CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5e. Motivering Plaggebaan 13 13a

Commissie Ruimte en Wonen 13 april 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Plaggebaan 1324.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ook de bouw heeft te maken met de stikstofregels. Bouwprojecten moeten stikstofuitstoot beperken, met maatregelen die proportioneel zijn voor het verwachte effect. Voor verdere uitleg zie de samenvatting in Bijlage 3. 6.1.2 Situatie Plaggebaan 13-13a te Elspeet Het plan ligt op ca. 48 m ten van Natura 2000-gebied Veluwe. Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel.

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe (groen) Bron: Pdok2025

Gezien de afstanden zijn directe effecten op beschermde habitats en soorten niet op voorhand uit te sluiten. Het gaat echter niet om nieuwe activiteiten. Ook in de bestaande situatie zijn twee woningen aanwezig. Negatieve effecten

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

13

Versie: 9 mei 2025

worden dan ook niet verwacht. Indirecte effecten kunnen plaatsvinden door bijv. stikstofdepositie (externe werking). De Veluwe heeft diverse habitats die gevoelig zijn voor stikstof. Mogelijk geeft het gebruik en/of de aanleg van het plan een stikstofdepositie groter dan 0.00 mol/ha/jaar. Om dit in beeld te brengen wordt een separate notitie opgesteld.

6.2

Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)

Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur en onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelingszones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied ligt (ruim) buiten het GNN en de GO. Planrealisatie heeft daarmee geen negatieve en eerder positieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een ontheffing zijn niet nodig.

Ligging plangebied ten opzichte van GNN (groen) & GO (bruin)

Daarnaast ligt het plangebied binnen de Gelderse streek Veluwe. In de Omgevingsverordening Gelderland staat (Afd. 5.3) dat bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Gezien de ligging, de indeling en de aard van de werkzaamheden zal het plan geen aantasting van de kernkwaliteiten veroorzaken.

6.3

Beschermde houtopstanden

Ter bescherming van bos, natuur en landschap is in de Ow ook bescherming opgenomen voor houtopstanden. Dat is breder dan alleen bos en omvat ook bijv. hakhout, griend of struiken die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals beschreven in afd. 11.3 Bal. Buiten de kom gaat het dan om houtopstanden vanaf 10 are (1000 m 2) of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Bevoegd gezag zijn meestal Gedeputeerde Staten van de provincie. Afhankelijk van de aanvraag en het beleid kan het zijn dat er een herplantplicht wordt opgelegd. In deze situatie is geen sprake van houtkap en er worden geen houtopstanden beschadigd door geplande werkzaamheden.

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

14

Versie: 9 mei 2025

7 Samenvatting en conclusies 7.1

Algemeen

Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd onder de Omgevingswet. Er zijn beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is alleen mogelijk als duidelijk is dat beschermde nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significant negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd aan de Plaggebaan 13-13a te Elspeet, gemeente Nunspeet. Doel is het perceel aan de Plaggebaan 13/13a her in te richten. Het plan is van de Plaggenbaan 13 een kleine woning te maken en van 13a een reguliere woning op een gewijzigde locatie. Een aantal bijgebouwen wordt gesloopt en er komen twee nieuwe kleinere bijgebouwen terug. Plan is een herschikking van het perceel waarbij één woning verbouwd en de andere woning verplaatst wordt. Verder worden de schuren gesloopt en twee nieuwe bijgebouwen gerealiseerd.

Uit de quickscan moet blijken of de realisatie van het plan gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden.

7.2

Beschermde soorten

Op het perceel is gekeken naar beschermde soorten en verblijfplaatsen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen, marters en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Alle gaten en kieren rondom de woningen als ook de schuren zijn dichtgezet met pur. Alleen aan de kopse kanten is via de ventilatieopeningen van de kantpannen toegang voor vleermuizen tot het dak. De kans op verblijfplaatsen van vleermuizen is waarschijnlijk niet groot, maar kan zeker niet worden uitgesloten. Daarom is nader onderzoek nodig conform het vleermuisprotocol. Voor de kleine marterachtigen wordt niet voldaan aan de drie V’s. Kleine marters worden hier niet verwacht. Voor zowel de vleermuis als de marterachtigen zijn overigens geen uitwerpselen, voedselresten, sporen of verblijfplaatsen gevonden. Tijdens het locatiebezoek zijn vermoedelijke twee nestlocaties van de huismus aangetroffen. Twee roepen mannetjes zijn gezien en gehoord in de dakgoot van woning met nummer 13. Beide mussen zaten aan de kopse kant, links en rechts. Vervolg onderzoek, in de periode april-mei, is nodig om aan te tonen óf uit te sluiten om wat voor nestplaatsen het gaan en of er nog meer zijn. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene en de specifieke zorgplicht altijd van kracht.

7.3

Beschermde gebieden

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep wel negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op 48 m afstand. Het plangebied ligt op vrij korte afstand van Natura 2000-gebied Veluwe. Omdat er ook in de bestaande situatie sprake is van twee woningen worden directe effecten van het plan niet

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

15

Versie: 9 mei 2025

verwacht. Wel is het advies onnodige verlichting richting Natura 2000 gebied zoveel mogelijk te voorkomen. Indirecte effecten zoals externe werking door stikstofemissies is niet op voorhand uit te sluiten. Eventuele toename van stikstofdepositie dient voor elk project afzonderlijk te worden beoordeeld. Indien deze toename groter is dan 0,00 mol/ha/jaar, is een voortoets of een passende beoordeling noodzakelijk en kan een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten vereist zijn. Voor het berekenen van de stikstoftoename tijdens zowel de aanleg- als gebruiksfase, wordt gebruik gemaakt van het onlineprogramma Aerius. Er wordt een separate stikstofrapportage opgesteld om de effecten van stikstofdepositie op de specifieke natuurwaarden in beeld te brengen.

7.4

Voorbehoud en zorgplicht

De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Zorgplicht In art. 11.27 van het Bal, is een specifieke zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit is vergelijkbaar met de algemene zorgplicht uit de Wnb. Het houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht passende maatregelen neemt om schade aan van nature in het wild voorkomende soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat alle soorten, inclusief de vrijgestelde. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieen nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 julihuismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Waarneming soorten of verblijfplaatsen Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van nature in het wild voorkomende soorten of verblijfplaatsen daarvan worden waargenomen, dan zijn maatregelen nodig te om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Bij wettelijk beschermde soorten kan het inschakelen van een soortendeskundige noodzakelijk zijn.

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

16

Versie: 9 mei 2025

7.5

Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen

Overigens zijn relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een kast of andere voorziening voor de huismus. Eén of meer duurzame kasten voor vleermuizen (eten veel muggen), bij voorkeur op minimaal 3m hoog, vrij aanvliegbaar en zonder verlichting vlak bij. Voorkom verstening van de tuinen en draag zorg voor het opvangen van regenwater in het gebied. Door de klimaatverandering vindt steeds meer verdroging plaats van de ondergrond. Op basis van de omgeving is de verwachting dat er vleermuizen kunnen foerageren. Voor de woning is dan van belang de lichtuitstraling zoveel als mogelijk te beperken, door bijv. armaturen naar beneden te richten en sensoren te gebruiken om onnodige verlichting te voorkomen. Gierzwaluwen hebben en voorkeur voor hoge gebouwen en meer versteende gebieden zoals binnensteden. Dat lijkt meer op een natuurlijke rotsomgeving, waar de soort van nature broedt. Daarom ligt het meer voor de hand hier te kiezen voor nestplaatsen van de boerenzwaluw, huismus (aanwezig in de omgeving) en van vleermuizen.

Voor vleermuisverblijven zijn meerdere opties denkbaar. Een aantal voorbeelden is gegeven in Bijlage 4. Bij voorkeur in twee verschillende gevels plaatsen (zuid en west), op minimaal 3m hoogte en buiten bereik van storende verlichting. Voor de huismus is opschuiven van vogelschroot of het inmetselen van neststenen een goede optie. De soort is aanwezig in de omgeving. Het foerageergebied is goed. Ook zijn voldoende groen, water (eventueel een waterdrinkplaats voor vogels toevoegen) en zandplaatsen aanwezig.

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

17

Versie: 9 mei 2025

8 Overzicht en advies 1) Initiatiefnemer heeft het plan het perceel aan de Plaggebaan 13/13a te Elspeet, gemeente Nunspeet, her in te richten. Plan is van de Plaggenbaan 13 een kleine woning te maken en van 13a een reguliere woning op een gewijzigde locatie op het perceel. Een aantal bijgebouwen wordt gesloopt en er komen twee nieuwe kleinere bijgebouwen terug. 2) Het terrein is onderzocht op beschermde soorten en/of verblijfplaatsen. Specifiek is gekeken naar jaarrond beschermde nesten. In de dakgoot van woning 13 zijn vermoedelijk twee huismusnesten aanwezig. Daarom is verdiepend onderzoek nodig (april-mei) om verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten. Uitvoering dient plaats te vinden conform het kennisdocument huismus. Bij aantreffen van huismusnesten is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 3) Er is verder specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van marters, uilen en vleermuizen. Marters en uilen zijn niet aangetroffen en met zekerheid uit te sluiten. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet op voorhand uit te sluiten, omdat er op verschillende plekken geode toegangen zijn tot het dakvlak via de kantpannen van de woningen en de schuren. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen.

Daarom is het advies om voor vleermuizen een verdiepend onderzoek uit te voeren, conform het vleermuisprotocol, om verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten. 4) Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘specifieke zorgplicht’ (art. 11.27 en 11.28 Bal), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dat betekent hier bijv. het slopen te starten buiten de broedtijd. 5) Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 48 m afstand en is gevoelig voor stikstof. Het gaat in zowel de bestaande als de nieuwe situatie om twee woningen. Daarom zijn significant negatieve effecten voor beschermde soorten of habitats door realisatie van het plan niet te verwachten. Advies is wel om onnodige verlichting te voorkomen en naar benden gerichte armaturen toe te passen. Voor de externe werking naar eventuele stikstofdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden is het advies een separate stikstofrapportage op te stellen. 6) Te overwegen is ter ondersteuning van de biodiversiteit één of meer voorzieningen te treffen voor soorten als de huismus, steenuil of vleermuizen.

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

18

Versie: 9 mei 2025

9 Literatuur  

                        

Arcadis (2018). De staat van instandhouding, Factsheets voor 25 soorten in Gelderland. Arnhem Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, 2023, Kennisdocument Huismus 2.1 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, 2023, Kennisdocument Gierzwaluw 2.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, 2024, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 2.0 BIJ12, sept. 2024, Kennisdocument ruige dwergvleermuis 2.0 BIJ12, 2024, Kennisdocument kleine marterachtigen 1.0 Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.

Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten Groningen, Arcadis, december 2022 Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000 www.infomil.nl www.iplo.nl www.bij12.nl http://www.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.wetten.nl

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeeld maatregelen

FF Plaggebaan 13-13a Elspeet Mei.25-v1.docx

19

Versie: 9 mei 2025

Bijlage 1 Overzicht situatie

Luchtfoto ligging plangebied

Schematische weergave plangebied

Beoogde nieuwe situatie Bron: Situatietekening nieuw Buro Holdijk

Bijlage 2 Foto’s

Bijlage 3 Samenvatting natuurwetgeving

Samenvatting Natuur in de Omgevingswet Versie Januari 2025 Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet, samen met 25 andere wetten die gaan over de fysieke leefomgeving. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De Omgevingswet gaat uit van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor natuurwaarden. Dat betreft zowel soorten als gebieden.

Doel van de Wet Doel van de Omgevingswet is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), een duurzame ontwikkeling, bevordering van een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, waarbij ook de intrinsieke waarde van de natuur (Art. 1.3 Ow) is benoemd. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’

Omgevingswet De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Inhoudelijk is de Wet op hoofdlijnen vergelijkbaar met de Wnb, maar wat betreft procedure en terminologie is wel het één en ander gewijzigd. Zo is het begrip flora- en fauna-activiteit geïntroduceerd. Dat is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Bij mogelijk negatieve gevolgen kan een omgevingsvergunning nodig zijn (was ontheffing onder de Wnb). Er gelden rijksregels voor een dergelijke omgevingsvergunning, bijvoorbeeld over het aanvragen of het beoordelen ervan. Ook kunnen er (decentrale) vrijstellingen zijn. De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag. In de Ow zelf zijn algemene regels opgenomen, waaronder ook de zorgplicht, zijn de bevoegdheden geregeld en iets over de kerninstrumenten en hoe die zich verhouden tot elkaar.

Kerninstrumenten Ow Er zijn in principe zes kerninstrumenten opgenomen in de Ow, dat zijn de omgevingsvisie, programma’s, algemene Rijksregels, decentrale regels, omgevingsvergunning en projectbesluit. Gemeenten zijn verplicht een omgevingsvisie vast te stellen voor haar grondgebied. Hierin staat wat de gemeente wil bereiken op het gebied van de fysieke leefomgeving. De gemeente kan hierbij omgevingswaarden vaststellen. Dat kan op basis van de algemene rijksregels, maar het kunnen ook eigen waarden zijn. Met een programma kan gericht een doel worden nagestreefd. Voor de provincies zijn bijv. plannen voor natuurherstel (o.a. bij overschrijding van de kritische depositiewaarde stikstof) verplichte programma’s voor de provincies. Het Rijk heeft in een aantal AMvB’s een aantal regels opgenomen ter bescherming van de fysieke leefomgeving en daarbij ook de eventuele afwijkingsmogelijkheden door gemeenten. Ook is opgenomen hoe om te gaan met vergunningplicht en vergunningvrije situaties. Een belangrijk onderdeel zijn de decentrale regels.. Zo zijn gemeente verplicht een omgevingsplan vast te stellen (uiterlijk 2032) en de provincies een omgevingsverordening. Deze bevatten een uitwerking van alle rijksregels en gaan over het hele grondgebied van de gemeente of provincie. Tot de tijd dat gemeenten een eigen omgevingsplan hebben vastgesteld, zijn alle ‘oude’ regels tijdelijk in art.

22 van de gemeentelijke omgevingsplannen opgenomen. Dat wordt wel de ‘bruidsschat’ genoemd. In het omgevingsplan moet de gemeente aangeven waar wat kan en mag en waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Als er een omgevingsvergunning nodig is, dan moet dit worden aangevraagd via het omgevingsloket. Dit gaat altijd over activiteiten, bijvoorbeeld een flora- en fauna-activiteit. Er is in tegenstelling tot de oude

regelgeving geen aanhaakplicht. Een vergunning kan dus ‘los’ per activiteit worden aangevraagd (bijv. bouwen, BOPA, FF-activiteit). Projectbesluiten tenslotte zijn vooral van belang bij grotere projecten, meestal door Rijk of provincie en met grote belangen voor omwonenden.

AMvB’s: Bal, Bkl, Bbl en Ob In een aantal AMvB’s zijn de regels uitgewerkt. Door de grote hoeveelheid wetten en regels zijn dit helaas erg uitgebreide documenten geworden met ook nog weer vele bijlagen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in afdeling 11.2 opgenomen welke flora- en fauna-activiteiten vergunningplichtig zijn. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald onder welke voorwaarden een vergunning is te verlenen (Par. 8.6.2 Bkl). In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is nu nog niet veel natuur opgenomen. Dat kan in de toekomst veranderen als natuurinclusief bouwen meer de norm gaat worden. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het Omgevingsbesluit geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. In het Ob staat dat de provincie in de meeste gevallen het bevoegd gezag is voor een Natura 200activiteit of een FF-activiteit. Veel feitelijke uitvoeringsregels zijn opgenomen in de Omgevingsregeling (Or), een Ministeriële regeling die hoort bij de AMvB’s. Deze bevat 38 bijlagen, maar met subnummering zijn het er rond de 60. In de Or zijn met name technische en administratieve zaken uitgewerkt. De flora- en fauna-activiteiten staan in afd. 4.7 Or.

Hierin zijn ook bijv. schadesoorten en vergunningvrije activiteiten aangewezen. Ook in een programma of omgevingsverordening kan de provincie aangeven dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde flora- en fauna-activiteiten (vergunningvrije activiteiten). Diverse flora- en fauna-activiteiten waarvoor een gedragscode geldt, kunnen vergunningvrij worden uitgevoerd (Bal: art. 11.45, tweede en derde lid (vogels), 11.53, tweede en derde lid (habitatrichtlijn) en 11.59, tweede en derde lid (andere beschermde soorten)). Voor het vaststellen van de gedragscodes gelden verschillende criteria. En het verrichten van die activiteit moet ook feitelijk plaatsvinden volgens deze geldende gedragscode (zie ook art. 11.30, 11.38 en 11.44 Bal). De Omgevingsregeling wijst aan voor welke flora- en fauna-activiteiten er een gedragscode geldt (art. 4.23a, 4.26a en 4.31a nog concept). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft o.a. regels over omgevingswaarden en bevat kaders voor bijv. de vergunningverlening. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaat over alle bouwwerken en vervangt het oude Bouwbesluit. Hierin staan ook regels voor bijv. bouw- en sloopwerkzaamheden, veiligheid en gezondheid van bouwwerken. Inmiddels wordt er gewerkt aan nieuwe regels in het Bbl die natuurinclusief bouwen moeten bevorderen.

Veel dieren, waaronder vogel- en vleermuizensoorten, zijn afhankelijk van een stedelijke omgeving, voor het vinden van een standplaats, een rustplaats, voedsel en nestgelegenheid. De invulling is afhankelijk van lokale omstandigheden en lokaal aanwezige soorten. De maatregelen die betrekking hebben op klimaat en een gezonde leefomgeving zijn meestal ook goed voor de natuur en de biodiversiteit. Met enige extra aandacht voor het natuuraspect is dan veel winst te behalen. Denk aan verblijfruimtes of nestelstenen in de gevels en daken voor gebouwafhankelijke soorten zoals de huismus, gierzwaluw en diverse vleermuizen. Aan groene daken en/of groene gevels en wilde planten in de tuin. Of het verbinden van openbaar groen als een lint door stad of dorp en het gebruik van inheemse soorten in het openbaar groen. Zo ontstaan natuurlijke routes voor vogels, vlinders en zoogdieren. De Omgevingswet biedt hiervoor kansen: gebouw gebonden eisen in het Bbl en regels voor natuur rondom de woning en in de openbare ruimte in de eisen voor gemeentelijke omgevingsplannen. De regering is voornemens in het Bbl een grondslag op te nemen om in de Omgevingsregeling specifieke eisen aan verblijfsvoorzieningen voor gebouwafhankelijke beschermde soorten te kunnen stellen (beschermde soorten, zoals de huismus, gierzwaluw en een aantal vleermuissoorten).

De verwachting is dat dit medio 2025 in werking zal treden (zie ook 1).

Natura 2000-gebieden Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Ow daarop aan. Dit omvat de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Artikel 2.44 Ow vormt de invulling van de Europese gebiedsbescherming onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en 1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2024/05/07/ontwerpbesluit-verzamelwijziging-besluit-bouwwerken-

leefomgeving-diverse-onderwerpen-2024

instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000-gebieden. De provincie is meestal het bevoegd gezag en is verantwoordelijk voor het opstellen van beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden (verplicht programma art. 3.8, lid 3 en art. 3.9, lid 4 Ow). In de Omgevingsverordening kan de provincie het beleid t.a.v. Natura 2000-gebieden vastleggen en bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen aanwijzen. Ook geeft de verordening invulling aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de verordening zijn regels opgenomen wat wel en niet mag en onder welke voorwaarden. Beleidsregels die de provincie kan uitwerken betreft bijv. het salderen van stikstof, een vrijstelling voor het beweiden door vee buiten een bepaalde bufferzone, een vrijstelling bij bestendig beheer en onderhoud en welke nesten jaarrond bescherming genieten (zie ook art 11.17, 11.26, 11.34 en 11.40 Bal). Als een Natura 2000-activiteit invloed heeft op beschermde soorten of habitats is een omgevingsvergunning nodig.

Natura 2000-activiteit De Ow gaat uit van activiteiten. Activiteiten welke significante invloed kunnen hebben op Natura 2000gebieden heten een Natura 2000-activiteit. Een juridische definitie staat in bijlage A van de Ow. Natura 2000-activiteit: activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er is geen definitie van 'significant' gegeven, dus dat moet blijken uit een beschrijving van diverse factoren, zoals bijv.:   

afname oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid daarvan afname populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van een habitat of van soorten

Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. De Leidraad bepaling significantie2 geeft handvatten om invulling te geven aan de term 'significant' en ook de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt de 'externe werking’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is de stikstofdepositie. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor de betreffende Natura 2000-activiteit hebben (art. 5.1 lid 1 Ow). Als significante effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, dan kan een voortoets uitsluitsel geven. Als daaruit blijkt dat significante effecten zijn uit te sluiten, dan is een vergunning niet nodig. Is dit niet uit te sluiten dan is een passende beoordeling nodig (art. 16.53 Ow). Als daaruit blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied met zekerheid niet zal aantasten, dan kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan (ADC-toets – art.

8.74b Bkl):   

er zijn geen reële Alternatieven voor de activiteit er is sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang er vindt natuurCompensatie plaats

Een dwingende reden van groot openbaar belang kan ook een reden zijn van sociale of economische aard. Als het om een prioritaire habitat of prioritaire soort gaat, dan geldt als dwingende reden van groot openbaar belang alleen, menselijke gezondheid, openbare veiligheid, gunstige effecten voor het milieu of een reden die door de Europese Commissie is geaccepteerd (dat kan ook een reden van sociale of economische aard zijn). Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden (art. 11.1 en 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen 2

Leidraad bepaling significantie, 27 mei 2010, Steunpunt Natura 2000 en BIJ12: Handreiking Voortoets Stikstof februari 2021

hebben, moet nadelige gevolgen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6 lid 1 van het Bal). Een initiatiefnemer moet nagaan of nadelige effecten op voorhand zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten op grond van objectieve gegevens, dan zijn op basis van de zorgplicht passende preventieve maatregelen nodig (art. 11.6 lid 2d Bal). Is dat niet voldoende of niet mogelijk dan is het treffen van passende herstelmaatregelen nodig (art. 11.6 lid 2f Bal). Er is onderzoek nodig om na te gaan welk effect de maatregelen hebben.

Stikstofdepositie Diverse Natura 2000-gebieden hebben habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen naast andere eventuele directe gevolgen ook worden bekeken of de plannen leiden tot toename van de stikstofdepositie (externe werking). Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een afwijking omgevingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een omgevingsvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het Rijk) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. De Omgevingswet geeft regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden. De uitwisseling en/of toedeling van stikstofruimte loopt via Aerius Register. Dit is alleen beschikbaar voor het bevoegd gezag. Stikstofregistratie Per 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering en ook het bijbehorende Besluit van kracht geworden.

De regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: 

 

resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden (in 2030 moet minimaal 50% en in 2035 minimaal 74% van de voor stikstof gevoelige habitats onder de kritische depositiewaarde (KDW) zitten). een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering een systeem van monitoring en bijsturing

Onderdeel van deze wet was de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Door een uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 mag de bouwvrijstelling niet meer worden toegepast. Daardoor moet nu dus weer voor elke aanvraag ook in de aanlegfase worden bekeken of er mogelijk significant negatieve effecten kunnen optreden op beschermde gebieden. In- en extern salderen Bestaande en/of vergunde stikstof mag in sommige gevallen deels worden ingezet voor andere projecten. Dat kan door in- of extern salderen. Bij intern salderen wordt de bestaande stikstofemissie in het plangebied verdisconteerd met de nieuwe situatie. Bij extern salderen gaat dat met stikstof van buiten het plangebied. Provincies kunnen in beleidsregels vastleggen hoe hiermee wordt omgegaan. Wijziging regels intern salderen Op 18 december 2024 heeft de RvS besloten dat intern salderen niet meer in de voortoets mag worden gebruikt om te bepalen of een natuurvergunning nodig is. In de voortoets mag alleen nog worden gekeken naar de gevolgen van het project op zichzelf, zónder rekening te houden met de gevolgen van de oude situatie. Intern salderen is nu alleen toegestaan in de passende beoordeling om te bepalen of een vergunning kan worden verleend. Wat er op grond van een natuurvergunning aanwezig is of had mogen zijn, vormt de referentiesituatie.

Soms is er geen natuurvergunning, maar wel toestemming op grond van milieuregels. Ook daaraan kan een referentiesituatie worden ontleend. Hierbij geldt dat uitsluitend mag worden uitgegaan van de gevolgen van activiteiten die vergund en feitelijk aanwezig zijn. Structureel onbenutte ruimte in een milieutoestemming maakt geen deel meer uit van de referentiesituatie. Latente ruimte is dus bij een milieutoestemming uitgesloten. Intern salderen blijft toegestaan bij de passende beoordeling. Provincies kunnen beleidsregels opstellen met voorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen. Hierbij speelt ook het additionaliteitsprincipe een belangrijke rol. Dit principe houdt in dat de inzet van de referentiesituatie niet tevens nodig mag zijn om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16731134/1