AP 6. Motivering TAM omgevingsplan Zandenplas
Tekst van het document
Vanwege de ligging van de planlocatie in relatie tot de geplande ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd, waaruit bleek dat stikstofdepositie door de uitbreiding klein was, maar niet valt uit te sluiten. Door het nemen van voldoende compensatiemaatregelen wordt de kwaliteit van het Natura 2000-gebied Veluwe geborgd. Dit is beschreven in de memo die als bijlage 2a van deze motivering is opgenomen. In paragraaf 4.3.2 is dit eerder uiteengezet. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone, maar buiten het Gelders Natuurnetwerk. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Wel dient een GO-toets te worden uitgevoerd. Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de grenzen van huidige paviljoen. Voorgenomen ontwikkelingen zijn dusdanig klein dat ze geen invloed hebben op de betreffende kernkwaliteiten. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde Soortenbescherming Naast een onderzoek naar gebiedsbescherming, heeft onderzoek plaatsgevonden naar het effect van het plan op beschermde soorten en houtopstanden. De resultaten zijn als volgt.
Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
28
Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Wel geldt de specifieke zorgplicht ter bescherming van soorten en gebieden.
5.4 Bodemkwaliteit Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; -
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Analyse Voorliggend plan voorziet in het uitbreiden van een bestaande kiosk ter plaatse van een bestaand terras. De kiosk bevindt zich aan de recreatieve Zandenplas. Gezien de huidige recreatieve functie, waar mensen recreëren, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de uitbreiding van de kiosk. Desondanks heeft een bodemonderzoek NeEN2575 plaatsgevonden met als doe het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het onderzoek is als bijlage 5 van deze motivering opgenomen. Uit het onderzoek komt dat geen van de onderzochte parameters is verhoogd. De locatie is onbelast. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. De 29
onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om asbest in grondonderzoek of nader bodemonderzoek te adviseren. Conclusie Vanuit het aspect ‘bodem’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.5 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). Kader Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen is regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: -
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het gaat om gebouwen met een: -
woonfunctie; onderwijsfunctie; gezondheidszorgfunctie met een bedgebied of; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid 30
op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Analyse Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het uitbreiden van een bestaande kiosk en het toevoegen van een horeca-functie. Het plan voorziet niet in een geluidgevoelige functie. Dat betekent dat omgevingsfactoren geen negatief effect hebben op de functie. De nieuwe horeca-functie voorziet wel in een functie die mogelijk van invloed kan zijn op de omgeving. Binnen de richtafstand van de kiosk is bevinden zich echter geen geluidgevoelige functies. Om die reden hoeft geen akoestisch onderzoek plaats te vinden ten behoeve van het plan. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid door activiteiten’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.6 Water en watersystemen Kader Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om hem vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland.
Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren, schoonhouden, scheiden en zuiveren.
31
Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.
Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening heeft de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen. Regionaal en gemeentelijk beleid Samen met de gemeenten Hattem, Oldebroek, Elburg en het Waterschap Vallei en Veluwe heeft de gemeente Nunspeet het Beleids- en beheerplan Water en Riolering opgesteld. Dit plan is vastgesteld op 1 juni 2023. De drie zorgplichten van de gemeente – afvalwaterzorgplicht, hemelwaterzorgplicht en grondwaterzorgplicht – vormen de basis van dit gemeentelijke waterbeleid. Aan de hand van de vier thema’s gezondheid, klimaatadaptatie, communicatie &educatie en energie & grondstoffen wordt inzichtelijk gemaakt waar de komende jaren op gefocust zal worden. Voor de (her)ontwikkeling van nieuwbouw worden bergingseisen vastgesteld. Voor nieuwbouw wordt aangesloten bij het beleid van Waterschap Vallei en Veluwe. Concreet betekent dat het realiseren van een waterberging met een inhoud van 60 mm voor elke meter verhard oppervlak.
Deze eis moet ook toegepast worden voor bestaand gebied waar herontwikkeling plaatsvindt. Ongeacht de toename van verhard oppervlak wordt er gestreefd naar een inrichting waarin 60 mm waterberging voor elke vierkante meter verhard oppervlak is opgenomen. Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
32
Analyse Via de digitale watertoets (www.hetwateradvies.nl) is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. hieruit volgt een algemeen advies, er is geen sprake van een waterbelang. De volgende algemene aandachtspunten zijn van toepassing. Vasthouden - bergen – afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG.
Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Bij de verdere bouwkundige uitwerking van het plan wordt waar mogelijk rekening gehouden met de aandachtspunten. Conclusie Vanuit het aspect ‘water’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de maximale afstand die we gebruiken als richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
33
De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in de uitbreiding van de bestaande kiosk en het toestaan van horeca. Er is geen sprake van een milieugevoelige functie. Om die reden is er geen sprake van functies in de omgeving van het plangebied functies waarvan de kiosk hinder ondervindt. Naast de interne werking (invloed van buitenaf) is beoordeeld of het plan zorgt voor externe werking op omliggende milieugevoelige functies. Ten aanzien van horeca geldt een richtafstand van tien meter ten opzichte van milieugevoelige functies. Omdat binnen tien meter vanaf de kiosk geen sprake is van milieugevoelige functies, heeft het plan geen negatief milieukundig effect op omliggende functies. Conclusie Vanuit het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gewaarborgd wordt. Het gaat daarbij om: -
de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: -
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare 34
gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Er zijn diverse maatregelen mogelijk. Een ervan is het aanwijzen van een voorschriftengebied bij zeer kwetsbare gebouwen. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: -
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
Analyse In het kader van voorliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied binnen de invloedssfeer van transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A28 ligt en in de buurt van een aardgasbuisleiding. Transport gevaarlijke stoffen Het transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water brengt risico’s met zich mee doordat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Het risico voor personen die verblijven in de omgeving van een dergelijke buisleiding of transportroute wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). Op circa 200 meter van het plangebied ligt de Rijksweg A28 (wegvak G62). De A28 is aangewezen als basisnetroute en is dus een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich buiten het brandaandachtsgebied, maar binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de basisnetroute. Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Onder de Omgevingswet blijft de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s op basis van een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR) bestaan. Het PR is de kans op overlijden van een onbeschermd persoon die continu op één plek aanwezig is als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico en de beoordeling daarvan is onder de Omgevingswet onveranderd.
In het kader van het groepsrisico moet binnen aandachtsgebieden rekening gehouden worden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval. Voor zeer kwetsbare gebouwen (bijv. ziekenhuis, penitentiaire inrichting, kinderdagverblijf) en kwetsbare gebouwen en locaties (bijv. woningen, grote kantoren) is de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 per jaar een grenswaarde (art. 5.7 Bkl) waar niet van afgeweken mag worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is dit een standaardwaarde (art. 5.11 Bkl) waar gemotiveerd van af geweken mag worden. Binnen het plangebied zijn gedurende langere tijd enkele tientallen mensen aanwezig in de horecafunctie. Hierdoor is er sprake van een kwetsbaar gebouw. De onder de voormalige wetgeving gehanteerde groepsrisicografiek (fN-curve) is in de Omgevingswet vervangen door aandachtsgebieden. Een aandachtsgebied is het gebied waarbinnen aanwezigen mogelijk kunnen overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Op basis van de drie 35
typen effecten die kunnen optreden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, worden drie verschillende aandachtgebieden bepaald: -
Brandaandachtsgebied (BAG). Explosieaandachtsgebied (EAG). Gifwolkaandachtsgebied (GAG).
In het geval van basisnetroutes zijn zowel het EAG als het BAG van toepassing. Het brandaandachtsgebied bedraagt 30 meter aan weerszijden van een basisnetroute. Het explosieaandachtsgebied bedraagt 200 meter aan weerszijden van een basisnetroute. Het EAG is de zone waarbinnen onder de voormalige regelgeving verantwoording afgelegd dient te worden over de hoogte van het groepsrisico. Voor transportroutes geldt vooralsnog geen gifwolkaandachtsgebied. Toch wordt in de EV-signaleringskaart hiervoor alvast een afstand van 300 meter weergegeven. Warme BLEVE/Explosie Op basis van de ligging van het plangebied kan sprake zijn van een warme BLVE/explosie. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat hierdoor een vuurbal en een drukgolf, oftewel een explosie. De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Gezien de afstand lijkt er sprake van een aanvaardbaar risico. Toxische wolk Een gifwolk wordt veroorzaakt door het falen van een tankwagen na bijvoorbeeld een botsing. Hier kunnen toxische stoffen direct vrijkomen in een gifwolk of in de vorm van een plas.
Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk ontstaat die over de omgeving kan komen te liggen, afhankelijk van de weersomstandigheden. Afhankelijk van het soort gas, kan het de longen en slijmvliezen aantasten en hoofdpijn veroorzaken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Bij een percentage van de aanwezigen in het aandachtsgebied kan letaal letsel optreden door blootstelling aan deze toxische wolk. De huidige en toekomstige situatie vallen met het beschreven scenario binnen het repressief handelingsperspectief van VNOG. Daarmee is sprake van een aanvaardbare situatie. Spoorlijn ‘Zwolle-Amersfoort’ (basisnetroute 62) Op circa 400 meter van het plangebied ligt een spoorlijn. Deze spoorlijn is aangewezen als basisnetroute en is dus een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich buiten het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Omdat de effecten van deze risicobron verder kunnen reiken dan de planologisch berekende aandachtsgebieden, wordt deze risicobron wel benoemd. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn ze echter niet relevant voor het plangebied. Aardgasbuisleiding Hogedruk aardgasleiding (A-510): Deze aardgasleiding ligt op circa 250 meter van het plangebied en daarmee valt de voorgenomen ontwikkeling volledig binnen het brandaandachtsgebied.
De ontwikkeling ligt niet binnen het belemmeringengebied van 5 meter. Het plan voorziet in de verbouwing van een kiosk buiten de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – kiosk’. Het gebouw heeft een oppervlakte van 280 m2. In het gebouw zullen gelijktijdig enkele 36
tientallen mensen aanwezig zijn. Er is sprake van een kwetsbaar gebouw. Bezoekers van de gelegenheid kunnen zich goed redden bij eventuele calamiteiten. De bestaande wegen en paden lenen zich goed voor het verlaten van de plek bij een eventuele calamiteit. Het aantal mensen binnen het invloedgebied zal overigens na de beperkte uitbreiding van de kiosk niet anders zijn dan in de huidige situatie. De respons van de brandweer voor redding en brandbeheersing, evenals de inzet van een interne hulpverleningsorganisatie, zijn van invloed op de mate van brandveiligheid. Voor dit plan zijn onderstaande interventiekenmerken van toepassing: - Er zijn voldoende bluswatervoorzieningen in de directe omgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Aandachtsgebieden - De planlocatie ligt buiten het brandaandachtsgebied van 30 meter. - De planlocatie ligt buiten het explosieaandachtsgebied van de Rijksweg A28. - De planlocatie ligt binnen het toekomstig gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A28. Formeel is geen toetsing nodig. - De kiosk is geen kwetsbare functie. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is daarom niet verplicht. Verantwoording groepsrisico Er is sprake van een verbouwing van het gebouw maar geen sprake van een toename van bezoekers. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden.
Conclusie Vanuit het aspect ‘Omgevingsveiligheid’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.9 Kwaliteit van de buitenlucht Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is 37
dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, worden volgens artikel 5.54 Bkl de volgende activiteiten bedoeld: - Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruik functies: ten hoogste 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of ten hoogste 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
- Gebouwen met een kantoorfunctie: ten hoogste 100.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, ten hoogste 200.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen. - Zowel gebouwen voor een kantoorfunctie als een woonfunctie: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 die samen opgeteld kleiner of gelijk zijn aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; - Het telen van gewassen in open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt. - Het telen van gewassen in niet-verwarmde kassen of verwarmde kassen niet groter dan 2ha. - Het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, voor zover het gaat om witlofrek of teelt van eetbare paddenstoelen. Analyse De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het uitbreiden van de bestaande kiosk aan de Eperweg 110 in Nunspeet en het toestaan van een horecafunctie. Het betreft geen standaardgeval waarvan gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert. Om die reden moet gemotiveerd worden dat ten gevolge van het project de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3 (3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties).
Om dat aan te tonen is de NIBM tool ingevuld. De uitkomsten zijn in onderstaande tabel weergegeven.
38
Omdat de horeca het mogelijk maakt om, anders dan nu het geval is, ook in de avond de kiosk te bezoeken, zal er sprake zijn van toename van verkeer. Dit leidt echter niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.
5.10 Verkeer en parkeren Kader Vanaf 1 juli 2018 kan er bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan de gemeentelijke parkeernorm. De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan (thans het omgevingsplan). Hiervoor is het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren’ (2021) opgesteld. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik pas verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen zoals deze zijn opgenomen in de meest recente richtlijnen van het CROW. Hierbij wordt de link gemaakt met de Parkeernota van de gemeente Nunspeet. Analyse Bezoekers van de Zandenplas (en dus ook van de kiosk) die met de auto komen kunnen de auto op het eigen terrein van Leisurelands aan de Eperweg parkeren. Dat is nu zo, dat blijft in de nieuwe situatie ook zo. Er zijn geen alternatieve mogelijkheden om met de auto te parkeren in de directe omgeving van het plangebied. Het parkeerterrein heeft 700 tot 750 parkeerplaatsen en is afgesloten met slagbomen. De parkeerplaatsen zijn niet in afgemeten vlakken aangelegd, vandaar een range.
Op de volgende afbeelding is de slagboom zichtbaar. Vanaf de parkeerplaats zjn de Zandenplas en de kiosk te voet te bereiken via de bestaande padenstructuur.
39
Toegang van het terrein.
Het aantal bezoekers per dag wordt automatisch bijgehouden. Uit tellingen blijkt dat zelfs op de drukste tien dagen in 2023 en 2024 vrijwel nooit het aantal van 750 beschikbare parkeerplaatsen wordt benut. In onderstaand overzicht is dat weergegeven.
Drukste bezoekdagen parkeerterrein Zandenplas 2023 -2024.
Op enkele dagen zijn er meer parkeerbewegingen dan het aantal beschikbare parkeerplaatsen in gebruik, maar dat komt voort uit dubbelgebruik van deze plekken. Er zijn bezoekers die ’s morgens komen en ‘s middags vertrekken. Hun plekken worden gedeeltelijk overgenomen door mensen die ’s middags komen en later op de dag vertrekken. De kiosk wordt uitgebreid en krijgt een nieuwe functie. Normaliter vraagt een uitbreiding of wijziging van een functie om een extra parkeeropgave. De parkeeropgave voegt zich dan naar de functie. In voorliggend geval is sprake van een specifieke situatie. Er zijn geen mogelijkheden om het parkeerterrein uit te breiden, dus de aanwezige parkeercapaciteit is bepalend voor het aantal bezoekers dat de kiosk met de auto kan bezoeken. Dat kan alleen als voldoende aannemelijk is dat de parkeervraag van de nieuwe functie zodanig is dat redelijkerwijs kan worden gesteld dat er geen probleem ontstaat. En daar is geen sprake van. Op basis van de nieuwe functie (horeca/restaurant) geldt op basis van de CROW-normen de volgende parkeeropgave: -
Functie: restaurant 40
-
Buitengebied Niet stedelijk Norm 9 pp/ 100 m2
Op basis van een restaurant van 285 m2 geldt een parkeeropgave van 26 (25,65) parkeerplaatsen. In de bestaande situatie is sprake van 500 tot 750 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn niet afgebakend, vandaar een range. Op basis van tellingen is aangetoond dat dit aantal van 750 parkeerplaatsen vrijwel nooit wordt benut. Op sommige dagen wel, doordat sprake is van dubbel gebruik. Voorgaande betekent dat de parkeeropgave van 26 parkeerplaatsen ten gevolge van de nieuwe horecafunctie eenvoudig op eigen terrein (de bestaande parkeerplaats) kan worden opgelost in combinatie met de huidige parkeeropgave. Er is nu overmaat op het parkeerterrein waar gebruik van wordt gemaakt. Daarbij speelt ook dat in de verkeerstellingen al rekening is gehouden met de aanwezigheid van de kiosk, dat de tellingen gelden voor de bestaande situatie in de dag periode en dat in de nieuwe situatie een deel van de bezoekers in de avondperiode komt. Op basis van voorstaande is het voldoende aannemelijk dat parkeren op basis van het plan niet zodanig toeneemt dat de bestaande capaciteit niet volstaat. Voor bezoekers die met de fiets komen is voldoende gelegenheid om de fiets te stallen. Voor fietsers is sprake van vrije toegang. Conclusie Vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.11 Conclusie De diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. Op basis van het wettelijk beoordelingskader en de uitgevoerde onderzoeken is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
41
6. Besluit Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende omgevingsplan. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een wijziging van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. In dergelijke gevallen moet worden aangetoond dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.
6.2 Beoordelingskader De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief BOPA) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMBrichtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is of waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit project valt niet onder één van de in de lijst genoemde categorieën en is daarom niet mer(beoordelings)plichtig.
42
7. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Voorafgaand aan de afgifte van een vergunning moet aangetoond worden welke belanghebbenden op welke manier zijn betrokken in het participatieproces. In het kader van voorliggend plan heeft afstemming plaatsgevonden met belanghebbenden. Deze afstemming is vertaald in bijlage 7, Omgevingsdialoog. Hieruit blijkt dat geen van de belanghebbenden negatief tegenover het plan staat.
7.2.2 Overleg instanties Het TAM-omgevingsplan wordt in het kader van het overleg toegestuurd aan bevoegde instanties. Eventuele reacties worden in deze paragraaf opgenomen.
7.2.3 Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan is ter inzage gelegd door de gemeente. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de zienswijzennota die als bijlage 8 van deze motivering is opgenomen. De zienswijzen hebben niet tot planwijzigingen geleid.
7.3 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
43
8. Toelichting op de regels 8.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze informatie is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het TAMomgevingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een motivering, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De motivering vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de functies aan locaties. Met voorliggend TAM-omgevingsplan worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de locatie ontwikkeld kan worden tot horecagebouw. De regels van het TAM-omgevingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen; Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies; Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
8.2 Opzet regels Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. In verband met de publicatievereisten van een TAM-omgevingsplan wordt er op de verbeelding nog gewerkt met ‘bestemmingen’ in plaats van ‘functies’.
8.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen, deze regels gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit: -
-
artikel 1 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. artikel 2 Toepassing begripsbepalingen: In dit artikel is opgenomen dat de begripsbepalingen uit de wet van toepassing zijn op dit omgevingsplan. artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 44
-
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
8.2.2 Functieregels In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 8.3 van de motivering worden de verschillende functies nader toegelicht.
8.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels over de functies. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: -
Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Artikel 12 Overige regels
8.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 5 staan de overgangsbepalingen. In Artikel 13 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit omgevingsplan.
8.3 Nadere toelichting op de functies Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het omgevingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden in het plangebied. Het omgevingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit TAM-omgevingsplan zijn de volgende functies opgenomen. Artikel 6 Recreatie - Dagrecreatie Ter plaatse van deze functie is extensieve dagrecreatie toegestaan. Binnen deze functie is een aanduiding opgenomen, waar een horecagebouw is toegestaan. In dit gebouw is volwaardige horeca toegestaan. De oppervlakte van bebouwing binnen de functie is maximaal 500 m2, waarbij geldt dat één afzonderlijk gebouw maximaal 300 m2 mag zijn.
Artikel 7 Waarde – Archeologie 2 Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.
45
Bijlagen Bijlage 1. Toets GO Bijlage 2. Voortoets Natura2000 Bijlage 2a Memo compenserende maatregelen Bijlage 3. Ecologische quickscan Bijlage 4. Stikstofonderzoek Bijalge 5. Bodemonderzoek Bijlage 6. Watertoets Bijlage 7. Participatiejournaal Bijlage 8. Zienswijzennota
46
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl