AP 5b. Programma van Eisen Tongerenseweg 1-1a Vierhouten Geanonimiseerd
Tekst van het document
Voor wat betreft complexe grondsporen, zoals (crematie-/inhumatie)graven en waterputten, wordt eerst overleg gevoerd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever, om te bepalen of nader onderzoek nodig is en welke strategie/aanpak daarvoor geëigend is; Ten aanzien van muurresten geldt de volgende onderzoeksstrategie: o De aangetroffen muurresten worden voorafgaand aan het onderzoek zorgvuldig schoongeborsteld en spaarzaam schoongespoten met water, zodat alle bouwkundige details nauwkeurig kunnen worden vastgelegd; o Waar nodig mag de nog aanwezige stort van de eerder verrichte werkzaamheden worden verwijderd, als dit het onderzoek ten goede komt;
28
o
o o o
o
o
o
o o o
o o
o
o
De reeds aanwezige stort wordt tijdens actieve begeleidingswerkzaamheden enkele malen omgezet en uitgespreid op het veld om na te kunnen lopen op vondstmateriaal en metaalvondsten (met behulp van een metaaldetector); De reeds vrij gelegde muurresten worden nauwkeurig vastgelegd en vervolgens gefotografeerd en getekend; Bouwnaden, staande en vallende tanden, reparaties e.d. dienen na interpretatie apart op de tekening te worden aangegeven; De muurresten worden zover mogelijk al in het veld geïnterpreteerd door een ter zake deskundige Senior KNA Archeoloog en/of een bouwhistoricus met kennis van bouwhistorie anders dan zijnde betonnen werken; T.b.v. de documentatie van het aangetroffen muurwerk of een uitbraaksleuf moet altijd voor een profiel(dam) worden gezorgd. Een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Van het muurwerk wordt een getekende doorsnede vervaardigd. Bij het zetten van de profieldam moet deze zo hoog mogelijk worden aangezet en er moet op worden gelet dat deze niet bij een verstoring wordt gezet; Vondsten uit de insteek dienen zorgvuldig te worden verzameld, aangezien die het muurwerk kunnen dateren; Van muurwerk wordt de bovenzijde en de onderzijde opgemeten en van iedere versnijding wordt de hoogtemaat genomen.
De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen, alsmede op hoeken en/of aanhechtingen; Bouwkundige details zoals reparaties, oversnijdingen of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een foto. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht; Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bouwmateriaal en mortel wordt bemonsterd (o.a. met het oog op een OSL-datering); Van alle aanwezige steenformaten worden monsters genomen en de maten genoteerd; Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van relevante baksteenmaten wordt een baksteen verzameld. Het baksteen wordt beschreven en de baksteenformaten worden opgemeten. Ook een 5- of wanneer mogelijk een 10-steenlagenmaat dient te worden genoteerd; Bij natuursteen wordt de wijze van afwerken beschreven; Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het verband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven en de relatie met aangrenzend muurwerk; Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf; Bij het muurwerk zal worden onderzocht of dit in één fase is opgetrokken is, dan wel dat er sprake is van meerdere fasen en/of wijzigingen.
Indien dat het geval is zullen de wijzigingen worden gedocumenteerd, geïnterpreteerd en voor zover mogelijk worden gedateerd. Ten aanzien van concentraties (bouw)puin geldt dat deze op het vlak te dienen worden ingetekend en als spoor afgewerkt (zie boven) met opgave van materiaalsamenstelling, mate van fragmentatie, depositionele interpretatie (bijvoorbeeld: ophoging, afbraaklaag), dikte van de laag, al dan niet aanwezig zijn van mortels. Van de diverse materialen wordt een monster genomen. Van hele stenen
29
worden de maten genoteerd. Na afloop van het onderzoek worden de baksteenformaten uitgebreid beschreven en wordt getracht een koppeling te maken met de beschikbare bouwhistorische gegevens uit andere plaatsen in de regio teneinde een zo precies mogelijke datering van de bouwkundige resten mogelijk te maken (tenzij historische gegevens hierover uitsluitsel kunnen geven).
6.5. Lichten (bij waterbodems) N.v.t. 6.6. Aardwetenschappelijk onderzoek Profielen en profielkolommen worden gedocumenteerd, gefotografeerd en lithogenetisch beschreven, conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). Hierbij worden de textuur, kleur, lithostratigrafie, laaggrenzen, humus- en kalkgehalte, consistentie en gleyverschijnselen beschreven. Profielen worden onderzocht op vondsten of andere archeologische indicatoren en per laag en per spoor gedocumenteerd (in elk geval tijdens het proefsleuvenonderzoek en tijdens actieve begeleidingswerkzaamheden en waar mogelijk tijdens passieve begeleidingswerkzaamheden). Het doel van het aardwetenschappelijk onderzoek is het opstellen van een relevante, coherente paragraaf fysisch-geografisch onderzoek waarin o.a. de bodemopbouw en het ontstaan/gebruik van het plangebied door de tijd heen duidelijk wordt beschreven en geïllustreerd met een diachrone landschapsreconstructie tot gevolg. Het aardwetenschappelijk wordt uitgevoerd door een specialist fysische geografie of door een Senior KNA Archeoloog met aantoonbare ervaring in de aardwetenschappelijke beschrijving van profielen. 6.7. Anorganische artefacten • • • •
Bijzondere vondsten van welke aard dan ook worden in situ gefotografeerd; Complete aardewerkpotten en schalen worden met inhoud – vaak sediment of aankoeksels – gelicht en onder laboratoriumomstandigheden uitgeprepareerd; Losse scherven met aankoeksel worden zorgvuldig (met zo min mogelijk aanrakingen) apart verzameld en bewaard in vondstzakjes, voor eventuele residuenanalyse en datering; Losse scherven en voorwerpen van aardewerk zonder aankoeksel worden per spoor of per verzameleenheid verzameld en geadministreerd;
6.8. Organische artefacten • • • •
Bijzondere vondsten van welke aard dan ook worden in situ gefotografeerd; Indien houten constructies worden aangetroffen, wordt met de opdrachtgever en de bevoegde overheid overlegd of en hoe deze moeten worden bemonsterd, geborgen en gedocumenteerd; Indien onderkanten van houten palen en staken worden gevonden, worden deze in hun geheel geborgen. Hiertoe dienen zij nat te worden gehouden; Artefacten van organisch materiaal worden na het verzamelen zodanig verpakt dat zo min mogelijk degradatie plaatsvindt.
6.9. Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch-antropologische resten •
Uit relevante sporen (paalsporen van gebouwplattegronden, waterputten, graven, vondstrijke kuilen en bijzondere contexten in het algemeen) worden voor de beantwoording van de onderzoeksvragen monsters genomen voor (macro-)botanisch onderzoek, pollenonderzoek,
30
•
•
chronologisch onderzoek (dendrochronologie, 14C, OSL), DNA- en/of isotopenanalyse. Voorafgaand aan het veldwerk wordt het programma voor monstername met de betreffende specialisten intern vormgegeven door de archeologische uitvoerder en bij vragen wordt contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid; Indien complete skeletten van dieren worden aangetroffen die van archeologisch belang zijn, worden deze integraal vrijgelegd en in het veld gefotografeerd en getekend. Indien toegestaan door de bevoegde overheid kunnen skeletten of delen hiervan en bloc worden gelicht, om vervolgens onder laboratoriumomstandigheden te worden uitgeprepareerd; Indien één of meerdere crematies worden aangetroffen, dan worden opdrachtgever en bevoegde overheid direct op de hoogte gesteld. De crematies worden met gebruikmaking van de ‘methode Hiddink’ door een erkende en ervaren fysisch antropoloog in het veld vrijgelegd en waar mogelijk en bloc geborgen.
6.10. Overige resten •
Eventuele overige resten worden geborgen en bemonsterd volgens de KNA-leidraden Veldhandleiding Archeologie en ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. Onderzoek van overige resten wordt alleen uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.
6.11. Dateringstechnieken •
• •
•
Waar mogelijk worden monsters genomen voor het verkrijgen van een absolute datering van sporen en/of lagen. Dit zullen voornamelijk 14C-, dendrochronologische en/of OSL-dateringen zijn. In het veld zal worden bepaald of de betreffende sporen/ lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor datering; Bij twijfel over het potentieel van de monsters wordt een specialist geraadpleegd; Eventuele uitwerking van tijdens het veldwerk genomen monsters worden in het evaluatie - en selectierapport ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever (inclusief de hiermee gemoeide kosten) en de bevoegde overheid; Monstername gebeurt volgens de KNA-leidraden Veldhandleiding Archeologie en ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’.
6.12. Beperkingen •
•
•
•
De archeologische uitvoerder wordt geacht de in dit PvE gevraagde werkzaamheden zo goed mogelijk uit te voeren. Daarbij mag de veiligheid van archeologische veldwerkers en derden in de directe omgeving niet in het geding komen. De archeologische uitvoerder dient voorafgaand aan het veldwerk een V&G-plan te hebben opgesteld; In het plangebied is sprake van een bodemverontreiniging van op het moment van schrijven nog onbekende omvang. Indien archeologische graafwerkzaamheden onder milieukundige begeleiding uitgevoerd moeten worden is het oordeel van de milieukundig begeleider leidend; De uitvoering van het onderzoek vindt plaats conform CROW-publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem’. De veldmedewerkers van de archeologische uitvoerder dienen daarnaast te beschikken over een (ten tijde van het veldonderzoek) geldige bodemsaneringskeuring; In het geval dat Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen geldt het CS-OOO protocol ‘spontane vondst’, worden de graafwerkzaamheden gestaakt en wordt de politie terstond geïnformeerd.
31
7. Uitwerking en conservering
7.1. Structuren, grondsporen, scheepwrak of vliegtuig, vondstspreidingen Na het veldwerk wordt, tenzij anders overeengekomen met de bevoegde overheid, een evaluatierapport opgesteld ten behoeve van de uitwerking (zie 8.1 voor details). Structuren, grondsporen en vondstspreidingen worden in zowel het evaluatierapport alsook het eindrapport zoveel mogelijk beschreven vanuit hun ruimtelijke, stratigrafische en chronologische context en onderlinge samenhang. Het resultaat is een analytische beschrijving die zoveel mogelijk antwoord geeft op de onderzoeksvragen in dit PvE. Lijsten en tabellen van sporen en vondsten worden als bijlagen aan het rapport toegevoegd en niet in de lopende tekst. 7.2. Analyse aardewetenschappelijke gegevens Aardwetenschappelijke gegevens worden geanalyseerd tot op het niveau van lithogenetische en (post)depositionele processen, op basis van een beschrijving conform NEN6693. Essentieel is dat de aardwetenschappelijke interpretatie plaatsvindt tegen het licht van eerdere onderzoekspublicaties over de directe omgeving van het plangebied. Het fysisch-geografische deelrapport dient zo te zijn geschreven dat het integraal deel uitmaakt van het standaardrapport van het gehele onderzoek. 7.3. Anorganische artefacten Anorganische artefacten worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord.
In aanvulling op het KNA Protocol 4006 – Specialistisch Onderzoek gelden de volgende punten: • •
• • • • •
Vondsten zonder aankoeksel, residuen, verf of andere kwetsbare kenmerken en/of elementen worden gewassen, gesplitst naar materiaalcategorie, gewogen en geteld; Aardewerk wordt gedetermineerd naar fragment/fragmentatiegraad, periode, versiering, wanddikte, verschraling, vorm, afwerking, type en baksel. Middeleeuws en nieuwetijds aardewerk (en glas) worden conform de bepalingen van het Deventersysteem uitgewerkt en resulteert in een catalogus met beschrijvingen conform dat systeem; Natuursteen wordt gedetermineerd naar soort/herkomstgebied, bewerkt/gebruikt en type; Metaal wordt gedetermineerd naar metaalsoort, type, periode en functie; Vondsten worden zodanig tijdelijk opgeslagen dat dit geen invloed heeft op de informatiewaarde en fysieke toestand van vondsten; Vondsten worden goed beheerd en zijn alleen toegankelijk voor mensen die direct bij het onderzoek betrokken zijn; Metaalvondsten worden gekoeld en bij de juiste luchtvochtigheid bewaard.
7.4. Organische artefacten Organische artefacten worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord. In aanvulling op het KNA Protocol 4006 – Specialistisch Onderzoek gelden de volgende punten: •
Alvorens de uitwerking plaatsvindt wordt specialistisch advies ingewonnen over de noodzaak en wijze van bemonstering en analyse;
32
• • • • • •
Hout wordt gedetermineerd in termen van houtsoort, bewerkingskenmerken, type, conserveringstoestand en indien mogelijk datering; Bot en gewei wordt gedetermineerd in termen van bewerkingskenmerken, type, periode en conserveringstoestand; Vondsten worden zodanig tijdelijk opgeslagen dat dit geen invloed heeft op de informatiewaarde en fysieke toestand van vondsten; Vondsten worden goed beheerd en zijn alleen toegankelijk voor mensen die direct bij het onderzoek betrokken zijn; Botanische monsters worden gekoeld en luchtdicht bewaard; Bij het aantreffen van kleine vindplaatsen bestaande uit vondststrooiingen dient het sediment in vakken van 50 x 50 cm te worden verzameld (i.v.m. mogelijke flottage van botanische monsters).
7.5. Archeozoölogische en archeobotanische resten Archeozoölogische en archeobotanische resten worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord. In aanvulling op het KNA Protocol 4006 – Specialistisch Onderzoek gelden de volgende punten: • •
Archeozoölogische resten worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau van aantallen per botelement per diersoort, fragmentatiegraad en conserveringsgraad (schatting); Botanische resten worden uitgewerkt middels een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van pollen en macroresten.
7.6. (Beeld)rapportage •
•
• •
•
De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in een KNA-conform rapport (in geval van een doorstart naar een opgraving wordt een enkel rapport opgesteld), waarin de randvoorwaarden uit dit PvE zijn uitgewerkt. In het rapport worden in ieder geval de volgende overzichten opgenomen (indien mogelijk kunnen bepaalde kaarten gecombineerd worden): o Puttenkaart met putnummers; o Sporenkaart met spoornummers en fasering van de sporen (zeker bij het aantreffen van muurresten en grachtenstelsels van het kasteel van belang); o Spoortype kaart; o Overzicht van sporen per periode (indien van toepassing); o Overzicht van vindplaatsen (indien van toepassing). Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ASK (allesporenkaart), voorzien van het landelijke coördinatengrid. De sporen en structuren worden, indien van toepassing, met verschillende periodekleuren op de ASK aangegeven; Representatieve sporen en profielen worden, getekend en/of gefotografeerd, in het rapport afgebeeld; Representatieve vondsten worden, getekend en/of gefotografeerd, in het rapport afgebeeld. Het aantal tekeningen en foto’s is afhankelijk van de hoeveelheid relevant en representatief vondstmateriaal (per categorie).
Hiervoor wordt in het evaluatie- en selectierapport een beargumenteerd voorstel gedaan; Er wordt een vondstcatalogus opgenomen met een gedetailleerde beschrijving van het aangetroffen vondstmateriaal.
33
8. (De)selectie en conservering
8.1. Selectie materiaal voor uitwerking •
•
•
•
•
Na afloop van het veldwerk worden – tenzij anders besloten door de bevoegde overheid – een evaluatierapport en een selectierapport opgesteld. In het evaluatierapport wordt een overzicht en karakterisering van aangetroffen sporen en structuren, vondsten en monsters opgenomen, alsook een uitwerkingsvoorstel op basis van dit PvE (de bijbehorende kostenraming wordt enkel aan de opdrachtgever kenbaar gemaakt als losse bijlage). In dit voorstel wordt opgenomen welke vondsten en monsters belangrijk zijn voor de beantwoording van de onderzoeksvragen, hoeveel tekeningen en foto’s daarvoor nodig zijn en welke monsters gewaardeerd zouden moeten worden; In het evaluatierapport wordt naast naar bovengenoemde zaken ook gekeken in hoeverre de vraagstellingen uit het PvE beantwoord kunnen worden. Daarnaast worden op basis van de veldresultaten eventuele aanvullende vraagstellingen opgesteld. Verder worden afwijkingen t.o.v. het PvE in het evaluatierapport gemotiveerd; Het evaluatierapport en selectierapport worden ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder. De bevoegde overheid beslist uiteindelijk over alle zaken die de uitwerking en rapportage betreffen, de depothouder over alle zaken die te maken hebben met deponering.
Wanneer het evaluatierapport en selectierapport zijn goedgekeurd, kan de verdere uitwerking en rapportage in gang worden gezet; Indien noodzakelijk geacht vindt op basis van het evaluatierapport en selectierapport een evaluatie plaats tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de archeologische uitvoerder; Indien de bevoegde overheid toestemming geeft af te zien van een evaluatierapport, dan dient een selectierapport sowieso te worden opgesteld ten behoeve van het depot, in geval van te (de)selecteren vondsten en/of monsters;
8.2. Selectie materiaal voor deponering en verwijdering • •
•
• •
Alle vondsten en monsters zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie Gelderland (Erfgoedwet artikel 5.7); Deselectie van uit het veld meegenomen materiaal wordt in het selectierapport verantwoord middels een deselectie-advies. Dit advies wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de eigenaar van de vondsten (depothouder), zodat deze een beargumenteerde beslissing kan nemen; De depothouder heeft maximaal vijftien werkdagen de tijd voor het afhandelen van het selectierapport. Blijft goedkeuring van het selectierapport uit, dan kan het benodigde werk zonder goedkeuring worden voortgezet. Dit geldt uiteraard niet voor het verwijderen van gedeselecteerd materiaal; dit moet dan gewoon aangeleverd worden; Alle geselecteerde vondsten en alle geselecteerde monsters worden gedeponeerd conform de eisen van het depot. Pas na goedkeuring door de eigenaar van de vondsten/depothouder mogen de gedeselecteerde vondsten en monsters op controleerbare wijze verwijderd worden.
8.3. Selectie materiaal voor conservering •
De vondsten worden in eerste instantie in de staat waarin ze zijn gevonden gestabiliseerd;
34
•
•
•
In het evaluatierapport wordt aangegeven welke vondsten voor conservering en eventueel restauratie in aanmerking komen, middels een conserveringsadvies. Dit advies wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder; Alle kwetsbare vondsten en monsters worden geconserveerd aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van het evaluatierapport anders is aangegeven door de desbetreffende depothouder/eigenaar; In een conserveringsrapport wordt vastgelegd welke vondsten en monsters op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd.
35
9. Deponering
9.1. Eisen betreffende depot Vondstmateriaal en opgravingsdocumentatie wordt binnen één jaar (in het geval van proefsleuvenonderzoek) of twee jaar (in het geval van een opgraving) na afronding van het veldwerk, conform KNA 4.2 Protocol 4004 OS17, Protocol 4010 en de ‘Eisen verpakkingsmateriaal’ op de website van de provincie Gelderland, aan het Archeologisch Depot Gelderland aangeleverd. Ten aanzien van de overdracht van de vondsten wordt tijdig een afspraak gemaakt met de depothouder, 5.1.2e 5.1.2e . Contactgegevens Archeologisch Depot Gelderland 5.1.2e
Keizer Karelplein 33 6511 NH Nijmegen Tel: 5.1.2e 5.1.2e @valkhofmuseum.nl 9.2. Te leveren product •
• •
•
• •
Het te leveren (eind)product is een basisrapport volgens de KNA Protocollen die de eisen beschrijven aan het uitgevoerde onderzoek. De conceptrapportage wordt ter beoordeling voorgelegd aan zowel de opdrachtgever en de bevoegde overheid; Zowel de concept- als de definitieve rapportage worden alleen digitaal (in pdf) aangeleverd, tenzij anders verzocht door één van de genoemde partijen; Bij het eindproduct hoort een verklaring van overdracht van vondsten en documentatie, af te geven door het ontvangende depot. Deze wordt tijdig verkregen van de desbetreffende depotbeheerder; De GIS-informatie wordt in een algemeen gebruikt en leesbaar format aangeleverd, bijvoorbeeld als dxf/dwg of als shapefile. Eventuele conversies tussen formats worden uitgevoerd door de archeologische uitvoerder; De digitale documentatie wordt binnen 2 jaar na afronding van het veldwerk ingevoerd in ARCHIS; Bij de definitieve rapportage wordt een publieksvriendelijke samenvatting aangeleverd van circa één A4, vergezeld van minimaal twee losse, aansprekende afbeeldingen. Deze samenvatting kan door de opdrachtgever en bevoegde overheid worden ingezet voor publieksbereik en verwerking in (jaar)rapportages.
36
10. Randvoorwaarden en aanvullende eisen
10.1. Personele randvoorwaarden •
•
•
• •
Het onderzoek wordt verricht door een archeologisch bedrijf of instantie met een geldig certificaat op basis van de BRL 4000 voor de desbetreffende KNA Protocollen. Het onderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA Archeoloog, met ervaring in de archeoregio en met de betreffende archeologische periodes. De Senior KNA Archeoloog is ten allen tijde tijdens de begeleidingswerkzaamheden aanwezig in het veld; Het veldteam bestaat uit minimaal twee actoren: één Senior KNA Archeoloog en één KNA Archeoloog (BA of MA), beiden met aantoonbare ervaring in de archeoregio en met de betreffende archeologische periodes. Indien de beschreven actoren niet over de betreffende expertise beschikken, dient aan het veldteam tevens een ervaren metaaldetectorspecialist te worden toegevoegd, die de aanleg van de vlakken en de stort onderzoekt op de aanwezigheid van metaalvondsten.
De beschreven actoren zijn dagelijks te velde aanwezig; De documentatie en interpretatie van profielen en profielkolommen wordt uitgevoerd door bovengenoemde Senior KNA Archeoloog, dan wel door een fysisch geograaf met ervaring in de archeoregio en met de betreffende archeologische periodes; Bij aanwezigheid van menselijk botmateriaal en/of crematies wordt een fysisch-antropoloog ingezet tijdens het veldwerk en bij de uitwerking van het aangetroffen botmateriaal; Alle leden van het veldteam dienen VCA gecertificeerd te zijn en medisch gekeurd voor het werken in vervuilde grond.
10.2. Overlegmomenten •
• • •
•
•
De contactpersoon van de bevoegde overheid wordt minimaal 10 werkdagen van te voren op de hoogte gesteld van het begin van het veldwerk en in beschikking gesteld van het Plan van Aanpak; De contactpersoon van de bevoegde overheid dient bijtijds op de hoogte te worden gesteld als er een beslismoment noodzakelijk is; De mate en aard van overleg tijdens het veldwerk en de fase van uitwerking en rapportage wordt vastgesteld door de bevoegde overheid en de opdrachtgever; Indien tijdens het veldwerk belangwekkende zaken worden aangetroffen die niet in het PvE waren voorzien, vindt overleg plaats met de bevoegde overheid en de opdrachtgever (zie ook ‘Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE’); De depothouder wordt bij een overleg betrokken bij het aantreffen van bijzondere, onvoorziene en/of onverwachte hoeveelheden van vondsten, monsters en materiaalcategorieën, die de deponering en conservering van het vondstcomplex significant beïnvloeden; De opdrachtgever kan een archeologische directievoerder inschakelen. Indien dit het geval is, dan zal deze betrokken worden/initiatief nemen bij alle overlegmomenten in dit PvE waarbij de opdrachtgever als actor genoemd staat.
10.3. Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie •
De Senior KNA Archeoloog van de archeologische uitvoerder houdt namens de certificaathouder toezicht op de werkzaamheden, de kwaliteit van het onderzoek en de te doorlopen processtappen;
37
•
Indien vondsten/sporen aangetroffen worden waarvan de aard, omvang en/of complexiteit afwijken van de uitgangspunten van onderhavig PvE, wordt door de archeologisch uitvoerder direct contact opgenomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever.
10.4. Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen •
Dit PvE betreft de eisen die vanwege het archeologisch belang aan het onderzoek worden gesteld. Dit laat onverlet dat wettelijke en andere regelgeving aangaande het uitvoeren van de werkzaamheden moeten worden gevolgd (o.a. Arbowet en veiligheidsvoorschriften). Deze zaken worden ruim voorafgaand aan het onderzoek tussen de archeologische uitvoerder en de opdrachtgever geregeld (bijvoorbeeld in een Plan van Aanpak of draaiboek).
38
11. Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE
11.1. Wijzigingen tijdens het veldwerk •
•
•
Belangrijke afwijkingen van het PvE worden als schriftelijk verzoek (al dan niet per e-mail) bij de bevoegde overheid en de opdrachtgever ingediend en mogen pas worden doorgevoerd na overleg met beide partijen en goedkeuring door de bevoegde overheid; Kleine wijzigingen ten opzichte van het PvE worden ten eerste telefonisch of per e-mail tussen de archeologische uitvoerder, de bevoegde overheid en de opdrachtgever afgehandeld en schriftelijk (al dan niet per e-mail) bevestigd; Wijzigingen ten opzichte van het PvE worden door de archeologische uitvoerder schriftelijk vastgelegd en opgenomen in de dag- en weekrapporten, in het evaluatie- en selectierapport en in de basisrapportage.
11.2. Belangrijke wijzigingen De volgende belangrijke wijzigingen worden te allen tijde voorgelegd aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever en waar nodig verwerkt in een Nota van Wijziging op het vastgestelde PvE: • • • • •
Afwijking van de archeologische verwachting; Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode; Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden; Vastleggen van de overleg- en evaluatiemomenten; Onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld met betrekking tot omvang van de vindplaats, aantallen m2, vlakken, vondsten en vondsttypen), of het aantreffen van andere, onvoorziene resten.
11.3. Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk •
•
Indien veranderingen tijdens de uitwerking wenselijk worden, nadat reeds een goedgekeurd evaluatierapport bestaat, zal opnieuw een evaluatie met de archeologische uitvoerder, de bevoegde overheid en de opdrachtgever plaatsvinden. De wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke goedgekeurde evaluatierapport worden door alle betrokken partijen goedgekeurd; Alle wijzigingen die deponering en conservering van het vondstcomplex significant beïnvloeden, worden ook in overleg met de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder) vastgesteld.
11.4. Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering •
•
Indien veranderingen tijdens de uitwerking wenselijk worden, nadat reeds een goedgekeurd evaluatierapport bestaat, zal opnieuw een evaluatie met de archeologische uitvoerder, de bevoegde overheid en de opdrachtgever plaatsvinden. De wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke goedgekeurde evaluatierapport worden door alle betrokken partijen goedgekeurd; Alle wijzigingen die deponering en conservering van het vondstcomplex significant beïnvloeden, worden ook in overleg met de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder) vastgesteld.
39
12. Literatuur 12.1. Documenten • • • • • •
• • •
•
Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland . In: Boor en Spade. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Bruning, L., 2012. Integrale Kennisagenda Archeologie Provincie Gelderland. Rivierengebied, Veluwe, Oost-Gelderland. Arnhem. Kluiters, R.M., 2024. Milieukundig bodemonderzoek Tongerenseweg 1 te Vierhouten . Mateboer Milieutechniek BO244346/CWB. Kampen. Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Schamp, C.R.C., 2021. Vierhouten, Elspeterbosweg 7-9 (Gemeente Nunspeet, Gld.). Een Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O). Verkennende Fase. Steekproefrapport 2021-01/10. Zuidhorn. Stouthamer, E., K.M. Cohen & W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het land. Geologie en geomorfologie. Zevende geheel herziene druk. Utrecht. Vos, P., J. Bazelmans, M. van der Meulen & H. Weerts, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. 10e druk. Amsterdam. Vosselman, J., 2020. Plangebied Het Frusselt te Vierhouten, gemeente Nunspeet; archeologisch
vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend en deels karterend booronderzoek). RAAP-rapport 4447. Weesp. Zijverden, W. van & J. de Moor, 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voor archeologen. Leiden.
12.2. Overig • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
archis.cultureelerfgoed.nl ahn.arcgisonline.nl bagviewer.kadaster.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl bodemloket.nl collectiegelderland.nl dinoloket.nl gelderland.nazca4u.nl geoportaal.gelderland.nl ikme.nl iplo.nl legenda-bodemkaart.bodemdata.nl legendageomorfologie.wur.nl lokaleregelgeving.overheid.nl monumentenregister.cultureelerfgoed.nl omgevingswet.overheid.nl pdok.nl planviewer.nl ruimtelijkeplannen.nl
40
• • •
sikb.nl vergeltungswaffen.nl zoeken.cultureelerfgoed.nl
41
Bijlage 1: Overzicht te raadplegen specialismen Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
Raadplegen bij PvA Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Raadplegen bij veldwerk Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Raadplegen bij uitwerking* Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Nee
Ja
Ja
Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) Vismonsters DNA Dendrochronologisch monster
Raadplegen bij PvA
Raadplegen bij veldwerk
Raadplegen bij uitwerking
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Nee Ja
Ja Nee Ja
Ja Ja Ja
*= Indien bij een vondstscategorie ‘nee’ staat en de vondstcategorie wordt toch aangetroffen tijdens het veldwerk, dan dient bij de uitwerking alsnog de desbetreffende materiaalspecialist te worden geraadpleegd.
42
Bijlage 2: Voorlopig puttenplan op toekomstige situatie
43
Bijlage 3: Voorlopig puttenplan op luchtfoto
44
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
2, 3, 8, 14, 15, 41