdens het doorlopen, in een aantal percelen relatief goed ontwikkelde akkeronkruidgemeenschappen voor te komen. De akkers tegen rand 5 en 6, in de noordoosthoek van het onderzoeksgebied, moeten genoemd worden vanwege de aanwezigheid van bleke klaproos, kleine leeuwenklauw en akkerviooltje, en in meerdere akkers zijn klein vogelpootje, vroegeling en zandraket aangetroffen. Dit ziin allemaal soorten die enige potentie aangeven om hier goede klaproosakkers (Papaveretum argemones, zie Haveman et al. 1998) of schrale pioniergraslanden (met name van het Thero-Airion, Weeda et al. 1996, Haveman & De Ronde 2018) te ontwikkelen. Wellicht ten overvloede, maar voor de ontwikkeling van zowel soortenrijke akkergemeenschappen als voor de ontwikkeling van goede bosranden moet het gebruik van bestrijdingsmiddelen in deze rand-akkers achterwege blijven.

De genoemde vegetatietypen zijn van belang voor bestuivende en warmteminnende insecten, zoals graafbijen. Ook de bosrandbewonende insecten, kleine zoogdieren en vogels zullen ongetwijfeld profiteren van een extensivering van het landbouwkundig gebruik van de aanliggende percelen, namelijk door de te verwachten toenemende bloemrijkdom en het verminderde gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen Andere percelen líggen te beschut voor goede akkervegetatie, namelijk de randen 17 en 18 (veel te besloten) en 9 (noordrand onder beuk). Hier kan in piaats van akkervegetatie beter ingezet worden op de ontwikkeling van gesloten (bloemrijk) grasland. De ontwikkeling van schrale graslanden kan in de knel komen door de dominantie van invasieve exoten (Japanse duizendknoop, lijsterbesspirea en andere) en de bestrijding hiervan zal plaatselijk (wellicht) nodig zijn. ln het volgende hoofdstuk werken we deze mogelijkheden uit in concrete inrichtingsvoorstellen en beheersmaatregelen.

5 Advies 5.1 Uitgangspunten en gedachten ln het vorige hoofdstuk is geschetst wat de mogelijkheden zijn voor bosrandontwikkeling langs het Elspeterbos. Er is geconstateerd dat winst vooral te halen is in de extensivering van het aanliggende grondgebruik. ln dit hoofdstuk zullen we deze bevindingen uitwerken. Daarbij gaan we er van uit dat extensivering hier in de eerste instantie betekent: minder input van gebiedsvreemde, onnatuurlijke stoffen, niet per sé van arbeid. Dat betekent ouderwetse graslanden en ouderwetse akkers, en dus geen sterk geëxtensiveerd beheer of braakligging, waardoor soortenarme ruigtes ontstaan. De doelen die hierbij nagestreefd worden, zijn: minder druk op de bosrand met nutriënten en bestrijdingsmiddelen, tegelijkertijd ook meer diversiteit en ruimte voor soorten door een soortenrijkere en bloemrijkere vegetatie, wat ook gunstig zal uitwerken voor de soorten in het Natura 2000-gebied. Bovendien heeft vermindering van input van nutriënten en bestrijdingsmiddelen ook een grote positieve invloed op de bodemgesteldheid van de Iandbouwgronden grenzend aan het bos. Voor de inrichting is het uitgangspunt de historie en de huidige lokale uitgangssituatie. ln grote lijn adviseren we een combinatie van schraal beweid of gehooid bloemrijk grasland en akkers.

Daarbij zijn akkergemeenschappen de meest kritische: voor een goede ontwikkeling van kruidenrijke akkers is voorai licht en warmte nodig. Op het noorden gerichte randen en randen langs sterk overhangende schaduwbomen zoals beuk zijn niet erg kansrijk. Bovendien kan de verspreiding van akkeronkruiden naar de percelen waar ze gewenst zijn een probleem zijn en dus is het slim om akkers vooral te plannen waar ze rìu al optreden (Verbeek et al. 2021). ln de volgende paragraaf lichten we kort toe welke gebruik op de afzonderlijke locaties kansrijk wordt geacht. Het beheer werken we dan kort uit in paragraaf 5.3, waarbij we ook aandacht besteden aan een adequaat overgangsbeheer. Extensivering is niet zo lastig, maar het vraagt wel een overgang om snel tot een goed resultaat te komen. Als je dit ontwikke/ingsbeheer overslaat, dan gaan grove soorten snel domineren, zowel in de akkers als ¡n het grasland (namelijk gladde, resp. gestreepte witbol) en kun je in de akkers gemakkelijker last krijgen van probleemonkruiden, kweek en akkerdistel. Om dit te voorkomen is een aantal jaren min of meer intensief beheer nodig zonder dat extra voedingsstoffen worden toegevoegd. De bodem wordt zo sneller verschraald.

5.2

Doelkeuze per perceel

Akkerbeheer is goed mogelijk in de randen 4, 5, 6, 10, 11, 13, 14 en 15 en wellicht ook in rand 12. ln de randen 5, 6 en 11/12 zijn akkeronkruiden gevonden, zoals bleke klaproos en klein bronkruid, waarmee deze randen heel kansrijk lijken voor de inrichting als akker. Rand 12 is wellicht wat te donkervoor een goede akker, maar in de huidige akker die aan deze rand grenst zijn wel akkeronkruiden aanwezig. Voor alle ¡n te richten akkers is het te overwegen nog een smal graspad in de bosrand te leggen die opengesteld zou kunnen worden voor wandelaars. Akkers onder de bomen leveren weinig op, zowel in gewas als in akkeronkruiden (te donker) en een smal beheerpad met grazige bermen voegt toe aan de diversiteit in de bosrand. Mocht het akkerbeheer niet tot het gewenste resultaat leiden voor de biodiversiteit, of op beheerproblemen stuiten, dan zou ook op de bovengenoemde percelen goed overgeschakeld kunnen worden op schraal graslandbeheer. Dit beheer is eenvoudiger en leidt gemakkelijker tot goede resultaten voor de biodiversiteit. Ook bij grotere weersextremen zou graslandbeheer

gemakkelijker iripasbaar kunnen ziin in de bedrijfsvoering, aangezien er geen jaarlijkse grondbewerking hoeft plaats te vinden. De randen 8, 9, 16, 17 en 18 ziin tamelijk donker of worden erg ingesloten door het bos en akkerbeheer raden we hier af. Daarmee zijn dit de percelen die in elk geval als schraal bloemrijk grasland kunnen worden ingericht, al is het de vraag of grasland in de donkere rand van locatie 9 zelfs wel van de grond komt. Hier ligt nu een breed pad onder de randbomen. We stellen voor dit pad als zodanig te blijven gebruiken eri de rand aan de boszijde als brede bosrand te ontwikkelen. Dit zal naar verwachting langzaam gaan. ln geval van vestiging van Amerikaanse vogelkers dient deze bestreden te worden. Ook voor rand 7 stellen we graslandbeheer voor, maar deze rand vraagt extra aandacht in verband met de Japanse duizendknoop die hier staat: deze zou bestreden moeten worden om verdere uitbreiding te voorkomen. Rand 17 wordt aan de wegzijde begrenst door een hoge beukenheg. We stellen voor het grasland tot aan de heg te gaan beheren, om zo in de heg een zoom te ontwikkelen (die is aan de buitenzijde al aanwezigl).

ln de randen 4, 10, 13, 14 en 15 is de ontwikkeling van zowel akkers als grasland goed mogelijk en we adviseren om in elk geval een deel van deze randen ook tot bloemrijk grasland te ontwikkelen omdat ze veel warmer en droger zijn dan de eerder genoemde beschaduwde randen. Hiermee wordt verdere differentiëring aangebracht in omstandigheden, wat theoretisch een gunstige uitwerking heeft op de biodiversiteit (planten èn dieren). Droge en open graslanden zijn van groot belang voor insecten om te foerageren maar vooral als voortplantings- en nestelbiotoop. De randen 1, 2 en 3 komen (nog) niet vrij uit de pacht, maar mochten deze op termijn beschikbaar komen, dan stellen we voor de huidige bestemming grasland voort te zetten, maar dan wel in te zetten op verschraling van de bodem, om een bloemrijkere vegetatie te ontwikkelen. De lange op het zuiden geëxponeerde rand van locatie 1 geeft wellicht de mogelijkheid tot het ontwikkelen van een breder manchet, wat ingezet zou kunnen worden door het weideraster iets verder uit de bosrand te plaatsen (nog wel onder de kroon van de randbomen). Aanvullend beheer in de vorm van bestrijding van Amerikaanse vogelkers is dan wellicht nodig om uiteindelijk geen doorgaande mantel van deze soort te krijgen.

5.3

Adviezen voor het beheer

5. 3. 1 Akkerbehee De ontwikkeling en het beheer van akkers met ouderwetse akkeronkruiden wordt doorgaans niet als het eenvoudigste beheer beschouwd en het vraagt om vakmanschap (Verbeek et al. 2021). Op deze plek kunnen we hier maar kort op ingaan, en voor een diepgaande behandeling verwijzen we naar Het Akkerboek van Verbeek et al. (2021). De adviezen die we hier geven komen ook voor het grootste deel uit dit praktische boek, waarbij we ons richten op de ontwikkeling van Kleurrijke maar vooral Soortenrijke akkers (type 3 en 4 in het genoemde boek).

Voor een succesvol akkerbeheer Tabel 4. Gemiddelde afvoer van nutriènten voor de verschilis het eigenlijk noodzakelijk om lende gewassen. Bron; Verbeek et al. 2021 bodemonderzoek te laten doen, met name naar het fosfaatge7,68 5,75 Graankorrel 14,70 halte. Door sterke bemesting in 1,98 14,23 Graanstro 4,53 de reguliere landbouw kan de 12,30 13,35 Peulvrucht 45,00 4,35 21,75 Peulvruchtstro 10,20 bodem een overschot aan fos27,00 Grasklaver 32,00 8.50 faat bevatten, waardoor op de zandgronden vooral grassen (gladde witbol) en wikkes een probleem kunnen gaan vormen in het gewas. Hierdoor is er weinig ruimte voor bijzondere akkersoorten. Mocht er sprake zijn van een verhoogd bemestingsverleden (P-PAE 8-16 kg P/ha of P-Ohlsen 40-80 mg P/kg) dan is ontwikkelingsbeheer nodig om de bodemchemie beter in balans te krijgen. Hiervoor adviseren we een verschralende akkerrotatie, omdat er doelsoorten in de percelen aanwezig die met een meerjarig (10-15 jaarl) grasklaverbeheer gemakkelijk verdwijnen. Dit ontwikkelingsbeheer zou een zesjarige vruchtwisseling kunnen zijn volgens Tabel 3, waarbij bij voorkeur niet gemest wordt met dierlijke mest. Kaliumgehalte en de zuurgraad van de bodem dienen wel op peil gehouden te worden door een gerichte bemesting (patentkali en kalk) in de grasklaverjaren. De kaliumbemesting dient afgestemd te zijn op de afvoer van kalium met de gewassen.

Voor de berekening van de afvoervan mineralen kunnen gemiddelden aangehouden worden als in Tabel4. Dit rotatieschema moet uitgevoerd worden totdat het overschot aan fosfaat via het gewas is opgenomen en afgevoerd. Als gras kan hier het beste gekozen worden voor een goed voedergewas zoals En-

Tabel 3. Rotatieschema overgangsbeheer. Bron: Verbeek et a/. 2021

1 2 3 4 5 6

Graslrode kiaver of luzerne Gras/rode klaver of luzerne Wintertriticale of wintergerst Winterrogge Haver of tarwe met veldboon of lupine Winterrogge met na de oogst hernieuwde inzaai van grasklaver

gels of ltaliaans raaigras. Als het fosfaatgehalte in de bodem niet is verhoogd, of als het goede niveau via bovenstaande akkerrotatie is bereikt, dan kan overgegaan worden naar een beheer dat past bij de doeltypen die gesteid zijn, de kleurrijke akker of de soortenrijke akker. Het instandhoudingsbeheer bestaat uit het telen van granen, waarbij wintergranen (met name rogge) dominant zijn, maar zomergranen zeker een plaats kunnen hebben. De twee doeltypen verschillen in mestgift: voor de kleurrijke akker wordt een mestgift gegeven van 50-75 kg N/ha/jr, voor de soortenrijke akker van 25-50 kg N/ha/jr. Deze mestgift dient bij voorkeur gegeven te worden in de vorm van ruige stalmest, om de bodemstructuur op peil te brengen en te houden. Het gebruik van gier kan leiden tot verslemping en het optreden van probleemonkruiden. Voor de soortenrijke akker staat de gegeven stikstofgift gelijk met 10-15 ton vaste mest per ha/jr. Voor het bereiken van de akkers kan in de bosrand, onder de uiterste rand van de kroon van de randbomen, een onverhard (beheer)pad worden aangelegd. Onder de boomkroon van de randbomen zijn de mogelijkheden voor akkerbeheer erg gering, en onverharde paden voegen toe aan de diversiteit doordat hier zandige, niet beakkerde milieus ontstaan met geleidelijke overgangen naar de bosrandvegetatie en de akkervegetatie.

Bovendien helpen deze paden het landbouwkundige gebruik uit de bosrand te houden.

/andbehee Graslandbeheer is eenvoudiger dan akkerbeheer en vraagt ook minder arbeid en kundigheid. Verschraling van bestaand grasland kan echter langer duren dan nodig is als geen goed ontwikkelingsbeheer wordt gevoerd. Als regulier grasland op zandgrond direct als schraal grasland beheerd zou worden, schiet het in een grassenfase waarin gestreepte witbol overheerst en vrijwel monodominante begroeiingen vormt waar soms lastig uit te komen is. Om dit te voorkomen dienen de graslanden in een ontwikkelingsbeheer de eerste jaren tweemaal per jaar gehooid te worden, waarbij het maaisel dus geruimd wordt, ongeacht of het grasland in de toekomst als hooiland of als weiland gebruikt zal gaan worden. Voor dit overgangsbeheer volgen we het advies uit de veldgids Ontwikkelen van kruídenrijk grasland (Schippers et al. 2023). Gegeven de humushoudende bovengrond op de zwarte enkeerdgronden rond Elspeet zal dit ontwikkelingsbeheer ongeveer 5 jaar moeten worden uitgevoerd. Het bestaat uit 2x per jaar maaien en afvoeren zonder dat het grasland wordt bemest. De eerste maaibeurt moet de eerste 2 jaren plaatsvinden in de eerste twee weken van mei, de tweede rond half juli.

Daarna kunnen de maaibeurten 2 weken verschoven worden totdat de opbrengst van het grasland gezakt is tot maximaal 7 ton droge stof per hectare (op jaarbasis) en reukgras, rood zwenkgras en gewoon struisgras op de voorgrond gaan treden, gemengd met onder andere smalle weegbree, rode klaver, kleine klaver, zachte ooievaarsbek en biggenkruid. Zodra deze soorten over een belangrijk deel van het perceei voorkomen spreken we van basiskwaliteit grasland; hiervoor kan een Certificering Natuurbeheer aangevraagd worden bij Stichting Part-Ner. Vanaf boven geschetst moment is de ontwikkelingsbeheer-fase voorbij en kan overgegaan worden naar een instandhoudingsbeheer. Hierbij wordt de eerste maaibeurt naar juni verschoven, de tweede naar september. Mocht nabeweiding gewenst zijn in plaats van een tweede maaibeurt, dan kan dat in de maanden augustus tot oktober. Voor de instandhouding is vanaf nu een mestgift nodig van 50-75 kg stikstof per ha per jaar, het liefste in de vorm van vaste stalmest. Bij verdere verschraling zal de vegetatie zich nog verder kunnen ontwikkelen naar een bloemrijk grasiand. Daarvoor moet het maaibeheer worden voortgezet zonder dat er gemest wordt. ln de vegetatie verschijnen soorten als schapenzuring, muizenoor, st.-janskruid en zandblauwtje en de opbrengst is dan gezakt tot ongeveer 4 ton ds/ha/jr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15297351/1