CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6a. Bijlage 1d. HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW Toelichting met Bijlagen pdf 07-09-2024

Commissie Ruimte en Wonen 7 oktober 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Herontwikkeling Landgoed De Grote Bunte- Chw".33.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Planspecifiek. Conclusies Cultuurhistorie en het Plangebied Het historische Landhuis kan met het uit te voeren bouwplan voor de verbouw en de restauratie van het Landhuis De Grote Bunte voor de toekomst behouden blijven. Het bouwplan waarvoor reeds op 19 april 2022 een Omgevingsvergunning werd verleend voor de verbouwing, restauratie, en uitbreiding van het Landhuis De Grote Bunte respecteert de monumentale status van het gemeentelijke monument, het Landhuis De Grote Bunte. Bij het Landhuis behoort een Koetshuis, dat ook gerestaureerd wordt. Hiermee wordt ook een belangrijke doelstelling van het gemeentebestuur bereikt; het behoud van het Landhuis De Grote Bunte voor de toekomst, dit in relatie tot het Landgoed De Grote Bunte. Met het bestemmingsplan, dat de verbouw, restauratie, en uitbreiding van het Landhuis De Grote Bunte mogelijk maakt, en op basis waarvan 14 nieuwe vrijstaande eengezinswoningen kunnen worden ontwikkeld, kan het

84

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld) historische Landgoed en het historische Landhuis voor de toekomst behouden blijven. Het park / bos van het Landgoed De Grote Bunte wordt herontwikkeld met het onderhavige bestemmingsplan. Deze herontwikkeling zal plaatsvinden op grond van het Inrichtingsplan dat is opgesteld door Baljon Lanschapsarchitecten van 30 november 2023 (gewijzigd d.d. 26 juli 2024). Zie Hoofdstuk 3, met name de Paragrafen 3.1 t/m 3.13 van deze Toelichting.

Het historische Landgoed De Grote Bunte zal worden herontwikkeld op basis van het Inrichtingsplan dat is opgesteld door Baljon Lanschapsarchitecten van 30 november 2023, Zie Hoofdstuk 3) de Paragrafen 3.1 t/m 3.13.

4.2

Archeologie

4.2.1

Rijksbeleid m.b.t. Archeologie

Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (het Verdrag van Valletta) is in 1992 ondertekend. Het verdrag is middels de Wet op de archeologische monumentenzorg, die met een wijziging van de Monumentenwet (Wet op de archeologische monumentenzorg) in de Nederlandse wetgeving werd geïmplementeerd. De doelstelling van deze wet is om zo veel mogelijk bodemschatten in de bodem te behouden, waardoor aantasting van het bodemarchief wordt voorkomen. Verder wordt met de genoemde aanpassing van de wet bevorderd, dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planontwikkeling rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Uitgangspunt is tevens dat bodemverstoorders zelf archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen betalen. De Monumentenwet is per 8 februari 2016 vervangen door de nieuwe Erfgoedwet. De genoemde Erfgoedwet legt de zorgplicht voor het archeologische erfgoed bij de gemeenten. De wet bepaalt, dat archeologie binnen het instrumentarium van de ruimtelijke ordening dient te worden meegewogen. De kern van de wetgeving is als volgt: het Rijk is verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen ingevolge de Erfgoedwet en dus voor de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten.

de provincie kan archeologische attentiegebieden aanwijzen die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan van een gemeente, en de provincie kan verplichtingen opleggen bij ontgrondingen. het inbedden van archeologie in ruimtelijke projecten. het behouden en beschermen van waardevolle archeologie in de bodem. verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoring. de bodemverstoorder betaalt de kosten van archeologisch onderzoek. De gemeente heeft ten aanzien van het omgaan met archeologie veel beleidsruimte om belangenafwegingen te maken.

4.2.2

Gemeentelijk beleid met betrekking tot de Archeologie

Het gemeentelijke beleid van de gemeente Nunspeet met betrekking tot archeologie is vastgelegd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nunspeet. Het plangebied ligt in een zone met een middelmatige archeologische verwachting met conserverend dek. De noordoostelijke punt van het plangebied en het uiterste zuiden van het plangebied heeft een lage verwachting. Om deze reden is er een archeologisch onderzoek verricht.

4.2.3

Archeologie en het Plangebied van De Grote Bunte

Inleiding Er is in januari 2021 voor het gehele plangebied van Landgoed De Grote Bunte door het onderzoeksbureau RAAP te Weesp een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). Daarnaast zijn er ter controle enkele karterende boringen uitgevoerd door het

85

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld) onderzoeksbureau RAAP te Weesp.

Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nunspeet ligt het plangebied in een zone met Waarde Archeologie 2 (en voor een klein deel in een zone met Waarde - Archeologie 3, dit betreft de noordwestelijke punt en de zuidwestelijke punt van het plangebied). Het beleid voor deze waarde Archeologie 2 schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 120 m2 en dieper dan 50 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het beleid voor deze waarde Archeologie 3 schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. De beoogde ingrepen (nieuwbouw) zijn groter dan de vrijstellingsgrens. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerende beleid.

Doel en vraagstelling Het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) heeft als doel de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw in kaart te brengen, evenals eventuele bodemverstoringen. Het onderzoek heeft niet tot doel eventuele archeologische vindplaatsen in kaart te brengen. Dit neemt niet weg dat er archeologische resten kunnen worden aangetroffen tijdens het veldwerk. Er zijn hiertoe door het archeologische onderzoeksbureau RAAP een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? Komt de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw in het plangebied overeen met hetgeen op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting verwacht werd? Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld? Waar en op welke diepte bevinden zich de archeologisch interessante lagen? Is de bodem opbouw in het plangebied zodanig (intact) dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is? Zijn er aanwijzingen voor (grotere) archeologische nederzettingen? Kan het archeologische relevante niveau gewaardeerd worden? Zo ja, wat is de waardering en zo nee, welke informatie is nodig om tot een waardering te komen? Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten? Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische

resten worden omgegaan? Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen verwachte resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch et cetera)?

4.2.4

Conclusies van het archeologische onderzoek

Uit het onderzoek blijkt, dat de bodemopbouw binnen een deel van het plangebied van Landgoed De Grote Bunte nog intact is. Tevens zijn er delen aanwezig waar nog een B- danwel een BC-horizont in het dekzand aanwezig is. Een groot deel van het plangebied voor de herontwikkeling van het Landgoed De Grote Bunte bestaat uit een AC-profiel, echter lijkt de C-horizont op basis van een vergelijking van NAP-hoogtes nog grotendeels intact. Een mogelijk aanwezige archeologisch sporenvlak zou in dat geval ook nog grotendeels intact zijn. Of er daadwerkelijk (een) archeologische vindplaats(en) aanwezig is (zijn), ouder dan de late Middeleeuwen B, is niet bekend. Wel zijn er in enkele boringen houtskoolspikkels aangetroffen in de podzol. Volgens het Tuinhistorisch Onderzoek dat is verricht (door Adviesburo Groene Monumenten, zie Bijlage 6 bij deze Toelichting) zou het landgoed al genoemd zijn in 1470 na Chr. Het plangebied heeft voor vindplaatsen uit de periode tot de late Middeleeuwen B een middelhoge archeologische verwachting. Voor resten uit de late Middeleeuwen B en de Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting.

86

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

4.2.5

Advies volgens het archeologische onderzoeksrapport

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt, dat in het plangebied waarschijnlijk archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt door het onderzoeksbureau RAAP geadviseerd om de plannen voor het Landgoed De Grote Bunte zodanig aan te passen dat de verstoring wordt voorkomen. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Geadviseerd wordt om dit vervolgonderzoek op te splitsen, rekening houdend met de beoogde ingegrepen: In de zones waar nieuwbouw gepland staat wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd, rode kleur op advieskaart, zie Afbeelding 4.1 (figuur 9 uit het onderzoeksrapport). Binnen deze zones worden resten uit de Nieuwe tijd verwacht, zoals te zien op de kadastrale minuut 1832 (figuur 2 uit het rapport) en/of een mogelijk intact archeologisch sporenvlak. Een tussenstap in de vorm van een karterend booronderzoek wordt niet zinvol geacht door het adviesbureau RAAP. Een proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

Geadviseerd wordt om extra tijd te begroten voor een degelijk bureauonderzoek waarin een focus wordt gelegd op het bestuderen en georeferen van historisch kaartmateriaal, om daarmee nauwkeuriger te kunnen bepalen waar de proefsleuven het beste gesitueerd kunnen worden. Hiervoor kan tevens gebruik worden gemaakt van het reeds uitgevoerde tuinhistorisch onderzoek (zie Bijlage 6 bij deze Toelichting). De zone rondom het huidige Landhuis (oranje kleur op de advieskaart, zie Afbeelding 4.1 hieronder) betreft volgens de kadastrale minuut uit 1832 een zone met voormalige bebouwing. De beoogde plannen bestaan uit renovatie van het huidige pand, inclusief een nieuwe uitbreiding. Ten oosten hiervan wordt een parkeerplaats gerealiseerd (deze parkeerplaats is in het definiitieve Inrichtingsplan verplaatst naar een plaats ten westen van het Landhuis). Tevens zal de tuin worden heringericht en worden waarschijnlijk kabels en leidingen aangelegd. Indien grondroerende activiteiten gaan plaatsvinden, wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Indien de bodem ongeroerd blijft (nieuwbouw op de huidige locatie?) dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Indien in de toekomst bodemingrepen gaan plaatsvinden dan dienen de ingrepen opnieuw te worden getoetst aan de resultaten van dit onderzoek, waarna kan worden bepaald of vervolgonderzoek nodig is en in welke vorm dit zal zijn.

In de gele zones op de advieskaart (zie Afbeelding 4.1 hieronder) staat tuininrichting gepland. De exacte invulling was nog niet bekend tijdens het archeologische onderzoek. Geadviseerd wordt om de ingrepen nader te specificeren. Afhankelijk van de aard, omvang en diepte van de ingrepen zal al dan niet vervolgonderzoek nodig zijn. De noodzaak hiertoe zal in overleg met het bevoegd gezag worden bepaald. Indien in de toekomst bodemingrepen gaan plaatsvinden dan dienen de ingrepen opnieuw te worden getoetst aan de resultaten van dit onderzoek, waarna kan worden bepaald of vervolgonderzoek nodig is en in welke vorm dit zal zijn. Voor de delen waar geen bodemingrepen gaan plaatsvinden (groene zones op de advieskaart, volgens Afbeelding 4.1 hieronder) wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd, aangezien de ondergrond hier in principe ongeroerd blijft. Indien in de toekomst bodemingrepen gaan plaatsvinden dienen de ingrepen opnieuw te worden getoetst aan de resultaten van dit onderzoek, waarna kan worden bepaald of vervolgonderzoek nodig is en in welke vorm dit zal zijn.

87

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Afbeelding 4.1:

4.2.6

Advieskaart (zie Figuur 1, blz. 21-22 van het archeologisch onderzoeksrapport)

Advies van de Regioarcheoloog Noord-Veluwe M. Wispelwey

Het archeologisch onderzoeksrapport is voorgelegd aan M. Wispelwey, Regioarcheoloog Noord-Veluwe. In zijn e-mailbericht van 8 juni 2021 geeft de regioarcheoloog advies, en wel het volgende: “Het archeologisch onderzoek levert een diffuus beeld op. De beschrijving dat bioturbatie een verrommeld profiel geeft, biedt weinig houvast. RAAP maakt melding van een venig bodemlaagje, waar verder geen waardeoordeel aan zit. Het advies berust naar mijn idee op een ietwat wankele argumentatie. De aanwezigheid van een voormalige hoeve uit de 15e eeuw beïnvloedt het advies zeer. Daar waar gebouwd gaat worden, wordt vervolgonderzoek aanbevolen middels sleuven. In het rapport ligt de nadruk op waarden uit de nieuwe tijd. Dat de naam al in de 15e eeuw wordt genoemd, maakt duidelijk dat waarschijnlijk op of direct rond het erf uit 1832 Middeleeuwse voorlopers te vinden kunnen zijn.

88

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Het opzoeken van eventuele voorlopers is geen makkelijke opgave. Waar moet je de proefsleuven aanleggen? Wel liggen een paar nieuwbouwlocaties dichtbij of op het historische erf uit 1832. De bouwputten van deze nieuwbouw bieden een inkijkje in het verleden en zijn in die zin een soort proefsleuven. Mijn advies wijkt enigszins af van dat van RAAP. Voor de drie woningen die aan de westzijde van het plangebied op of aan het historische erf liggen zal aanvullend onderzoek gewenst zijn. Dit onderzoek bestaat uit een archeologische begeleiding van het uitgraven van de drie bouwputten. Hiervoor dient een PVE (Programma van Eisen) te worden opgesteld. Voor de overige nieuwbouwlocaties zal ik de gemeente adviseren om een voorwaarde in de vergunning op te nemen. Deze voorwaarde behelst het tijdig op de hoogte stellen van de regioarcheoloog van het moment van ontgraven van de bouwputten. Op die manier kan de regioarcheoloog een waarneming doen en eventuele toevalsvondsten melden (.....).

4.2.7

Programma van Eisen. Archeologische Begeleiding bij Opgraving

Inleiding Uit het hiervoor genoemde onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk sprake is van behoudenswaardige archeologische resten. Omdat het niet mogelijk is om deze resten duurzaam in de grond te behouden, is het (selectie)besluit genomen om een opgraving uit te voeren, zodat de resten boven de grond (ex situ) kunnen worden veiliggesteld. Op basis van de historische situatie binnen het plangebied heeft het bevoegd gezag (regioarcheoloog M. Wispelwey) geadviseerd voor de drie woningen die aan de westzijde van het plangebied op of aan het historische erf op de kadastrale minuut 1811-1832 liggen een aanvullend onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek bestaat uit een archeologische begeleiding van het uitgraven van de drie bouwputten. Voor de overige nieuwbouwlocaties geldt geen advies voor vervolgonderzoek. Wel zal de regioarcheolooog hier te zijner tijd een waarneming doen en eventuele toevalsvondsten melden. Doelstelling Het doel van de in dit Programma van Eisen omschreven archeologische opgraving is het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie van de archeologische vindplaats binnen het plangebied, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden (behoud ex situ).

Vraagstelling De vraagstelling die met behulp van het proefsleuvenonderzoek dient te worden beantwoord, is gericht op de omvang, diepteligging, aard en ouderdom van eventueel in het plangebied aanwezige vindplaatsen. Onderzoeksvragen 1. 2. 3. 4. 5.

Wat zijn de geomorfologische kenmerken van het onderzoeksgebied. Hoe ziet de bodemopbouw eruit? Zijn er archeologische grondsporen aanwezig? Zo ja, wat is hun aard, datering? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig? Wat is de vondstdichtheid/ruimtelijke verspreiding? Wat is de conserveringstoestand? Wat is de typologische datering? In welke mate is de bodem in het plangebied verstoord en wat is de consequentie hiervan voor de leesbaarheid van archeologische sporen en structuren? Is sprake van behoudenswaardige archeologische resten? Zo ja, waar en wat is de omvang en ligging van de gebiedsdelen waar deze resten zijn aangetroffen?

Methoden en technieken. Strategie (inclusief motivatie) Het onderzoek vindt plaats in de vorm van een archeologische begeleiding. Dit houdt in dat het archeologische onderzoek gelijktijdig plaatsvindt met de civieltechnische werkzaamheden. De initiatiefnemer stelt de civieltechnische uitvoerder op de hoogte van het feit dat de werkzaamheden onder archeologische begeleiding plaatsvinden, wat betekent dat de ontgravingswerkzaamheden geschieden onder regie van een archeoloog. De civieltechnische werkzaamheden dienen echter zo min mogelijk te worden gehinderd. Indien sprake is van potentieel behoudenswaardige archeologische resten waarvan het documenteren en bergen enige tijd zal vergen, dan wordt dit direct besproken met de initiatiefnemer / civieltechnisch uitvoerder en worden praktische werkafspraken gemaakt over het verdere verloop van het werk. Niet alle graafwerkzaamheden worden begeleid. Enkel de drie bouwblokken in de directe nabijheid van het erf op de kadastrale minuut 1811-1832 worden opgegraven.

89

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Afbeelding 4.2:

Ligging van het onderzoeksgebied ten behoeve van het Programma van Eisen (PVE)

90

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Afbeelding 4.3:

Het onderzoeksgebied op de kadastrale minuut 1811-1832 (HisGis)

Beperkingen Het onderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding. Dit betekent dat er geen onderzoek wordt verricht buiten die delen waar de bodem als gevolg van de civiele werkzaamheden wordt verstoord zowel in het horizontale als in het verticale vlak. Relatie met de Regels van het bestemmingsplan In de Regels van het bestemmingsplan wordt verder het volgende geregeld: Er zal een voorwaarde (voorwaardelijke verplichting) in het bestemmingsplan dienen te worden opgenomen die behelst, dat de regioarcheoloog tijdig op de hoogte wordt gesteld van het moment van ontgraven van de bouwputten. Op die manier kan de regioarcheoloog een waarneming doen en eventuele toevalsvondsten melden. Deze voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de bouwregels van de bestemming "Wonen" (artikel 9) en bij de bestemming "Maatschappelijk" (artikel 5). Bovendien zal een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan worden opgenomen waarin wordt geregeld dat er aanvullend archeologisch onderzoek dient plaats te vinden voor de bouwputten van de drie woningen ten westen van het oorspronkelijke oude erf. Hierbij vindt begeleiding plaats van de Regioarcheoloog, de heer M. Wispelwey. Een en ander is op de Verbeelding aangegeven en de voorschriften zijn in de Regels opgenomen.

91

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

4.2.8

Ontwerp-besluit voorgelegd aan het bevoegd gezag

Aan het bevoegd gezag, het college van Burgemeester en Wethouders, zal bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden voorgesteld om het advies van de Regioarcheoloog M. Wispelwey over te nemen.

Het advies van de regioarcheoloog, M. Wispelwey, wordt overgenomen voor het archeologie-aspect met betrekking dit bestemmingsplanproject voor de Herontwikkeling van het Landgoed De Grote Bunte. Er zal derhalve een voorwaarde (een voorwaardelijke verplichting) in het bestemmingsplan dienen te worden opgenomen die behelst, dat de regioarcheoloog tijdig op de hoogte wordt gesteld van het moment van ontgraven van de bouwputten. Op die manier kan de regioarcheoloog een waarneming doen en eventuele toevalsvondsten melden. Bovendien zal een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan worden opgenomen waarin wordt geregeld dat er aanvullend archeologisch onderzoek dient plaats te vinden voor de bouwputten van de drie woningen ten westen van het oorspronkelijke oude erf. Hierbij vindt begeleiding plaats van de Regioarcheoloog, de heer M. Wispelwey. Dit is op de Verbeelding aangegeven en de voorschriften zijn in de Regels opgenomen.

Voor het rapport “Plangebied Landgoed De Grote Bunte te Nunspeet. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)” van RAAP (rapport 4971) d.d. 2 februari 2021 zie Bijlage 18 bij deze Toelichting. Voor het rapport "Programma Van Eisen Plangebied Landgoed De Grote Bunte te Nunspeet" van Raap (Raap-PVE 2809) d.d. 21 november 2022, zie Bijlage 19 bij deze Toelichting, en zie ook Bijlage 1 bij de Regels van het bestemmingsplan.

92

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Hoofdstuk 5

Milieukundige en Planologische Aspecten

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (zie artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijke en milieutechnische relevante aspecten. In Paragraaf 5.1 van dit hoofdstuk komen achtereenvolgens de milieuaspecten bodem, geluid(hinder), luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, en duurzaamheid. Tot slot wordt in deze Paragraaf 5.1 aandacht besteed aan de vraag of er een Milieueffectrapportage (m.e.r.) dan wel of er een formele M.e.r.-beoordeling noodzakelijk is voor het onderhavige project. In Paragraaf 5.2 komen de wateraspecten aan de orde. In Paragraaf 5.3 komt de Ecologie aan de orde. In Paragraaf 5.4 komt het Stikstofonderzoek aan de orde. In Paragraaf 5.5 wordt aandacht besteed aan de Boom Effect Analyse (BEA). In Paragraaf 5.6 komt het Verkeersonderzoek aan de orde. In Paragraaf 5.7 komt het onderzoek naar het Parkeren aan de orde. In Paragraaf 5.8 komt het verrichte Bezonningsonderzoek aan de orde.

5.1

Milieu

5.1.1

Milieu - Algemeen

Een project kan gevolgen hebben voor het milieu, de natuur, de waterhuishouding en de externe veiligheid. Een goede ruimtelijke ordening vereist daarom dat er aandacht wordt besteed aan de diverse relevante milieuaspecten, die bij de ruimtelijke afwegingen een rol spelen. Het bestuursorgaan (dat is de gemeente Nunspeet) dient bij de voorbereiding van een project, waarvan met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan, te onderzoeken welke waarden er bij het project/plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het project zijn voor deze waarden. In deze Paragraaf 5.1 achtereenvolgens de milieu- en omgevingsaspecten: bodem, geluid(hinder), luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, en duurzaamheid aan de orde. Tot slot wordt in paragraaf 5.1.8 aandacht besteed aan de vraag of er een milieueffectrapportage (m.e.r.) of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is voor het onderhavige project.

93

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

5.1.2

Bodem

5.1.2.1 Algemeen Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient ook onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het projectgebied. De reden hiervoor is dat het project op een vanuit milieuoogpunt zorgvuldige manier dient te worden uitgevoerd. Ook is hierbij van belang om aan te tonen dat het project economisch uitvoerbaar is voor wat betreft eventuele kosten in verband met de bodemkwaliteit. Bodemonderzoeken kunnen in verschillende gradaties plaatsvinden. Naast de uitvoering van een historisch onderzoek, kan het noodzakelijk zijn een verkennend, of – indien de onderzoeksresultaten daartoe aanleiding geven – aanvullend bodemonderzoek te laten verrichten in het kader van de voorbereiding van een plan / project. Zo nodig moet er een saneringsplan worden opgesteld.

5.1.2.2 Bodemonderzoek Landgoed De Grote Bunte volgens het onderzoeksrapport d.d. 31 maart 2021 In opdracht van de Nunspeetse Onroerend Goed Maatschappij (NOM) is in januari/februari 2021 door Sigma Bouw & Milieu een verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 op het nog onbebouwde deel van de locatie aan de Grote Bunteweg nr. 11 te Nunspeet. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport "Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Grote Bunteweg 11 te Nunspeet (projectnr. 21-M9692) d.d. 31 maart 2021" (zie Bijlage 16 bij de Toelichting). De plaats en de situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in de onderstaande Afbeelding nr. 5.1. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het Besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de NEN-normen, te weten de NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens de geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema's.

Afbeelding 5.1:

Onderzoeks(deel)locaties in verband met het bodemonderzoek

94

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

5.1.2.3 Resultaten bodemonderzoek volgens het rapport d.d. 31 maart 2021 In het kader van de ontwikkeling van het project “Landgoed De Grote Bunte” is een onderzoek naar de bodem verricht door het bureau Sigma Bouw & Milieu, Phileas Foggstraat 153 te Emmen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport “Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Grote Bunteweg 11 te Nunspeet” d.d. 31 maart 2021. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend milieukundig bodemonderzoek worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan met betrekking tot het project Landgoed De Grote Bunte (blz. 44 e.v. van het rapport).

Zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen is ter plaatse van boring 17 (ter plaatse van de gedempte vijver) sprake van puinresten in de ondergrond. Boring 17 is vanwege handmatig ondoordringbare lagen gestaakt. Ter plaatse van de boringen 59 en 60 is er sprake van een puinlaag (vermoedelijk restant van een pad). Verder zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen in het opgeboorde bodemmateriaal verder geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdachte materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Een samenvatting van de toetsingsresultaten staat weergegeven in tabel 27 van het rapport (blz. 44).

Grond bovengrond (0.0 – 0.5 m-mv) De verhoogd gemeten gehalte zware metalen en of PCB's (som 7) in de bovengrondmengmonsters MM4 t/m MM7 overschrijden de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) worden in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, naar de mening van de onderzoekers, geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullende onderzoeken. De bovengrondmengmonsters MM1 t/m MM3, MM8 en MM9 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde.

ondergrond (0.5 – 2.0 m-mv) Ondergrondmengmonster MM19 (boring 17 ter plaatse van de gedempte vijver) bevat een verhoogd gehalte zink (zware metalen) t.o.v. de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) en verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, (zware metalen), minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's, som 10) en PCB's (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde. Het verhoogd gemeten gehalte zink (zware metalen) overschrijdt de tussenwaarde / bodemindexwaarde (>0.5) en geeft daardoor aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Geadviseerd wordt om middels een nader (afperkend) onderzoek vast te stellen of er ter plaatse van boring 17 al dan niet sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming. (Er is sprake van ernstige verontreiniging van bodem of sediment als voor tenminste 1 verontreinigende stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde). De ondergrondmengmonsters MM10 t/m MM18 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde.

grondwater De verhoogd gemeten gehalten barium, cadmium, nikkel en/of zink (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 8 overschrijden de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) en geven daardoor aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek (zie blz. 46 van het onderzoeksrapport). De matig verhoogd gemeten gehalten in het grondwater ter plaatste van peilbuizen 3 en 8 hangen naar verwachting op voorhand niet samen met een locatie specifieke verontreiniging. Wanneer meer inzicht wordt gewenst over de aanwezigheid van barium, cadmium, nikkel en /of zink in het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 8 wordt ter verificatie geadviseerd het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 8 opnieuw te bemonsteren en te analyseren op het gehalte barium, cadmium, nikkel en/of zink (zware metalen). De overig licht verhoogde gemeten gehalten zware metalen in het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 1+3 t/m 5+7+8 overschrijden de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) niet, zodat er voor deze gevallen uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen

95

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld) van aanvullend onderzoek.

toetsing van de hypothese die aan het onderzoek vooraf is gegaan Op basis van de voorafgaande aan het onderzoek gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt, dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De ondergrond ter plaatse van de boring 17 bevat een verhoogd gehalte zink (zware metalen) ten opzichte van de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5). Geadviseerd wordt om middels een nader (afperkend) onderzoek vast te stellen of er ter plaatse van de boring 17 al dan niet sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 8 bevat verhoogde gehalten barium, cadmium, nikkel en/of zink (zware metalen) ten opzichte van de tussenwaarde/bodemindex-waarde (>5). De verhoogd gemeten gehalten barium, cadmium, nikkel en/of zink (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 8 overschrijden de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) en geven daardoor aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Ter verificatie van de gemeten gehalten wordt geadviseerd om het grondwater ter plaatse van peilbuis 3 en 8 opnieuw te bemonsteren en te analyseren op de gehalten nikkel (zware metalen) respectievelijk barium, cadmium en zink (zware metalen). Voor het overige bevatten de boven- en ondergrond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. Deze lichte verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde / bodemindexwaarde (>0,5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. De onderzoeksresultaten stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypothese, de vooraf gestelde hypothese “onverdacht” dient formeel verworpen te worden. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt, dat er beïnvloeding van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden. Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (exclusief asbest). Een asbestonderzoek in grond of puin conform de NEN 5707+C2 respectievelijk NEN 5897+C2 maakt geen onderdeel uit van het onderzoek. Op basis van onderzoek dat volgens NEN-5740-A1 is uitgevoerd kan er geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin.

Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem is gewenst dan dient er een asbestonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2.

96

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Aanbevelingen die volgen uit het bodemonderzoek volgens het rapport "Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Grote Bunteweg 11 te Nunspeet" projectnr. 21-M9692) d.d. 31 maart 2021 1.) Ondergrondmengmonster MM19 (boring 17 ter plaatse van de gedempte vijver) bevat o.a. een verhoogd gehalte zink (zware metalen) t.o.v. de tussenwaarde/bodemindex-waarde (>0.5). Geadviseerd wordt om middels een nader (afperkend) onderzoek vast te stellen of er ter plaatse van boring 17 al dan niet sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit nader onderzoek kan gecombineerd worden met onderzoek naar asbest in grond volgens NEN-5707. 2.) Het matig verhoogd gemeten gehalte nikkel (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van peilbuis 3 en de matig verhoogd gemeten gehalten barium, cadmium en zink (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van de peilbuis 8 overschrijden de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) en geven daardoor aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Op basis van informatie uit het vooronderzoek blijkt dat het grondwater in de omgeving vaker verhoogde gehalten zware metalen bevat. Mogelijk is er een relatie met de activiteiten ter plaatse van het voormalige Veluvine-terrein ten zuiden van de onderzoekslocatie.

Geadviseerd wordt om de noodzaak voor eventuele herbemonstering en heranalyse van het grondwater in dit geval af te stemmen met de gemeente Nunspeet. 3.) Op 16 november 2016 heeft de Raad van State (RvS) een oordeel uitgesproken over de asbest in relatie tot puinresten in bodem. De Raad van State oordeelt dat wanneer op een locatie puin(resten) aanwezig zijn, de locatie conform NEN 5707 als asbestverdacht moet worden beschouwd. Ook oordeelt de Raad van State dat wanneer sprake is van een asbestverdachte locatie, onderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd moet worden. De ILT geeft aan dat alleen indien voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat puin (ongeacht de mate van puin, dus ook puinsporen) en/of puingranulaat gezien typering, ouderdom, bijmengingen en historisch onderzoek niet kan worden gerelateerd aan asbest, de locatie als asbest onverdacht mag worden beschouwd. Indien onvoldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat in het aanwezige puin en granulaat geen asbest voorkomt, dan moet de locatie altijd als asbestverdacht worden beschouwd en is (fysiek) onderzoek op de aanwezigheid van asbest noodzakelijk. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn plaatselijk puinresten in de bodem aangetroffen. Plaatselijk is sprake van puinlagen en puin ter plaatse van oude paden. De herkomst van dit puinmateriaal is bij ons niet bekend.

Op basis van de beschikbare informatie kan niet met zekerheid worden gemotiveerd dat in het aanwezige puin geen asbesthoudend materiaal voorkomt. Geadviseerd wordt ter plaatse van de gedempte vijver en ter plaatse van de oude paden waar sprake is van puin of puinbijmengingen een verkennend onderzoek asbest in grond conform NEN-5707+C2 uit te voeren. Plaatselijk is sprake van puinlagen (>50% bodemvreemd materiaal). Voor deze gevallen geldt het advies voor het uitvoeren van een verkennend onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2. Aangezien de ligging van de voormalige paden in de praktijk kan afwijken, kan overwogen worden ter plaatse van voormalige paden enkele karterende boringen te plaatsen. 4.) Op Bodemloket.nl wordt ter plaatse van de zuidwesthoek van de locatie melding gemaakt van een ondergrondse brandstoftank. De vermelding staat geregistreerd als Molenweg 6 F.E. Ommen. Uit informatie van de gemeente en provincie is geen verdere informatie van deze tank bekend. Aangezien er geen informatie over deze brandstoftank bekend is, werd hieraan in dit onderzoek geen verdere aandacht aan besteed. Geadviseerd wordt bij de eigenaar na te gaan of op deze plaats mogelijk sprake kan zijn (geweest) van een ondergrondse brandstoftank. Mocht dit het geval zijn wordt geadviseerd de milieuhygiënische bodemkwaliteit hier alsnog te onderzoeken.

5.) Op het zuidelijk deel van de locatie lopen enkele met grind en gebroken asfalt verharde paden, het halfverhardingsmateriaal ter plaatse van de paden is in dit onderzoek niet onderzocht. Ten noorden van het koetshuis, tussen de villa en het koetshuis en tussen de villa en de noordelijke gebouwen bevindt zich een met gebroken asfalt verharde parkeerplaats. Het halfverhardingsmateriaal ter plaatse van de paden en de parkeerplaats valt buiten de scope van dit onderzoek en is in dit onderzoek niet onderzocht. Wanneer het halfverhardingsmateriaal ter plaatse van de paden en de parkeerplaats in het kader van de ontwikkeling moeten worden afgevoerd wordt geadviseerd de eventuele hergebruiksmogelijkheden met behulp van een samenstellingsonderzoek te onderzoeken. Tevens wordt geadviseerd het gebroken asfalt op eventuele teerhoudendheid te onderzoeken. Teerhoudend asfalt is niet geschikt voor hergebruik.

97

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

6.) Geadviseerd wordt voorafgaand aan eventuele sanering van het asbestverdachte dak van de schuur/garage (wanneer is vastgesteld dat het dak asbesthoudend is) de toplaag (0.0-0.1 m-mv) van de onverharde druppelzone onder de daklijn te onderzoeken op het gehalte asbest. 7.) Op een deel van de locatie bevindt zich een aarden wal vermengd met enige puin, de milieuhygiënische kwaliteit van de grond in de wal is in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Alvorens de grond in de wal te verwerken of af te voeren wordt geadviseerd, wanneer van deze grond geen kwaliteitsgegevens bekend zijn, om de kwaliteit te onderzoeken. 8.) Indien de grond ontgraven gaat worden, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwwerkzaamheden, is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Middels het Besluit is het mogelijk om door het lokaal bevoegd gezag lokale maximale bodemgebruikswaarden vast te stellen, of om deze bodemgebruikswaarden te conformeren aan de maximale waarden uit het (landelijke) generieke model. Indien grond van het eigen terrein moet worden afgevoerd zal deze verwerkt dienen te worden conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. De mogelijkheden hiertoe kunnen worden vastgesteld na overleg met de betrokken overheidsinstanties.

Volledige duidelijkheid omtrent de bodemkwaliteitsklasse van vrijkomende grond wordt pas verkregen op basis van een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit. Opgemerkt dient te worden dat de vertaalslag van verkennend bodemonderzoek naar hergebruik van grond volgens het Besluit Bodemkwaliteit, veelal, niet mogelijk is. In de meeste gevallen zijn aanvullende gegevens noodzakelijk. Het bevoegd gezag (de gemeente waarin de grond wordt toegepast) kan hier uitsluitsel over geven. Op 8 juli 2019 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een tijdelijk handelingskader vastgesteld voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Vanaf 8 juli 2019 is het verplicht om onderzoek naar de stofgroep PFAS uit te voeren bij o.a. partijkeuringen in het kader van afvoer van grond. In dit verkennend bodemonderzoek is de bovengrond indicatief onderzocht op PFAS stoffen. De in dit onderzoek opgenomen indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is exclusief onderzoek naar PFAS-stoffen. Onderzoek naar deze verbindingen is bij definitieve beoordeling van eventuele hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond alsnog nodig. Indien het noodzakelijk is dat er grond afgevoerd moet worden van de locatie zal er een melding grondverzet gedaan moeten worden via het landelijk meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

Opgemerkt wordt dat eventuele afvoer van grond met de bodemkwaliteitsklasse “wonen”, “industrie” en “niet toepasbare grond” meer kosten met zich meebrengt dan de afvoer van schone grond “achtergrondwaarde”. Wanneer grond binnen het plangebied wordt ontgraven dient voorkomen te worden dat grond met een verschillende/afwijkende milieuhygiënische kwaliteit met elkaar wordt vermengd. Mocht grondwater onttrokken worden ten behoeve van bemaling, dan dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.

5.1.2.4 Specifiek bodemonderzoek op de locatie van het bouwplan voor de verbouwing, de restauratie en de uitbreiding van het Landhuis De Grote Bunte Er is een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 en een verkennend onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 uitgevoerd in december 2021 door Sigma Bouw & Milieu, specifiek voor de locatie van het ingediende bouwplan voor de verbouwing, restauratie, en uitbreiding van het Landhuis De grote Bunte. Dit heeft geresulteerd in het rapport “Verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin Grote Bunteweg 11 te Nunspeet (projectnr. 21-M10170)" d.d. 24 januari 2022 (zie Bijlage 17 bij deze Toelichting). De aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande uitbreiding / nieuwbouw op de locatie. De onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2 van het bodemonderzoeksrapport.

5.1.2.5 Conclusies van het specifiek bodemonderzoek i.v.m. het bouwplan voor de verbouwing, de restauratie en de uitbreiding van het Landhuis De Grote Bunte Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend- en nader bodemonderzoek en het verkennend onderzoek asbest in grond worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.

98

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld)

Conclusie m.b.t. verkennend milieukundig bodemonderzoek NEN-5740+A1 De onderzoeksresultaten stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypothese, de vooraf gestelde hypothese wordt verworpen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er beïnvloeding van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De grond ter plaatse van de onderzoekslocatie is plaatselijk met enkele stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde. De verhoogd gemeten chemische verontreinigingen in de grond overschrijden de tussenwaarde / bodemindex waarden (>0.5) niet en geven daarom geen formele aanleiding voor een nader onderzoek.

Conclusie m.b.t. verkennend onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 Op basis van de vooraf gestelde hypothese is het aanwezige halfverhardingsmateriaal ter plaatse van de onderzoekslocatie in eerste aanleg als verdacht voor asbest aangemerkt. Uit het onderzoek is gebleken dat het halfverhardingsmateriaal ter plaatse van inspectiegaten G1 t/m G5 niet aantoonbaar met asbest is verontreinigd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vooraf gestelde onderzoekshypothese “verdacht” verworpen.

5.1.2.6 Er dient nog nader aanvullend milieukundig bodemonderzoek plaats te vinden na 1 januari 2024 Voor de vaststelling van het bestemmingsplan dient nog een aanvullend milieukundig bodemonderzoek plaats te vinden. Hiertoe is door de initiatiefnemers opdracht verleend op basis van een offerte van het onderzoeksbureau Sigma Geo en Milieutechniek B.V. d.d. 1 december 2023. Op de locatie is al gestart met de uitvoering van een het nader bodemonderzoek t.p.v. de gedempte vijver en de puinverharding ten oosten van de villa. Uit de gegevens tot nu toe blijkt het volgende: Verontreiniging met zink t.p.v. boring 17 (gedempte vijver). Het in het kader van het verkennend bodemonderzoek matig verhoogd gemeten gehalte zink is in het aanvullend onderzoek bevestigd. In de puinhoudende laag t.p.v. boring 100 (demping van de voormalige vijver) zijn licht tot sterk verhoogde gehalten koper, lood en zink gemeten. In de laag vanaf 1.6 m-mv zijn geen verhoogde gehalten koper, lood en zink gemeten. De sterke verontreiniging met zware metalen is in zuidelijke- en zuidoostelijke richting nog niet voldoende in kaart gebracht. In deze richting dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Onderzoek asbest in dempingsmateriaal t.p.v. de gedempte vijver In de gegraven inspectiegaten en inspectiesleuven t.p.v. de gedempte vijver is tot ca. 1.6 m-mv puinhoudend materiaal aangetroffen.

Het materiaal betreft plaatselijk grof materiaal (grove betonresten, stukken metselwerk en dergelijke). In dit materiaal is tevens plaatselijk asbesthoudend materiaal waargenomen. In de zeeffracties (<20 mm) van de onderzochte mengmonsters is plaatselijk een verhoogd gewogen gehalte asbest gemeten. Onderzoek asbest in puin ten oosten van de villa (nr. 11) Het terreindeel ten oosten van de villa (nr. 11) is plaatselijk verhard met een laag puin. Het puin bestaat uit betonresten, puinresten, bakstenen en is in de gegraven inspectiegaten tot ca. 0.3 m-mv waargenomen. In het uitgegraven puinmateriaal uit de inspectiegaten is tevens plaatselijk asbesthoudend materiaal waargenomen. In de zeeffractie (<20 mm) van het onderzochte mengmonster uit inspectiesleuf G18 is geen verhoogd gewogen gehalte asbest gemeten. Ter plaatse van de inspectiesleuf G18 is in de fractie >20 mm een gehalte asbest gemeten onder de interventiewaarde (<100 mg /kg d.s.) en onder de grens voor nader onderzoek (<50 mg /kg d.s). Het puinmateriaal t.p.v. het vm. pad ten oosten van de villa bevat asbesthoudend materiaal. Ter indicatie is de concentratie asbest <50 mg kg d.s. De exacte begrenzing van de puin verharding dient nog nader afgeperkt te worden. De onderzoeksresultaten tot nu toe zijn met de Omgevingsdienst (ODNV) besproken.

Ten aanzien van de verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater is geen nader onderzoek nodig. Ten aanzien van de

99

bestemmingsplan HERONTWIKKELING LANDGOED DE GROTE BUNTE - CHW (vastgesteld) bospaden op het noordelijk deel geldt dat geen verder onderzoek nodig is. Besproken is dat ten aanzien van de volgende aspecten nog nader onderzoek noodzakelijk is: nader onderzoek naar de omvang van de verontreiniging met zink en asbest t.p.v. de gedempte vijver. extra onderzoek ten westen van de gedempte vijver waar nieuwbouw is gepland. nader onderzoek naar de omvang van de puinverharding ten oosten van de villa. extra onderzoek ter plaatse van een voormalige uitrit aan de Molenweg. Normen Bij het opstellen van het onderzoeksprogramma is uitgegaan van de richtlijnen: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek' (Nederlandse norm 5725: oktober 2017). Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond' (Nederlandse norm 5740: januari 2009 en 5740:2009/A1: februari 2016). Bodem – Landbodem – Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (Nederlandse norm 5707+C2: december 2017). Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat (Nederlandse norm 5897+C2: december 2017). (optioneel) De werkzaamheden worden uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (optioneel).

Onderzoeksprogramma Op basis van de strategie is in de volgende tabel een overzicht van het onderzoeksprogramma weergegeven. Er is vooralsnog geen rekening gehouden met het aantreffen en analyseren van asbestverdachte materialen. tabel 1:Onderzoeksprogramma Deellocatie

Veldwerkzaamheden Laboratoriumonderzoek

Boringen/ins pectiegaten

Boring Grond en met peilbuis

Grondwater

gedempte vijver geschat ca. 500 m2

8 x 2.0v m-m 5 inspectiesle uven

grond: 10 x koper, lood, zink 6 x asbest

-

4 x 2.0 m–mv

bovengrond:

-

terreindeel ten westen van de gedempte vijver geschat ca. 100 m2

-

1x standaardpakk et grond ondergrond: 1x standaardpakk et grond

puinverharding ten oosten van de villa 5 inspectiesle -uven

geschat ca. 500 m2 vm.uitrit aan de Molenweg

100

puin: 5 x asbest

-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14552301/1