CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5e. TAM-OP H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01 vastgesteld Toelichting

Commissie Ruimte en Wonen 18 mei 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: TAM-IMRO plan Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg16.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

22/44

Omgevingsaspecten

Bestaande situatie Verharding en bebouwing

18.500 m2

Groen / onverhard

21.500 m2

Totaal

40.000 m2

Toekomstige situatie (inschatting) Ca. 16.000 m2 - trafostation: ca. 6.500 m2 - gemeentedepot: 9.500 m2 6.500 m2 randen 17.500 binnen het plangebied 40.000 m2

Verschil - 2.500 m2 (afname verharding) + 2.500 m2 (toename groen/ onverhard)

In de huidige situatie is een groot deel van het plangebied al verhard. Voor de toekomstige situatie is nog geen definitief ontwerp gemaakt en is dus een inschatting gemaakt op basis van het voorlopig ontwerp voor het transformatorstation en is een indicatieve berekening gemaakt voor het gemeentedepot. Bij het transformatorstation worden de delen verhard rondom de bebouwing en de schakeltuin, maar voor het grootste deel zal het terrein ingericht worden met grasland, waar hemelwater kan infiltreren in de grond. Voor het gemeentedepot is ervan uitgegaan dat ongeveer 80% van het functievlak zal worden verhard. De randen rondom het plangebied worden groen/ onverhard. Wanneer deze uitgangspunten worden vergeleken met de bestaande situatie, zal er in totaal sprake zijn van een afname van het verhard oppervlak. De definitieve balans hangt af van de uiteindelijke inrichting van het terrein. Vanuit de regels uit de Keur geldt geen compensatieverplichting bij een afname aan verharding. Vanuit het gemeentelijke beleids- en beheerplan Water en Riolering geldt wel een bergingseis. Zoals hiervoor al aangegeven wordt door de initiatiefnemers in het ontwerp van de definitieve inrichting van het terrein daar rekening mee gehouden.

Grondwaterfluctuatiezone De grondwaterfluctuatiezone betreft een zone op de flanken van de Veluwe waar een verhoogd risico op grondwateroverlast bestaat als gevolg van een verwachte stijging van de grondwaterstand door klimaatsveranderingen. Aan de Hullerweg, vlak bij het plangebied, is een grondwaterstation gelegen. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is 4,14 m boven NAP en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) is 3,62 m boven NAP. Het maaiveld is gelegen op 5,55 m boven NAP. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand nog gemiddeld 1,4m onder het maaiveld bevindt. Mocht enige stijging zich voordoen, dan is dat voor de voorgenomen planontwikkeling niet direct een belemmering. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de grondwaterstanden en wordt voor voldoende drooglegging gezorgd.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

23/44

Omgevingsaspecten

afbeelding 12: grondwaterfluctuatiezone (bron: www.dewatertoets.nl)

4.5.3 Resultaat watertoets Het waterschap maakt gebruikt van het digitale wateradvies via www.hetwateradvies.nl. De vragen bij het wateradvies zijn op 3 oktober 2025 doorlopen. Het resultaat is opgenomen in een rapportage, welke als bijlage 5 bij de toelichting is opgenomen. Uit het wateradvies komt naar voren dat er waterbelangen zijn, in verband met de ligging in de grondwaterfluctuatiezone en de nabijheid van een A-watergang en C-watergang. Dit betekent dat het plan de normale procedure zal volgen. In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met het waterschap. Als aandachtspunt is door het waterschap meegegeven dat voor kabels en leidingen de algemene regel 3.2.19 kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam A geldt. Daarin zijn voorwaarden genoemd waarmee rekening moet worden gehouden. Als niet aan de voorwaarden kan worden voldaan is een watervergunning nodig op basis van de beleidsregel 4.5.7 Kabels en leidingen in een oppervlaktewaterlichaam. Hier wordt bij de verdere uitwerking richting omgevingsvergunning en de aanleg rekening mee gehouden en wordt met het waterschap tijdig afgestemd als dit nodig is. 4.5.4 Conclusie Er is geen sprake van een toename aan verharding. Het uitgangspunt is dat het hemelwater dat valt op de verharding en bebouwing ter plekke zal infiltreren. De ontwikkeling leidt niet tot een toename aan hemelwaterafvoer op de riolering.

De digitale watertoets is doorlopen. Voor het waterschap zijn er aandachtspunten. Er heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden in het kader van het vooroverleg. Dit heeft voor de aanleg van kabels en leidingen nog aandachtspunten opgeleverd, maar niet voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Vanuit het aspect water is geen belemmering voor het plan.

4.6

Natuur

4.6.1 Wettelijk kader In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. 4.6.2 Gebiedsbescherming Voor het plan is ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarin is ingegaan op de gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Het resultaat is beschreven in het rapport ‘Natuurwaardenonderzoek Hullerweg 126-128 Nunspeet’ (Ecofect, 9 september 2024). Het rapport

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

24/44

Omgevingsaspecten

is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Hierna is ingegaan op de bevindingen van het natuurwaardenonderzoek ten aanzien van gebiedsbescherming. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), weidevogelgebied of onder de Wnb beschermde houtopstand. Verdere toetsing daaraan is niet nodig. Het meest nabijgelegen Natura-2000 gebied is de Veluwe op ongeveer 1,1 kilometer afstand. Ondanks dat de beoogde ontwikkelingen van het plan buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor de meeste effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand van 1,1 km te groot is om tot negatieve effecten te leiden op de instandhoudingsdoelstellingen of doelsoorten van de Veluwe. Enkel negatieve effecten vanwege stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is daar nader onderzoek naar gedaan. Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Het TAM-omgevingsplan maakt twee deelontwikkelingen mogelijk, te weten de realisatie van een nieuw transformatorstation en het verplaatsen van het gemeentedepot. Voor de beoordeling van de stikstofdepositie zijn de effecten tijdens de aanlegfase en de effecten na realisatie in de gebruiksfase van belang.

De aanlegfase van beide deelontwikkelingen vindt niet tegelijk plaats. Eerst wordt de nieuwe locatie van het gemeentedepot gerealiseerd, om zo ruimte te maken voor het nieuwe transformatorstation. Nadat dit is gedaan, kan de aanleg van het transformatorstation starten. Voor de gebruiksfase is van belang dat een transformatorstation tijdens het gebruik geen stikstof uitstoot. De gebouwen worden niet verwarmd met gas en het station is onbemand. Zodoende is voor de gebruiksfase enkel de uitstoot vanwege het gemeentedepot van belang. Er is zodoende een stikstofdepositieberekening gemaakt voor de realisatie van het transformatorstation en een berekening voor de realisatie en het in gebruik zijn van het gemeentedepot. Hieronder is op beide onderzoeken ingegaan. Stikstofonderzoek aanleg transformatorstation Voor de aanlegfase van het transformatorstation is een stikstofberekening uitgevoerd (Qirion, september 2025, actualisatie berekeningen oktober 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 10. Uit het onderzoek volgt dat de aanlegfase geen depositie veroorzaak hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Een vergunning Wet natuurbescherming of een Voortoets Natura 2000 is niet noodzakelijk. Stikstofonderzoek aanleg- en gebruiksfase gemeentedepot Voor de aanleg- en de gebruiksfase van het gemeentedepot is een stikstofberekening uitgevoerd (Ecofect, oktober 2025).

Het rapport is opgenomen als bijlage 11. Uit het onderzoek volgt dat de aanlegfase geen depositie veroorzaakt hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Een vergunning Wet natuurbescherming of een Voortoets Natura 2000 is niet noodzakelijk. Er kan worden geconcludeerd dat de gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. 4.6.3 Soortenbescherming Voor het plan is ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarin is ingegaan op de gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Het resultaat is beschreven in het rapport ‘Natuurwaardenonderzoek Hullerweg 126-128 Nunspeet’ (Ecofect, 9 september 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Hierna is ingegaan op de bevindingen van het natuurwaardenonderzoek ten aanzien van soortenbescherming. Vogels Ten aanzien van vogels worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Ten aanzien van specifieke zorgplicht wordt geadviseerd

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

25/44

Omgevingsaspecten

om buiten het broedseizoen te slopen. Indien dit niet mogelijk is moet een broedvogelinspectie worden uitgevoerd. Hier wordt rekening mee gehouden in de uitvoering. Vleermuizen Ten aanzien van vleermuizen kwam uit de quickscan naar voren dat mogelijk vleermuizen voorkomen. Er is daarom een nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen en vliegroutes uitgevoerd (Ecofect, 11 oktober 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 7. De uitkomst van het onderzoek is als volgt: • Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te kappen bomen. • Er zijn geen essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen binnen de grenzen van het plangebied. • Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. • Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie veranderd waardoor (niet-essentiële) lijnelementen verloren gaan. • Er gaan geen verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht. Zoogdieren Ten aanzien van zoogdieren kwam uit de quickscan naar voren dat mogelijk egels en marterachtigen aanwezig konden zijn. Zodoende is een nader onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd (Ecofect, 7 november 2024).

Het rapport is opgenomen als bijlage 8. Uit het onderzoek volgt dat aan te nemen is dat de steenmarter gebruik maakt van de planlocatie. Een vergunning schadelijke handeling flora en fauna-activiteit zou dan ook moeten worden aangevraagd voor het kunnen uitvoeren van de werkzaamheden, om een overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Het is aannemelijk dat deze vergunning wordt verkregen mits de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Overige soorten Ten aanzien van overige soorten werd in de quickscan beoordeeld dat mogelijk de rugstreeppad aanwezig kon zijn. Zodoende is nader onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd (Ecofect 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 9. Het nader onderzoek, bestaande uit bureauonderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de veldbezoeken, gaf geen aanleiding om aan te nemen dat de rugstreeppad gebruik maakt van de planlocatie. Ook zijn er geen waarnemingen gedaan van andere reptielen of amfibieën. Een vergunning flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk voor deze soort. 4.6.3.1 Houtopstanden Wanneer een houtopstand buiten de grenzen van de bebouwingscontour houtkap Omgevingswet (Ow) ligt is artikel 11.111 afdeling 11.3 van kracht en dient kap gemeld te worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom Boswet.

Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde. De kap van bomen wordt getoetst aan het gemeentelijk kapbeleid, te weten de Bomenverordening 2021. Voor het kappen van een boom is geen vergunning nodig als de boom aan de alle volgende voorwaarden voldoet: • geen gemeentelijke boom; • geen boom van 80 jaar of ouder en een minimale levensverwachting van 10 jaar; • geen boom geplant in het kader van herplantverplichting; • geen boom in de boomzone is met een stamomtrek van 120 cm of meer. In de digitale bomenkaart van de gemeente is te zien waar de boomzones zijn en waar de bebouwde komgrens ligt. Daarnaast kunt u zien waar de gemeentelijke bomen, de herplantver-

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

26/44

Omgevingsaspecten

plichtige bomen en de bomen met een leeftijd van 80 jaar en ouder en een minimale levensverwachting van 10 jaar (op de kaart weergegeven als ‘monumentaal’) staan. Een boomzonegebied is een door de gemeenteraad aangewezen gebied met een bosachtig karakter binnen de bebouwde kom. In het plangebied zullen meerdere bomen gekapt moeten worden. De digitale bomenkaart is geraadpleegd en er zijn in het plangebied geen bomen aanwezig waar een kapvergunning voor nodig is. 4.6.4 Conclusie Er zijn geen directe of indirecte negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of op het Natuurnetwerk Nederland. Uit de Aeriusberekeningen volgt dat er geen sprake is van depositie op een Natura-2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek is gebleken dat er voor marterachtigen een omgevingsvergunning flora en fauna activiteit nodig is voor het kunnen uitvoeren van de werkzaamheden in het plangebied. Hiervoor worden de nodige mitigerende en compenserende maatregelen genomen. Dit staat besluitvorming over het omgevingsplan niet in de weg.

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1 Gemeentedepot Een gemeentedepot kent enige verkeersbewegingen. Aangezien het gaat om een verplaatsing van het gemeentedepot binnen afzienbare afstand, zullen de verkeerskundige gevolgen beperkt zijn. Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde weg. De wegen naar het depot beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen te verwerken. 4.7.2 Transformatorstation De realisatie van het transformatorstation heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie. Een transformatorstation is niet permanent bemand en er vindt alleen af en toe controle en onderhoud plaats. Op het terrein is ruim voldoende ruimte voor het parkeren bij onderhoudswerkzaamheden. Er wordt door TenneT wordt gebruik gemaakt van de bestaande aansluiting op de Hullerweg. Ten behoeve van Liander wordt er een extra ontsluiting aan de Hullerweg gerealiseerd. Het plan leidt niet tot een wijziging in de verkeersaantrekkende werking of in de parkeerbehoefte. Er is geen onderzoek nodig. 4.7.3 Conclusie De realisatie van het transformatiestation en de verplaatsing van het gemeentedepot heeft geen negatieve gevolgen op de verkeersveiligheid. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.8

Bedrijven en Milieuzonering

4.8.1 Inleiding De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van de leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Nunspeet de VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

27/44

Omgevingsaspecten

rustige woonwijk en gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot een omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Milieucategorie 1 2

Richtafstand (rustige woonwijk 10 m 30 m

Richtafstand (gemengd gebied 0m 10 m

3.1 3.2

50 m 100 m

30 m 50 m

4.1 4.2

200 m 300 m

100 m 200 m

5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m Tabel 1: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering is een stappenplan omschreven voor de toetsing van het aspect geluid. Hieronder zijn de stappen beschreven. Stap 1 Indien de richtafstand voor de gewenste bedrijfscategorie voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven en is het plan inpasbaar geacht. Stap 2 Indien 'stap 1' niet toereikend is, is het nodig om de geluidbelasting te berekenen. Hiervoor gelden de volgende grenswaarden: • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'rustige woonwijk' van maximaal: o 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Stap 3 en 4 Indien 'stap 2' niet toereikend is, is in de VNG-uitgave nog een stap 3 en zelfs een stap 4 beschreven. In voorliggend rapport wordt hier vooralsnog niet verder op ingegaan. 4.8.2 Betekenis voor het plan Het plangebied ligt aan de rand van de kern Nunspeet.

Rondom het plangebied zijn behalve enkele woonpercelen ook verschillende bedrijven aanwezig en de Dienst Levende Have Politie. En aan de noordzijde is een boomkwekerij gevestigd. Het omgevingstype kan gekwalificeerd worden als ‘gemengd gebied’. De ligging van de woningen is in afbeelding 13 getoond. Voor de gronden van het gemeentedepot is milieucategorie 3.1 opgenomen. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. De bestemmingsgrens van het meest nabijgelegen woonperceel ligt op 27 meter afstand van de grens van de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Het woonperceel ligt zodoende voor een heel klein deel binnen de richtafstand. De woning zelf ligt ruim buiten de richtafstand. Aan deze zijde van het plangebied komt een keerwand binnen de bedrijfsbestemming, van 3,5m hoog. Dit zal bijdragen aan het beperken van geluidhinder afkomstig van het gemeentedepot. De situatie wordt inpasbaar geacht door de gemeente.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

28/44

Omgevingsaspecten

Het transformatorstation zal een totaal opgesteld vermogen bezitten van 240 MVA. Dit valt in milieucategorie 4.2 (elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen van 100 t/m 1.000 MVA) (zie Tabel 2). Voor milieucategorie 4.2 geldt een richtafstand van 200 m in het gebiedstype gemengd gebied. Binnen deze afstand zijn meerdere woningen gelegen, zowel aan de noordzijde, westzijde en zuidzijde. De aspecten geluidhinder en gevaar zijn bepalend voor de toetsing van de inpasbaarheid. In onderstaande paragrafen zijn de aspecten ‘geluid’ (par. 4.8.2.1) en ‘gevaar’ (par. 4.8.2.2) beoordeeld voor de woningen in de richtafstanden.

afbeelding 13: afstand tot woningen (geel) tot de bedrijfsfuncties in het plangebied )

Tabel 2: milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

4.8.2.1 Beoordeling aspect geluid Voor de beoordeling van de inpasbaarheid van de ontwikkeling is gebruik gemaakt van de stapsgewijze benadering zoals beschreven in paragraaf 4.8.1. Er is door Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd (‘Akoestisch onderzoek Transformatorstation Hullerweg Nunspeet’, d.d. 1 februari 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 12. In paragraaf 4.9.2 is nader ingegaan op de toets aan de grenswaarden uit de VNG-richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ en het geluidaandachtsgebied. In het onderzoek is geconcludeerd dat zowel met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT als met betrekking tot de maximale geluidniveaus LAmax wordt voldaan aan de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor de details wordt verwezen naar paragraaf 4.9.2.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

29/44

Omgevingsaspecten

4.8.2.2 Beoordeling aspect gevaar In paragraaf 4.8.2 is aangegeven dat er ook een hinderafstand vanwege gevaar is bij een elektriciteitsdistributiebedrijf. Deze afstand bedraagt 50 meter. De omliggende woningen staan allen op meer dan 50 meter afstand, de dichtstbijzijnde woning staat op ongeveer 75 meter van de grens van de inrichting. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Het gevaar dat op een transformatorstation eventueel kan optreden is bij een mogelijke storing. Storingen ontstaan wanneer er in een transformator kortsluiting ontstaat. Van de vijfhonderd transformatoren in het net van Liander is er per jaar ongeveer één waar een storing optreedt. Door de keten van opeenvolgende veiligheidsmechanismen schakelt de transformator meteen uit. Eens per tien jaar komt het voor dat een transformator een dusdanige storing heeft dat hij zichtbaar kapot is. Zo’n destructieve storing is in de directe omgeving van de transformator te horen. De klap is het gevolg van de stalen behuizing die wordt ontzet. De behuizing is zo ontworpen dat hij gecontroleerd scheurt en niet uit elkaar barst. Het is niet mogelijk dat bij een destructieve storing stukken metaal of olie buiten de transformatorruimte terecht komen. De olie die in dat geval uit de gescheurde behuizing loopt, wordt veilig opgevangen in de lekbak onder de transformator.

Deze storing is wel hoorbaar, maar er is geen gevaar voor de omgeving. Op de grens van de inrichting is de kleinste afstand 75 meter en de nieuwe transformatoren komen op nog grotere afstand te staan. Ook worden de transformatoren afgeschermd door de wanden van de transformatorruimten. De open zijde van de transformatorruimte is van woningen afgekeerd. Er is geen sprake van een gevaar voor de omgeving. De ontwikkeling is inpasbaar. 4.8.3 Conclusie Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.9

Geluid

4.9.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet krijgen gemeenteraden vergaande mogelijkheden om geluidnormen op te nemen in het omgevingsplan. Hiervoor heeft het Rijk instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder te noemen: Bkl). Deze instructieregels verplichten gemeenten om geluidnormen op te nemen in het omgevingsplan met als doel het normeren van 'activiteiten' die geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) kunnen veroorzaken. De instructieregels krijgen pas — voor burgers en bedrijven —juridisch normerende werking als zij vertaald zijn naar omgevingsplanregels. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het nieuwe deel van het omgevingsplan is eerst nog leeg (met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht). Gedurende de overgangsfase (die eind 2031 afloopt) zal het nieuwe deel worden gevuld met de nieuwe, door de gemeente te bepalen, regels voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan is het omgevingsplan dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024) direct aanwezig is op grond van het overgangsrecht.

Het 'tijdelijke deel' bestaat uit: • de bestaande planologische regels, zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en gemeentelijke verordeningen; • rijksregels over activiteiten (aangeduid als 'bruidsschat'). Deze rijksregels zijn onder de Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen verhuisd. De regels in het voormalige Activiteitenbesluit behoren ook daartoe. Het gebruiken van "niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA 0f meer" wordt onder de Omgevingswet aangemerkt als een "activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken" (zie Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), artikel 5.78b, lid 1 onder c).

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

30/44

Omgevingsaspecten

Voor dergelijke activiteiten moeten de volgende gegevens worden vastgesteld: 1. een industrieterrein (de begrenzing van het terrein waarop de genoemde activiteiten mogen plaatsvinden); 2. een geluidaandachtsgebied (de begrenzing van het gebied waarbinnen nieuwe ontwikkelingen moet worden getoetst aan de randvoorwaarden voor geluid rekening houdend met het industrieterrein); 3. geluidproductieplafonds (GPP's) in gedefinieerde geluidreferentiepunten (GRP's). De GPP's zijn de geluidnormen in het omgevingsplan voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. De GPP's moeten daarom worden opgenomen in het omgevingsplan. De bijbehorende gegevens moeten worden vastgelegd in het geluidregister. Het geluidregister voor industrieterreinen bevat in ieder geval het volgende: • de waarde van de GPP's en de ligging van de GRP's; • de aanduiding van het besluit waarmee het GPP is vastgesteld; • de geluidbrongegevens; • het geluidaandachtsgebied; • voor elk kalenderjaar het optredende geluidniveau op de GRPs. Voor 'industrieterreinen' dienen een geluidaandachtsgebied en geluidproductieplafonds (GPP's) in gedefinieerde geluidreferentiepunten (GRP's) te worden vastgesteld. Deze gegevens dienen opgenomen te worden in het geluidregister. De GRP’s dienen opgenomen te worden in het Omgevingsplan. Ook mag het geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan worden opgenomen.

4.9.2 Akoestisch onderzoek Er is door Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd (‘Akoestisch onderzoek Transformatorstation Hullerweg Nunspeet’, d.d. 1 februari 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 12. In het onderzoek is ingegaan op de toetsing aan de regels van de VNG-richtlijn Bedrijven en milieuzonering’. In deze paragraaf is ingegaan op de toets aan de regels van de Omgevingswet en het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. De in het omgevingsplan opgenomen GRP’s zijn gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek. 4.9.2.1 Uitkomsten onderzoek Het transformatorstation wordt in twee fases ontwikkeld tot de maximale invulling waar het TAM-omgevingsplan van uitgaat. Pas na realisatie van fase 2 (eindsituatie) wordt het gelijktijdig maximaal te schakelen elektrisch vermogen in de buitenlucht van het transformatorstation hoger dan 200 MVA. Tot die tijd gelden de in de ‘bruidsschat’ opgenomen geluidnormen als overgangsrecht. Deze geluidgrenswaarden zijn weergegeven in artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. In de onderhavige situatie is alleen tabel 22.3.1 van dit artikel van toepassing. Ter verduidelijking, de voor fase 1 geldende geluidgrenswaarden die in artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Nunspeet zijn opgenomen, zijn in principe gelijk aan de normen zoals die waren opgenomen in het voorheen geldende Activiteitenbesluit.

Hieronder is eerst ingegaan op de toetsing aan de grenswaarden uit de VNG-richtlijn. In de eindsituatie dienen voor het station geluidproductieplafonds (gpp’s) te worden vastgesteld. Zie paragraaf 4.9.2.2 voor de toetsing van deze fase. Uit het onderzoek blijkt dat de ten gevolge van het onderstation optredende geluidbelasting ter plaatse van woningen maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde bedraagt, inclusief een eventuele toeslag voor tonaal geluid (NB. De hoogst belaste woning maakt in het huidige bestemmingsplan nog onderdeel uit van het bedrijventerrein maar krijgt nu een woonbestemming). De vanwege de vermogensschakelaars bij 'gevoelige gebouwen' optredende 'maximale geluidniveaus' bedragen ten hoogste circa 62 dB(A). Deze 'maximale geluidniveaus' treden normaliter alleen in de dagperiode op.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

31/44

Omgevingsaspecten

Zowel met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT als met betrekking tot de maximale geluidniveaus LAmax wordt voldaan aan de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. De geluidcontouren in de eindsituatie zijn getoond in afbeelding 14. Ook is vastgesteld dat er geen 'geluidgevoelige bestemmingen' binnen het geluidaandachtsgebied aanwezig zijn. Op basis van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat sprake is van een uit akoestisch oogpunt planologisch inpasbare situatie.

afbeelding 14: geluidcontouren transformatorstation eindsituatie (bron: Peutz, februari 2024)

4.9.2.2 Op te nemen geluidaandachtsgebied Het totaal gelijktijdig te schakelen transformatorvermogen zal in de eindsituatie hoger worden dan 200 MVA en in de open lucht zijn opgesteld, waardoor het transformatorstation wordt beschouwd als een activiteit die 'in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken'. Het gebied waar het transformatorstation is toegestaan (aangeduid met een functieaanduiding), wordt gezien als 'industrieterrein', waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan. Voor het 'industrieterrein' zijn dan ook een geluidaandachtsgebied en geluidproductieplafonds (GPP's) in gedefinieerde geluidreferentiepunten (GRP's) te worden vastgesteld. De betekenis van het geluidaandachtsgebied is dat nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld de bouw van geluidgevoelige gebouwen) binnen het geluidaandachtsgebied specifiek moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Hiervoor zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.78s lid 3 t/m 5 Bkl). De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw gelden voor industrieterreinen zijn 50 dB Lden en 40 dB Lnight (standaardwaarde volgens tabel 5.78t Bkl), respectievelijk 55 dB Lden en 45 dB Lnight (grenswaarde volgens tabel 5.78u Bkl). Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel.

Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan wel voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78u tot en met 5.78ad Bkl)

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

32/44

Omgevingsaspecten

De grootte van het industrieterrein bepaalt de onderlinge afstand van de geluidreferentiepunten (GRP's) en de afstand tot de grens van het industrieterrein. In dit geval bedraagt de oppervlakte van het industrieterrein circa 24.480 m². De onderlinge afstand en de afstand van de GRP's tot het industrieterrein bedraagt dan circa 75 m. In afbeelding 15 is de ligging van de GRP's weergegeven (in totaal 15 punten). Het geluidaandachtsgebied is op de verbeelding opgenomen middels de gebiedsaanduiding ‘geluidaandachtsgebied’.

afbeelding 15: ligging geluidreferentiepunten (GPR’s) (bron: Peutz, februari 2024)

In de GRP's worden de geluidproductieplafonds (GPP's) berekend. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: − berekening op een hoogte van 4 m; − een gemiddelde maaiveldhoogte (relevant bij geaccidenteerd terrein; in dit geval niet relevant); − het bodemgebied buiten het industrieterrein volledig absorberend (B = 1) en er wordt geen rekening gehouden met bebouwing buiten het industrieterrein. Voor wat betreft de bodemdemping van het terrein van het industrieterrein zelf wordt uitgegaan van de werkelijke situatie (in dit geval volledig hard); − uitgaan van het rekenmodel (emissiemodel) waarmee het geluidaandachtsgebied is bepaald (met uitzondering van het bodemgebied buiten het industrieterrein); − per GRP wordt de Lden en de Lnight vastgelegd als GPP. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de GPP’s worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van één decimaal. In tabel 3 zijn de berekende GPP’s weergegeven inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

33/44

Omgevingsaspecten

Tabel 3: overzicht geluidproductieplafonds (GPP’s) (bron: Peutz, februari 2024)

De vastgestelde GPP’s gelden als maximale waarde voor de activiteiten op het industrieterrein. Daarmee wordt de geluidemissie van het industrieterrein beperkt (alle nieuwe activiteiten zullen moeten worden getoetst aan de GPP’s). Overigens gold een dergelijke beperking ook al in de systematiek volgens de Wet geluidhinder (de geluidbelasting van het hele industrieterrein mocht niet hoger zijn dan 50 dB(A) op de zonegrens). 4.9.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen voldoet aan de geldende grenswaarden. Ook is een geluidaandachtsgebied bepaald op basis van het akoestisch onderzoek. Dit geluidaandachtsgebied is vastgelegd op de verbeelding met een gebiedsaanduiding. Daarmee is geregeld dat de geluidbelasting vanwege het transformatorstation niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen op de grens van de zone. Binnen het geluidaandachtsgebied zijn geen geluidgevoelige functies gelegen. Er wordt voldaan aan de regels uit de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving en de regels uit artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. Vanuit het aspect geluidhinder is er geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10

Magneetvelden

4.10.1 Algemeen Dit onderwerp is enkel relevant voor het nieuwe transformatorstation, het gemeentedepot bezit geen elementen met magneetvelden. Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC).

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

34/44

Omgevingsaspecten

De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen daarnaast op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie en langdurige nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband is er sinds 2005 voorzorgbeleid voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen geformuleerd door het Rijk. In april 2023 heeft de Minister voor Klimaat en Energie dat voorzorgbeleid herijkt (Kamerbrief voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen, kenmerk: DGKE-DRE / 26746813, d.d. 21-04-2023). Het herijkte beleid is van toepassing op alle netcomponenten van het hoogspanningsnet (bovengrondse hoogspanningsverbindingen, ondergrondse hoogspanningskabels en hoogspanningsstations). De doelstelling van het voorzorgbeleid is om de blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten, waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Dit wil de Minister bereiken door het nemen van proportionele bronmaatregelen bij de aanleg van nieuwe netcomponenten of het wijzigen van bestaande netcomponenten, waardoor de magneetvelden van deze netcomponenten zo klein mogelijk worden gehouden dan wel worden verminderd. Voor bovengrondse verbindingen geldt daarnaast het advies om afstand te houden tot gevoelige bestemmingen.

Voor ondergrondse hoogspanningskabels en -stations geldt dit advies om afstand te houden niet en acht de Minister het voldoende om enkel de proportionele bronmaatregelen te treffen. Deze bronmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 2 behorend bij het herijkte voorzorgbeleid. 4.10.2 Betekenis voor het plan Liander en TenneT volgen het beleidsadvies van de Minister en zullen in dit project de in het advies opgenomen bronmaatregelen treffen. De ligging van de bovengrondse hoogspanningsverbinding wijzigt niet in dit plan. Het plan leidt er niet toe dat er meer gevoelige bestemmingen komen te liggen binnen de specifieke magneetveldzone van de bovengrondse verbinding. Onderstaande bronmaatregelen zullen zoveel als mogelijk worden toegepast: • Bronnen van magneetvelden op afstand plaatsen; • In een driehoek leggen van kabels of 3-fasenkabels om de omvang van het magneetveld te verlagen; • Het verkleinen van de afstand tussen geleiders (elektriciteitsdraden); • Voorkomen dat geleiders langs wanden of plafond van stations worden aangelegd. Het (herijkte) voorzorgbeleid van het Rijk ziet op langdurige blootstelling. Voor alle netcomponenten geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd.

Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT en Liander wordt deze limiet nergens overschreden.

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

35/44

Omgevingsaspecten

4.11.2 Conclusie Het gemeentedepot betreft een verplaatsing en heeft geen significante verkeersgevolgen. Het transformatorstation is onbemand. Het TAM-omgevingsplan leidt daarom niet tot een significante toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende “niet in betekenende mate” bij en er is geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.12

Omgevingsveiligheid

4.12.1 Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het plan is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Zie afbeelding 16 voor de uitsnede. De enige risicobron in de nabijheid van het plangebied is een buisleiding van Gasunie op ruim 300 m afstand. Een heel klein deel van het plangebied valt binnen het brandaandachtsgebied.

Verder zijn geen risicobronnen in de buurt. Het plan maakt de verplaatsing van het gemeentedepot en een nieuw transformatorstation mogelijk. Beide zijn geen kwetsbaar object. Daar komt bij dat op zowel het gemeentedepot als op het transformatorstation geen mensen voor langere duur verblijven. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

36/44

Omgevingsaspecten

Om te bepalen wat het effect is van de nieuw te leggen elektriciteitsinfra op de buisleiding van Gasunie is een weerstandsberekening uitgevoerd door Liander. Uit de berekening blijkt dat de veilige afstand ten opzichte van de buisleiding ongeveer 80 meter bedraagt. De buisleiding ligt op ongeveer 200 meter afstand van het plangebied. Daarmee is gebleken dat ruimschoots wordt voldaan aan NEN 3654 en dat er geen aanvullende acties noodzakelijk zijn.

afbeelding 16: uitsnede Atlas Leefomgeving met de buisleiding als paarse lijn aangegeven (bron: Atlas Leefomgeving)

4.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het TAM-omgevingsplan.

4.13

Besluit milieueffectrapportage

4.13.1 Wettelijk kader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. 4.13.2 Betekenis voor het plan Het TAM-omgevingsplan maakt een transformatorstation mogelijk. Het transformatorstation kent een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200 MVA (type C inrichting). Daarom vormt het transformatorstation een zogeheten ‘gezoneerd industrieterrein’ voor de vestiging van een ‘grote lawaaimaker’. De activiteit valt onder categorie J10 ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’. De drempelwaarde bedraagt 75 hectare. Het transformatorstation is in

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

37/44

Omgevingsaspecten

haar totaliteit circa 2 hectare m2 groot en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct mer-plichtig. Wel is een mer-beoordeling voor het plan nodig. Deze mer-beoordeling is uitgevoerd en opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Op grond van de beoordeling is het niet te verwachten dat het vaststellen van het plan leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

38/44

Toelichting op de regels

5

Toelichting op de regels

5.1

Algemeen

Door de komst van de Omgevingswet stellen alle gemeenten een omgevingsplan vast. Hierin komt een grote hoeveelheid regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. Denk aan regels over bouwen, gebruik van gebouwen, monumenten, water en milieubelastende activiteiten. Vanaf de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, heeft Nunspeet automatisch een tijdelijk omgevingsplan ‘van rechtswege’ gekregen. Daarin staan de huidige bestemmingsplannen nog gewoon zoals ze waren. Samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gaan.

5.2

Verhouding tijdelijk omgevingsplan - TAM-omgevingsplan

Het tijdelijk omgevingsplan is gepubliceerd met een nieuwe digitale standaard (STOP-TP), waardoor het nog niet mogelijk is daarin wijzigingen van het omgevingsplan te publiceren. Daarom is er de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarmee wijzigingen van het omgevingsplan tijdelijk worden gepubliceerd via de oude digitale standaard (IMRO). • • •

Een TAM-omgevingsplan is juridisch gezien een wijziging van het omgevingsplan, maar digitaal gezien een zelfstandig plan. Een TAM-omgevingsplan wordt toegevoegd aan het omgevingsplan als hoofdstuk 22A, 22B enz. Het TAM-omgevingsplan sluit aan op de systematiek van de basisregeling.

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een toetsingskader voor activiteiten en ingrepen in de fysieke leefomgeving en een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht. Dit TAM-omgevingsplan vormt een partiële aanvulling, waarmee een regeling voor het plangebied aan het (tijdelijke) omgevingsplan gemeente Nunspeet wordt toegevoegd. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Nunspeet wordt het als hoofdstuk 22a toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Nunspeet gelezen te worden. In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig aangeduid, dat het mogelijk is om met behulp van de legenda direct te zien welke functies op de gronden binnen het plangebied zijn toegestaan en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.

De regels geven duidelijkheid over de functieomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

39/44

Toelichting op de regels

5.3

Nadere toelichting op de regels

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende bepalingen 2. Functieregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels 5.3.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavig plangebied, met uitzondering van die regels waarvan dit specifiek is aangegeven. De begrippen werken aanvullend op artikel 1.1 uit het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. Ook zijn in Artikel 2 meet- en rekenbepalingen opgenomen waaruit blijkt hoe bijvoorbeeld de bouwhoogte of de goothoogte moet worden bepaald. 5.3.2 Hoofdstuk 2: Functieregels In hoofdstuk 2 zijn de toegelaten functies en gebruiksdoelen opgenomen. Bedrijventerrein (artikel 3) Voor de gronden waar het gemeentedepot en het transformatorstation komen is de functie ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. In algemene zin zijn ter plaatse van deze functie bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan, waaronder ook een gemeentewerf/gronddepot valt. Specifiek voor de gronden waar het transformatorstation zal komen, is de aanduiding ‘overige zone – activiteit transformatorstation' opgenomen.

Hier is tevens een elektriciteitsstation van maximaal milieucategorie 4.2 toegestaan. Hiermee is het gewenste opgesteld transformatorvermogen van 240 MVA mogelijk gemaakt. Binnen de bestemming is een grote lawaaimaker toegestaan (bedrijf zoals genoemd in onderdeel D, Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht). Het TAM-omgevingsplan heeft een flexibele opzet qua bouwmogelijkheden. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het hele functievlak worden gebouwd. De functie kent bouwregels voor het gemeentedepot en bouwregels specifiek voor het transformatorstation die gekoppeld zijn aan de ‘overige zone – bouwregel transformatorstation’. De gronden waar het gemeentedepot komt, mogen voor 50% bebouwd worden. Hier geldt voor gebouwen een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. Voor erfafscheidingen geldt een maximum bouwhoogte van 3 meter en voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 8 meter. De gronden waar het transformatorstation komt, mogen voor 100% bebouwd worden. Er geldt een maximum bouwhoogte voor gebouwen van 8 meter. Ook geldt hier de mogelijkheid om voorzieningen voor bliksemafleiding en portalen te bouwen van maximaal 25 meter hoog en voor overige bouwwerken geldt een maximum bouwhoogte van 12 m.

Natuur – Houtwal (artikel 4) De randen van het plangebied hebben de functie ‘Natuur – Houtwal’. Het gaat om de bestaande houtwal aan de rand en voor een deel om een nieuwe groenzone. Binnen deze functie zijn geen gebouwen toegestaan. Wel zijn bouwwerken tot 2 meter hoog toegestaan. Verkeer – Verblijfsgebied (artikel 5) De twee toegangswegen hebben de functie ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Hier zijn enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, zoals lichtmasten. Leiding – Hoogspanningsverbinding (artikel 6) De bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt afgebroken en gaat ter hoogte van de grens van het plangebied onder de grond via een opstijgpunt. Rond het deel van de bo-

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

40/44

Toelichting op de regels

vengrondse hoogspanningsverbinding en het opstijgpunt is de functie ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen. Voor de rest van het plangebied vervalt de bestaande dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ 5.3.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde. Het gaat om: Toepassingsbereik (artikel 7) In artikel 7 is aangegeven hoe het voorliggende TAM-omgevingsplan moet worden gelezen en hoe het zich verhoudt tot het Omgevingsplan gemeente Nunspeet. Anti-dubbeltelregel (artikel 8) Op grond van de antidubbeltelregel (artikel 8) is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing. Toepassingsbereik Bouw- en gebruiksactiviteiten (artikel 9) Artikel 9 maakt duidelijk dat alleen de bouw- en gebruiksactiviteiten zijn toegestaan die zijn opgenomen in de regels.

Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten (artikel 10) Artikel 10 geeft aan voor welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag een binnenplanse omgevingsvergunning mag verlenen. Dynamische beleidsverwijzingen (artikel 11) In artikel 11 is een dynamische beleidsverwijzing opgenomen voor parkeren. Bij verlening van een omgevingsvergunning dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 5.3.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. Locatiegericht overgangsrecht (artikel 12) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 13) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

41/44

Economische uitvoerbaarheid

6

Economische uitvoerbaarheid

6.1

Financiële haalbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

6.2

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De realisatie van het gemeentedepot is gedekt in de gemeentelijke begroting. De financiële uitvoerbaarheid van is daarmee voldoende gewaarborgd. De realisatie van het transformatorstation komt voor rekening en risico van Liander. Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit TAM-omgevingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit. Daarnaast wordt ook het risico op planschade door de ontwikkelende partij gedragen, wat wordt vastgelegd in een planschadeverhaalovereenkomst. Voor dit deel zijn er geen te verhalen kosten.

6.3

Conclusie

Gezien de tussen de gemeente en Liander initiatiefnemer gesloten overeenkomst ten aanzien van planschade en het ontbreken van verhaalbare kosten voor de gemeente, wordt het project financieel uitvoerbaar geacht.

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

42/44

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Participatie

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen aan de Hullerweg heeft de gemeente contact gezocht met de direct omwonenden van het plangebied. Centraal in deze plannen staan de realisatie van een nieuw elektriciteitsstation door netbeheerders Liander en TenneT, en de verplaatsing van een deel van het bestaande gemeentedepot. Om bewoners goed te informeren en te betrekken, organiseerde de gemeente op donderdagavond 10 oktober een informatiebijeenkomst in het gemeentehuis. Deze avond werd breed gedragen: naast de gemeente waren ook Liander, TenneT, de GGD en diverse specialisten op het gebied van geluid en ruimtelijke ordening aanwezig. De uitnodiging voor deze bijeenkomst werd persoonlijk verstuurd aan omwonenden en daarnaast aangekondigd via een persbericht in de Huis-aan-Huis krant en op sociale media. Op deze manier werden ook breder geïnteresseerden op de hoogte gebracht. Tijdens de bijeenkomst kregen bezoekers de gelegenheid om zich uitgebreid te laten informeren over de aard en impact van de voorgenomen ontwikkelingen. Via informatiebanners en posters werd visueel inzicht geboden in de plannen, en vakspecialisten stonden klaar om toelichting te geven en vragen te beantwoorden. Bovendien was er ruimte voor bewoners om hun meningen, zorgen en suggesties te delen, zodat deze konden worden meegenomen in de verdere uitwerking van het project.

Tijdens het inloopmoment kwamen er verschillende zorgen naar voren, vooral over het geluid dat het elektriciteitsstation zou produceren en de mogelijke effecten van magneetvelden. Om hierop in te spelen, organiseerde Liander op verzoek van de omwonenden een bezoek aan een bestaand transformatorstation. Tijdens dit bezoek kregen bewoners uitleg over de werking van het station en het geluidsniveau dat ermee gepaard gaat. Gedurende het hele traject is het gesprek met de omgeving actief voortgezet. Er vonden meerdere keukentafelgesprekken plaats bij bewoners thuis of gesprekken op het gemeentehuis, zowel met als zonder vertegenwoordiging van Liander. In deze persoonlijke gesprekken kwamen onderwerpen als geluid, magneetvelden en perceelsgrenzen uitgebreid aan bod. Bij het uitzetten van de perceelsgrenzen werd duidelijk dat dit niet overeen kwam met de feitelijke situatie. In overleg met de betreffende omwonenden hebben er grenscorrecties plaatsgevonden. Tijdens de gesprekken werd er ook extra toelichting gegeven op de werking van magneetvelden, zowel van de transformatoren als van de verbinding met Harderwijk. Het akoestische rapport werd in begrijpelijke taal uitgelegd. In het kader van het landschapsplan werd direct omwonenden gevraagd mee te denken over de landschappelijke inpassing.

Een veelgehoorde wens was het terugbrengen van een groene structuur rondom het nieuwe gemeentedepot. Deze wens is serieus genomen en inmiddels verwerkt in het definitieve landschapsplan.

7.2

Vooroverleg

Ten behoeve van het vooroverleg is het TAM-omgevingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners (o.a. de provincie Gelderland en het waterschap Vallei en Veluwe). Er is ambtelijk

TAM-omgevingsplan H22a Transformatorstation en gemeentedepot Hullerweg 01, Vastgesteld

43/44

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

overleg geweest over de inhoud van het plan met de provincie en het waterschap en er zijn naar aanleiding daarvan wijzigingen doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan.

7.3

Zienswijzen

7.3.1 Nota zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft voor zes weken ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen op het plan ingediend. Een samenvatting van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie hierop zijn beschreven in de Nota zienswijzen. Deze is opgenomen als bijlage 14. Een van de zienswijzen heeft geleid tot een wijziging van de regels, welke hieronder zijn opgesomd. Daarmee zal sprake zijn van een gewijzigde vaststelling. 7.3.2 Overzicht wijziging van het TAM-omgevingsplan Zienswijzen Liander/TenneT: • Regels, artikel 3.4.3: termijn is gewijzigd van 2 jaar na onherroepelijk worden van het TAMomgevingsplan in 12 maanden na ingebruikname van het transformatorstation: “Het is in ieder geval verboden zonder omgevingsvergunning de gronden of bouwwerken zoals aangeduid in het beplantingsplan in Bijlage 3 Landschappelijke inpassing transformatorstation gebruiken, zonder dat de beplanting in het beplantingsplan uit Bijlage 3 binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit deel van het omgevingsplan 12 maanden na ingebruikname van het transformatorstation is aangelegd en ingericht zoals in de bijlage is beschreven en vervolgens duurzaam in stand wordt gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16842059/1