CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 18. Bijlage Was-wordt lijst re-integratieverordening - Wsndw

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: Re-integratieverordening.11.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt tabel Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 Toelichting bij de Was-Wordt-tabel De inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 en de daarmee samenhangende wijzigingen in wet- en regelgeving vormde aanleiding om de reintegratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente […] te actualiseren. In de Was-Wordt-tabel wordt per nieuw artikelnummer inzichtelijk gemaakt wat er precies verandert ten opzichte van de oude situatie. De opgenomen wijzigingen betreffen: -inhoudelijke wijzigingen die voortvloeien uit de Wet van school naar duurzaam werk, zoals het expliciteren van ondersteuning bij de overgang van school naar werk en het verduidelijken van de doelgroep; -technische wijzigingen zoals actualisatie van verwijzingen naar de Participatiewet; -redactionele verbeteringen zoals verduidelijking of vereenvoudiging van formuleringen of verbeteringen in de leesbaarheid.

Leeswijzer De Was-Wordt tabel geeft per artikel inzicht in: -de huidige tekst van de verordening (was); -de voorgestelde gewijzigde tekst (wordt); -waar relevant een (artikelsgewijze) toelichting op de wijzigingen. Deze zijn apart opgenomen in het hoofdstuk ‘Wijzigingen in de toelichting’. Wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening zijn in de Was-Wordt tabel als volgt opgenomen: in de ‘bestaande tekst’ zijn de onderdelen (een lid, onderdeel, deel van een lid of onderdeel, zinnen of leestekens) waaraan iets verandert cursief weergegeven. In de ‘nieuwe tekst’ zijn nieuwe onderdelen vet gedrukt (als de inhoud is veranderd). Uitgangspunt is dat bij een wijziging alleen het te wijzigen onderdeel in de tabel is opgenomen, tenzij het artikel erg kort is of de wijziging de structuur van het hele artikel raakt. Bij toevoeging van een nieuw lid aan een artikel is wel het hele artikel opgenomen. Hierdoor blijft de context behouden. Als er vernummering of verlettering plaatsvindt (door bijvoorbeeld invoeging van een nieuw lid of onderdeel), wordt dit boven de tabel duidelijk aangegeven. In deze gevallen is - waar nodig – alsnog de niet (inhoudelijk) gewijzigde tekst opgenomen om de leesbaarheid en vergelijking te vergemakkelijken.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen. Artikel 1. Begrippen Aanpassing en toevoeging van begrippen, alfabetische sortering. Was Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: - arbeidsbeperking: door een aandoening van psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard of door psychosociale of multiproblematiek belemmerd worden bij het verkrijgen en/of behouden van werk; - arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan; - beschut werk: werk in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden; - college: burgemeester en wethouders van de gemeente …; - doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet; - doelgroepregister: register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak. De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers om te zorgen voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking; - loonkostensubsidie wettelijke doelgroep; bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking die in hun werk niet het wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen.

De loonkostensubsidie is het verschil tussen de loonwaarde van de werknemer en het WML en bedraagt maximaal 70% van het WML; - interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; - interne jobcoaching: jobcoaching die door de werkgever wordt geregeld en waarvoor de werkgever subsidie ontvangt; - IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

Wordt Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: - arbeidsbeperking: door een aandoening van psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard of door psychosociale of multiproblematiek belemmerd worden bij het verkrijgen en/of behouden van werk; - arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan; - beschut werk: werk in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden; - college: burgemeester en wethouders van de gemeente …; - doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet of artikel 7a 1e lid van de Participatiewet; - doelgroepregister: register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak. De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers om te zorgen voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking; - doorstroompunt: regionale MeldCoördinatiefunctie.

Dit is een gemeenschappelijke taak om jongeren zonder startkwalificatie te ondersteunen naar onderwijs of als dit niet passend is, werk; - interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; - interne jobcoaching: jobcoaching die door de werkgever wordt geregeld en waarvoor de werkgever subsidie ontvangt; - IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; (externe) jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; jobcoaching in natura: jobcoaching die geboden wordt door een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. Er wordt geen subsidie verstrekt; langdurige werkloosheid: werkloosheid die langer duurt dan één jaar; mantelzorg; onbetaalde en vaak langdurige zorg die iemand geeft aan naasten, bijvoorbeeld aan een partner, ouder of kind, een buurman, vriend of kennis. norm: de hoogte van de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c Pw.

De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en leeftijd van de inwoner; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel f Pw; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10 lid 1 en lid 3 Pw en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da Pw; Pw: Participatiewet; voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in

-

-

-

-

-

-

-

-

IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; (externe) jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; jobcoaching in natura: jobcoaching die geboden wordt door een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. Er wordt geen subsidie verstrekt; langdurige werkloosheid: werkloosheid die langer duurt dan één jaar; leer-werktraject; reintegratievoorziening waarin werken en leren wordt gecombineerd om de kans op regulier werk te vergroten; loonkostensubsidie wettelijke doelgroep; bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking die in hun werk niet het wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen. De loonkostensubsidie is het verschil tussen de loonwaarde van de werknemer en het WML en bedraagt maximaal 70% van het WML; mantelzorg; onbetaalde en vaak langdurige zorg die iemand geeft aan naasten, bijvoorbeeld aan een partner, ouder of kind, een buurman, vriend of kennis. norm: de hoogte van de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c Pw.

De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en leeftijd van de inwoner; overgangsdocument: het overgangsdocument is een verplicht instrument binnen de nieuwe wet 'Van school naar duurzaam werk' dat de informatieoverdracht van school naar gemeente stroomlijnt voor kwetsbare jongeren (vso, pro, mbo 1/2). Het doel is een warme overdracht om uitval te voorkomen en duurzame begeleiding naar werk te garanderen;

artikel 10d lid 1 of lid 2 Pw met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;

-

-

-

-

-

-

-

overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel f Pw; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10 lid 1 en lid 3 Pw en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da Pw; praktijkroute: de praktijkroute is een extra toegang tot de doelgroep banenafspraak voor mensen die onder de Participatiewet vallen. Het is een vereenvoudigde procedure waarin mensen met een arbeidsbeperking zonder langdurige UWV-beoordeling in het doelgroepregister voor de Banenafspraak worden opgenomen; Pw: Participatiewet; startkwalificatie: een startkwalificatie is een diploma op havo-, vwo- of mbo-niveau 2 (of hoger).

Het doel is het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (vsv) het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt; voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d lid 1 of lid 2 Pw met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is.

Artikel 2. Evenwichtige verdeling Aanpassing lid 1 Was 1.

Wordt Het college biedt belanghebbenden uit de doelgroep ondersteuning bij de

1. Het college biedt de doelgroep ondersteuning bij re-integratie

arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Hierbij wordt de eigen verantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij belanghebbenden gelegd en wordt gekeken naar de meest doelmatige oplossing met het oog op inschakeling in de arbeid.

naar de arbeidsmarkt voor zover het college deze ondersteuning noodzakelijk vindt.

Hoofdstuk 3. Voorzieningen. Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen Lid 1, onderdeel f en g toegevoegd Lid 2, onderdeel a en c gewijzigd, onderdeel d ingevoegd onder verlettering van onderdeel d t/m g tot e t/m h Was Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen. 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Wordt Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen. 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. f. de persoon, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Wet, jonger is dan [zestien jaar]; g. het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld

2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a, onder 2 Pw; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer

in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeft verstrekt. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 Pw en de artikelen 13 en 37 IOAW/IOAZ niet nakomt; dan wel, voor zover het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, de aan hem opgelegde verplichtingen in het kader van de ondersteuning niet nakomt. b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a, onder 2 Pw of een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, voor wie het aanvaarden van arbeid onderdeel uitmaakt van een traject op basis van de Wet van school naar duurzaam werk; d.

de persoon die aan de voorziening deelneemt onderwijs aanvaardt en daarmee niet langer aangewezen is op de in deze verordening opgenomen ondersteuning, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet voor wie de overgang naar onderwijs onderdeel uitmaakt van de geboden ondersteuning; e. de voorziening naar het oordeel

voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; f. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of h. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Artikel 4. Voorziening werkervaring Lid 2 ingevoegd onder vernummering van lid 2 t/m 4 tot lid 3 t/m 5 Was Artikel 4. Voorziening werkervaring 1. Het college kan een persoon met behoud van uitkering een voorziening werkervaring gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een voorziening werkervaring is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de voorziening werkervaring; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

Wordt Artikel 4. Voorziening werkervaring 1. Het college kan een persoon met behoud van uitkering een voorziening werkervaring gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de voorziening werkervaring ook aanbieden aan personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, voor zover deze ondersteuning bijdraagt aan de overgang van school naar werk of het behouden van werk, zonder dat sprake hoeft te zijn van langdurige werkloosheid als bedoeld in artikel 1. 3. Het doel van een voorziening werkervaring is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet

5.

onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de voorziening werkervaring; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

Artikel 7. Scholing Toevoeging lid 4 en 5 Was Artikel 7. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden. 2. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of verstrekking in natura. 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de scholing of training vergroot de kansen op de arbeidsmarkt, en b. de belanghebbende beschikt over de mogelijkheden en capaciteiten om de scholing binnen redelijke termijn met goed gevolg af te kunnen ronden. c. de scholing leidt tot duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.

Wordt Artikel 7. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden. 2. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of verstrekking in natura. 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het sluit aan bij de capaciteiten van de te scholen persoon; en b. het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt; of c. het leidt tot duurzaam werk. 4. Alvorens scholing aan te bieden aan een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet die niet beschikt over een startkwalificatie, beoordeelt het college of terugkeer naar regulier bekostigd onderwijs mogelijk en passend is. Het college kan de persoon in dat geval doorgeleiden naar het Doorstroompunt op grond van artikel 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. 5. De ondersteuning van een persoon als bedoeld in het derde lid die niet beschikt over een startkwalificatie vindt bij voorkeur plaats in de vorm van een leerwerktraject als bedoeld in artikel 10 van deze verordening. Als dat gelet op de omstandigheden van de persoon passender is, kan het college de scholing op andere wijze aanbieden.

Artikel 8. Participatieplaats Aanpassing lid 2 en lid 3: Was 2.

3.

Wordt Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met een maximale looptijd van 2 jaar. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt maximaal 10% van de gehuwdennorm van de artikel 21 onderdeel b Pw op basis van fulltime dienstverband of bij parttime dienstverband naar rato van het aantal gewerkte uren.

2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 Pw bedraagt per 6 maanden maximaal 10% van de gehuwdennorm van artikel 21 onderdeel b Pw op basis van fulltime dienstverband of bij parttime dienstverband naar rato van het aantal gewerkte uren.

Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk Wijziging lid 1 Was 1.

Om de in artikel 10b, lid 1 Pw, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de nodige voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

Wordt 1. Het college verstrekt om de in artikel 10b lid 1 Pw bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

Artikel 10. Ondersteuning bij leerwerktraject Wijziging artikel Was

Wordt

Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan, overeenkomstig artikel 10f Pw, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of

Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan met toepassing van artikel 7a lid 3 Pw, een persoon zonder startkwalificatie, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, ondersteuning bieden voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.

b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 12. Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep Wijziging lid 1 Was

Wordt

Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan personen die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Dit zijn personen die geen recht hebben op loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel 10c en 10d Pw. Het college kan deze loonkostensubsidie verstrekken als het college dit noodzakelijk vindt.

Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een arbeidsovereenkomst sluiten met personen die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Dit zijn personen die geen recht hebben op loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel10c en 10d Pw. Het college kan deze loonkostensubsidie verstrekken als het college dit noodzakelijk vindt.

Artikel 13. Proefplaats Wijziging lid 5 Was 5. Het college weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk.

Wordt 5. Het college weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet.

Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Nummering aangepast en wijziging onderdeel c Was Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.

Wordt Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.

2.

Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud. Wanneer iemand VSO/PRO-onderwijs heeft genoten geldt de minimale leeftijd van 18 jaar niet; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbotaak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke

2.

Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud. Wanneer iemand VSO/PRO-onderwijs heeft genoten geldt de minimale leeftijd van 18 jaar niet; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week. Voor een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet kan het college een kortere duur of geringere arbeidsduur toestaan, indien de aard van de ondersteuning of het leer-werktraject dit vereist; d. het betreft geen Arbotaak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van

opbrengsten van uitstroom naar werk.

het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.

Artikel 26 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap. Tekstuele wijziging Was Artikel 26. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

Wordt Artikel 26. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.

Paragraaf 3.A.5 Specifieke bepalingen van school naar duurzaam werk Toevoeging artikel 29 en 30 Artikel 29. Specifieke ondersteuning Was -

Wordt Artikel 29. Specifieke ondersteuning Het college kan personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet ondersteuning bieden.

Artikel 30. Verzoek van scholen en onderwijsinstellingen Was -

Wordt Artikel 30. Verzoeken van scholen en onderwijsinstellingen Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een verzoek om een voorziening gedaan door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of het Doorstroompunt, voor zover het verzoek betrekking heeft op een

persoon als bedoeld in artikel 7a, lid 1, van de wet. Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Vernummering van artikel 29 t/m 31 tot artikel 31 t/m 33 Artikel 31. Hardheidsclausule Vernummering (lid 29 wordt 31) Was Artikel 29. Hardheidsclausule 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2. In bijzondere gevallen en in gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Wordt Artikel 31. Hardheidsclausule Het college kan in een bijzonder geval afwijken van de bepalingen in deze verordening voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.

Artikel 32. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht. Vernummering (lid 30 wordt 32) Lid 1 vervalt, wijziging lid 2, 3 en 5 Artikel 30. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht 1. De re-integratieverordening gemeente Nunspeet 2018 wordt met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 juli 2023. 2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de re-integratieverordening Nunspeet 2018, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de reintegratieverordening Nunspeet 2018 voor de duur:

a. van periode 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3.

Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet.

Artikel 32. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht 1. [Vervallen] 2. De Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente … wordt ingetrokken 3. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente …, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Reintegratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente … voor de duur: a. van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 4. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in

4.

5.

De re-integratieverordening Nunspeet 2018 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid. De verordening Loonkostensubsidie gemeente Nunspeet 2015 wordt ingetrokken.

5.

verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. De Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente … blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid.

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel Vernummering (lid 31 wordt 33) Lid 1 en 2 gewijzigd Was Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2023.

Wordt Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente …

Wijzigingen in de toelichting Algemeen Inhoudelijke wijziging inleidende tekst Was Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de wet “Wijziging Pw en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a lid 2, onderdeel c tot en met g, Pw, is neergelegd in hoofdstuk 3A. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd.

Wordt Aanpassingen naar aanleiding van de Wet van School naar Duurzaam Werk Op 1 januari 2026 treedt de Wet van school naar duurzaam werk in werking. Het doel van die wijziging van de Participatiewet is om jongeren tot 27 jaar met een risico op afstand tot de arbeidsmarkt beter te helpen. Gemeenten kunnen hierdoor deze jongeren meer preventieve en passende ondersteuning bieden bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. Door deze wijziging wordt voorzien in regels en ondersteuningsmogelijkheden voor deze jongeren.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 3. Algemene bepalingen en voorzieningen Toelichting artikel 3, lid 1.f, 1.g en 2.d in de tekst over algemene bepalingen en voorzieningen. Was Artikel 3. Algemene bepalingen en voorzieningen In deze participatiemaatschappij mag verwacht worden dat men eerst zelf op zoek gaat naar mogelijkheden om werk te vinden en pas als dit niet lukt de overheid hiervoor middelen in zet. In de regel zullen dus vooral belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt gebruik maken van de voorzieningen. Maar met de beperkte budgetten moeten wel keuzes gemaakt worden bij de inzet van middelen. Een

Wordt Artikel 3. Algemene bepalingen en voorzieningen In deze participatiemaatschappij mag verwacht worden dat men eerst zelf op zoek gaat naar mogelijkheden om werk te vinden en pas als dit niet lukt de overheid hiervoor middelen in zet. In de regel zullen dus vooral belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt gebruik maken van de voorzieningen. Maar met de beperkte budgetten moeten wel keuzes gemaakt worden bij de inzet van middelen. Een

voorziening moet dus ook doelmatig zijn. Het college krijgt daarom in artikel 3 de bevoegdheid om aan voorzieningen en doelgroepen voorwaarden te stellen en hierbij plafonds in te stellen. De raad kan toezicht houden op de re-integratie en de inzet van voorzieningen via het beleidsverslag.

voorziening moet dus ook doelmatig zijn. Het college krijgt daarom in artikel 3 de bevoegdheid om aan voorzieningen en doelgroepen voorwaarden te stellen en hierbij plafonds in te stellen. De raad kan toezicht houden op de re-integratie en de inzet van voorzieningen via het beleidsverslag.

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.

Weigeringsgronden Lid 1 geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die op die voorzieningen betrekking hebben. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.

Weigeringsgronden Lid 1 geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die op die voorzieningen betrekking hebben. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.

Het betreft hier een kan-bepaling, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in de individuele situatie op zijn plaats is. Doet een afwijzingsgrond zich voor? Dan is het uitgangspunt wel het weigeren van de voorziening. Maar dit is geen automatisme. Reintegratie vraagt namelijk om maatwerk.

Het betreft hier een kan-bepaling, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in de individuele situatie op zijn plaats is. Doet een afwijzingsgrond zich voor? Dan is het uitgangspunt wel het weigeren van de voorziening. Maar dit is geen automatisme. Reintegratie vraagt namelijk om maatwerk.

Indien de aanvrager het niet eens is met het besluit van het college, dan kan de aanvrager altijd een bezwaar indienen. De mogelijkheden

Lid 1 onderdeel f: Artikel 7a van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om personen jonger dan 27 jaar

voor het indienen van een bezwaar staan beschreven in de beschikking die de aanvrager heeft ontvangen. Beëindigingsgronden Lid 2 geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend.

Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.1 Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Adequate voorziening en afstemming

te ondersteunen, zonder dat daarbij een minimale leeftijd is bepaald. Door de weigeringsgrond op basis van een minimumleeftijd, kan het college ondersteuning weigeren aan personen die te jong zijn, bijvoorbeeld omdat zij nog ondersteuning zouden moeten ontvangen in het kader van hun onderwijs, of de vanwege beperkingen die de Arbowetgeving stelt aan werktijden en werkzaamheden voor minderjarigen. Lid 1 onderdeel g: Een school stelt, bij een verzoek om ondersteuning, op grond van de wijzigingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra, in verband met de inwerkingtreding van Wet van school naar duurzaam werk, een overgangsdocument op en verstrekt deze aan het college. In dit document is voor de persoonlijke begeleiding en ondersteuning relevante informatie opgenomen, waardoor bij het ontbreken ervan de ondersteuning minder goed op maat gemaakt kan worden. Indien dit document ontbreekt, kan dit aanleiding zijn om de voorziening te weigeren. Beëindigingsgronden Lid 2 geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan.

Bij deze laatste wijze van beëindigen zijn vanzelfsprekend ook het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling van toepassing. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de personen zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 2 Pw maakt de wet een uitzondering. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a lid 5 onderdeel b, 35 lid 4 onderdeel b en 36 lid 3 onderdeel b van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Tenminste tot het moment dat het inkomen uit arbeid in

Lid 3 regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per individueel persoon gemaakt. Lid 3 regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Artikel 8a lid 2 onderdeel g Pw stelt dat er regels opgenomen moeten worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en om de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in een eventueel plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gehanteerd van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG). Op deze manier kunnen de aangeboden reintegratievoorzieningen cijfermatig gemakkelijk in beeld worden gebracht en worden doorgegeven aan het CBS.

dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die 2 jaar geen loonkostensubsidie (artikel 10d Pw) is verleend. Voor deze laatste doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het hierboven beschreven moment. Lid 2, onderdeel d: Dit lid bepaalt dat de ondersteuning op grond van deze verordening kan worden beëindigd wanneer een persoon onderwijs aanvaardt en daardoor niet langer is aangewezen op ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling. In dat geval vormt onderwijs het primaire traject naar participatie. Voor personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet geldt een uitzondering. Voor deze doelgroep kan de overgang naar onderwijs onderdeel uitmaken van het ondersteuningstraject richting duurzame arbeidsparticipatie. In die situaties kan de ondersteuning, indien noodzakelijk, naast of in samenhang met het onderwijs worden voortgezet. Met deze bepaling wordt ruimte geboden voor maatwerk, waarbij enerzijds wordt voorkomen dat ondersteuning onnodig wordt ingezet en anderzijds wordt geborgd dat personen met een arbeidsbeperking passende ondersteuning behouden wanneer onderwijs een noodzakelijke stap vormt richting participatie. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt.

Niet van een bijstandsgerechtigde en ook niet van een nietbijstandsgerechtigde (ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering moet op grond van het Burgerlijk Wetboek. Adequate voorziening en afstemming Lid 3 regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs

de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per individueel persoon gemaakt. Lid 3 regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Artikel 8a lid 2 onderdeel g Pw stelt dat er regels opgenomen moeten worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en om de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in een eventueel plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen. Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gehanteerd van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

Op deze manier kunnen de aangeboden reintegratievoorzieningen cijfermatig gemakkelijk in beeld worden gebracht en worden doorgegeven aan het CBS. Artikel 7. Scholing Toelichting artikel 7, lid 4 en 5 in de tekst over scholing. Was Artikel 7. Scholing Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument. Het varieert van een startkwalificatie opleiding tot een functiegerichte training. Het uitgangspunt is om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig is.

Wordt Artikel 7. Scholing Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument. Het varieert van een startkwalificatie opleiding tot een functiegerichte training. Het uitgangspunt is om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig is.

Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op plaatsing op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep onmogelijk is. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel tegen dit

Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op plaatsing op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep onmogelijk is. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel tegen dit

probleem aan. Ook wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. En de scholing wordt getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden van de kandidaat. Doel van de scholing is om in te zetten op (uitstroom naar) passend en zo duurzaam mogelijk werk.

probleem aan. Ook wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. En de scholing wordt getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden van de kandidaat. Doel van de scholing is om in te zetten op (uitstroom naar) passend en zo duurzaam mogelijk werk.

Startkwalificatie: Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Het varieert van een startkwalificatie opleiding tot een functiegerichte training.

Startkwalificatie: een havo of vwo-diploma of een diploma van het mbo, niveau 2. Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Reintegratie door gemeenten (SRG). Scholing bij een participatieplaats: wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeels de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan. Of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Zie artikel 10a lid 5 Pw. Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen.

Scholing bij een participatieplaats: wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, moet het college aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf 6 maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeels de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan. Of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Zie artikel 10a lid 5 Pw. Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. Artikel 7a lid 2 Participatiewet bepaalt dat het college jongeren zonder startkwalificatie die nog regulier bekostigd onderwijs kunnen volgen eerst kan doorgeleiden naar het Doorstroompunt, voordat ondersteuning via de Participatiewet plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 7 lid 4. Het college beschikt hiermee over een uitvoeringsinstructie over wanneer scholing via de gemeente aan de orde is. Lid 5 bepaalt dat ondersteuning van personen zonder startkwalificatie bij voorkeur plaatsvindt via een leerwerktraject.

Indien dit, gelet op de persoonlijke omstandigheden, niet passend is, kan het

college de scholing op een andere manier aanbieden om maatwerk te bieden. Artikel 9 Beschut werk Verplaatsing inleidende tekst naar toelichting in de tekst over beschut werk Was

Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald (artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet). Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. We zetten ons in om bij een hoger aantal positieve adviezen van het UWV te realiseren, mits er voldoende budget is. Nadat het college heeft vastgesteld, dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschut werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van betrokkene, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing betrokkene voorzieningen (op de arbeidsinschakeling) aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing.

De voorzieningen die hiervoor aangeboden worden zijn genoemd in het tweede lid. Welke (combinatie van) voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen. Naast voorzieningen die bijdragen aan arbeidsinschakeling en hun grondslag vinden in de Re-integratieverordening, wordt ook de arbeidsmatige dagbesteding op grond van de

Wordt Het college is verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zie artikel 10b lid 1 Pw. Deze verplichting is begrensd. Het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. Zie lid 3. Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Reintegratie door gemeenten (SRG). Hiernaast bestaat de bevoegdheid om een hoger aantal dienstbetrekkingen beschut werk vast te stellen en daarbij, onverminderd artikel 8a, lid 2, onderdeel a Pw, te regelen hoe deze additionele omvang wordt bepaald en hoe dan de volgorde wordt bepaald waarin personen hiervoor in aanmerking komen (artikel 10b, lid 5 Pw).

beleidsregel maatwerkvoorzieningen Wmo gemeente Nunspeet als mogelijk overbruggingsmiddel genoemd. Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Reintegratie door gemeenten (SRG). Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Inhoudelijke wijziging en toelichting Was Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f Pw. De voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar die dreigen uit te vallen uit school, maar met een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen halen.

Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7 lid 3, onderdeel a, Pw. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onderdeel a Pw betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f Pw is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan

Wordt Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk is de voorziening voor een leer-werktraject geregeld in artikel 7a, derde lid, van de Participatiewet. Deze voorziening is voornamelijk bedoeld voor personen zonder startkwalificatie. De ondersteuning die bij dit leer-werktraject mogelijk is, viel voorheen onder artikel 10f van de Participatiewet, maar dat artikel is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk. Daarmee blijft de leerwerkvoorziening bestaan, maar de ondersteuning wordt niet langer op grond van artikel 10f verleend en is met name gericht op personen zonder startkwalificatie.

personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leerwerktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f Pw, in afwijking van artikel 7 lid 3 onderdeel a, Pw. Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Inhoudelijke wijziging en toelichting artikel 16 lid 2.c Was Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een reintegratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a lid 2, onderdeel a Pw.

Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 Pw, waarbij er voor personen die VSO/PRO onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen. (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17097596/1