AP 5a. Bijlage Eindrapport Rekenkameronderzoek Armoede- en schuldenbeleid
Tekst van het document
Eindrapport Rekenkameronderzoek armoedeen schuldenbeleid Gemeente Nunspeet
Colofon Offertenummer: FC 527 Auteurs:
Artem Vardanyan Yorick van den Berg Gerard Nieuwe Weme Julian Edens Sari van Aart
B&A B.V. Bezuidenhoutseweg 161 Postbus 829 2501 CV Den Haag 070 – 3029500 info@bagroep.nl www.bagroep.nl Den Haag, februari 2026
© Copyright B&A B.V. 2025. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Op alle opdrachten en werkzaamheden zijn de Algemene voorwaarden van B&A B.V. van toepassing, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Haaglanden onder dossiernummer: KvK Haaglanden 27177844. De Algemene voorwaarden treft u als bijlage aan en kunt u tevens inzien op onze website, www.bagroep.nl. B&A is gevestigd in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam.
Inhoudsopgave 1. Samenvatting 6 1.1 Aanleiding 6 1.2 Centrale vraag 6 1.3 Leeswijzer 6 2. Bevindingen 7 2.1 Analyse inkomenspositie (2020–2022) 7 2.2 Kortdurend lage inkomenspositie (≤ 1 jaar onder 120% sociaal minimum) 7 2.3 Langdurend lage inkomenspositie (≥ 4 jaar onder 120% sociaal minimum) 7 2.4 Analyse schuldenproblematiek (2021–2023) 7 2.5 Bekendheid en behoeften van inwoners 7 2.6 Ervaringen met gemeentelijke dienstverlening – mystery guest onderzoek 7 2.7 Ervaringen van uitvoerende medewerkers en partners - aansluiting op behoeften 7 2.8 Bereik en effectiviteit 7 2.9 Nieuwe doelgroepen 8 2.10 Middelen en knelpunten 8 2.11 Beleid armoede en schulden 8 2.12 Informatievoorziening en de rol van de raad 8 2.13 Leren van andere gemeenten 8 3. Conclusies 9 4. Aanbevelingen 10 5. Bestuurlijke reactie 11 6. Nawoord 14 6.1 Bijlage bij nawoord: reactie op de opmerkingen en kanttekeningen in de bestuurlijke reactie van het college van B&W 15 7.
Nota van bevindingen 18 7.1 Aanleiding 18 7.2 Onderzoeksvragen 18 7.3 Onderzoeksmodel 19 7.4 Normenkader 20 7.5 Onderzoeksverantwoording 22 7.6 Bevindingen leefwereld 23 7.6.1 Inleiding 23 7.6.2 Omvang en ontwikkeling doelgroepen 23 7.6.3 Bevindingen bekendheid, toegang en aansluiting behoeften perspectief inwoners 25 7.6.4 Toetsing normenkader 29 7.7 Bevindingen uitvoeringswereld 30 7.7.1 Inleiding 30 7.7.2 Bevindingen ingezette maatregelen en voorzieningen 30 7.7.3 Bevindingen armoede- en schuldenaanpak 32 7.7.4 Bevindingen aansluiting aanpak en voorzieningen op behoeften 35 7.7.5 Bevindingen bereik doelgroepen 36 7.7.6 Bevindingen toereikendheid middelen 38 7.7.7 Toetsing normenkader 40 7.8 Bevindingen beleidswereld 40 7.8.1 Inleiding 40 7.8.2 Bevindingen beleid en doelen armoede en schulden 41 7.8.3 Bevindingen ingezette middelen armoede en schulden 42 7.8.4 Bevindingen effecten beleid armoede en schulden 44 7.8.5 Bevindingen resultaten ten opzichte van de andere vier gemeenten en landelijk 46
3
7.8.6 Bevindingen positionering raad 7.8.7 Toetsing normenkader Bijlage 1: Overzicht van ingezette regelingen per gemeente Bijlage 2: Geraadpleegde bronnen
4
Inhoudsopgave
48 49 52 67
Deel A
Samenvatting
5
1. Samenvatting 1.1 Aanleiding De samenwerkende rekenkamers (hierna rekenkamer) van de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten hebben gekozen om het ‘armoede1- en schuldenbeleid’ te onderzoeken. De Rekenkamer geeft aan dat het onderwerp om meerdere redenen actueel is: de gevolgen van de stijgende prijzen van energie en boodschappen, mede als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de aandacht voor het onderwerp in de verkiezingsdebatten. Gemeenten hebben bij de aanpak van armoede een belangrijke rol. Niet alleen bij het in het beeld krijgen wie hulp nodig heeft, maar ook in het helpen bij de noodzakelijke (financiële) ondersteuning. Gemeenten zijn gebonden aan wet- en regelgeving, maar hebben ook de beleidsvrijheid om hier keuzes in te maken. 1.2 Centrale vraag De centrale onderzoeksvraag is: Lukt het de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet, Oldebroek, en Putten om de beschikbare middelen voor armoede doeltreffend/doelmatig in te zetten, worden de huishouders in (dreigende) armoede bereikt en is de aanpak effectief? Hoe zetten de gemeenten de schuldhulpverlening in en in hoeverre helpt dit bij de bestrijding van armoede? Wat kan er beter en wat kunnen de 5 gemeenten van elkaar leren? 1.3 Leeswijzer Dit onderzoeksrapport bestaat uit 2 delen. De bestuurlijke nota (deel A) bevat een samenvatting van de bevindingen die het onderzoek heeft opgeleverd (hoofdstuk 2).
De nota van bevindingen (deel B) biedt een gedetailleerder inzicht in alle bevindingen en geeft ook antwoord op alle onderzoeksvragen. De nota van bevindingen biedt meer verdieping en kan gebruikt worden om meer beeld en context te krijgen bij de algemene bevindingen die beschreven zijn in de bestuurlijke nota. Bijlage 1 van de nota van bevindingen biedt een overzicht van alle minimaregelingen die in de 5 onderzochte gemeenten worden ingezet, en kan gebruikt worden ter lering en inspiratie. Bijlage 2 geeft een overzicht van de gebruikte bronnen en gesproken respondenten.
1
In de nieuwe methode betekent armoede dat een huishouden niet genoeg financiële middelen heeft voor minimaal noodzakelijke uitgaven in Nederland. Hierbij wordt gekeken naar inkomen, vermogen en worden voor het eerst werkelijke individuele uitgaven aan wonen en energie meegenomen.
6
2. Bevindingen 2.1 Analyse inkomenspositie (2020–2022) 2.2 Kortdurend lage inkomenspositie (≤ 1 jaar onder 120% sociaal minimum) In Nunspeet is tussen 2020 en 2022 een lichte daling zichtbaar in het aandeel huishoudens dat maximaal één jaar onder de inkomensgrens van 120% van het sociaal minimum leeft (van 9,15% naar 8,05%). Deze trend is vergelijkbaar met de ontwikkeling in de overige gemeenten. De percentages liggen daarbij structureel aan de hogere kant ten opzichte van de andere onderzochte gemeenten. Nunspeet behoort in de onderzochte periode tot de gemeenten met een relatief hoog aandeel huishoudens onder deze inkomensgrens, samen met Oldebroek. Hattem laat daarentegen stelselmatig lagere percentages zien. 2.3 Langdurend lage inkomenspositie (≥ 4 jaar onder 120% sociaal minimum) Ook bij de huishoudens die langdurig (vier jaar of langer) een inkomen onder de grens van 120% van het sociaal minimum hebben, is in Nunspeet sprake van een lichte afname (van 4,57% in 2020 naar 4,47% in 2022). Dit patroon is ook zichtbaar in de meeste andere gemeenten. De waarden in Nunspeet liggen structureel aan de hogere kant ten opzichte van de andere gemeenten. In alle drie de jaren behoren de percentages in Nunspeet tot de hoogste binnen de regio. Hattem laat daarentegen in alle jaren lagere percentages zien.
2.4 Analyse schuldenproblematiek (2021–2023) Het aandeel huishoudens met bekende schulden in Nunspeet is tussen 2021 en 2023 toegenomen van 5,1% naar 5,8%. Deze stijging is vergelijkbaar met de trend in andere gemeenten. Over de hele periode blijft Nunspeet onder het landelijk gemiddelde, dat oploopt van 7,7% naar 8,8%. In vergelijking met omliggende gemeenten ligt Nunspeet qua percentage schuldenaren in 2023 hoger dan Hattem (4,8%) en nagenoeg gelijk aan Oldebroek (5,8%) en Putten (5,7%). Daarmee wijkt Nunspeet niet opvallend af van de regionale verhoudingen. 2.5 Bekendheid en behoeften van inwoners In Nunspeet is de bekendheid met regelingen toegenomen, maar informatievoorziening blijft achter vergeleken met bijvoorbeeld Hattem. Een derde van de gesproken inwoners vindt dat standaardregelingen onvoldoende aansluiten op hun situatie. Net als in Putten wordt behoefte aan persoonlijke begeleiding genoemd, vooral bij aanvragen en het vinden van passend (vrijwilligers)werk. Een kwart ervaart procedures als complex, met bureaucratie en wachttijden als belemmering. Veel inwoners zijn afhankelijk van informele netwerken of bewindvoerders, wat mogelijk duidt op beperkte directe toegang tot gemeentelijke ondersteuning. Dit wijst op een behoefte naar duidelijkheid, eenvoud en ondersteuning op maat bij armoede en schulden.
2.6 Ervaringen met gemeentelijke dienstverlening – mystery guest onderzoek In Nunspeet was gemiddelde beoordeling een 6 (n=2). Raadsleden ervaarden onduidelijke informatie en trage reacties, vergelijkbaar met Putten en Hattem. De aanvraagprocedure werd als lastig ervaren, vooral voor inwoners met minder digitale vaardigheden. In vergelijking met Oldebroek, waar aanvragen eenvoudiger verliepen, scoort Nunspeet minder consistent. De variatie wijst op verschillen in toegankelijkheid en uitvoering. 2.7 Ervaringen van uitvoerende medewerkers en partners - aansluiting op behoeften In Nunspeet signaleren uitvoerenden dat de ondersteuning niet altijd aansluit op individuele situaties. Net als in Hattem en Putten vormen complexe procedures knelpunten. Hoewel de communicatie over beschikbare hulp is verbeterd, blijft bekendheid met regelingen nog beperkt. De behoefte aan persoonlijk contact en eenvoud in de aanvraagprocedures blijft aanwezig. 2.8 Bereik en effectiviteit In Nunspeet laat het bereik van inkomensondersteunende regelingen een wisselend beeld zien. Het bereik van de collectieve zorgverzekering en bijdragen voor sport en cultuur ligt op of iets boven het landelijk gemiddelde. Bij kwijtschelding belastingen en individuele inkomenstoeslag ligt het bereik (ruim) onder het landelijk gemiddelde.
Net als in Hattem en Putten blijven werkende armen en laaggeletterden moeilijk te bereiken, mede door schaamte en bureaucratische drempels. Vergelijkbaar met andere gemeenten op de Noord-Veluwe blijkt het lastig om zicht te krijgen op wie buiten beeld blijft.
7
2.9 Nieuwe doelgroepen Door de inflatie en energiecrisis zijn in Nunspeet nieuwe doelgroepen zichtbaar geworden, waaronder werkende armen, jongeren met schulden, ouderen en zzp’ers. Net als in Elburg en Hattem blijkt de energietoeslag hierbij een belangrijke trigger. Opvallend in Nunspeet is het toenemende aantal jongeren met schulden, een groep die minder expliciet naar voren komt in andere gemeenten. Zowel de beleidsadviseur als diverse uitvoerders en externe partners geven aan dat wantrouwen richting de overheid voor meerdere groepen een barrière is om hulp te zoeken. 2.10 Middelen en knelpunten In vergelijking met Hattem ervaren uitvoerenden in Nunspeet minder ruimte voor maatwerk. Bureaucratie en beperkte flexibiliteit bemoeilijken het inzetten van regelingen, vooral voor werkende armen en mensen net boven de inkomensgrens. Net als in Putten worden beperkte informatie en een tekort aan bredere ondersteuning (zoals werkhervatting) genoemd. De middelen voor inkomensregelingen en participatie waren in 2022 en 2023 overschreden ten opzichte van begroting, wat wordt verklaard als een effect van de uitgifte van de energietoeslag. 2.11 Beleid armoede en schulden Nunspeet voert een integrale aanpak die werk, inkomen en schuldhulpverlening combineert, met expliciete aandacht voor kwetsbare groepen zoals jongeren zonder startkwalificatie en mensen met een beperking.
De beleidsdoelen – duurzame uitstroom naar werk, vroegsignalering en laagdrempelige voorzieningen – komen overeen met die van Elburg en Oldebroek, maar Nunspeet onderscheidt zich door een gerichte focus op arbeidsintegratie van specifieke doelgroepen. 2.12 Informatievoorziening en de rol van de raad In Nunspeet wordt de raad geïnformeerd via de P&C-cyclus, themasessies en startnotities, met aandacht voor zowel cijfers als praktijkervaringen. De raad is overwegend tevreden over de informatievoorziening en speelt een groeiende rol bij evaluaties en beleidsaanpassingen. In vergelijking met Hattem is de informatiepositie sterker ontwikkeld en wordt monitoring actiever opgepakt. 2.13 Leren van andere gemeenten In vergelijking met de andere gemeenten valt op dat Nunspeet actief gebruikmaakt van ervaringen uit andere gemeenten, maar deze altijd aanpast aan de lokale context. De gemeente onderzoekt onder meer het compenseren van het eigen risico in de zorgverzekering en de uitbreiding van functies van het Financieel Trefpunt. Ook kijkt Nunspeet naar vereenvoudiging van minimaregelingen om toegankelijkheid te vergroten. Op het gebied van schuldhulpverlening ziet de gemeente Nunspeet kansen voor andere gemeenten in het integreren van financiële ondersteuning met sociaal-maatschappelijke begeleiding.
8
3. Conclusies Conclusie 1: niet alle inwoners uit de doelgroepen worden bereikt en het niet-bereik is niet goed in beeld Het bereik van inkomensondersteunende regelingen in Nunspeet laat een wisselend beeld zien in vergelijking tot het landelijke beeld. Bij sommige regelingen ligt het bereik rond of boven het landelijk gemiddelde, terwijl andere regelingen (fors) lager scoren. Nunspeet heeft weliswaar diverse nieuwe doelgroepen in beeld, zoals werkenden met schulden, ZZP’ers en ouderen, maar inzicht in de aantallen blijft beperkt. Culturele factoren, zoals schaamte, de neiging om problemen zelf te willen oplossen of hulp te zoeken in het eigen sociale verband (waaronder kerken), en een breder wantrouwen in de overheid spelen hierbij een rol. Conclusie 2: het aanbod aan regelingen sluit niet volledig aan bij de behoeften van de doelgroep Zowel inwoners als uitvoerenden geven aan dat het instrumentarium van Nunspeet niet altijd afdoende is om in alle voorkomende gevallen de behoeften van inwoners op het gebied van inkomensondersteuning in te vullen. Daarbij wordt zowel bij inwoners als uitvoerenden een behoefte gevoeld om vaker maatwerk te kunnen toepassen. Conclusie 3: de bekendheid van de regelingen bij de doelgroep is toegenomen, maar kan nog worden verbeterd. In Nunspeet is een groot deel van de inwoners bekend met de mogelijkheden van inkomensondersteuning.
Tegelijkertijd geven veel inwoners aan dat de communicatie over de regelingen en de aangeboden informatie verbeterd kan worden. Opvallend is dat in Nunspeet de bekendheid met regelingen en de tevredenheid over de communicatie hierover, per regeling sterk varieert. Conclusie 4: de informatiepositie van de raad is afdoende en de raad is groeiende in zijn kaderstellende en controlerende rol De raad wordt geïnformeerd via de P&C cyclus, themasessies en startnotities. In het algemeen is de raad volgens beleidsmakers tevreden over de aangeboden informatie. De raad speelt volgens beleidsmakers een steeds sterker toenemende rol bij evaluatie en beleidsaanpassingen.
9
4. Aanbevelingen Aanbeveling 1: vergroot het inzicht in het niet-bereik Om het bereik van de ondersteuning te vergroten, moet de gemeente inzicht krijgen in welke groepen inwoners buiten beeld blijven. Daartoe dient voor elke regeling het bereik en niet-bereik in kaart te worden gebracht. De Lokale Armoedescan van het CBS kan daarvoor een nuttig hulpmiddel zijn. Aanbeveling 2: onderzoek de aansluiting tussen het aanbod aan regelingen en de behoeften van de doelgroepen en pas zo nodig het aanbod aan Zoals in conclusie 2 te lezen is, sluit het aanbod aan regelingen niet volledig aan op de behoeften van de doelgroepen. De Rekenkamer beveelt aan om de hiaten in kaart te brengen en zo nodig aanpassingen in het aanbod te doen. Bijlage 1 bij de Nota van Bevindingen (achteraan dit rapport) bevat een overzicht van alle regelingen die de 5 (in de Rekenkamer samenwerkende) gemeenten hanteren, en kan dienen als uitgangspunt. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit een overzicht is van alle regelingen die in minimaal 1 van de 5 gemeenten worden aangeboden. Het is daarmee geen overzicht van alle denkbare mogelijkheden. Aanbeveling 3: investeer in meer maatwerk en een actieve benadering van de doelgroepen Bij het ontstaan van armoede is complexe en/of meervoudige problematiek vaak de grootste risicofactor. Maatwerk is nodig om deze multi-problematiek te herkennen en te kunnen aanpakken.
Zorg dat uitvoerders de tijd en ruimte hebben om maatwerk te bieden. Een van de mogelijkheden om capaciteit hiervoor vrij te maken, is door tegelijkertijd in te zetten op meer ambtelijk verstrekken. Hierdoor kan mogelijk tevens het bereik worden vergroot, maar daarmee ook het risico op overschrijding van budgetten. Aanbeveling 4: zet in op betere bekendheid van de regelingen Als meer inzicht ontstaat in het niet-bereik, kunnen de doelgroepen ook beter proactief worden benaderd met communicatie over de regelingen. Daarnaast kan de algemene communicatie en vindbaarheid van de regelingen, bijvoorbeeld op de website van de gemeente, worden verbeterd. Onderzoek daarbij ook welke regelingen met name beter gecommuniceerd moeten worden, want de bekendheid varieert sterk per regeling.
10
5.
11
Bestuurlijke reactie
12
13
6. Nawoord Geacht college, Op 6 januari 2026 ontvingen wij van u de bestuurlijke reactie op ons rekenkamerrapport ‘Onderzoek naar armoede- en schuldenbeleid’. Wij willen u hier hartelijk voor bedanken! In de bestuurlijke reactie lezen wij dat het college dit onderwerp een warm hart toedraagt en dat zij blij is met de positieve effecten die het beleid nu al heeft. De rekenkamer waardeert ook het voornemen dat het college haar dienstverlening verder wil verbeteren en dat de aanbevelingen worden betrokken in de uitvoering. Ondanks deze constructieve reactie plaatst het college kanttekeningen bij het onderzoek. Deze hebben wij serieus genomen en het onderzoeksbureau gevraagd hierop te reflecteren. De rekenkamer heeft vervolgens een reactie op alle kanttekeningen geschreven en het rapport op een aantal onderdelen aangepast. Deze reactie treft u als bijlage bij dit nawoord aan. In aansluiting daarop wil de rekenkamer in dit nawoord expliciet benoemen dat wij de lange doorlooptijd van het onderzoek betreuren. Hierdoor heeft het onderzoek meer ambtelijke inzet gevraagd dan nodig was. Als rekenkamer streven wij naar een vlot en efficiënt onderzoeksproces. Tegelijkertijd willen wij geen concessies doen aan de kwaliteit van het onderzoek/het rapport en zullen daarom altijd zorgvuldig te werk gaan.
Dit neemt niet weg dat wij de kritiek van het college ter harte nemen bij vervolgonderzoeken. Wij zien uit naar de behandeling van ons rapport in de commissievergadering. Met hartelijke groet, Namens de rekenkamer, H.W.P. (Peter) Niemeijer (voorzitter)
14
6.1
Bijlage bij nawoord: reactie op de opmerkingen en kanttekeningen in de bestuurlijke reactie van het college van B&W
Opmerking en pagina 1. Formuleringen van bevindingen te stellig Pagina 7, alinea 2.5
2. Meningen gepresenteerd als feiten Pagina 8, alinea 2.9
Reactie Bestuurlijk Wederhoor In de tekst staat: “Een derde van de inwoners vindt …” en “Een kwart ervaart …”. Het onderzoek is echter niet representatief (slechts 12 geïnterviewde inwoners). Wij verzoeken om deze formulering aan te passen naar: “Een derde van de respondenten vindt …”. Dit geldt ook voor vergelijkbare passages elders in het document. “Wantrouwen richting de overheid blijft voor meerdere groepen een barrière om hulp te zoeken” Dit wordt gepresenteerd als een bevinding. Dit is echter een vermoeden van één beleidsmedewerker en niet door onderzoek getoetst.
3. Onduidelijke conclusie Pagina 9, conclusie 1
4. Aanbevelingen concreter maken Pagina 10, aanbeveling 2
15
Wij verzoeken om dit expliciet als mening of aanname te benoemen, niet als feitelijke bevinding. Het rapport stelt dat “het niet-bereik niet goed in beeld is”. Wij missen een toelichting op wat er niet goed in beeld is. Dat de doelgroep niet volledig in beeld is, weten we al. Ook weten we dat dit vooral zit bij werkende armen en ouderen. Graag verduidelijken wat er nu nog ontbreekt.
Wij verzoeken om concreet aan te geven waar het verschil zit in aansluiting van het aanbod van regelingen. Onze indruk is dat Nunspeet meer vrijheid biedt aan inwoners dan de gemeente die als voorbeeld wordt genoemd. Dit graag onderbouwen.
Reactie Rekenkamer Wij nemen het voorstel van het college over. We hebben in het hele rapport de tekst aangepast in ‘Een derde van de respondenten …’ en ‘Een kwart van de respondenten ervaart …’
Het is niet alleen een vermoeden van één beleidsmedewerker. We hebben de passage als volgt aangepast: ‘Zowel de beleidsadviseur als diverse uitvoerders en externe partners geven aan dat wantrouwen richting de overheid voor meerdere groepen een barrière is om hulp te zoeken.’
Met de conclusie “het niet-bereik is niet goed in beeld” wordt bedoeld dat de gemeente geen volledig en systematisch inzicht heeft in de inwoners die wél tot de doelgroep behoren, maar géén gebruik maken van gemeentelijke regelingen. Hoewel bekend is dat dit met name werkende armen en ouderen betreft, ontbreekt inzicht in de omvang, samenstelling en concrete redenen van dit niet-bereik. De conclusie is gebaseerd op wisselende bereikcijfers per regeling, gecombineerd met signalen van uitvoerders, partners en inwoners dat groepen structureel buiten beeld blijven. Met de conclusie wordt dus bedoeld dat het niet-bereik slechts indicatief zichtbaar is en nog onvoldoende onderbouwd om hier gericht op te kunnen sturen. Wij verwijzen hiervoor naar Bijlage 1, waarin alle regelingen van de 5 onderzochte gemeenten staan.
5. Onjuiste stellingname over bereik Pagina 33, eerste zin onder de tabel
6. Feitelijke onjuistheid Bijlage 1, pagina 48
16
“Uit de tabel blijkt dat het bereik van inkomensondersteunende regelingen in de gemeente Nunspeet over het algemeen laag is” De zin kan niet worden gesteld. De daaropvolgende tekst geeft juist een genuanceerd beeld (2 regelingen op of boven landelijk niveau, 2 eronder). Wij verzoeken deze eerste zin te schrappen of aan te passen. Dit punt is al meerdere keren aangegeven. Bij Individuele inkomenstoeslag moet staan: “Inkomen was de afgelopen 3 jaar lager dan 120% van het sociaal minimum”.
Wij nemen het voorstel van het college over. De zin “Uit de tabel blijkt dat het bereik van inkomensondersteunende regelingen in de gemeente Nunspeet over het algemeen laag is” is uit het rapport verwijderd.
Wij nemen het voorstel van het college over. De zin is in het rapport aangepast in: “Inkomen was de afgelopen 3 jaar lager dan 120% van het sociaal minimum.”
Deel B
Nota van bevindingen 17
7. Nota van bevindingen 7.1 Aanleiding De samenwerkende rekenkamers (hierna rekenkamer) van de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten hebben gekozen om het ‘armoede2- en schuldenbeleid’ te onderzoeken. Dit onderwerp is om meerdere redenen actueel: de gevolgen van de stijgende prijzen van energie en boodschappen, mede als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de aandacht voor het onderwerp in de verkiezingsdebatten. Gemeenten hebben bij de aanpak van armoede een belangrijke rol. Niet alleen in het beeld krijgen wie hulp nodig heeft, maar ook in het helpen bij de noodzakelijke (financiële) ondersteuning. Gemeenten zijn gebonden aan wet- en regelgeving, maar hebben ook de beleidsvrijheid om hier keuzes in te maken. 7.2 Onderzoeksvragen De centrale onderzoeksvraag is: Lukt het de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet, Oldebroek, en Putten om de beschikbare middelen voor armoede doeltreffend/doelmatig in te zetten, worden de huishouders in (dreigende) armoede bereikt en is de aanpak effectief? Hoe zetten de gemeenten de schuldhulpverlening in en in hoeverre helpt dit bij de bestrijding van armoede? Wat kan er beter en wat kunnen de 5 gemeenten van elkaar leren? De volgende deelvragen zijn daarbij per wereld ingedeeld. Leefwereld 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Wat is de omvang van de doelgroepen van armoederegelingen en schuldhulpverlening? Is de doelgroep gegroeid of veranderd (trendoverzicht)? Zijn er (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die niet in beeld zijn bij de gemeenten? Zijn de mogelijkheden tot het aanvragen van inkomensondersteunende maatregelen bekend bij de doelgroep? Vindt de doelgroep de toegang tot de mogelijkheden en middelen? Zijn deze begrijpelijk in het kader van dienstverlening? Is de doelgroep daadwerkelijk geholpen met de ingezette instrumenten (inkomensondersteunende maatregelen)? In hoeverre sluiten de instrumenten aan bij de behoeften van de doelgroep? Welke behoeften hebben de huishoudens in (dreigende) armoede als het gaat om ondersteuning van de gemeente?
Uitvoeringswereld 8.
Welke inkomensondersteunende maatregelen en andere middelen zetten de gemeenten in voor de armoedeaanpak en schuldhulpverlening? 9. Hoe ziet de armoedeaanpak eruit en is deze goed opgebouwd? 10. Hoe is de schuldhulpverlening georganiseerd? 11. Hoe sluit de uitvoering van de gemeente aan op de behoeften van ondersteuning van huishoudens? 12. Bereiken de gemeenten de doelgroepen van de inkomensondersteunende maatregelen? 13. Zijn (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die nog niet in beeld zijn bij de gemeenten? 14. Zijn de beschikbare middelen in de praktijk toereikend? Beleidswereld 15. Welk beleid voeren de vijf gemeenten op het gebied van armoede en schuldhulpverlening? 16. Hebben de gemeenten de volledige doelgroep in beeld?
2
In de nieuwe methode betekent armoede dat een huishouden niet genoeg financiële middelen heeft voor minimaal noodzakelijke uitgaven in Nederland. Hierbij wordt gekeken naar inkomen, vermogen en worden voor het eerst werkelijke individuele uitgaven aan wonen en energie meegenomen.
18
17. Welke doelen en resultaten hebben de gemeenten geformuleerd? Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag? 18. Hoe betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen van beleidsplannen en de inrichting van de uitvoering van maatregelen? 19. Hoeveel middelen hebben de gemeenten beschikbaar voor het armoedebeleid en de schuldhulpverlening? 20. Zorgt de armoedeaanpak en schuldhulpverlening ervoor dat huishoudens in armoede beter kunnen rondkomen? 21. In hoeverre worden de gestelde doelen/resultaten behaald? 22. Hoe verhouden de resultaten zich ten opzichte van landelijke cijfers? 23. Welke verschillen in resultaten zijn er tussen de vijf gemeenten in termen van bereik en effect? 24. Wat kunnen de gemeenten van elkaar leren? 25. Hoe wordt de raad geïnformeerd over het armoedebeleid/schuldhulpverlening en de uitvoering ervan? 26. Kan de raad met de geboden informatie zijn kaderstellende en controlerende rol adequaat vervullen? 7.3 Onderzoeksmodel Op basis van de onderstaande onderzoeksvragen is in dit onderzoek verondersteld dat de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten een beeld hebben van de risicogroepen in ofwel de opgaven in de ‘leefwereld’. De volgende veronderstelling is dat het beleid en de ambities hierop zijn gebaseerd. Met andere woorden: als dit de maatschappelijke opgave is, dan hebben we deze ambities en doelen. Dit is de ‘beleidswereld’.
Vervolgens is de aanname dat het beleid ook vertaald is naar een set van regelingen en aanpakken; de ‘uitvoeringswereld’. De laatste aanname is dat de ‘uitvoeringswereld’ effectief is in de ‘leefwereld’. De risicogroepen worden bereikt en de aanpak leidt tot vermindering van de (risico’s op) armoede en verbetering van de bestaanszekerheid en daarmee worden beleidsdoelen gerealiseerd. Dat leidt tot het volgende onderzoeksmodel, waarbij het plan van aanpak ook op hoofdlijnen is weergegeven.
De fasering van het onderzoek en de onderzoeksmethoden was opgebouwd aan de hand van de ‘werelden’. Per wereld startte het onderzoek met een documentenanalyse, gevolgd door interviews met de vertegenwoordigers in die wereld, zoals inwoners, uitvoerenden en beleidsmakers- en bepalers. In de leefwereld werd daarnaast ook dossieronderzoek en praktijkonderzoek uitgevoerd met behulp van ‘mystery guests’. Aan raadsleden is gevraagd om aan de hand van voorbeeldsituaties op zoek te gaan naar hulp en deze aan te vragen. In Putten, Elburg en
19
Nunspeet deden twee raadsleden mee, in Oldebroek vier en in Hattem één. De opbrengsten uit de gesprekken met de inwoners zijn betrokken bij de vraagstelling aan de uitvoerenden zoals consulenten van de gemeente en medewerkers van partners die inwoners helpen. Vervolgens zijn de opbrengsten uit de gesprekken met de uitvoerenden weer betrokken bij de vraagstelling aan de beleidsmakers- en bepalers. Gesproken is met beleidsmedewerkers van de gemeente, de verantwoordelijk wethouder en een vertegenwoordiging van de raad. Op deze manier zijn de bevindingen steeds verrijkt vanuit een ander perspectief en is daarmee de hoofdvraag beantwoord. In bijlage 1 zijn de geraadpleegde documenten en respondenten opgenomen. 7.4 Normenkader Het normenkader voor dit onderzoek is in onderstaande tabel weergegeven. Onderdeel onderzoeksmodel Leefwereld
Vraag
Normen
1. Wat is de omvang van de doelgroepen van armoederegelingen en schuldhulpverlening? 2. Zijn er (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die niet in beeld zijn bij de gemeente? 3. Zijn de mogelijkheden bekend bij de doelgroep? 4. Vindt de doelgroep de toegang tot de mogelijkheden en middelen? 5. Zijn deze begrijpelijk in het kader van dienstverlening?
▪
Beschrijvende vragen, geen norm.
▪
Inwoners weten hoe zij de mogelijkheden tot inkomensondersteuning kunnen vinden. Inwoners zijn bekend met de mogelijkheden tot inkomensondersteuning. Het beroep doen op de mogelijkheden tot inkomensondersteuning is laagdrempelig voor inwoners. De mogelijkheden zijn begrijpelijk voor de doelgroep.
▪
▪
▪
Uitvoeringswereld
20
6. Is de doelgroep daadwerkelijk geholpen met de ingezette instrumenten? In hoeverre sluiten de instrumenten aan bij de behoeften van de doelgroep?
▪
7. Welke behoeften hebben de huishoudens in (dreigende) armoede als het gaat om ondersteuning van de gemeente en hoe sluit de uitvoering van de gemeente daarop aan? 8. Welke inkomensondersteunende maatregelen en andere middelen zetten de gemeenten in voor de armoedeaanpak en schuldhulpverlening?
▪
▪
▪
De ingezette inkomensondersteunende maatregelen helpen inwoners bij het vergroten van hun bestaanszekerheid. De ingezette instrumenten sluiten aan bij de behoeften van de doelgroep. De uitvoering van de ondersteuning door de gemeente sluit aan bij de behoeften van huishoudens in (dreigende) armoede.
Beschrijvende vraag, geen norm.
Onderdeel onderzoeksmodel
Beleidswereld
Vraag
Normen
9. Hoe ziet de armoedeaanpak eruit en is deze goed opgebouwd?
▪
▪
De armoedeaanpak is zo ingericht dat deze aansluit bij zowel de behoeften van inwoners als de doelen die de gemeente wil bereiken. Sprake is van een leer- en verbetercyclus tussen verschillende uitvoerders van verschillende regelingen waarmee steeds de aanpak waar nodig wordt aangescherpt.
10. Hoe is de schuldhulpverlening georganiseerd? 11. Hoe sluit de uitvoering van de gemeente aan op de behoeften van ondersteuning van huishoudens? 12. Bereiken de gemeenten de doelgroepen van de inkomensondersteunende maatregelen? 13. Zijn (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die nog niet in beeld zijn bij de gemeenten? 14. Zijn de beschikbare middelen in de praktijk toereikend?
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
De gemeenten bereiken de door hen benoemde doelgroepen.
▪
De gemeente heeft nieuwe doelgroepen in beeld en heeft een onderbouwde keuze gemaakt om voor deze groepen wel of geen vorm van maatregelen in te zetten.
▪
15. Welk beleid voeren de vijf gemeenten op het gebied van armoede en schuldhulpverlening? 16. Hebben de gemeenten de volledige doelgroep in beeld?
▪
De beschikbare middelen zijn binnen de inhoudelijke kaders van de maatregelen toereikend. Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
De gemeenten hebben de volledige doelgroep in beeld.
17. Welke doelen en resultaten hebben de gemeenten geformuleerd? Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?
▪
Doelen zijn concreet en resultaatgericht geformuleerd en bevatten indicatoren en streefwaarden. Sprake is van een analyse van de opgave rondom armoede en een daarop gebaseerde beleidsambitie.
18. Hoe betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen van beleidsplannen en de inrichting van de uitvoering van maatregelen?
▪
▪
▪
▪
21
De gemeente betrekt inwoners bij het opstellen van het beleid (doelen). De gemeente betrekt inwoners bij de inrichting van de uitvoering van maatregelen en de armoede aanpak. De gemeente vraagt periodiek aan de doelgroepen van het beleid wat goed gaat en wat beter kan in de uitvoering.
Onderdeel onderzoeksmodel
Vraag
Normen
19. Hoeveel middelen hebben de gemeenten beschikbaar voor het armoedebeleid en de schuldhulpverlening? 20. Zorgt de armoedeaanpak en schuldhulpverlening ervoor dat huishoudens in armoede beter kunnen rondkomen? 21. In hoeverre worden de gestelde doelen/resultaten behaald?
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
Inwoners die gebruik maken van inkomensondersteunende maatregelen en schuldhulpverlening geven aan dat zij hierdoor beter kunnen rondkomen. De gemeente monitort het doelbereik. De beoogde doelen en resultaten worden gerealiseerd.
22. Hoe verhouden de resultaten zich ten opzichte van landelijke cijfers? 23. Welke verschillen in resultaten zijn er tussen de vijf gemeenten in termen van bereik en effect? 24. Wat kunnen de gemeenten van elkaar leren? 25. Hoe wordt de raad geïnformeerd over het armoedebeleid/schuldhulpverle ning en de uitvoering ervan?
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
Beschrijvende vraag, geen norm.
▪
26. Kan de raad met de geboden informatie zijn kaderstellende en controlerende rol adequaat vervullen?
▪
De raad wordt minimaal jaarlijks geïnformeerd over het bereik en het effect van het armoedebeleid en schuldhulpverlening. De raad kan met de geboden informatie over het bereik en het effect van het armoedebeleid en schuldhulpverlening de controlerende en kaderstellende rol vervullen.
▪ ▪
7.5 Onderzoeksverantwoording Het onderzoek bestond uit de volgende stappen: Documentenstudie Eerst zijn alle inkomensregelingen van de gemeente geanalyseerd. In kaart is gebracht welke regelingen er zijn en welke voorwaarden daarvoor gelden. Vervolgens is, op basis van gemeentelijke cijfers, onderzocht hoe het gebruik en bereik van deze regelingen zich hebben ontwikkeld. Daarnaast is de armoedeproblematiek in Nunspeet geanalyseerd aan de hand van de beschikbare gegevens. Het tweede deel van de documentenstudie richtte zich op een inhoudelijke analyse van het relevante beleid rondom armoede, schulden en bestaanszekerheid. Hierbij is ook het proces van informatievoorziening vanuit het college naar de raad meegenomen met betrekking tot de aanpak van armoede, schulden en het verbeteren van de bestaanszekerheid. Voor dit onderzoek is bereik gedefinieerd als het aandeel van de doelgroep dat daadwerkelijk gebruik maakt van een gemeentelijke minimaregeling. Veldwerk onder inwoners Op basis van geanonimiseerde gemeentelijke bestanden heeft de Rekenkamer een selectie gemaakt van huishoudens met als doel om 12 interviews af te nemen. Dit is gelukt. In deze gesprekken deelden de huishoudens onder andere hun ervaringen met het aanvraagproces en het effect van de ontvangen hulp.
Veldwerk onder uitvoerende medewerkers Interviews zijn afgenomen met uitvoerende consulenten van de gemeente en samenwerkingspartners in Nunspeet. Doel was om inzicht te krijgen in het aanvraagproces, hoe huishoudens toegang vinden tot hulp en ondersteuning, welke inspanningen worden geleverd om het bereik te vergroten en welke factoren een rol spelen bij het niet-
22
bereiken van bepaalde groepen. Daarnaast gaven uitvoerders aan wat goed gaat en wat verbeterd kan worden. Ook reflecteerden zij op de bevindingen uit de gesprekken met huishoudens. Veldwerk onder beleidsmakers Beleidsmedewerkers verantwoordelijk voor armoede en bestaanszekerheid zijn geïnterviewd, evenals de verantwoordelijke wethouder. In deze gesprekken is onder andere besproken wat de belangrijkste doelen van de gemeente zijn, hoe de gemeente stuurt op het behalen van deze doelen en welke factoren de behaalde resultaten beïnvloeden. Daarnaast gaven zij aan wat goed gaat en wat beter kan. Ook reflecteerden zij op de uitkomsten van de gesprekken met zowel inwoners als uitvoerders. Rapportage De bevindingen zijn per perspectief (inwoners, uitvoerders en beleidsmakers) uitgewerkt. Dit heeft geleid tot een nota van bevindingen. 7.6 Bevindingen leefwereld 7.6.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de bevindingen over de omvang en ontwikkelingen op het gebied van armoede en schulden van de gemeente Nunspeet opgenomen. Daarnaast zijn de ervaringen van bewoners weergegeven als het gaat om de bekendheid met voorzieningen, de toegang tot voorzieningen en het aansluiten van voorzieningen bij de behoefte van bewoners. Eerst zijn in de rode kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord.
Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan het normenkader. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van de beantwoording op hoofdlijnen in de rode kaders. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen beantwoord: 1. Wat is de omvang van de doelgroepen van armoederegelingen en schuldhulpverlening? Is de doelgroep gegroeid of veranderd (trendoverzicht)? 2. Zijn er (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die niet in beeld zijn bij de gemeenten? 3. Zijn de mogelijkheden tot het aanvragen van inkomensondersteunende maatregelen bekend bij de doelgroep? 4. Vindt de doelgroep de toegang tot de mogelijkheden en middelen? 5. Zijn deze begrijpelijk in het kader van dienstverlening? 6. Is de doelgroep daadwerkelijk geholpen met de ingezette instrumenten (inkomensondersteunende maatregelen)? In hoeverre sluiten de instrumenten aan bij de behoeften van de doelgroep? 7. Welke behoeften hebben de huishoudens in (dreigende) armoede als het gaat om ondersteuning van de gemeente? 7.6.2
Omvang en ontwikkeling doelgroepen
1. Wat is de omvang van de doelgroepen van armoederegelingen en schuldhulpverlening? Is de doelgroep gegroeid of veranderd (trendoverzicht)? Bevindingen op hoofdlijnen: ▪ Het aantal huishoudens met een inkomen van onder 101% tot onder 120% van het sociaal minimum is tussen 2020 en 2022 gedaald, zowel bij kort- (1 jaar) als langdurende (4 jaar) inkomensposities. ▪ Het aantal schuldenaren3 steeg van 570 in 2021 naar 660 in 2023. Het aandeel ten opzichte van alle huishoudens nam toe van 5,1% naar 5,8%, maar bleef onder het landelijke gemiddelde. Onderbouwing Deze tabel toont het aantal huishoudens met een inkomen van onder 101% tot onder 130% van het sociaal minimum (duur inkomenspositie: 1 jaar) en het totaal aantal huishoudens per jaar. Gegevens voor de drie
3
Het CBS definieert schuldenaren als 'huishoudens met geregistreerde problematische schulden' als huishoudens waarin ten minste één persoon voldoet aan criteria zoals deelname aan een wettelijk schuldsaneringstraject (WSNP), een bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) geregistreerd minnelijk traject of betalingsachterstand, of opname in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR) vanwege verkwisting of problematische schulden.
23
onderstaande tabellen zijn afkomstig uit de CBS Armoedescan. Figuur 1. Duur inkomenspositie: 1 jaar (% van totale aantal huishoudens) Jaar 101% 110% 120%
130%
2020
3,66%
6,40%
9,15%
11,89%
Totale aantal huishoudens in Nunspeet 10934
2021
3,61%
6,32%
8,12%
10,83%
11078
2022
3,58%
6,26%
8,05%
10,74%
11178
Deze tabel laat zien hoeveel huishoudens vier jaar lang een inkomen van onder 101% tot onder 130% van het sociaal minimum hebben gehad, uitgesplitst per jaar. Figuur 2: Duur inkomenspositie: 4 jaar (langdurig) t.o.v. alle huishoudens Jaar 101% 110% 120% 2020 1,83% 2,74% 4,57%
130% 6,40%
2021
1,81%
2,71%
4,51%
6,32%
2022
1,79%
2,68%
4,47%
6,26%
In deze tabel staat het aantal schuldenaren in de gemeente, zowel absoluut als relatief, met landelijke cijfers ter vergelijking. Figuur 3: Aantal en percentage van schuldenaren ten opzichte van alle huishoudens in de gemeente Jaar Schuldenaren % t.o.v. alle huishoudens % landelijk 2021
570
5,1%
7,7%
2022
620
5,5%
8,1%
2023
660
5,8%
8,8%
Uit de cijfers blijkt dat het aandeel mensen met een inkomen van onder 101% tot onder 120% van het sociaal minimum in de periode van 2021 tot 2023 is afgenomen. Dit geldt zowel voor inwoners met een inkomenspositie van 1 jaar als een lange inkomenspositie (4 jaar). Zo daalde bijvoorbeeld het percentage huishoudens met een inkomen onder 120% van het sociaal minimum van 9,15% in 2020 naar 8,05% in 2022 (1 jaar). Omdat het totaal aantal huishoudens in deze periode is gestegen, zien we zowel een relatieve als een absolute daling van het aantal huishoudens met een inkomen lager dan 120% van het sociaal minimum. Tegelijkertijd is het aantal schuldenaren toegenomen: van 570 in 2021 naar 660 in 2023. Ook het aandeel schuldenaren ten opzichte van het totale aantal huishoudens is gestegen, van 5,1% in 2021 naar 5,8% in 2023. Hoewel dit percentage in lijn is met de landelijke stijging, blijft het aandeel schuldenaren in Nunspeet lager dan het landelijke gemiddelde. 2. Zijn er (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die niet in beeld zijn bij de gemeenten? Bevindingen op hoofdlijnen: ▪ Werkende armen zijn lastig te bereiken, vaak door schaamte en de overtuiging dat zij geen recht hebben op ondersteuning. ▪ Zelfredzaamheidsnorm binnen kerkelijke gemeenschappen draagt bij aan terughoudendheid in het vragen om hulp.
24
Bekendheid van inkomensondersteunende maatregelen is toegenomen door gerichte communicatie, vooral rondom de energietoeslag. ▪ Volgens de consulenten zorgde de afgenomen schaamte rondom energiearmoede ervoor dat meer mensen zich meldden voor de energietoeslag. ▪ Ondanks verbeterde communicatie blijven werkende armen vaak onterecht denken dat ze geen recht hebben op ondersteuning. Onderbouwing Perspectief gemeente (consulenten, beleidsmakers) Uit gesprekken met beleidsmakers en consulenten blijkt dat werkende armen moeilijk te bereiken zijn. Deze groep denkt vaak ten onrechte dat ze geen recht hebben op hulp vanwege hun inkomen. Dit blijkt vooral een probleem te zijn door de schaamte die mensen ervaren, evenals de cultuur van zelfredzaamheid, die met name sterk aanwezig is in kerkelijke gemeenschappen. De beleidsmakers en consulenten geven aan dat kerken een belangrijke ondersteunende rol hebben voor de inwoners in de doelgroep, waardoor een deel van de doelgroep zich niet of minder snel bij de gemeente meldt. De consulenten merken eveneens dat veel mensen zich niet bewust zijn van hun recht op ondersteuning en vaak niet weten welke hulp beschikbaar is, wat het bereik verder bemoeilijkt. Beleidsmakers geven aan dat de recente energietoeslag heeft geholpen om een bredere groep in beeld te krijgen. ▪
De bekendheid van inkomensondersteunende maatregelen is de afgelopen jaren wel toegenomen door gerichte communicatie, vooral rondom de energietoeslag. Beleidsmakers geven aan dat door de energiecrisis de schaamte rondom energiearmoede afnam, waardoor meer mensen zich melden voor de energietoeslag. Toch blijft het een uitdaging om werkende armen effectief te bereiken, mede door de schaamte en de zelfredzaamheidsnorm die volgens zowel beleidsmakers als consulenten nog steeds sterk leeft binnen bepaalde gemeenschappen. Beide groepen vermoeden dat, ondanks de verbeterde communicatie, werkende armen vaak onterecht denken dat ze geen recht hebben op ondersteuning. 7.6.3
Bevindingen bekendheid, toegang en aansluiting behoeften perspectief inwoners 4
3. Zijn de mogelijkheden tot het aanvragen van inkomensondersteunende maatregelen bekend bij de doelgroep? 4. Vindt de doelgroep de toegang tot de mogelijkheden en middelen? 5. Zijn deze begrijpelijk in het kader van dienstverlening? Bevindingen op hoofdlijnen: ▪ Een groot deel van de respondenten is bekend met gemeentelijke regelingen, maar kennis over specifieke toeslagen en ondersteuning verschilt sterk. De gemeente wordt als onvoldoende actief ervaren in het delen van informatie. ▪ Sommige respondenten ervaren de aanvraagprocedure als onduidelijk, vooral wanneer zij minder digitale vaardigheden hebben. Dit kan de toegang tot regelingen bemoeilijken. ▪ Waardering van het vinden van hulp varieert sterk, met een gemiddelde beoordeling van 6. Sommige aanvragers in Mystery Guest onderzoek voelen frustratie over onduidelijke informatie en trage reacties van de gemeente. ▪ Respondenten hebben wisselende ervaringen. Terwijl sommige respondenten tevreden zijn over het persoonlijke contact, ervaren anderen een gebrek aan maatwerk en proactieve ondersteuning. ▪ De aanvraagprocedure wordt als onduidelijk ervaren, vooral voor respondenten met minder digitale vaardigheden. Dit bemoeilijkt de toegang tot beschikbare regelingen. ▪ Respondenten hebben wisselende ervaringen.
De helft van de gesproken respondenten is zeer tevreden over de hulp van de gemeente, met name vanwege het persoonlijke contact en de duidelijke communicatie over waar zij recht op hebben. Tegelijkertijd ervaren anderen een gebrek aan maatwerk en proactieve ondersteuning.
4
Bevindingen binnen deze en volgende paragrafen zijn gebaseerd op gesprekken met 12 inwoners en het mystery guest casusonderzoek. Zie voor meer informatie de onderzoeksverantwoording.
25
Onderbouwing Bekendheid met regelingen Uit gesprekken met respondenten blijkt dat een groot deel van de gesproken respondenten bekend zijn met gemeentelijke regelingen, terwijl een derde enigszins bekend zijn en een kwart er niet van op de hoogte zijn. De mate van bekendheid met specifieke toeslagen en regelingen varieert sterk. Slechts een kwart van de respondenten vindt dat de gemeente voldoende informeert over de beschikbare regelingen, terwijl eenzelfde percentage aangeeft dat het lastig is om aan relevante informatie te komen. Een groot deel van de respondenten is niet volledig op de hoogte van alle beschikbare regelingen. Daarnaast vindt een kwart van de respondenten dat de gemeente onvoldoende actief is in het delen van informatie over de beschikbare hulp. Toegang vinden tot toeslagen en regelingen Ongeveer een derde van de gesproken respondenten krijgt ondersteuning bij het aanvragen van toeslagen en regelingen, bijvoorbeeld via Vluchtelingenwerk of een bewindvoerder. In veel gevallen nemen bewindvoerders het initiatief en dienen zij namens de inwoner de aanvragen in. Andere respondenten zoeken zelf naar informatie via verschillende kanalen, zoals kranten, online bronnen, familie of kennissen, of met hulp van een gemeentelijke consulent. De toegang tot regelingen verschilt dus per respondent.
Twee derde van de gesproken respondentenervaren de route naar de gemeente echter niet als vanzelfsprekend. Slechts een derde van de gesproken respondenten weet precies waar ze terechtkunnen voor hulp, terwijl de overige respondenten afhankelijk zijn van anderen om hen te begeleiden in dit proces. Mystery Guest ‘vinden van hulp’ In de gemeente Nunspeet geven de raadsleden die als Mystery Guest op zoek zijn gegaan naar hulp bij het onderdeel ‘’vinden van hulp’’ een gemiddeld cijfer van een 6. Echter liggen de cijfers ver uit elkaar: namelijk een 8 en een 4. Ook blijkt dat beide raadsleden niet gelijk de juiste hulp hebben gevonden. Het raadslid dat de casus had voor bijzondere bijstand, vertelt dat hij online zocht naar hulp bij een kapotte wasmachine en op de witgoedregeling stuitte. Daarin stond dat de regeling tot 30 juni 2024 gold, terwijl hij wist dat deze verlengd was 5. Bij verdere zoektocht ontdekte hij dat de verlengde regeling alleen toegankelijk was voor mensen die eerder gebruik hadden gemaakt van de eerste regeling, wat hij als verwarrend ervoer. Na een mail aan de gemeente op 22 september kreeg hij pas op 3 oktober een reactie, waarin werd aangegeven dat bijzondere bijstand waarschijnlijk niet mogelijk was omdat het om algemene kosten ging. Hij vindt het opmerkelijk dat er wel een witgoedregeling is, maar dat deze in zijn situatie niet van toepassing is.
De tweede mystery guest vond het relatief eenvoudig om hulp te vinden via de sociale kaart van de gemeente en waardeerde dit aspect met een 8. Hij kon meerdere regelingen benoemen, waaronder energietoeslag, inkomensregelingen en de collectieve zorgverzekering. Dit wijst erop dat de toegang tot informatie voor digitaal vaardige inwoners in grote lijnen werkt. Tegelijkertijd ervoer hij het aanvraagproces als omslachtig en niet klantvriendelijk, wat vooral nadelig kan zijn voor inwoners met beperkte digitale vaardigheden. Raadsleden ervoeren het proces als onduidelijk vanwege het grote aantal stappen, het ontbreken van specifieke informatie op de website en het moeten printen en opsturen van formulieren. Begrijpelijk in kader van dienstverlening Respondenten hebben een gemengd beeld over de begrijpelijkheid van de gemeentelijke dienstverlening. De meerderheid geeft aan dat de gemeente duidelijk communiceert over waar zij recht op hebben. Toch ervaren respondenten tekortkomingen. Zo gaf een respondent aan dat de gemeente in de beginperiode van haar bijstandsaanvraag weinig initiatief toonde om passende hulp te bieden. Een andere respondent voelde dat haar situatie met wantrouwen werd benaderd.
5
De beleidsmedewerkers geven aan dat op basis van de signalen van inwoners de witgoedregeling voor iedereen wordt opengesteld en verlengd.
26
In beide gevallen had de dienstverlening beter gekund volgens de respondenten, vooral door meer maatwerk te leveren en proactief mee te denken. Daar tegenover staan positieve ervaringen. Zo is de helft van de gesproken respondenten zeer tevreden over de hulp van de gemeente. Zij waarderen met name het persoonlijke contact met consulenten. Tegelijkertijd ervaren anderen een gebrek aan maatwerk en proactieve ondersteuning. Mystery Guest toegang: ‘aanvragen van hulp’ In de gemeente Nunspeet geven de raadsleden die als Mystery Guest op zoek zijn gegaan naar hulp bij het onderdeel ‘’aanvragen van hulp’’ een gemiddeld cijfer van een 4. Het raadslid met de casus ‘bijzondere bijstand’ geeft aan dat het proces niet duidelijk was: ‘’In de casus stond dat de persoon niet zo handig is met internet, maar omdat ik vooral in de avond en in het weekend tijd had om deze casus op te pakken, heb ik het toch via internet gedaan. Daarbij is het wel lastig om me in te leven in wat een gewone inwoner weet, omdat ik zelf weet welke mogelijkheden er in Nunspeet zijn…’’. Het andere raadslid met de casus ’individuele inkomenstoeslag’ vond het niet altijd duidelijk of in zijn situatie de hulp wordt geboden. 6.
Is de doelgroep daadwerkelijk geholpen met de ingezette instrumenten (inkomensondersteunende maatregelen)? In hoeverre sluiten de instrumenten aan bij de behoeften van de doelgroep? Bevindingen op hoofdlijnen: ▪ Een groot deel van de respondenten geven aan dat inkomensondersteunende maatregelen hen daadwerkelijk helpen bij het bekostigen van noodzakelijke uitgaven en het behouden van financiële stabiliteit. ▪ De ingezette instrumenten worden als nuttig ervaren door respondenten die hiermee geholpen zijn, omdat het bijdraagt aan meer overzicht en minder stress in hun financiële situatie. ▪ Een aanzienlijk deel van de respondenten ontdekt pas laat dat zij recht hebben op bepaalde voorzieningen, vaak via informele netwerken in plaats van via de gemeente. ▪ Sommige respondenten vallen net buiten de vastgestelde inkomensgrenzen, terwijl zij in de praktijk dezelfde financiële uitdagingen ervaren als anderen die wel recht hebben op ondersteuning. ▪ Een kwart van de respondenten geeft aan dat de hulp niet volledig aansloot op hun situatie, door bijvoorbeeld taalbarrières of een gebrek aan persoonlijke begeleiding bij het vinden van werk of de overgang uit de bijstand. Onderbouwing Een groot deel van de gesproken respondenten geven aan dat de ontvangen ondersteuning hen daadwerkelijk heeft geholpen in hun financiële situatie.
Zij benoemen expliciet dat de regelingen bijdragen aan het bekostigen van noodzakelijke uitgaven, zoals zorgverzekering, huishoudelijke apparaten en sportactiviteiten. Voor meerdere huishoudens betekende dit dat zij hun vaste lasten konden blijven betalen en hun kinderen konden laten deelnemen aan sport- en culturele activiteiten. Schuldhulpverlening en budgetbeheer worden als zeer nuttig ervaren door de gesproken respondenten die hiermee geholpen zijn, omdat zij hierdoor overzicht en grip op hun financiën kregen, wat bijdroeg aan minder stress en een stabielere financiële situatie. Desondanks sluiten de inkomensondersteunende maatregelen niet altijd aan bij de behoeften van alle respondenten. Een derde van de gesproken respondenten geeft aan dat zij pas laat ontdekten dat zij recht hadden op bepaalde voorzieningen. Sommigen ontdekten deze mogelijkheden via informele netwerken, zoals familie of buren. Daarnaast kon een kleinere groep van de gesproken respondenten geen gebruik maken van bepaalde ondersteuning vanwege een net te hoog inkomen. Hierdoor vielen zij buiten de vastgestelde inkomensgrenzen, terwijl zij in de praktijk dezelfde financiële uitdagingen ervoeren als anderen die wel recht hadden op
27
ondersteuning. Dit leidde tot frustratie en het gevoel dat de regeling onvoldoende rekening houdt met individuele omstandigheden. Ook geeft een kwart van de gesproken respondenten aan dat de geboden hulp niet volledig aansloot op hun persoonlijke situatie. In sommige gevallen ging het om taalbarrières, waardoor het zelfstandig aanvragen van ondersteuning lastig bleek. Anderen ervaren een gebrek aan persoonlijke begeleiding, bijvoorbeeld bij het vinden van passend werk of bij de stap uit de bijstand. Dit maakte de overgang naar financiële onafhankelijkheid moeilijker en creëerde onzekerheid over de toekomst. 7. Welke behoeften hebben de huishoudens in (dreigende) armoede als het gaat om ondersteuning van de gemeente? Bevindingen op hoofdlijnen: ▪ Standaardregelingen sluiten niet altijd aan bij de specifieke situatie van respondenten. Er is behoefte aan ondersteuning die beter aansluit op individuele omstandigheden. ▪ Respondenten ervaren procedures als complex en geven aan dat persoonlijke begeleiding hen zou helpen bij het aanvragen van ondersteuning en het vinden van passend werk of vrijwilligerswerk. ▪ Wachttijden en bureaucratische procedures vormen een belemmering. Respondenten willen sneller geholpen worden, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een uitkering of kwijtschelding van gemeentelijke lasten.
▪ Veel respondenten weten niet welke regelingen beschikbaar zijn en ervaren een tekort aan informatie vanuit de gemeente. Zij zijn vaak afhankelijk van informele netwerken om achter relevante ondersteuning te komen. Onderbouwing Uit de antwoorden van de gesproken respondenten blijkt dat huishoudens in (dreigende) armoede verschillende behoeften hebben als het gaat om ondersteuning door de gemeente. De belangrijkste behoeften zijn maatwerkoplossingen, persoonlijke begeleiding, snellere toegang tot hulp en betere communicatie en informatievoorziening. Maatwerkoplossingen Meer dan de helft van de gesproken respondenten geven aan dat de standaardregelingen niet altijd aansluiten bij hun specifieke situatie. Zij hebben behoefte aan ondersteuning die beter is afgestemd op hun persoonlijke omstandigheden. Zo geeft een respondent aan dat er eerst geen begrip was getoond voor haar persoonlijke situatie, waardoor zij afhaakte. Later werd zij alsnog geholpen, nadat een andere consulent met haar aan de slag ging. Een ander voorbeeld is een respondent die aangeeft dat hij naast financiële ondersteuning ook hulp nodig had bij het vinden van vrijwilligerswerk, omdat dit voor de respondent de sleutel was tot een stabielere situatie. Persoonlijke begeleiding Naast financiële en materiële hulp hebben veel respondenten behoefte aan persoonlijke begeleiding.
Zij ervaren de procedures als ingewikkeld en waarderen het als iemand hen door het proces heen helpt. Een respondent geeft aan dat hij in het begin moeite had om een overzicht te krijgen van de hulp die beschikbaar was en dat een persoonlijke begeleider hierin veel had kunnen betekenen. Ook schaamte speelt een rol; een andere respondent geeft aan dat het lastig was om hulp te vragen vanwege de stigma’s rondom armoede, maar dat een vast contactpersoon deze drempel had kunnen verlagen. Snellere toegang tot hulp Meerdere respondenten noemen dat de wachttijden en bureaucratische procedures hen in de weg zitten bij het krijgen van de juiste ondersteuning. Een respondent geeft aan dat hij maanden wachtte op een uitkering van de gemeente en hierdoor steeds verder in de problemen raakte. Een andere respondent benoemt dat hij sneller
28
geholpen had willen worden bij het verkrijgen van noodzakelijke voorzieningen zoals kwijtschelding van gemeentelijke lasten, omdat hij hierdoor financiële ademruimte had kunnen krijgen. Betere communicatie en informatievoorziening Een terugkerend knelpunt is dat meer dan de helft van de gesproken respondenten niet goed weten welke regelingen en vormen van ondersteuning er beschikbaar zijn. Zij geven aan dat de informatievoorziening vanuit de gemeente tekortschiet. Een respondent noemt expliciet dat hij meer informatie had willen ontvangen over de mogelijkheden binnen de gemeente, omdat zij nu pas achteraf hoorde dat zij recht had op bepaalde regelingen. Een andere respondent geeft aan dat hij afhankelijk was van mond-tot-mondreclame om achter de juiste hulp te komen. 7.6.4 Toetsing normenkader Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm. ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm. ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm. ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm.
Normen Toetsing Inwoners weten hoe zij de mogelijkheden tot Voldoet merendeels – Meer dan de helft van de inkomensondersteuning kunnen vinden. respondenten weet hoe zij hulp kunnen vinden. Tegelijkertijd verschilt de mate waarin zij bekend zijn met specifieke toeslagen en regelingen. Inwoners zijn bekend met de mogelijkheden Voldoet merendeels – De bekendheid is toegenomen tot inkomensondersteuning. door gerichte communicatie, vooral rondom de energietoeslag. Het beroep doen op de mogelijkheden tot Voldoet beperkt – Veel respondenten ervaren inkomensondersteuning is laagdrempelig bureaucratische drempels en een gebrek aan voor inwoners. persoonlijke begeleiding. De mogelijkheden zijn begrijpelijk voor de Voldoet merendeels – De meerderheid van de doelgroep. respondenten vindt de mogelijkheden begrijpelijk en geeft aan dat de gemeente duidelijk communiceert over rechten en regelingen. Tegelijkertijd ervaren sommige respondenten en Mystery Guests onduidelijkheid in het aanvraagproces, vooral bij specifieke regelingen of bij een gebrek aan uitleg. De ingezette inkomensondersteunende Voldoet grotendeels – Een groot deel van de maatregelen helpen inwoners bij het respondenten geven aan dat inkomensondersteunende vergroten van hun bestaanszekerheid. maatregelen hen daadwerkelijk helpen bij het bekostigen van noodzakelijke uitgaven en het behouden van financiële stabiliteit.
De ingezette instrumenten sluiten aan bij de Voldoet merendeels – Veel respondenten geven aan dat de maatregelen nuttig zijn. Sommigen geven aan dat de behoeften van de doelgroep. maatregelen hun situatie niet structureel verbeteren.
29
7.7 Bevindingen uitvoeringswereld 7.7.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de bevindingen over de inzet van voorzieningen en de aanpak van armoede en schulden van de gemeente Nunspeet opgenomen. Eerst zijn in de rode kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan het normenkader. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van de beantwoording op hoofdlijnen in de rode kaders. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen beantwoord: 8.
Welke inkomensondersteunende maatregelen en andere middelen zet de gemeente in voor de armoedeaanpak en schuldhulpverlening? 9. Hoe ziet de armoedeaanpak eruit en is deze goed opgebouwd? 10. Hoe is de schuldhulpverlening georganiseerd? 11. Hoe sluit de uitvoering van de gemeente aan op de behoeften van ondersteuning van huishoudens? 12. Bereikt de gemeente de doelgroepen van de inkomensondersteunende maatregelen? 13. Zijn (mede door recente ontwikkelingen op de energiemarkt en de opgelopen inflatie) nieuwe doelgroepen die nog niet in beeld zijn bij de gemeente? 14. Zijn de beschikbare middelen in de praktijk toereikend? 7.7.2 8.