CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5a Bijlage Natuurbrandpreventieplan 2021-2030 def

Commissie Algemeen Bestuur 11 maart 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Natuurbrandpreventieplan gemeente Nunspeet 2021-2030 (inclusief presentatie).15.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1

Ngemeente Nunspeet

atuurbrandpreventieplan 2021-2030

2

Voorwoord Ruim een jaar is gewerkt aan de totstandkoming van dit plan, grotendeels tijdens een bijzondere periode waarin het door Covid-19 niet altijd mogelijk is geweest om met alle betrokkenen persoonlijk in het veld of in de vergaderruimte samen te komen.

Door de positieve inspanning van het gemeentelijke beheerteam bestaande uit Mark Karsemeijer en Wim Rozeboom en de adviseurs vanuit de VNOG Constantijn Kok en William Qualm, heeft het plan de juiste invulling kunnen krijgen. We zijn hen dan ook dankbaar voor de plezierige samenwerking tijdens dit proces. Nu is het vooral zaak om de komende jaren met de maatregelen uit dit plan aan de slag te gaan. Veel van de beschreven maatregelen zijn een kwestie van DOEN. Een positieve samenwerking tussen terreineigenaren en de VNOG is hierbij een randvoorwaarde. Maar ook een nauwe betrokkenheid en inspanning van burgers, recreanten en andere stakeholders uit het gebied kan niet ontbreken om een onbeheersbare natuurbrand binnen de gemeente Nunspeet te voorkomen. We wensen alle partijen de komende jaren veel succes met het invullen van deze opgave. David Borgman George Borgman Maurits de Groot

3

Samenvatting Dit natuurbrandpreventieplan heeft één centrale doelstelling: Het identificeren van noodzakelijke preventieve maatregelen voor het beheersbaar houden van natuurbranden op het grondgebied van de gemeente Nunspeet en het borgen van de uitvoering van deze maatregelen door middel van de realisatie van een praktisch uitvoerbaar plan.

Aanvullend hierop is uitwerking gegeven aan een toetsingsbeleid voor het verlenen van stookvergunningen (‘vuur in natuur’). Dit is opgenomen in bijlage 8. Aan de hand van 6 stappen is invulling gegeven aan een praktisch uitvoerbaar plan: 1. Kaders en Risicoanalyse: Hieruit is gebleken dat grote delen van het gebied een intensief recreatiefgebruik kennen waarin meerdere recreatiebedrijven liggen. Samen met zorginstellingen en de diverse dorpskernen vormen dit belangrijke risicolocaties waar grote schade kan ontstaan bij een grootschalige natuurbrand. Ook is er een analyse gemaakt van de vegetatietypen aanwezig in het gebied. In veel gevallen gaat het om zeer natuurbrandgevoelige gebieden, vooral in droge perioden van het jaar. Geconstateerd is dat er reeds een uitgewerkte compartimenteringsindeling ligt vanuit de VNOG. Deze is tevens afgestemd met terreineigenaren in eerdere fasen. Echter is niet in alle gevallen ook uitvoering gegeven aan de noodzakelijke maatregelen die het overslaan van een brand naar een ander compartiment kunnen voorkomen. 2. Veldwerk met VNOG en beheerder: Op basis van de risicoanalyse is met het beheerteam en vertegenwoordigers van de VNOG het nodige veldwerk verricht om risicolocaties en noodzakelijke maatregelen te identificeren. Binnen de eigendommen van de gemeente is dit in details uitgewerkt.

Binnen terreinen van andere terreineigenaren op het grondgebied van Nunspeet is dit op hoofdlijnen en vooral voor de compartimentsgrenzen uitgewerkt. Dit vraagt nadere verdieping in een volgende fase. 3. Uitwerken natuurbrandpreventiemaatregelen: Op basis van het veldwerk zijn de maatregelen verder op kaart en in woord uitgewerkt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen ‘algemene’ maatregelen die een vast onderdeel kunnen vormen van bos- en natuurbeheer in alle gebieden, en maatregelen gekoppeld aan specifieke locaties. Hieruit volgt een uitgebreide maatregelentabel die is opgenomen in de bijlagen van het plan. 4. Uitwerking Toetsingsbeleid Vuur in Natuur: Duidelijk is dat de bewoners/recreanten in het gebied een belangrijke rol spelen bij het voorkomen dat een natuurbrand ontstaat. Zorgvuldig omgaan met vuur in de natuur is een belangrijke preventieve maatregel. Hiertoe is een toetsingsbeleid uitgewerkt voor het

verlenen van stookvergunningen. Dit moet voorkomen dat met name gedurende risicovolle droge perioden op risicovolle locaties vuur wordt gestookt van waaruit een natuurbrand kan ontstaan. 5. Begroting en planning: De maatregelen komen in een aantal gevallen bovenop reguliere beheermaatregelen in het bos- en natuurbeheer, maar in vaak kunnen deze ook gecombineerd worden met bestaande werkzaamheden. Desalniettemin betekent dit dat aan diverse maatregelen extra kosten verbonden zijn. Deze zijn uitgewerkt in een begroting voor de komende 5 jaar. In de planning van maatregelen is een prioritering aangebracht met een urgentie lopend van hoog naar laag. Doel is om alle maatregelen uit dit plan uiterlijk in 2030 gerealiseerd te hebben. 6.  Borging planvorming binnen gemeentelijke organisatie en VNOG: Het beschrijven en vastleggen van maatregelen garandeert nog geen uitvoering. Om dit te borgen is aandacht besteedt aan de inbedding van de maatregelen in de gemeentelijke organisatie en de gebiedsgerichte aanpak onder regie van de VNOG. Veel van de maatregelen is een kwestie van doen. Communicatie met betrokken stakeholders is daarbij cruciaal. Het is belangrijk om te realiseren dat circa 90% van de oppervlakte aan natuurterreinen binnen de gemeente, eigendom is van 8 eigenaren. Veel van de preventieve maatregelen kunnen dus gerealiseerd worden met een kleine groep aan stakeholders.

Echter dekt dit niet het risico af dat bewoning, bedrijvigheid en recreatie met zich meebrengen voor het ontstaan van een brand. De Natuurbrandbewuste aanpak (FireWise) wordt hiervoor als cruciaal gezien. De uitwerking hiervan valt buiten de scope van dit plan, maar er wordt dringend aanbevolen om deze aanpak uit te rollen, al dan niet als onderdeel van de totale gebiedsgerichte aanpak. De praktische uitvoering van dit plan zit vooral in het volgen van de op kaart en in tabellen beschreven maatregelen. Het beheerteam van de gemeente is zich hiervan bewust en kan dit veelal goed inbedden in haar bestaande beheercyclus. Maatregelen bij andere terreineigenaren vragen verdere afstemming en communicatie. De gemeente en VNOG kunnen hier een trekkende rol in vervullen. Daarmee kunnen de risico’s op een grote onbeheersbare natuurbrand aanzienlijk worden beperkt.

4

5

Inhoud

Voorwoord

2

Samenvatting

3

1. Inleiding

7

4. Preventieve en beperkende maatregelen

4.1. Maatregelen grondgebied Nunspeet................................21 Algemene preventieve maatregelen Waar maatregelen toepassen?

1.1 Aanleiding.............................................................................7 1.2. Gebiedsgerichte Aanpak......................................................7 1.3 Doelstelling...........................................................................7 1.4 Aanpak..................................................................................7 2. Kaders natuurbrandrisico

9

2.1. Beïnvloedingsfactoren natuurbrand....................................9 Ontstaan van natuurbranden Verergeringsfactoren Terreineigenschappen

10 10 10

2.2. Natuurtypen en doelstellingen bos- en natuurbeheer........11 Visie en doelstellingen Voorkomende natuurtypen

11 12

2.3. Klimaatverandering...........................................................12 2.4. Gebruik gebied..................................................................13 Hoogwaardige natuur Recreatieve voorzieningen Woonkernen en Bebouwing

13 14 14

2.5. Definities............................................................................14 3. Inventarisatie en risicoanalyse

15

3.1. Onderscheid gemeentelijk eigendom en grondgebied.......15 3.1.1. Stakeholders: Overzicht Terreineigenaren

15

3.2. Indeling Compartiment.......................................................15 3.3. Risicolocaties.....................................................................18 3.4. Calamiteitenroutes en bluswaterinfrastructuur...................20

21

21 23

4.2. Maatregelen........................................................................25 4.2.1. Maatregelen compartimentsgrenzen 4.2.2 Eigendom gemeente Nunspeet 4.2.3 Calamiteitenroutes op eigendom Nunspeet - Maatregelen 4.2.4. Herstel Oefeningen Natuurbrandbestrijding

28 30 30 30

5

Maatregelplanning en Begroting

31

6.

Communicatie en processtappen realisatie

32

7.

Evaluatie en monitoring

33

Bijlagen

35

Bijlage 1: Definities gebruikte vaktermen 36 Bijlage 2: Kaart risicolocaties 38 Bijlage 3: Compartimentering 40 Bijlage 4: Vegetatiekartering 42 Bijlage 5: Maatregelen per compartiment 60 Bijlage 6: Maatregelplanning 100 Bijlage 7: Begroting maatregelen 102 Bijlage 8 Aanpak Firewise en Toetsingsbeleid stook 108 8.1 Firewise...................................................................................108 8.2 Toetsings- en ontheffingsbeleid stook.....................................109 Waarom een stookontheffing Uitzondering vaste stookplaatsen Aanvragen van de stookontheffing Afgifte van de ontheffing

109 109 109 110

6

7

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

Het grondgebied van de Veluwse gemeente Nunspeet wordt gekenmerkt door grote oppervlaktes bos en heide. Alleen al in eigendom van de gemeente bevindt zich 634 hectare loofbos, 1521 hectare naaldbos en bijna 1200 hectare heide. Diverse dorpskernen liggen verspreid tussen de bossen en natuurterreinen. De veelal droge natuurtypen; droge heide, en grove dennen bos, zijn natuurbrandgevoelig. Door de grote aaneengesloten oppervlaktes van deze typen bestaat het risico op het ontstaan van een onbeheersbare natuurbrand met grote impact op de in het gebied aanwezige waarden (mens, natuur, infrastructuur, vastgoed, etc.). Ter voorkoming van een dergelijke situatie achtte de gemeente het noodzakelijk om dit natuurbrandpreventieplan tijdig op te stellen. In dit plan wordt een onderscheid gemaakt tussen het totale grondgebied van de gemeente, ongeveer 9500 hectare (alles binnen de gemeentegrens) en het gemeentelijke bos en natuureigendom, groot ca. 3500 ha. Maatregelen zijn op beide niveaus uitgewerkt, maar voor het gemeentelijke eigendom zijn deze verder gedetailleerd.

1.2. Gebiedsgerichte Aanpak

Dit plan is een initiatief van de gemeente Nunspeet en richt zich vooral op de maatregelen binnen het gemeentelijke eigendom. Parallel aan het opstellen van dit plan is de Gebiedsgerichte Aanpak van start gegaan onder regie van de Veiligheidsregio Noorden Oost- Gelderland (hierna VNOG). Dit plan kan gezien worden als een uitwerking van het natuurbrandonderdeel van de Gebiedsgerichte Aanpak voor de eigendommen van de gemeente. Om dit te borgen is de VNOG nauw betrokken geweest bij het opstellen van dit plan. Maatregelen die in dit plan geadviseerd worden voor andere eigenaren, worden in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak verder uitgewerkt onder regie van de VNOG.

1.3 Doelstelling

De doelstelling van dit natuurbrandpreventieplan luidt als volgt: Het identificeren van noodzakelijke preventieve maatregelen voor het beheersbaar houden van natuurbranden op het grondgebied van de gemeente Nunspeet en het borgen van de uitvoering van deze maatregelen door middel van de realisatie van een praktisch uitvoerbaar plan. Aanvulling op bovenstaande doelstelling is de uitwerking van een toetsingsbeleid voor stookvergunningen (‘vuur in natuur’). Dit is opgenomen in bijlage 8.

1.4 Aanpak

Om de doelstelling van dit plan te realiseren is de volgende aanpak gehanteerd: 1. Kaders en Risicoanalyse: Tijdens een interactieve sessie met VNOG en de bos- en natuurbeheerder zijn de kaders voor de uitwerking van dit plan vastgesteld. Daarnaast zijn risicolocaties binnen het gebied geïnventariseerd met een interactieve GIS kaart. Het betrof o.a. vitale infrastructuur, recreatieparken, bewoning, zorginstellingen, etc. Ook zijn de al door de VNOG voorbereide compartimenten op kaart gezet ter voorbereiding op het veldwerk. 2. Veldwerk met VNOG en beheerder: Om de benodigde maatregelen te identificeren is er gestart met het beoordelen van alle compartimentsgrenzen. Bij iedere compartimentsgrens is gezamenlijk vastgesteld welke maatregelen nodig zijn om een uitbreiding van een natuurbrand naar een ander compartiment te voorkomen. In een verdiepende veldronde is binnen de compartimenten met daarin eigendommen van de gemeente, gekeken naar de risico’s en eventuele noodzakelijke maatregelen om een effectieve natuurbrandbestrijding binnen het compartiment mogelijk te maken. Daarbij is ook gebruik gemaakt van vegetatiekarteringskaarten. Uiteindelijk bleek dit alleen relevant voor de grotere compartimenten met uitgestrekte heide gebieden en overgangen naar naaldbos (m.n. Grove den).

8

9

2. Kaders natuurbrandrisico Dit hoofdstuk biedt context voor de opvolgende hoofdstukken met een uitleg over factoren die een natuurbrand beïnvloeden en relevante terreineigenschappen van het grondgebied.

Door de omvang van de desbetreffende compartimenten bleek het wenselijk om te werken aan een subcompartimentering om met name de overlast en risico van grootschalige rookvorming te kunnen beperken. 3. Classificatie wegen en vastleggen calamiteitenroutes en daaraan gerelateerde beheermaatregelen: Het bestaande routebestand van brandweerroutes is in het veld beoordeeld op actualiteit en eventuele noodzakelijke maatregelen voor een optimale benutting (laaghangende takken, breedte wegen, kruispunten, etc.). Cyclische beheermaatregelen zijn gedefinieerd voor de routes die over het eigendom van de gemeente lopen om een optimale toegankelijkheid te waarborgen. 4. Uitwerken natuurbrandpreventiemaatregelen: Op basis van voorgaande stappen zijn vervolgens diverse beheermaatregelen uitgewerkt voor zowel het totale grondgebied als het gemeentelijke eigendom. In het eerste geval betreft het een uitwerking op hoofdlijnen en zijn deze vooral gekoppeld aan de compartimentsgrenzen. Voor het gemeentelijke eigendom zijn waar mogelijk de maatregelen in meer details omschreven.

Door vaststelling van het plan op bestuurlijk niveau wordt een kader gesteld voor gemeentelijk beleid zoals de omgevingsvisie, bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplannen, zodat de uitvoering van maatregelen voor de lange termijn wordt geborgd. Door het inbouwen van een monitorings- en evaluatiecyclus blijft het plan en daaruit voortvloeiende maatregelen bovendien actueel en onder de aandacht van zowel het gemeentelijk bos- en natuurbeheer als VNOG.

2.1. Beïnvloedingsfactoren natuurbrand

Om preventieve maatregelen op de juiste wijze te kunnen formuleren is het belangrijk om beïnvloedingsfactoren voor het ontstaan en eventuele verergering van een natuurbrand te duiden: Ontstaan van natuurbranden

Voor het ontstaan van een natuurbrand zijn verschillende vereisten noodzakelijk. De drie ingrediënten voor het ontstaan van een brand (zie de afbeelding rechts) zijn zuurstof, brandstof en de juiste ontbrandingstemperatuur. In de buitenlucht is zuurstof volop aanwezig. Wanneer de brand sterker wordt, creëert het daarbovenop zijn eigen luchtaanzuiging waardoor, zeker bij hevige branden, winden ontstaan die de brand sterker kunnen maken. In droge natuurgebieden zoals de Noord-Veluwe is brandstof volop aanwezig. Dit kan bestaan uit vegetatie zoals grove Den en heidestruiken, maar ook uit strooisel of humus. Dan nog is er voor het ontstaan van een natuurbrand een bepaalde ontbrandingstemperatuur nodig. In veel gevallen is dit een ‘onnatuurlijke’ ontstekingsbron.

Figuur 1: Beïnvloedingsfactoren natuurbrand Bijna 70% van alle natuurbranden vindt zijn oorsprong in onvoorzichtig menselijk handelen en pyromanie. Slechts 5 % van de branden wordt op een natuurlijke wijze veroorzaakt. In onderstaand cirkeldiagram is de verdeling van deze oorzaken weergegeven.

5. Uitwerking Toetsingsbeleid Vuur in Natuur: Onderdeel van preventie is het verantwoord omgaan met open vuur in bos en natuur. In dat kader is een toetsingsbeleid geformuleerd voor de beoordeling van stookvergunningaanvragen. Hierin is gedefinieerd onder welke omstandigheden dit wel en niet kan plaatsvinden en welke voorwaarden verbonden zijn aan een stookvergunning. 6. Begroting en planning: De diverse maatregelen die betrekking hebben op het gemeentelijke eigendom zijn globaal uitgewerkt in een meerjarenplanning en -begroting. 7.  Borging planvorming binnen gemeentelijke organisatie en VNOG: Om de geformuleerde maatregelen naar de praktijk te kunnen brengen is aandacht besteed aan de organisatorische inbedding van dit plan. Door intensieve samenwerking tussen de gemeentelijke organisatie en VNOG zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle partijen helder. Figuur 2: Oorzaken natuurbrand (bron: VNOG Veluwe gebied)

10

Natuurbranden kunnen ontstaan na het omvallen van een BBQ, uit de hand lopen van een (kamp) vuur, ongeoorloofd gebruik van vuurwerk, wenslampionen of het wegwerpen van brandende sigaretten. Verder kunnen vonken van de reminrichting van treinen, klapbanden van vrachtwagens, slijp-, snij en lasapparatuur of munitie onbedoeld branden veroorzaken. Jaarlijks worden daarnaast ook branden bewust aangestoken, dit valt onder brandstichting. Natuurlijke processen als (droge) bliksem kunnen branden veroorzaken als de bliksem inslaat wanneer het niet (hevig) regent. Verergeringsfactoren

Verschillende meteorologische situaties kunnen er bovendien voor zorgen dat bosbranden meer kans hebben te ontstaan of snel erger worden wanneer deze ontstaan. Langdurige droogte heeft als effect dat de vegetatie minder vocht bevat en dat brand niet alleen sneller ontstaat maar zich ook sneller weet te verspreiden. Veel plantensoorten kunnen zich beschermen in tijden van droogte door minder te verdampen. Onder de boomsoorten zijn er echter grote verschillen. Met klimaatverandering in de komende decennia, is de verwachting dat perioden met langdurige droogte vaker zullen voorkomen (KNMI, 2020). De kans op een onbeheersbare natuurbrand op de Noord-Veluwe neemt daardoor ook toe. Naast hitte speelt vooral wind een belangrijke rol bij het verspreiden van brand. Wind zorgt voor een versnelde branduitbreiding in een bepaalde richting. Wanneer in deze richting ook risicolocaties aanwezig zijn, zoals verblijfsrecreatie, woningen, etc., kan vuur en rook zorgen voor grote problemen voor mens en natuur. Naast richting en versnelde verspreiding fungeert wind ook als katalysator door de brandintensiteit te verhogen met extra zuurstof en het uitdrogen van de vegetatie. Wind kan daarnaast zorgen voor vliegvuur en op deze wijze op andere locaties voor de start van een nieuwe brandhaard zorgen. Wind en een lage luchtvochtigheid kunnen leiden tot uitdroging van vegetatie.

Daarnaast breidt een brand zich sneller uit bij een lage relatieve luchtvochtigheid. Omdat koude lucht veel minder vocht kan bevatten dan warme lucht kunnen niet enkel de warme zomerperioden voor een verhoogd brandrisico zorgen.

11

Ook langdurige droogte en koude in de wintermaanden kan zorgen voor de omstandigheden waarbij brand snel onbeheersbaar kan worden. Veel natuurbranden vinden dan ook in de winter en het vroege voorjaar plaats. Hoe deze factoren in het licht van klimaatverandering veranderen is moeilijk te voorspellen. Wel is duidelijk dat het vooruitzicht op meer extreme situaties het bosbrandrisico zal verhogen. Terreineigenschappen

Diverse terreineigenschappen, zowel geologische als vegetatieve, kunnen een belangrijk effect hebben op de ontwikkeling van een natuurbrand. De verspreidingssnelheid van brand vergroot als de helling toeneemt. Als vuistregel wordt gehanteerd dat de snelheid verdubbelt bij een verhoging van 10 graden helling. In het (voormalige) stuifduinenlandschap zijn dergelijke situaties aanwezig op diverse plaatsen. Corridors door bosgebieden met lage brandbare vegetatie als gras en heide kunnen met de juiste windrichting fungeren als windtunnel waardoor vuur snel uitbreidt en een grotere afstand kan afleggen. De boomsoortensamenstelling heeft een groot effect op de verspreiding van bos- en natuurbranden. Grote aaneengesloten delen naaldhout, met uitzondering van douglas en in mindere mate lariks, vormen een gevaar voor een onbeheersbare bosbrand. Loofhout vormt een veel lager risico, net als gemengde opstanden of naaldhoutopstanden die worden gescheiden door stroken loofhout. Ook naaldbossen met een uitgebreide onderlaag aan loofhout zijn minder vatbaar voor grondvuur, maar het risico op kronenvuur blijft daar wel aanwezig. Oude grove dennenbossen op de Veluwe hebben regelmatig een dergelijke samenstelling. Bij het beoordelen van natuurbrandrisico’s vormt de aanwezige vegetatie en de verdeling van deze vegetatie over een gebied een belangrijk uitgangspunt.

De vochtvoorziening en terreineigenschappen zoals reliëf, dienen in die beoordeling worden meegenomen. In dit kader is de bestaande vegetatiekartering van de VNOG benut voor het gehele grondgebied en is o.b.v. nieuwe remote sensing data de vegetatiekartering voor de eigendommen van de gemeente in hogere resolutie uitgewerkt. Hieruit zijn vegetatiestructuren duidelijk af te leiden en kan meer in details worden gekeken naar waar risicovolle situaties aanwezig zijn (relatie brandstof en in omgeving aanwezige te beschermen elementen).

2.2. Natuurtypen en doelstellingen bos- en natuurbeheer

De bos- en natuurterreinen binnen het grondgebied van de gemeente Nunspeet worden beheerd door verschillende terreineigenaren en beheerders. Ook kan de vegetatie en soortensamenstelling per gebied sterk verschillen. Beheerdoelen kunnen mede hierdoor per eigenaar ook sterk verschillen. Er is in het kader van dit plan geen uitvoerige analyse gemaakt van beheerdoelstellingen van de diverse eigenaren. Vooral is er gekeken naar de aanwezige vegetatietypen en bijbehorende risico’s in de omgeving.

Visie en doelstellingen

In de gemeente Nunspeet speelt bos- en heidebeheer een belangrijke rol. Verreweg het grootste deel van de gemeente is gelegen op het Veluwemassief. Dit brengt kansen en uitdagingen met zich mee op het gebied van natuurbrandpreventie. Door de ligging in het hoger gelegen zandlandschap is de vegetatie in veel gevallen schraal en droog. Ook de grondwaterspiegel ligt diep waardoor water en vochtige vegetatietypen schaars zijn. Daarnaast heeft het gebied een belangrijke recreatieve functie waardoor het risico op schade en onveilige situaties groot is. De gemeente Nunspeet, Elburg en Oldebroek hebben samengewerkt aan een gebiedsvisie in het kader van de nieuwe omgevingswet. Onderstaande kaart geeft de verdeling van de hoofdfuncties weer. De nummers staan voor het volgende. 1. Grootschalig open landschap/randmerengebied 2. Gemengd kleinschalig overgangsgebied 3. Natura 2000 gebied Veluwe 4. Agrarische enclaves en kernen

Figuur 3: Gebiedsindeling/hoofdfuncties Veluwemassief

12

Het grootste deel van het deel gelegen op het Veluwemassief is aangeduid als Natura2000-gebied. In dit gebied bevinden zich de droge vegetatietypen waar het risico op een natuurbrand groot is. Relevante uitganspunten voor het Natura2000 deelgebied zijn: a. De hoofdlijn voor het gebied is gericht op het behouden en waar mogelijk versterken van de kwaliteiten. De natuur staat in het gebied voorop, waar stiltegebieden zijn moeten die gerespecteerd worden. Kleinschalige recreatie en routegerichte recreatie is mogelijk, met respect voor de natuur. b. Mits passend bij het gebied is economisch medegebruik en toeristische ontwikkeling mogelijk. Voorkomende natuurtypen

Het buitengebied van de gemeente Nunspeet wordt gekenmerkt door afwisseling van grote heideterreinen, omsloten door opgaand bos, op veel plaatsen gedomineerd door naaldhoutsoorten, met name grove den. De grove den is droogtetolerant en kan zich daardoor goed ontwikkelen in het gebied. Echter vormen grote aaneengesloten opstanden grove den ook een groot risico bij natuurbrand, doordat er een snel uitbreidend kroonvuur kan ontstaan. Dit is niet of nauwelijks te beheersen met natuurbrandbestrijding. Preventieve maatregelen zijn dan ook cruciaal om een onbeheersbare natuurbrand te voorkomen of om de impact van een dergelijke situatie te verkleinen.

2.3. Klimaatverandering

Het klimaat verandert, met extremere perioden van droogte en hitte als belangrijke factor in relatie tot potentiële natuurbranden. De warme zomer van 2018 is daar een goed voorbeeld van. Verschillende hittegolven volgden elkaar op. De combinatie van beperkte neerslag en hoge temperaturen was voor de vegetatie een zware klap. Daarop volgend was de herfst van 2019 behoorlijk nat te noemen. In 3 maanden tijd viel significant meer neerslag dan in de voorgaande jaren in dezelfde periode. De verwachting is dat dit soort perioden van warmte en droogte eventueel gevolgd door extreem natte perioden en stormen zullen gaan toenemen de komende decennia (KNMI, 2020). De bos en natuurgebieden in op de Noord-Veluwe zijn kwetsbaar voor dergelijke ontwikkelingen. Hoe goed de natuur met dergelijke extreme omstandigheden kan omgaan ligt voor een

13

deel aan de vitaliteit en diversiteit van de gebieden. Waar vegetatie niet is aangepast op dergelijke omstandigheden zullen extremen eerder tot uitdroging en sterfte leiden. Hierdoor neemt ook de kans op natuurbrand toe, met name wanneer de bodem is verdroogd. De klimaatbestendigheid van flora geeft aan in hoeverre de soort op een bepaalde groeiplaats bestand is tegen veranderingen van temperatuur en neerslag als gevolg van klimaatverandering. De grenzen van het voorkomen van een soort kunnen daardoor verschuiven. De massale sterfte van fijnspar in de Nederlandse bossen is één van de aanwijzingen van het veranderende klimaat. Grote bospercelen met enkel dezelfde boomsoort zullen, zeker wanneer het Grove den betreft, de kans op een onbeheersbare natuurbrand vergroten. Ook is in veel opstanden de bodemvitaliteit achteruit gegaan in de laatste decennia, onder andere door een hoge stikstofdepositie. In veel situaties ontstaat er een ophoping van strooisel, door slechte strooiselomzetting, wat een grotere kans op verspreiding van grondvuur met zich mee kan brengen in droge perioden. In het beheer en de inrichting van bos- en natuurterreinen kan worden ingespeeld op het veranderend klimaat, dit heet klimaatslimbosbeheer. In praktische zin betekent dit dat bij klimaatbestendig beheer gestreefd moet worden naar voldoende variatie, zowel in leeftijd als soortensamenstelling.

Daarbij is zorgen voor een optimale standplaats, de juiste boom op de juiste groeiplaats, een van de belangrijkste uitgangspunten. Zo ontstaat er een ecosysteem dat robuust is en bij het uitvallen van één (of enkele) soort(en) zich alsnog weet te handhaven. De diversiteit zorgt ook voor een situatie waar brand geen kans krijgt zich snel te ontwikkelen. Dit vraagt verdere analyse en discussie om ook op de lange termijn een vitaal ecosysteem te kunnen behouden, ook in het licht van natuurbrandpreventie. Het grondwater op de Veluwe zit op de meeste plaatsen te diep en is niet beschikbaar voor de vegetatie. Een goede waterhuishouding, met het uitgangspunt dat water zo lang mogelijk moet worden vastgehouden in de bovenlaag, is essentieel voor de veerkracht van een gebied. Om deze reden moet werk gemaakt worden van het ontwikkelen van bodemvitaliteit.

Mede door een betere strooiselontwikkeling kan het organisch stofgehalte verhoogd worden in de bovenste grondlaag. Dit door een goede omzetting van strooisel te bevorderen. Het resultaat hiervan is dat de bodem meer vocht vast kan houden en veerkrachtiger wordt om droge perioden te doorstaan. Een rijkere bodem biedt ook kansen voor de ontwikkeling van een inheemse kruid- en struiklaag. Dit heeft niet enkel effect op de ecologie maar zorgt ook dat de kans op en snelle verspreiding van een natuurbrand afneemt. Met warmere perioden in het vooruitzicht is de verwachting dat toeristische en recreatieve activiteiten op de Veluwe zullen toenemen. Recreanten zoeken dan graag de natuur op voor verkoeling en ontspanning. Dit brengt bijkomende uitdagingen met zich mee in het kader van natuurbrandpreventie. Ten eerste zijn er meer mensen waardoor de negatieve effecten groter kunnen zijn, ten tweede zijn 90% van de branden het effect van menselijk handelen wat er voor zorgt dat als er meer mensen zijn doorgaans de kans op natuurbrand ook toeneemt. Dit heeft zijn oorsprong in een toename van rijbewegingen, kans op ongelukken, mechanische fouten, enz. Ondanks de stijgende gevaarzetting moet een bepaalde mate van risicoacceptatie worden toegestaan. Om deze reden zijn gebieden opgedeeld in compartimenten.

Aan de grenzen van de compartimenten worden preventief natuurlijke en landschappelijk ingepaste maatregelen genomen om een brand niet te laten overslaan naar een ander compartiment. Tijdens de brandbestrijding wordt ingeschat of de brand bij de haard kan worden gestopt, of dat deze op een ander punt (stoplijn) wordt opgevangen, voordat deze onbeheersbaar wordt. Wanneer bestrijding door de vegetatiesamenstelling of capaciteit niet lukt, kan het resultaat zijn dat een compartiment volledig (gecontroleerd) afbrandt. Omdat de effecten op veiligheid en gezondheid snel groot zullen zijn kan in dat geval een grootschalige evacuatie nodig zijn. Waterbeheer, natuurbeheer, toerismestromen, dit zijn thema’s die een multidisciplinair beleid vragen dat gericht is op het tegengaan van verdroging in natuur, ontwikkeling van diversiteit bevordert en kennis bij bezoekers over natuurlijke processen en de daarbij horende natuurbrandrisico’s vergroot.

Hoe de klimaatverandering gaat uitpakken voor de natuurterreinen van Nunspeet is nog onzeker. Wel is duidelijk dat op deze onzekerheid het beste kan worden ingespeeld door het beheer te richten op het realiseren van soortendiversiteit, (bodem)vitaliteit en het beperken van verdroging. Loofhoutsoorten spelen daarbij een belangrijke rol.

2.4. Gebruik gebied

Een natuurbrand kan in potentie een grote negatieve impact hebben op een gebied waarbij er niet enkel gevolgen zijn voor de natuur. Een natuurbrand brengt risico’s met zich mee voor economie, recreatie en de samenleving als geheel. Vitale infrastructuur zoals snel- en spoorwegen, hoogspanningskabels, telecommunicatie, etc., is volop aanwezig in het buitengebied van Nunspeet. Het snel onder controle krijgen van een natuurbrand om maatschappelijke schade te voorkomen is dan ook van groot belang. De gebruiksintensiviteit van het buitengebied van de Gemeente Nunspeet speelt een grote rol bij de natuurbrand-risicobeoordeling. Zowel hoogwaardige natuur, recreatieve voorzieningen, vitale infrastructuur als kernen met tijdelijke en permanente bewoning zijn in kaart gebracht. Kaart Risicolocaties in bijlage 2 geeft een overzicht van de diverse risicolocaties. Hoogwaardige natuur

In het gebied zijn op verschillende plaatsen locaties met hoogwaardige natuur aanwezig. De Veluwe is een gebied met veel afwisseling van heide en bos. De heide, zandverstuivingen en poelen bieden een habitat voor veel verschillende soorten. Ook diverse oude boskernen herbergen belangrijke beschermde flora en fauna. Deze elementen zijn, waar relevant voor natuurbrandpreventie, in kaart gebracht als onderdeel van de risicoanalyse. Hierdoor kan er ook met deze belangrijke natuur rekening worden gehouden. Waar mogelijk wordt bij de beheermaatregelen ter voorkoming van natuurbrand al rekening gehouden dat voor bepaalde gebieden extra buffers worden aangelegd. In het Natura 2000 beheerplan zijn verschillende doelen opgenomen ten aanzien van uitbreiding van bestaande natuur. Op het grondgebied van de gemeente Nunspeet liggen doelen voor het vergroten van het areaal droge heide, stuifzand en struifzandheide. In mindere mate is de ontwikkeling van oude eikenbossen tot doel gesteld.

14

15

3. Inventarisatie en risicoanalyse

Recreatieve voorzieningen

In de gemeente Nunspeet zijn diverse recreatieve voorzieningen zoals campings, vakantieparken en dagrecreatieterreinen gelegen die grote aantallen recreanten trekken, juist tijdens droge perioden waarbij de kans op natuurbranden groot is. Bij het opmaken van de maatregelen is rekening gehouden met deze locaties, type gebruik, geschatte aantallen recreanten en mogelijke vluchtroutes. In hoofdstuk 3 is de risicoanalyse verder uitgewerkt. Vooruitlopend hierop zijn de volgende locaties in ieder geval relevant: - Camping Samoza - Camping De Tol - Camping De Plagge - Camping Paasheuvel - Camping Boskant B.V. - Golfbaan Het Rijk van Nunspeet - Recreatieterrein Zandenplas - Natuurkampeerterrein Nieuw Soerel - Hotel & Congrescentrum Mennorode - Hotel de Malle Jan (onderdeel kern Vierhouten) - Camping Reeënlust - Caravanpark Beekzicht. Woonkernen en bebouwing

In het buitengebied of dicht tegen de heideterreinen bevinden zich ook diverse woonkernen of complexen met bebouwing. Sommige van deze locaties huisvesten bovendien kwetsbare groepen zoals ouderen en mensen met een beperking. Dit vergt extra inspanningen bij een eventuele evacuatie. Naast de kern van het dorp Nunspeet liggen in de gemeente de volgende woonkernen en bebouwing. - Vierhouten - Elspeet - Hulshorst - Stichting Philadelphia Zorg, Dagcentrum Nunspeterweg - Landgoed Stakenberg - ESSO Tankstation - OK Tankstation met bebouwing en parkeerplaatsen

2.5. Definities

Door het gehele plan worden diverse vaktermen toegepast. Deze zijn nader gedefinieerd in bijlage 1. Veel van de termen zijn afkomstig uit het naslagwerk “Inspiratieboek Natuurlijke natuurbrandpreventie”.

3.1. Onderscheid gemeentelijk eigendom en grondgebied

Het grondgebied van de gemeente Nunspeet is 129,53 vierkante kilometer groot, waarvan 128,74 km2 land. Van deze oppervlakte beheert de gemeente ongeveer 3500 hectare eigen bos- en natuurgebied. De bos en open natuurgebieden liggen verspreid over de gemeente maar zijn veelal geclusterd in grotere gebieden. De grootste concentratie bevindt zich ten noorden en westen van het dorp Vierhouten tot aan Elspeet. Ten zuidwesten van Elspeet en in de zuidoost hoek van de gemeente zijn verder grotere aaneengesloten eigendommen gelegen. Ter hoogte van Nunspeet en Hulshorst liggen nog verschillende gemeente-eigendommen verspreid langs de A28. In de risicoanalyse natuurbrand is zowel gekeken naar het totale grondgebied als de eigendommen van de gemeente zelf. Voor het totale grondgebied is de al beschikbare compartimenteringskaart, zoals opgesteld door de VNOG in samenwerking met de terreineigenaren, als uitgangspunt genomen voor het bepalen van maatregelen.

3.1.1. Stakeholders: Overzicht Terreineigenaren

Binnen het grondgebied van de gemeente zijn er verschillende terreineigenaren van bos en natuurterreinen. De grootste eigenaren zijn hieronder opgesomd, deze bezitten, samen met de gemeente, circa 90% van de bos- en natuurterreinen binnen de gemeentegrens. Daarnaast zijn er diverse kleinere terreineigenaren, waaronder de eigenaren van verblijfsrecreatie zoals een zestal campings. - Staatsbosbeheer Veluwe Noord - Natuurmonumenten Noord Veluwe - Rijksvastgoedbedrijf - Kroondomein het Loo - Het Geldersch Landschap en Kasteelen - Elspeterbos B.V. - Landgoed Welna B.V. Bovenstaande partijen zijn door de VNOG in het kader van de reeds opgestelde compartimenteringskaart betrokken bij de gebiedsgerichte aanpak. Ook is er intensief contact vanuit de gemeente met deze organisaties over diverse beheervraagstukken.

3.2. Indeling Compartimenten

Compartimenten zijn gebieden bos en natuurterrein die zijn omringd door een grens die zo is ingericht dat een onbeheersbare natuurbrand op die grens kan worden gestopt. Voor het grondgebied van Nunspeet is een dergelijke indeling al opgesteld door de VNOG i.s.m. de terreineigenaren. Dit is als basis genomen voor het bepalen van maatregelen op compartimentsniveau. Uitsluitend voor de compartimenten die grotendeels of geheel in eigendom zijn van de gemeente zijn maatregelen binnen het compartiment uitgewerkt. De maatregelen zijn uitgewerkt in Hoofdstuk 4. Nog lang niet op alle plaatsen zijn de noodzakelijke maatregelen om de compartimentsgrens als zodanig te laten functioneren ook daadwerkelijk gerealiseerd. In bijlage 3 is een kaart opgenomen met de compartimentsgrenzen en de nummers van de compartimenten. Maatregelen voor de realisatie en instandhouding van de compartimentsgrenzen zijn opgenomen in tabel 1 op pagina 18.

16

17

Figuur 4: Natuurbrandpreventie compartimenten gemeente Nunspeet

Figuur 5: Vegetatiesamenstelling op basis van satellietbeelden Om het risico op een natuurbrand per compartiment te kunnen inschatten is aan de hand van remote sensing (SuperView beelden) een globale vegetatiekartering opgesteld. Deze is bijgevoegd in bijlage 5. In Tabel 1 zijn de vegetatiekenmerken per compartiment globaal beschreven. Voor een gedetailleerde blik wordt echter verwezen naar de genoemde bijlage.

De vegetatiesamenstelling is zeer bepalend voor het natuurbrandrisico en daarmee een belangrijke basis voor de geformuleerde maatregelen in dit plan. De kaart wordt vormgegeven door het beoordelen van satellietbeelden waarin de reflectie van infrarood licht, die verschillend is voor de diverse vegetatietypen, gebruikt is voor een vegetatieclassificatie. Dit ziet er als volgt uit.

Het bovenstaande kaartbeeld toont loofhoutsoorten (groen) naaldhoutsoorten (rood) en open vegetatie zoals heide en grassen (paars en geel). Hierdoor krijgt men snel een indruk van de globale vegetatiesamenstelling. Doordat de sensor in principe alleen de bovenste zichtbare vegetatielaag kan waarnemen, geeft dit niet in alle gevallen een volledig beeld. Opstanden met een onderlaag van loofhout (bijv. struikvormers) worden beperkt waargenomen.

Bij het bepalen en uitvoeren van maatregelen in het veld dienen dergelijke situaties opnieuw beoordeeld te worden. Het risico op kroonvuur en grondvuur bij extreem droge situaties (waarbij blad verdord raakt) blijft bestaan voor opstanden waar naaldhout de dominante laag vormen.

Tabel 1: Compartimenten en vegetatiekenmerken Compartiment 1 Hendriksbosch – Belvederebosch

Oppervlakte (ha) 746

264 2 Huize Sandbergen, Golfbaan en Zandenplas 108,8 3 Eikenhorst 166,6 4 Noorderbosch 296 5 Zandenbosch 123,1 6 Pas Opweg Oost 7 Pas Opweg Zuid-oost 157,6 8 Centraal en Vierhou- 1309,1 tensche Heide 9 Hendrik Mouwenveld 448,5 en Duivelsbosch 816,9 10 Vierhouten Zuid 11 Elspeeterbosch 12 Trienebosch Oost 13 Mennorode en Trienebosch 14 Elspeet Zuid 15 Elspeeterveld 16 Grote Kolonie

548,9 205,9 213,6

17 Elspeetsche Heide Oost 18 Elspeetsche Heide West 19 Hulshorsterzand en Zuiderbosch

812,0

20 Westeindsche Heide, Leuvenhorst en Willemsbosch

754,2

3.3. Risicolocaties

191,3 525,6 680,0

455,9 709,4

In de gemeente Nunspeet liggen de dorpen Nunspeet, Elspeet, Hulshorst en Vierhouten en de Buurtschappen Oosteinde, Westeinde, Zoom en Zwarte Goor bij Nunspeet en Grote Kolonie en Kleine Kolonie bij Elspeet. Zowel binnen als buiten de dorpskernen bevinden zich risicolocaties. Dit betreft alle bebouwing/vastgoed, vitale infrastructuur, recreatieve voorzieningen, verblijfsrecreatie, zorglocaties en andere relevante locaties waar mensen zich ophouden. Per compartiment zijn in onderstaande tabel de belangrijkste risicolocaties beschreven. De lijst is niet uitputtend, maar is bedoeld om een goede indicatie te geven van gebruiksintensiteit van het compartiment. Hieraan gekoppeld is de potentiële gevolgschade voor mens en vastgoed.

18

19

Tabel 2: Omschrijving risicolocaties en potentiële gevolgschade per compartiment Vegetatiekenmerken Gemengd naald-loof. Beperkte schaal bosgebieden, maar direct gelegen naast woonkernen Nunspeet en A28. Voornamelijk grove dennen bos direct aan woonkern Nunspeet en A28 Gemengd naald-loof, enkele heideterreintjes. Gemengd naald Gemengd naald-loof, kleine heideterreinen Afwisselend naald en loof, enkele lanen Afwisselend naald en loof Groot divers gebied met heideterreinen, naald- en loofbossen, enkele plassen/vennen Afwisselend naald en loof en heideterrein Afwisselend naald en loof en oostzijde Elspeetsche Heide Afwisselend naald en loof, kleine heideterreinen Voornamelijk naaldbos Afwisselend naald en loofbos, klein heideterrein Gemengd naald-loof Heide en grassen, gemengd bos Afwisselend naald en loof, deels gemengd, kleine heideterreinen Grootschalig heideterrein, hoge mate vergrassing, naald en loofbossen, deels gemengd Grootschalig heideterrein, matige vergrassing, naaldbos Grootschalige zandverstuiving en heide terrein. Grootschalig grove dennenbos met enkele loofhout kernen. Heideterrein en aangesloten naaldbossen met loofhoutkernen en loofhoutstroken. Heidecorridor.

Deze is gedefinieerd als Groot, Middel en Laag. Waarbij de categorie Groot is toebedeeld aan compartimenten waarin veel bebouwing en vitale infrastructuur aanwezig is en verwacht mag worden dat bij een onbeheersbare natuurbrand er grote schade kan ontstaan aan zowel mens als haar bezittingen. Voor de categorie Middel is dit effect lager doordat er minder bebouwing en mensen aanwezig zijn. Voor de categorie Laag is de potentiele schade beperkt en zal dit vooral schade aan de natuur zelf zijn. We realiseren ons dat dit geen strak gedefinieerde en berekende classificatie van potentiële schade is. De tabel dient dan ook puur voor het verkrijgen van een globaal beeld van potentiële schade per compartiment. In bijlage 2 zijn de risicolocaties zo veel mogelijk op kaart weergegeven.

Compartiment

Risicolocaties/ Vitale infrastructuur

Potentiële gevolgschade mens en vastgoed Groot

• Rijksweg A28 • Spoortracé Harderwijk – ’t Harde • Bewoning in bosgebied, Zwaluwenhof camping, Camping Boskant B.V. • Caravanpark Beekzicht • Tankstation langs A28 • Motorcrossbaan • Bungalowpark en diverse kantoren en bewoning langs Elspeterweg. • Direct grenzend aan Zuid-west zijde industrieterrein en bewoning dorpskern Nunspeet. • Rijksweg A28 2 Huize Sandbergen, Groot Golfbaan en Zanden- • Spoortracé Harderwijk – ’t Harde • Golfbaan plas • Bungalowpark in bos • Camping • Kleinschalig bedrijventerrein • Recreatieplas – Zandenplas • Zuid-oostzijde dorpskern Nunspeet • Rondweg de Kolk 3 Eikenhorst Groot • Rijksweg A28 • Spoortracé Harderwijk – ’t Harde • Camping/Bungalowpark • Kleinschalig industrie en wonen • Oostzijde dorpskern Nunspeet • Rijksweg A28 4 Noorderbosch Middel • Spoortracé Harderwijk – ’t Harde • Hoge druk gasstation • Bewoning en werkplaats St.

Grip • Provinciale weg N795 • Rijksweg A28 5 Zandenbosch Middel • Diverse parkeerplaatsen en speelweides • Provinciale weg N795 6 Pas Opweg Oost Laag 7 Pas Opweg Zuid-oost • Grenzend aan woning Laag 8 Centraal en Vierhou- • Camping Samoza (midden in gebied, beperkte vluchtwegen) Groot • Zorginstelling Philadelphia tensche Heide • Camping de Plagge • Diverse bewoning en dagrecreatie • Dorpskern Vierhouten 9 Hendrik Mouwenveld • Bewoning in bosrand bij Vierhouten Middel • Uitvalswegen oostzijde Vierhouten en Duivelsbosch • Bewoning in bosrand bij Vierhouten 10 Vierhouten Zuid Middel • Bewoning in bosrand bij Elspeet 11 Elspeeterbosch Middel • Enkele woonhuizen 12 Trienebosch Oost Laag • Hotel en conferentieoord Mennorode 13 Mennorode en TrieMiddel nebosch • Provinciale weg N310 14 Elspeet Zuid Middel • Enkele woonhuizen in bosrand Elspeet • Dorpskern Elspeet • Rioolwaterzuivering 15 Elspeeterveld Laag, vooral risico • Bewoning en bedrijfspanden in buitengebied op rookvorming • Vakantiepark in bos 16 Grote Kolonie Middel, vooral • Schietbaan in bos risico op rookvor• Bewoning en bedrijfspanden in buitengebied ming 1 Hendriksbosch – Belvederebosch

20

21

Compartiment

Risicolocaties/ Vitale infrastructuur

17 Elspeetsche Heide Oost

• Dorpskern Vierhouten West • Provinciale weg N310

18 Elspeetsche Heide West

• Provinciale weg N310 • Speelweide Stakenberg • Bewoning • Rijksweg A28 • Enkele woonhuizen

19 Hulshorsterzand en Zuiderbosch 20 Westeindsche Heide, Leuvenhorst en Willemsbosch

• Rijksweg A28 • Tankstation A28 • Provinciale weg N310 • Recreatiewoning

Wanneer we de vegetatieopbouw en risicolocaties per compartiment in ogenschouw nemen dan is helder dat de compartimenten direct grenzend aan de A28 (1 t/m 3, 19 en 20), het centrale compartiment 7 (met daarin camping Samoza) en de Elspeetse heide vanwege de grote schaal (17 en 18), de nodige uitdagingen bieden voor mens, infrastructuur, vastgoed en natuur op het moment dat daar een grote brand ontstaat. Voor compartiment 8 geldt vooral de grote hoeveelheid mensen die middenin het compartiment aanwezig kunnen zijn op Camping Samoza gedurende het campingseizoen als een groot risico. Voor de andere compartimenten zal rookvorming richting gebieden waar veel mensen zich ophouden, zoals dorpskernen, voornamelijk een groot probleem kunnen vormen. Waar het eigendommen van de gemeente zelf betreft is daarom gekeken naar maatregelen binnen het compartiment om het grootschalig afbranden van het desbetreffende compartiment te voorkomen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. Los van deze globale analyse wordt aanbevolen dat er nader wordt gekeken naar verspreidingsscenario’s vanuit het verspreidingsmodel van de VNOG. Mogelijk leidt dit tot verdere aanscherping van maatregelen binnen de compartimenten. Dit valt echter buiten de scope van deze opdracht.

3.4. C  alamiteitenroutes en bluswaterinfrastructuur

Door de VNOG is een routebestand aangeleverd van berijdbare brandweerroutes door de bos- en natuurgebieden. In overleg met de beheerder is een beoordeling van de staat van onderhoud gemaakt voor de routes op het eigendom van de gemeente. Daarbij is, naast de staat van het pad, gekeken naar de juiste dimensionering voor gebruik door brandweervoertuigen.

Potentiële gevolgschade mens en vastgoed Middel, vooral risico op rookvorming en evacuatie Vierhouten Middel, vooral risico op rookvorming Middel, vooral risico op rookvorming richting A28 en Nunspeet Middel, vooral risico op rookvorming richting A28 en Nunspeet

Aanvullend is de bluswaterinfrastructuur in beeld gebracht. T.a.v. de bluswatervoorzieningen is geconstateerd dat er een netwerk aanwezig was van 7 brandputten. Deze kon echter alleen benut worden met de inzet van een mobiele dompelpompunit, welke niet langer beschikbaar zijn binnen de Veiligheidsregio. De putten zijn nog wel fysiek aanwezig in het terrein, maar worden niet langer onderhouden. Afgelopen jaar zijn vier nieuwe pompputten in gebruik genomen met eigen pompvoorziening. Daar komen nog twee nieuwe pompputten bij, op de locaties Menorode en Samoza. Het beoogde systeem is dat de pompputten in combinatie werken met waterwagens die pendelen tussen de putten en de locatie van de brand. Gezien deze nieuwe situatie wordt aanbevolen om tijdens natuurbrandoefeningen extra aandacht te besteden aan de infrastructuur en logistiek. In de nieuwe Handreiking Bluswatervoorziening wordt uitgegaan van een gebiedsbedekking van 2 km (diameter) per locatie en een bluswatervoorziening van minimaal 90 m3 per uur. In boseigendom aan de zuidoost grens van het grondgebied Nunspeet zijn geen routes ingetekend die berijdbaar zijn voor hulpdiensten. Het eigendom is ongeveer 330 ha groot, compartiment 11. Hier zijn wel wegen/paden aanwezig, maar dient te worden geïnventariseerd of deze ook geschikt zijn voor brandweervoertuigen.

Hierbij dient ook de nieuwe recreatiezonering in oogschouw genomen te worden. Binnen dit proces kan besloten worden juist sommige wegen en paden op te heffen ten behoeve van de natuurfunctie van de terreinen. Beoordeeld dient te worden of dit realistisch is in relatie tot natuurbrandbestrijding.

4. Preventieve en beperkende maatregelen De diverse te nemen maatregelen zijn op drie niveaus uitgewerkt. Enerzijds in algemene zin op het niveau van het gehele grondgebied van Nunspeet, ten tweede in specifiekere zin voor de te realiseren compartimentsgrenzen en ten derde in specifieke zin met betrekking tot maatregelen binnen compartimenten in eigendom van de gemeente.

4.1. Maatregelen grondgebied Nunspeet Algemene preventieve maatregelen

Ter voorkoming van onbeheersbare bosbranden is een gezond bosecosysteem een belangrijk wapen. Natuurlijke bosontwikkeling gericht op een diverse soortensamenstelling met een hoog aandeel loofhoutsoorten en de verbetering van bodem en waterhuishouding, zal tot effect hebben dat vuur zich, zowel over de grond als in de kroon minder snel kan verspreiden. Het aanwezige vocht in de bodem en begroeiing is dan dermate hoog dat bij een brand enorme verdamping optreedt en de vuurlast niet hoog genoeg is om het vuur verder te laten verspreiden. Preventieve maatregelen tegen verspreiding

Verschillende inrichtingsmaatregelen kunnen worden genomen om, als er een natuurbrand ontstaat, deze te vertragen en op gezette locaties te bestrijden. Hiervoor is een vooraf afgestemde terreininrichting noodzakelijk. Daarbij kunnen de volgende maatregelen worden ingezet: Verwijderen brandtrap Brandtrappen vormen een gevaar doordat grond of loopvuur via verjonging van met name grove den naar de boomkroon kan overgaan. Een oplossing ligt in het op strategische plaatsen verwijderen van de verjongingslaag en laaghangende takken. Daarnaast kan ook besloten worden een bosrand te creëren van bloeiende heesters of verjonging van loofhoutsoorten onder te planten in het naaldhout bosvak. Het verwijderen van de brandtrap is met name belangrijk wanneer er achter de brandtrap geen loofhout aanwezig is dat het kroonvuur kan stoppen. Het verwijderen van de brandtrap is vooral van belang in de overgang tussen lage vegetaties zoals wegbermen naar bos en heide/droge grassen naar bos. Geadviseerd wordt om deze locaties integraal te identificeren in alle compartimenten en vervolgens te verwijderen. Waar dit niet mogelijk is kan het worden opgenomen worden als nat te houden locatie tijdens een natuurbrand. Echter dient de bluswatervoorziening in balans te zijn met een dergelijke opgave. Dit vraagt verdere uitwerking en monitoring. Brandsingel Wanneer twee vakken naaldhout (m.n.

Grove den) elkaar raken aan de compartimentsgrens kan de

aanleg van een brandsingel een oplossing bieden. De brandsingel is een strook loofhout aan beide zijden van de compartimentsgrens. Zonder brandsingel moet de afstand tussen de twee opstanden niet kleiner zijn dan 150 meter om brandoverslag te voorkomen. Door de aanleg van de brandsingel kan deze afstand worden verkleind. De brandsingel bestaat uit cultuurhistorisch oogpunt vaak uit berk. Dit is daar-en-tegen niet een vereiste. Een brandsingel kan ook worden vorm gegeven als laan. Bij voorkeur worden inheemse loofhoutsoorten gekozen en worden soorten gemengd, daarbij rekening houdend met droogtetolerantie en bodemvitaliteit bevorderend strooisel. Enkele voorbeelden van geschikte soorten zijn: - Inlandse Eik - Berk (Ruwe/Zachte) - Tamme kastanje (strooisel beperkt waardevol) - Linde (Tilia cordata) – op geschikte groeiplaatsen - Esdoorn - Walnoot – op geschikte groeiplaatsen Plaggen of aanleggen zandbaan Het in zijn totaliteit verwijderen van vegetatie, en daarmee het wegnemen van brandstof, is een methode om langs compartimentsgrenzen vuuroverslag van grond- en loopvuur te voorkomen. Soms kan dit worden uitgevoerd in combinatie met het kort houden van vegetatie door middel van maaien, drukbegrazing of branden. De zandbaan kan op meerdere manieren worden aangelegd.

Het kost relatief veel inspanning in het beheer omdat door successie de zandbaan zal inklinken en op termijn zal begroeien. Hiervoor is blijvend beheer nodig. Zandbanen kunnen ecologisch interessant zijn voor verschillende spinnensoorten, zandbijen en diverse reptielen. Meanderende heidecorridor Corridors kunnen zorgen voor een windtunneleffect waardoor een natuurbrand kan verergeren of zich sneller kan verplaatsen. Door middel van het meanderend aanleggen van een corridor zal de wind veel minder invloed hebben op het versnellen van de natuurbrand. Tevens kunnen bij plagwerkzaamheden haaks in de corridor rillen worden aangelegd met plagmateriaal. Dit breekt de wind en vormt broed en nestplaatsen voor tal van diersoorten. De breedte van een corridor moet bij gemengde bossen minimaal 30 meter zijn om brandoverslag te voorkomen.

22

Een corridor door grove dennen bos dient in ieder geval 125 meter breed te zijn. De breedte kan variëren waardoor een natuurlijk ogende corridor ontstaat met een diversiteit aan habitatmogelijkheden. Bij voorkeur dient er brandbestrijding aan de bosranden mogelijk te zijn. Opkronen naaldbomen Het opkronen van bomen aan de randen van een volgroeid naaldhoutbos kan de brandtrap wegnemen waardoor grond en loopvuur niet de kroon kan bereiken. In bossen met bosbes in de ondergroei loopt de brand in veel gevallen dood omdat vitale bosbes relatief veel vocht bevat. Echter is gebleken dat bij langdurige droogte bosbes vegetaties kunnen verbranden en de functie als brandremmer daardoor verliezen. Solitaire naaldbomen en zaailingen op kritische locaties verwijderen Langs randen van compartimenten kunnen solitaire naaldbomen of zaailingen van naaldbomen fungeren als springer. Hierbij ontbranden deze individuen door hittestraling en vliegvuur aan de andere kant van de compartimentsgrens. Door deze individuen te verwijderen of in te pakken in loofhout wordt voorkomen dat zij een start vormen voor de brand in het nieuwe compartiment. Solitaire naaldbomen op de heide moeten minimaal 30 meter uit elkaar staan om brandoverslag te voorkomen.

Cruciale beeldbepalende solitaire bomen, of bomen die van belang zijn vanuit een ecologisch perspectief kunnen tijdens de bestrijding ook nat gehouden worden om overslag te voorkomen. Dit is echter alleen realistisch als het aantal individuen langs een compartimentsgrens relatief beperkt is. Per situatie dient dit te worden ingeschat. Aanleggen mantelvegetatie Langs infratracés, bosranden en heide- veen- en schraalgraslandvelden kan de aanleg van een bosrand met zoom en mantelvegetatie een buffer vormen tegen oprukkend grond en loopvuur. Voor de aanleg van een mantel kunnen onderstaande inheemse boom- en struiksoorten worden ingezet. Wat voor veel rijkstrooiselsoorten geldt is dat er bodemverbeterende maatregelen dienen te worden genomen om deze soorten van matig rijke zandbodems op de armste delen van de Veluwe te laten slagen. Door middel van startbemesting kan een impuls worden gegeven. Tevens is bescherming tegen

23

wildvraat in veel gevallen voorwaardelijk. - Lijsterbes (Sorbus aucuparia) - Boom Hazelaar (boom van de 3e grootte) - Struik Hazelaar - Gelderse Roos - Krent - Vuilboom - Wilde Kardinaalsmuts - Vlier - Haagbeuk - Veldesdoorn of Spaanse aak - Hondsroos - Rode Kornoelje - Sleedoorn (in minder mate brandvertragend bij extreme droogte) - Meidoorn (in minder mate brandvertragend bij extreme droogte) Aanleggen poelen en waterpartijen Poelen en langwerpige waterlichamen vormen een barrière tegen oprukkend grond en loopvuur. Op kritische plaatsen, waar dat mogelijk is kan een waterlichaam landschappelijk worden ingepast met, indien juist uitgevoerd, grote voordelen voor natuurontwikkeling. Waar mogelijk kan grondwater worden gebruikt. Wanneer dit niet mogelijk is kan, hoewel zeer kostbaar, het aanbrengen van een leemlaag met waterpomp een oplossing bieden. Brandstrook Een brandstrook wordt aangelegd door het kort houden van brandbare vegetatie zoals gras of heide. Op deze manier wordt brandstof zo veel mogelijk verwijderd waardoor indien er sprake is van brand de hitte en hoogte van het vuur beperkt blijven. De brandstrook kan een terugkerende beheermaatregel zijn maar kan ook in tijden van extreme droogte tijdelijk preventief worden ingezet. Er zijn twee soorten brandstroken. 1. Natuurlijke brandstrook  Deze brandstrook ligt vast op een vooraf afgesproken plaats.

De brandstrook kan een onderdeel zijn van meerdere maatregelen langs een bepaalde grens. Het onderhoud wordt geïntegreerd in de jaarlijkse beheermaatregelen. 2. Wandelende brandstrook Deze strook heeft dezelfde functie als de natuurlijke brandstrook. Het verschil is dat wanneer na

een aantal jaar de strook niet meer voldoet als brandstrook niet dezelfde strook maar eenzelfde breedte voor of achter de oude strook wordt ingericht. Kort houden van vegetatie Het kort houden van vegetatie is belangrijk om de hoeveelheid brandstof te verminderen en daardoor hitte en vlamhoogte te beperken. Het korthouden van vegetatie kan in natuurgebieden op verschillende manieren. Maaien van vegetatie kan een vaste beheermaatregel zijn of kan samen met chopperen of klepelen in droge perioden worden uitgevoerd als preventieve maatregel. Methoden als maaien vergen een strookbreedte van tussen de 15 en 30 meter. Deze kan in diverse vormen en structuren worden aangelegd. Als langjarige beheermaatregel kan worden gewerkt met drukbegrazing. Een kudde van schapen en enkele geiten wordt dan onder leiding van hoeder en hond ingezet om plaats specifiek de vegetatie kort te houden. Maaien en schapenbegrazing kan worden gekoppeld aan een beheerbrand. Door preventief een bepaalde strook af te branden en deze kort te houden kan een natuurbrand hierop doodlopen. Tijdens brand kan de brandweer korte vegetatie makkelijk nathouden zodat het vuur doodloopt op de brandstrook. Waar maatregelen toepassen?

Bovenstaande maatregelen zijn o.a. in paragraaf 4.2. beschreven voor specifieke locaties zoals de compartimentsgrenzen en terreindelen in eigendom van de gemeente. Voor een totale analyse van waar de maatregelen dienen te worden toegepast kan verder worden gewerkt met een verspreidingsmodel. In het verspreidingsmodel worden gegevens opgenomen over de vegetatiesamenstelling. Dit wordt gekoppeld aan gegevens over luchtvochtigheid en vochtgehalte in de beplanting. Met het nabootsen van verschillende meteorologische scenario’s kan een inschatting worden gemaakt hoe een brand zich onder verschillende situaties zal ontwikkelen. Hieraan kan worden afgeleid waar maatregelen het meest urgent zijn. Ten behoeve van dit proces is in een vegetatiekartering uitgevoerd o.b.v. satellietbeelden.

Het werken met het verspreidingsmodel valt buiten de scope van deze opdracht. Hiervoor wordt doorverwezen naar de gebiedsgerichte aanpak voor de gehele regio. Wel is er voor de terreindelen van de gemeente Nunspeet gewerkt met rondgangen en de vegetatiekartering. O.b.v. hiervan zijn specifieke maatregelen gesignaleerd voor de betreffende terreindelen. Dit vormt een goede basis voor preventie van een onbeheersbare natuurbrand. Echter is dit geen statisch proces. Doordat de natuur, maar ook het klimaat, zich constant ontwikkelen is een regelmatige monitoring en herziening van maatregelen noodzakelijk om het gebied optimaal te blijven beschermen tegen een onbeheersbare natuurbrand. Deze monitorings- en evaluatiecyclus is nader omschreven in hoofdstuk 7. Maatregelen voor beheer en onderhoud brandweerroutes

In nauwe samenwerking met de brandweer zijn reeds routes vastgesteld. Een goede bereikbaarheid zorgt voor een grotere kans de negatieve gevolgen te beperken en de brand snel onder controle te krijgen. Voor een goede begaanbaarheid van de routes zijn een aantal zaken van belang. Materiaal, afwatering, droogte, kuilen Een jaarrond goed begaanbare weg moet zowel tijdens natte als droge periodes zijn grote draagkracht behouden. Dit kan bereikt worden met verschillende typen materialen. Het materiaal moet daarnaast passen bij het profiel van de weg en de eigenheid van het gebied. Idealiter is een brandweer- of anderszins calamiteitenroute verhard of halfverhard. Waar dit niet mogelijk of omwille van het landschappelijk karakter niet wenselijk is, kan met natuurlijke halfverhardingsmaterialen zoals leem, grind of Padvast de draagkracht worden vergroot. Ook het verhogen van het organisch stofgehalte in zanderige paden kan een optie zijn om de samenhang van het zand te vergroten en daarmee het draagvlak te verhogen. Naast het juiste materiaal is afwatering door een aflopend profiel belangrijk zodat een wegdeel niet verzakt doordat water blijft staan. Om een vlotte doorgang te garanderen moeten kuilen, veroorzaakt door rijbewegingen en vorstschade op regelmatige basis gedicht worden.

24

Breedte van de weg De minimale breedte van wegen voor hulpdiensten in natuurterreinen is 4 meter. De minimale hoogte is 4,2 meter. Indien tweerichtingsverkeer noodzakelijk is, wordt een wegbreedte van minimaal 8 meter gehanteerd. Deze minimale breedte en hoogte kunnen bereikt worden door het verbreden van wegverharding, snoeiwerkzaamheden aan struiken, en het opsnoeien van bomen langs de route.

25

Voor de routes op het eigendom van de gemeente is in overleg met de beheerder een analyse gemaakt van de kwaliteit van de routes, zowel qua staat van onderhoud als dimensionering. Waar nodig zijn in de maatregelentabel voor specifieke routes maatregelen opgenomen ter verbetering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9769863/1