AP 13 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 11 Archeologische onderzoek
Tekst van het document
Het lijkt erop dat het erf in ieder geval doorloopt in oostelijke richting en wellicht ook in noordelijke richting. In oostelijke richting kunnen mogelijk nog een waterput en wellicht zelfs nog meer gebouwen worden verwacht. Op basis van de lager wordende sporendichtheid aan de westzijde van het opgravingsareaal kan worden beargumenteerd dat het erf daar ophoudt, maar een begrenzing is daar niet met zekerheid vastgesteld. Het is onduidelijk wat de relatie is tussen de greppels en de bewoningssporen. Door hun afwijkende oriëntatie lijken de greppels niet direct samen te hangen met het erf en de daarop gelegen gebouwen. Mogelijk zijn de greppels van later datum, mede op basis van het aardewerk dat is verzameld uit GR01. Of zij een rol hebben gespeeld in de begrenzing van het erf is dan ook maar de vraag. 19. Wat is de aard en/of de functie en conservering van de sporen? De sporen kunnen worden onderverdeeld in greppels, kuilen, paalkuilen en een standgreppel. De conservering van de sporen is redelijk tot goed te noemen, hoewel zij wel deels lijken te zijn
36
afgetopt. De paalsporen van de twee gebouwen en de roedenbergen hebben een grijze tot donkergrijze vulling en zijn vrij scherp afgetekend in de natuurlijke bodem. Van verstoring is nauwelijks sprake. 20. Wat is de relatieve en/of absolute datering van de sporen en spoorniveaus en waarop is de datering gebaseerd? De sporen dateren op basis van het aardewerk in de 11e t/m 12e eeuw. Deze datering is met name gebaseerd op de aanwezigheid van latere kogelpot een redelijk goed dateerbaar fragment Pingsdorf uit een van de paalkuilen van HS01. De absolute (14C-) datering van twee van de paalkuilen van HS01 komt op 1035 – 1214 na Chr. Hiermee kan de datering van het erf binnen de opgraving op z’n scherpst op 11e t/m 12e eeuw worden gesteld. 21. Zijn er (delen van) structuren te onderscheiden? Zo ja, a. Van welke soort (mogelijke) structuren? b. Welke (mogelijke) delen? c. Wat is de relatieve en/of absolute datering van de structuren? d. Waarop is/zijn de datering(en) gebaseerd? e. Is er bij steenbouw sprake van hergebruikt bouwmateriaal? Binnen de opgraving zijn twee gebouwen te onderscheiden (HS01 en HS02). Het is onzeker of het hier om een hoofd- en bijgebouw gaat of om twee bijgebouwen, aangezien het erf doorloopt in oostelijke richting en er nog geen waterput is aangetroffen. Uitgangspunt is dat de waterput in deze periode naast of in de directe omgeving van het hoofdgebouw ligt.
Verder zijn er twee roedenbergen aanwezig in het noordelijke deel van de opgraving (HM01 en HM02), waarvan de westelijke (HM02) echter onzeker is. De beide gebouwen HS01 en HS02 en roedenberg HM01 zijn compleet opgegraven. Van roedenberg HM02 missen enkele palen. De datering van de structuren is 11e t/m 12e eeuw. Deze datering is gebaseerd op het aardewerk en 14C-analyse van een paalkuil van HS01. Ervan uitgaande dat het hier om één erf gaat zijn de gebouwen en structuren gelijktijdig. Er is geen sprake van steenbouw. 22. Is er sprake van perifere en centrale zones? Het lijk erop dat de kern van het erf aanwezig is binnen de opgravingscontouren. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het erf zich waarschijnlijk nog uitstrekt in oostelijke richting. Aangezien niet zeker is of het hoofdgebouw wel is opgegraven en bovendien een waterput ontbreekt, is aannemelijk dat we slechts de westelijke helft van het erf te pakken hebben. Binnen het opgegraven deel kan worden gesteld dat ter hoogte van de gebouwen HS01 en HS02 sprake is van een centrale zone en dat de grote kuilen en de roedebergen aan de noordzijde meer perifeer liggen. Dit alles nog steeds binnen een erf dat in zijn geheel als centrale zone moet worden aangemerkt. Van echte offsite is binnen de opgraving geen sprake. 23.
Indien er geen of weinig paalsporen zijn: in welke mate kan er sprake zijn van bouwmethoden die geen of weinig sporen hebben nagelaten en is dat af te leiden uit vondsten of andere sporen? Gezien de aanwezigheid van verschillende gebouwen en structuren is deze vraag in dit kader niet relevant. 24. Welke fasering (relatieve en absolute datering) is in de vindplaats aan te brengen? Het lijkt erop dat het hier om een éénfasig erf gaat, waarbij de aangetroffen structuren gelijktijdig zijn. De zuidelijk gelegen greppel GR01 lijkt op basis van oversnijding en het erin aangetroffen aardewerk iets later te zijn, maar het is sowieso onzeker of de greppels tot het erf moeten worden gerekend. Wellicht hangen zij samen met landinrichting/percelering van na het verdwijnen van het 11e/12e-eeuwse erf. 25. Indien graven worden gevonden: a. Is er sprake van enkele individuele graven of een groter grafveld? b. Wat kan worden gezegd over de locaties van begravingen ten opzichte van gelijktijdige en niet-gelijktijdige bewoning (indien dateringen dit mogelijk maken)? c. Welke vorm van begraving is gevolgd (crematie/inhumatie)? Er zijn geen graven gevonden.
37
Vondsten en paleo-ecologische resten 26. Welke mobiele vondsten zijn gedaan? a. Om welke materialen, soorten, typen, functies, aantallen en gewichten gaat het en uit welke context komen de vondsten? b. Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? Vondstcategorieën zijn: aardewerk (voornamelijk handgevormd kogelpot, een fragment gedraaid Pingsdorfaardewerk, een fragment Elmpt en enkele fragmenten roodbakkend geglazuurd), natuursteen, een glazen kraal, huttenleem en dierlijk bot. Zie voor aantallen en contexten bijlage 4 (splitslijst per context) Van deze vondsten kunnen enkel het aardewerk en de glazen kraal worden gedateerd, waarbij de datering van het aardewerk uitkomt in de 11e t/m 12e eeuw en van de glazen kraal in de late 8e en vroege 9e eeuw. 27. In welke mate bevinden vondsten zich in primaire positie/gesloten context en in welke mate gaat het om vondsten zonder context? Al het vondstmateriaal komt uit sporen, die allen kunnen worden gezien als gesloten context. Enkel in het geval van GR01 (S111) is mogelijk sprake van opspit van ouder materiaal. 28. Welke conclusies zijn te trekken uit de fragmentatiegraad en de mate van conservering of verwering van de vondsten? De fragmentatiegraad en verwering van de scherven is gemiddeld en typisch voor middeleeuwse nederzettingscontexten op het zand.
Het zal gaan om nederzettingsafval, dat voornamelijk in de sporen terecht is gekomen tijdens dichtgooien van kuilen of het verwijderen van gebouwpalen. Er kunnen geen verdere conclusies worden getrokken uit fragmentatiegraad en/ of mate van verwering. 29. Wat is de vondstdichtheid (aantal scherven per m2) per vlak, per werkput en in het geheel? In totaal zijn er 40 scherven verzameld uit sporen verspreid over het opgravingsterrein. Het meeste aardewerk komt uit de grote kuilen aan de noordzijde en greppel GR01 aan de zuidzijde. Het overige aardewerk is afkomstig uit paalsporen van gebouw HS01. Los vondstmateriaal is tijdens aanleg van het sporenvlak niet aangetroffen. In dat opzicht is het weinig zinvol de vondstdichtheid per vlak, werkput of geheel te bespreken. 30. Zijn er plaatsen aan te wijzen met een opvallend grote vondstconcentratie en wat is de samenstelling ervan? Drie sporen vallen op door een bovengemiddeld vondstaantal: greppel GR01 in het zuiden van de opgraving en kuilen KL01 en KL04 in het noorden van de opgraving. Het gaat in het geval van GR01 om zeven scherven aardewerk. In KL01 zat vooral veel natuursteen (n=78) en huttenleem (n=5), maar ook enkele fragmenten aardewerk (n=3). KL04 bevatte aardewerk (n=9) en natuursteen (n=9). Verder was de vondst van een glazen kraal uit KL03 opvallend. 31.
In welke mate dragen mobiele vondsten bij aan de datering van lagen, sporen en structuren? Afgezien van een 14C-datering van een paalspoor van HS01 kan enkel het aardewerk worden gebruikt voor datering van de site in het algemeen en de sporen in het bijzonder. 32. Is er sprake van (kennelijk) intentionele deposities? In het geval van de vele fragmenten natuursteen in kuil KL01 is zeker sprake van intentionele depositie. De stenen zijn tijdens dichtgooien van de kuil in één keer tegelijk in de kuil geworpen. Wat de functie van de stenen is geweest en waarom zijn in KL01 zijn gegooid is echter onbekend. 33. Hoe zijn de verhoudingen tussen lokaal of in de nabijheid gewonnen of geproduceerd materiaal en importmateriaal? Vrijwel al het aardewerk is handgevormd en lokaal of regionaal vervaardigd. Van de in totaal 40 scherven aardewerk zijn vijf fragmenten gedraaid en samen met het fragment Elmpt (handgevormd) van elders geïmporteerd. Het gaat daarbij om 1 scherf Pingsdorfaardewerk dat
38
samenhangt met de middeleeuwse bewoningssporen en vier scherven van hetzelfde roodbakkende vuurtestje, afkomstig uit een latere kuil. 34. Wat is: a. b. c. d.
De aard en conservering van paleo-ecologische resten? In welke mate en in welke context worden ze aangetroffen? Welke betekenis ontlenen zij of kunnen zij geven aan deze context? In welke mate kunnen ze bijdragen aan de datering van sporen, lagen en structuren? Negen sporen (kuilen en twee paalkuilen van HS01) zijn bemonsterd op paleo-ecologische resten. In de monsters zijn resten van houtskool, verkoolde en onverkoolde resten van planten en zaden aanwezig. Geen van de monsters bleek echter geschikt voor nadere botanische analyse. Wel waren twee monsters geschikt voor 14C-analyse. De conservering van paleo-ecologsiche resten is dus slecht te noemen, wat op het zand meestal het geval is, tenzij het diepere contexten betreft die tot onder de grondwaterspiegel reiken. 35. Welke informatie kunnen zij geven over landschap en vegetatie (voorafgaand, tijdens en/of na bewoningsfase(n)), voedseleconomie, verwerving en toepassing van organisch materiaal e.d.? Omdat geen van de monsters geschikt was voor nadere analyse konden zij geen informatie geven over landschap, vegetatie, etc. Vragen in relatie tot de Kennisagenda Archeologie Gelderland (H. 4 – De Veluwe) 36. Welke gebouwtypen zijn aangetroffen en wat zegt dit over de lokale economie? Er zijn twee gebouwplattegronden aangetroffen, die beide waarschijnlijk als bijgebouw of schuur moeten worden aangemerkt.
Van HS02 is dit vrijwel zeker, HS01 zou eventueel nog als woonstalhuis kunnen worden aangemerkt. Uitgaande van de gebouwtypologie van Kootwijk (Heidinga), die ook is gebruikt bij het recente grote onderzoek Putten- Rimpeler, hebben we hier te maken met type D1 of D2 (HS01) en type D1 of C2 (HS02) Gebouwtype D1 is bootvormig en heeft zwaar uitgevoerde wand-/ gebintpalen die de daklast dragen. Buitenstaanders ontbreken geheel. Dit type gebouwen had waarschijnlijk een functie als schuur. 25 Gebouwtype D2 is zwak bootvormig tot rechthoekig, heeft eveneens zwaar uitgevoerde wand-/ gebintpalen met daaraan gekoppelde, iets kleinere buitenstaanders. Er is bij type D2 dus sprake van kubbingen langs beide lange wanden en daarmee van driebeukigheid. Met name de zwakke bootvormigheid, in combinatie met toch enkele buitenstaanders, is een argument om HS01 te scharen onder type D2. De datering van gebouwtype D2 wordt door Norde, op basis van de Kootwijk-typologie van Heidinga, gesteld op de 9e tot 10e eeuw. Gebouwtype C2 is bootvormig met regelmatig geplaatste, zwaar uitgevoerde wandpalen die de gehele daklast dragen. Er is bij type C2 geen sprake van buitenstaanders. De datering van gebouwtype C2 wordt door Norde, op basis van de Kootwijk-typologie van Heidinga, eveneens gesteld op de 9e tot 10e eeuw. 37.
Is er sprake van bewoningscontinuïteit van de vroege naar de volle middeleeuwen en van de volle middeleeuwen naar de nieuwe tijd? Het opgegraven erf is éénfasig en valt in de 11e t/m 12e eeuw. Afgezien van de oudere Karolingische kraal in KL03 en de paar roodbakkende scherven in een jongere kuil in het noorden van de opgraving zijn er geen aanwijzingen voor oudere of jongere bewoning of gebruik van het terrein. Bewoningscontinuïteit kan hier op basis van de opgravingsresultaten niet worden aangetoond. 38. Vanaf wanneer is er sprake van fixatie van de middeleeuwse erven en wat voor gevolgen heeft dit gehad voor de inrichting en het gebruik van het landschap?
25 Norde 2022, 67; 82.
39
Deze vraag kan op basis van de opgravingsresultaten en de beperkte schaal van het onderzoek niet worden beantwoord. 39. Wat is de mogelijke reden dat de bewoning op de locatie geëindigd is en wat zijn hiervoor de bewijzen? Deze vraag kan op basis van de opgravingsresultaten en de beperkte schaal van het onderzoek niet worden beantwoord. Vragen in relatie tot NOaA 2.0 40. Welke veranderingen treden op in de samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? (NOaA 2.0-vraag 104) Deze vraag kan op basis van de opgravingsresultaten en de beperkte schaal van het onderzoek niet worden beantwoord. Het opgegraven erf is éénfasig en valt in de 11e t/m 12e eeuw. Bewoningscontinuïteit kan hier op basis van de opgravingsresultaten niet worden aangetoond. 41. Wat is de aard, context en betekenis van intentionele (rituele?) deposities in en rond huis en erf? (NOaA 2.0-vraag 29) Hoewel er sprake is van intentionele deposities (met name het natuursteen in KL01), kan hier verder weinig over worden gezegd. Van rituele deposities is geen sprake. Waarschijnlijk is het natuursteen als afval gebruikt om de kuil te dempen. 42. Wat is de aard en context van ‘diergraven’? (NOaA 2.0-vraag 57) Er zijn geen diergraven aangetroffen binnen de opgraving. 43.
Wat zijn de vorm, functie, datering en context van verdiepte (delen van) gebouwen? (NOaA 2.0-vraag126) Er is geen sprake van verdiepte delen van gebouwen. 44. Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna? (NOaA 2.0-vraag 15) Deze vraag kan op basis van de opgravingsresultaten en de beperkte schaal van het onderzoek niet worden beantwoord. Conclusie, evaluatie en aanbevelingen 45. Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van het eerdere onderzoek of andere bekende gegevens? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? De verwachtingen die waren opgesteld op basis ven het vooronderzoek zijn bevestigd; er is inderdaad sprake van een boerenerf met hoofd- en bijgebouwen. Het idee was dat het een erf zou betreffen uit de 12e tot 13e eeuw, maar de datering is op basis van de opgravingsresultaten wel bijgesteld naar 11e t/m 12e eeuw. Dus iets vroeger dan aanvankelijk verwacht. 46.
In welke mate heeft dit onderzoek bij kunnen dragen aan de Kennisagenda’s? in welke mate heeft dit onderzoek in een datalacune kunnen voorzien? Hoe is het kennisrendement te omschrijven? De aangetroffen resten van een middeleeuws erf zijn niet uniek of nieuw op de Veluwe, hoewel de stand van kennis met betrekking tot bewoning uit de Vroege en Volle Middeleeuwen op de Veluwe binnen Nederland relatief achterloopt op die van andere regio’s. De goed bewaarde en ruimtelijk goed herkenbare gebouwplattegronden zijn wel een goede toevoeging aan de bestaande dataset. Het kennisrendement is beperkt, aangezien er geen nieuwe inzichten aan het licht zijn gekomen. 47. In welke mate zijn de gehanteerde strategieën en methoden effectief geweest? Indien het onderzoek niet volgens plan kon worden uitgevoerd, om welke reden en op welke wijze is van het PvE afgeweken? De gehanteerde strategieën en methoden zijn effectief geweest. Het opgraven van een middeleeuws erf op het zand is dan ook niets nieuws en de gehanteerde methoden behoeven geen aanpassing.
40
In het PvE werd een werkwijze voorgesteld waarbij vier werkputten aangelegd moesten worden van 25 bij 25 meter. Tijdens het opstellen van het Plan van Aanpak (PvA) voor deze opgraving is een alternatieve werkwijze voorgesteld. In het voorgestelde puttenplan zou de verwachte gebouwplattegrond precies op de locatie liggen waar de werkputten elkaar snijden. Hierdoor zou de plattegrond dus niet in zijn geheel in één werkput liggen. In het PvA werd een aanpak voorgesteld waarbij meerdere sleuven van ca. 15 bij 50 meter zouden worden aangelegd. Tijdens de opgraving zijn uiteindelijk drie werkputten aangelegd, waarbij de eerste werkput (bij de gebouwplattegrond) meerdere keren in de breedte is uitgebreid. Er is gestart met de werkput in het midden, waar de gebouwplattegrond werd verwacht. In het veld bleek dat de westgrens van de putten in de tuinen van de huizen aan de Klarenweg lag. De werkputten zijn daarom aan de westkant enkele meters ingekort. Tijdens de aanleg van werkput 1 werd aan de oostzijde een deel van een tweede structuur aangetroffen. In overleg met het bevoegd gezag is de werkput hier uitgebreid om de hele structuur in beeld te krijgen.
41
Literatuur Bosch, P.W., 1992: De herkomstgebieden van de Maasgesteenten, Grondboor & Hamer, 57-64. Callmer, J. 1977: Trade beads and bead trade in Scandinavia ca. 800-1000 AD (Acta Archaeologica Lundensia 11). Bonn. Callmer, , J. 1997: Beads and bead production in Scandinavia and the Baltic Region c. AD 6001100: a general outline. In U. Von Freeden en A. Wieczorek (eds), Perlen: Archäologie, Techniken, Analysen. Acten des internationalen Perlensymposiums, Mannheim (11-14 novembre 1994) Kolloquien zur Vor- und Frühgeschichte 1. Bonn, 197-202. Dreesen, R., J. Janssen en D. van Uytven, 2014: Het grind ontleed: samenstelling en herkomst van de stenen in het Maasgrind, in: LIKONA Jaarboek 2014, nr 24, 18-35. Heidinga, H.A., 1984: De Veluwe in de vroege middeleeuwen. Aspecten van de nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren. Proefschrift. Hellinga, W. T. 1980: Elseviers zwerfstenen gids, Amsterdam/Brussel. Houkes, R.A., A. Verbaas, E. Drenth en S.B.C. Bloo, 2017: KNA-Leidraden Anorganisch materiaal, Leidraad 2, Natuursteen, SIKB. Kuijl, E.E.A. van der, 2022: Programma van Eisen Weversweg te Hulshorst, gemeente Nunspeet. Zelhem. Lijn, P. van der, 1935: Nederlandse zwerfstenen, Zutphen. Lijn, P. van der, 1974: Het keienboek, 6e editie, Zutphen. Norde, E.H.L.D., 2022: Van Hotseri tot Rimpeler.
Onderzoek naar het vroeg- en laatmiddeleeuwse cultuurlandschap in Putten-Rimpeler, gemeente Putten. Een archeologische opgraving. RAAPRapport 4835. Ringenier, H., 2003: Plangebied Weversweg te Hulshorst, gemeente Nunspeet; een inventariserend archeologisch onderzoek. Amsterdam (RAAP-notitie 402). Rudolph, F., 2011: Noch mehr Strandsteine, Sammeln und Bestimmen, Neumünster (2. überarbeite und ergänzte Auflage). Rudolph, F. 2012: Strandsteine, Sammeln und Bestimmen, Neumünster (11. Auflage). Schuddebeurs, A.P., 1980: Over enkele Noord-Nederlandse zwerfsteengezelschappen, Grondboor & Hamer, 51-64. Sindbæk, S., 2023: Glass beads and beadmaking. In: S. Sindbæk (ed), Northern Emporium II. The networks of Viking-age Ribe. Aarhus, 239-282. Smit, J., 2005: Hulshorst Harderwijkerweg 419 en Klarenweg 13. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen. Amersfoort (ADC-rapport 344). Sode, T. 2004: Glass bead making technology. in M. Bencard, A. Rasmussen and H. Brinch Madsen (eds), Ribe Excavations 1970-76 Volume 5. Aarhus University Press, 83-102. Storm, M.C., 2022: Evaluatierapport Weversweg fase 2 Hulshorst (gemeente Nunspeet). Voorstellen voor uitwerking, datering, conservering en (de)selectie van vondsten en monsters, Amersfoort.
42
Veen, P., D. Otten, L. Leeflang en G. Berends, 2016: Van kloostergoed naar herengoed. Acht eeuwen van landschaps- en landbouwgeschiedenis van de gemeente Nunspeet. Nunspeet. Waterbolk, H.T., 2009: Getimmerd verleden. Sporen van voor- en vroeghistorische houtbouw op de zandgronden tussen Eems en IJssel. Groningen. Williams, G.L., 2008: Gemeente Nunspeet, Weversweg. Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. Amersfoort (ADC Rapport 1389). Zandstra, J.G., 1988: Noordelijke kristallijne gidsgesteenten, Een beschrijving van ruim 200 gesteentetypen (zwerfstenen) uit Fennoscandië, Leiden. Zandstra, J.G., 1999: Platenatlas van noordelijke kristallijne gidsgesteenten, Leiden.
Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied. Afb. 2. De proefsleuven uit 2008. Afb. 3. De sporen van het proefsleuvenonderzoek (rood) geplot op de allesporenkaart van de opgraving. Afb. 4. Bodemopbouw in een profielkolom in werkput 2 Afb. 5. Allesporenkaart van de opgraving met de aard van de sporen. Afb. 6. Allesporenkaart van de opgraving met de in dit hoofdstuk besproken structuren uitgelicht. Afb. 7. HS01 uitgelicht (combinatie van de sporen uit de proefsleuven en de opgraving). Afb. 8. Putten Rimpeler, plattegronden van de types D1 (boven, structuur 36) en D2 (onder, structuur 72 (bron: Norde 2022, fig. 42 en 44). Afb. 9. HS02 uitgelicht. Afb. 10. Putten Rimpeler, plattegronden van de types C2 (boven, structuur 71) en D1 (onder, structuur 36 (bron: Norde 2022, fig. 40 en 42). Afb. 11. Detail van HM01. Afb. 12. Detail van HM02. Afb. 13. KL01 na couperen. Op het spoor ligt een deel van de natuurstenen die tijdens couperen zijn verzameld uit de kuilvulling. Afb. 14. KL02 na couperen. Afb. 15. KL04 (links) en KL03 (rechts) na couperen. Afb. 16. Greppels op het structurenoverzicht. Afb. 17. Standgreppel (rood) ten westen van HS01. Afb. 18. Putten - Rimpeler, structuur 64 en 66 met halfronde standgreppel (bron: Norde 2022, 75). Afb. 19. Glazen kraal uit KL03. Tabel 1 Overzicht van de verschillende perioden. Tabel 2.
Artefacttypen afgezet tegen de steensoorten. Tabel 3. Artefacttypen per context. Tabel 4. Resultaten 14C-analyse
43
Bijlagen BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5
Sporenlijst Vondstenlijst Splitslijst splitslijst per context structuurplattegronden met spoordiepte
44
BIJLAGE 1
Putnr
Sporenlijst NUNT-22
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
1 KL
OVL
ONR
5,5 m
38, cm
1
1
2 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
3 NV
VRK
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
4 SG
ONR
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
5 PK
RND
KOM
5,6 m
14, cm
1
1
6 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
7 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
8 PK
RND
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
9 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
10 PK
VRK
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
11 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
12 PK
OVL
KOM
5,5 m
9, cm
1
1
13 NV
ONR
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
14 PK
RND
VLK
5,5 m
12, cm
1
1
15 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
16 PK
RND
KOM
5,6 m
24, cm
1
1
17 PK
RND
KOM
5,6 m
20, cm
1
1
18 REC
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
19 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
20 PK
RND
RHK
5,6 m
40, cm
1
1
21 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
22 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
23 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
24 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
25 PK
ONR
RHK
5,6 m
44, cm
1
1
26 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
27 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
28 PK
RND
KOM
5,6 m
40, cm
1
1
29 PK
RND
KOM
5,6 m
24, cm
1
1
30 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
31 PK
RND
ONR
5,5 m
34, cm
1
1
32 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
33 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
34 NV
RND
ONR
5,5 m
, cm
1
1
35 PK
RND
VLK
5,6 m
4, cm
1
1
36 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
37 PK
RND
VLK
5,6 m
45, cm
1
1
38 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
39 NV
RND
KOM
5,6 m
1, cm
1
1
40 PK
RND
KOM
5,7 m
10, cm
1
1
41 PK
RND
KOM
5,7 m
6, cm
45
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
42 NV
ONR
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
43 PK
RND
VLK
5,6 m
30, cm
1
1
44 PK
OVL
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
45 PK
RND
KOM
5,6 m
24, cm
1
1
46 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
47 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
48 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
49 PK
RND
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
50 PK
RND
KOM
5,6 m
36, cm
1
1
51 PK
VRK
KOM
5,6 m
28, cm
1
1
52 PK
RND
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
53 PK
RND
KOM
5,6 m
20, cm
1
1
54 PK
RND
VLK
5,6 m
14, cm
1
1
55 PK
OVL
REV
5,6 m
28, cm
1
1
56 NV
VRK
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
57 PK
OVL
KOM
5,6 m
14, cm
1
1
58 KL
LIN
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
59 PK
RND
VLK
5,6 m
34, cm
1
1
60 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
61 PK
RND
VLK
5,6 m
30, cm
1
1
62 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
63 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
64 NV
LIN
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
65 NV
RND
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
66 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
67 NV
RHK
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
68 PK
RND
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
69 PK
RND
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
70 PK
RND
KOM
5,5 m
4, cm
1
1
71 PK
OVL
VLK
5,5 m
6, cm
1
1
72 PK
RND
KOM
5,6 m
26, cm
1
1
73 REC
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
74 PK
VRK
VLK
5,6 m
34, cm
1
1
75 PK
RND
VLK
5,6 m
10, cm
1
1
76 KL
OVL
VLK
5,6 m
8, cm
1
1
77 PK
RND
VLK
5,5 m
18, cm
1
1
78 PK
RND
VLK
5,6 m
38, cm
1
1
79 PK
RND
VLK
5,6 m
44, cm
1
1
80 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
81 PK
RND
KOM
5,5 m
30, cm
1
1
82 PK
RND
RHK
5,4 m
26, cm
1
1
83 PK
RND
REV
5,5 m
34, cm
1
1
84 PK
RHK
VLK
5,5 m
22, cm
1
1
85 NV
VRK
ONR
5,5 m
1, cm
46
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
86 PK
RND
VLK
5,5 m
32, cm
1
1
87 PK
VRK
KOM
5,5 m
12, cm
1
1
88 PK
VRK
KOM
5,6 m
20, cm
1
1
89 PK
ONR
KOM
5,6 m
40, cm
1
1
90 PK
OVL
VLK
5,5 m
38, cm
1
1
91 PK
RND
KOM
5,5 m
12, cm
1
1
92 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
93 PK
RND
VLK
5,5 m
28, cm
1
1
94 PK
RND
VLK
5,5 m
24, cm
1
1
95 PK
OVL
VLK
5,6 m
35, cm
1
1
96 PK
RND
VLK
5,5 m
34, cm
1
1
97 PK
RND
KOM
5,5 m
30, cm
1
1
98 PK
OVL
REV
5,5 m
22, cm
1
1
99 PK
RND
KOM
5,5 m
10, cm
1
1
100 NV
RND
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
101 NV
RND
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
102 NV
RND
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
103 PK
RND
PNT
5,6 m
8, cm
1
1
104 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
105 NV
RND
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
106 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
107 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
2
1
108 REC
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
109 SG
ONR
KOM
5,5 m
18, cm
2
1
110 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
2
1
111 GR
ONR
ONR
5,6 m
50, cm
1
1
111 GR
ONR
ONR
5,5 m
50, cm
2
1
112 GR
RND
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
112 GR
RND
KOM
5,7 m
30, cm
2
1
113 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
2
1
114 KL
RND
ONR
5,6 m
30, cm
2
1
115 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
2
1
116 PK
RND
KOM
5,7 m
14, cm
3
1
117 NV
RND
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
118 NV
VRK
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
119 NV
RND
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
120 PK
OVL
PNT
5,4 m
10, cm
3
1
121 PK
OVL
KOM
5,4 m
14, cm
3
1
122 PK
RND
KOM
5,4 m
16, cm
3
1
123 PK
OVL
KOM
5,4 m
4, cm
3
1
124 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
125 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
3
1
126 GR
OVL
ONR
5,5 m
6, cm
3
1
127 KL
ONR
ONR
5,4 m
16, cm
47
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
3
1
128 PK
OVL
KOM
5,4 m
3
1
129 NV
VRK
ONR
5,5 m
1, cm
3
1
130 PK
RHK
KOM
5,4 m
20, cm
3
1
131 GR
OVL
KOM
5,4 m
10, cm
3
1
132 PK
RND
KOM
5,4 m
8, cm
3
1
133 PK
OVL
KOM
5,4 m
8, cm
3
1
134 PK
RND
KOM
5,3 m
10, cm
3
1
135 PK
RND
KOM
5,3 m
4, cm
3
1
136 PK
OVL
KOM
5,3 m
4, cm
3
1
137 PK
OVL
KOM
5,3 m
8, cm
3
1
138 PK
RND
ONR
5,5 m
30, cm
3
1
139 PK
VRK
KOM
5,5 m
50, cm
3
1
140 PK
VRK
KOM
5,5 m
18, cm
3
1
141 GR
LIN
VLK
5,5 m
6, cm
3
1
142 GR
LIN
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
143 PK
RHK
KOM
5,4 m
10, cm
3
1
144 PK
OVL
KOM
5,4 m
4, cm
3
1
145 PK
OVL
KOM
5,3 m
4, cm
3
1
146 PK
OVL
KOM
5,2 m
4, cm
3
1
147 NV
VRK
ONR
5,2 m
1, cm
3
1
148 KL
RND
VLK
5,2 m
82, cm
3
1
149 PK
VRK
KOM
5,2 m
10, cm
3
1
150 REC
VRK
ONR
5,2 m
1, cm
3
1
151 PK
VRK
KOM
5,2 m
12, cm
3
1
152 PK
RND
VLK
5,2 m
8, cm
3
1
153 PK
VRK
KOM
5,3 m
26, cm
3
1
154 PK
OVL
KOM
5,3 m
4, cm
3
1
155 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
156 KL
RND
ONR
5,4 m
56, cm
3
1
157 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
158 GR
LIN
ONR
5,5 m
1, cm
3
1
159 PK
RND
KOM
5,4 m
4, cm
3
1
160 PK
RND
KOM
5,3 m
10, cm
3
1
161 PK
OVL
KOM
5,4 m
8, cm
3
1
162 PK
OVL
KOM
5,4 m
14, cm
3
1
163 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
3
1
164 PK
OVL
KOM
5,5 m
1, cm
3
1
165 PK
OVL
KOM
5,4 m
28, cm
3
1
166 PK
OVL
KOM
5,4 m
22, cm
3
1
167 PK
OVL
KOM
5,4 m
20, cm
3
1
168 PK
OVL
VLK
5,4 m
14, cm
3
1
169 PK
RND
KOM
5,4 m
22, cm
3
1
170 PK
OVL
VLK
5,4 m
14, cm
3
1
171 GR
LIN
KOM
5,5 m
40, cm
48
8, cm
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
172 NV
VRK
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
173 PK
RND
VLK
5,6 m
14, cm
1
1
174 PK
RND
VLK
5,6 m
10, cm
1
1
175 NV
ONR
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
176 PK
VRK
KOM
5,7 m
12, cm
1
1
177 PK
ONR
KOM
5,6 m
28, cm
3
1
178 PK
RND
KOM
5,4 m
8, cm
3
1
179 PK
RND
KOM
5,4 m
10, cm
1
1
180 GR
LIN
ONR
5,7 m
8, cm
1
1
181 PK
ONR
KOM
5,7 m
40, cm
1
1
182 GR
RND
KOM
5,7 m
8, cm
1
1
183 PK
RND
KOM
5,7 m
4, cm
1
1
184 PK
ONR
KOM
5,7 m
40, cm
1
1
185 NV
LIN
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
186 NV
RND
VLK
5,7 m
2, cm
1
1
187 NV
RND
KOM
5,7 m
2, cm
1
1
188 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
189 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
190 NV
ONR
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
191 PK
RND
RHK
5,7 m
30, cm
1
1
192 PK
RHK
KOM
5,7 m
4, cm
1
1
193 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
194 PK
OVL
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
195 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
196 PK
RND
KOM
5,6 m
10, cm
1
1
197 NV
LIN
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
198 PK
RND
VLK
5,6 m
2, cm
1
1
199 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
200 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
201 KL
RHK
ONR
5,5 m
52, cm
1
1
202 PK
RND
KOM
5,5 m
10, cm
1
1
203 PK
RND
KOM
5,6 m
8, cm
1
1
204 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
205 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
206 PK
RND
KOM
5,6 m
4, cm
1
1
207 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
208 GR
LIN
LIN
5,4 m
15, cm
1
1
209 PK
OVL
PNT
5,5 m
23, cm
1
1
210 GR
LIN
LIN
5,4 m
9, cm
1
1
211 PK
OVL
KOM
5,6 m
7, cm
1
1
212 PK
OVL
KOM
5,6 m
4, cm
1
1
213 PK
OVL
KOM
5,6 m
13, cm
1
1
214 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
215 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
49
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
216 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
217 NV
OVL
PNT
5,6 m
1, cm
1
1
218 PK
OVL
KOM
5,7 m
8, cm
1
1
219 PK
OVL
KOM
5,5 m
10, cm
1
1
220 PK
OVL
KOM
5,6 m
9, cm
1
1
221 PK
OVL
KOM
5,6 m
5, cm
1
1
222 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
223 PK
OVL
VLK
5,6 m
30, cm
1
1
224 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
225 PK
RND
VLK
5,6 m
32, cm
1
1
226 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
227 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
228 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
229 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
230 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
231 PK
OVL
KOM
5,5 m
12, cm
1
1
232 KL
RND
KOM
5,4 m
80, cm
1
1
233 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
234 KL
RND
KOM
5,4 m
60, cm
1
1
235 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
236 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
237 PK
OVL
KOM
5,4 m
11, cm
1
1
238 PK
OVL
KOM
5,4 m
22, cm
1
1
239 KL
ONR
KOM
5,3 m
65, cm
1
1
240 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
241 PK
OVL
KOM
5,5 m
12, cm
1
1
242 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
243 PK
OVL
KOM
5,4 m
12, cm
1
1
244 PK
OVL
KOM
5,4 m
24, cm
1
1
245 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
246 KL
OVL
KOM
5,4 m
34, cm
1
1
247 PK
OVL
KOM
5,5 m
8, cm
1
1
248 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
249 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
250 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
251 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
252 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
253 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
254 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
255 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
256 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
257 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
258 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
259 PK
OVL
KOM
5,4 m
10, cm
50
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
260 PK
OVL
KOM
5,5 m
32, cm
1
1
261 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
262 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
263 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
264 PK
OVL
KOM
5,5 m
14, cm
1
1
265 NV
OVL
ONR
5,5 m
1, cm
1
1
266 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
267 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
268 PK
OVL
KOM
5,4 m
8, cm
1
1
269 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
270 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
271 PK
OVL
KOM
5,4 m
12, cm
1
1
272 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
273 NV
OVL
ONR
5,3 m
1, cm
1
1
274 NV
OVL
ONR
5,3 m
1, cm
1
1
275 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
276 NV
OVL
ONR
5,4 m
1, cm
1
1
277 PK
OVL
PNT
5,5 m
33, cm
1
1
278 NV
LIN
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
279 PK
ONR
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
280 PK
OVL
VLK
5,6 m
40, cm
1
1
281 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
282 PK
RHK
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
283 NV
ONR
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
284 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
285 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
286 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
287 PK
RND
REV
5,6 m
36, cm
1
1
288 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
289 PK
OVL
KOM
5,6 m
6, cm
1
1
290 KL
ONR
KOM
5,6 m
26, cm
1
1
291 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
292 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
293 NV
ONR
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
294 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
295 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
296 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
297 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
298 PK
RHK
KOM
5,6 m
40, cm
1
1
299 KL
OVL
ONR
5,6 m
26, cm
1
1
300 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
301 NV
OVL
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
302 NV
OVL
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
303 PK
RHK
KOM
5,7 m
8, cm
51
Putnr
Vlaknr
Spoornr
Aardspoor
Vlakvorm
Vorm_coupe NAP_boven
Diepte
1
1
304 NV
OVL
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
305 PK
RND
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
306 PK
RND
KOM
5,7 m
16, cm
1
1
307 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
308 PK
RND
KOM
5,7 m
9, cm
1
1
309 NV
RND
ONR
5,7 m
1, cm
1
1
310 PK
RND
KOM
5,7 m
13, cm
1
1
311 PK
RND
KOM
5,7 m
20, cm
1
1
312 PK
RND
KOM
5,7 m
8, cm
1
1
313 PK
RND
VLK
5,6 m
16, cm
1
1
314 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
315 KL
OVL
VLK
5,6 m
10, cm
1
1
316 NV
RND
ONR
5,6 m
1, cm
1
1
317 PK
RND
VLK
5,6 m
20, cm
1
1
318 PK
OVL
KOM
5,6 m
30, cm
1
1
319 GR
LIN
KOM
5,6 m
12, cm
1
1
320 PK
OVL
KOM
1
1
321 PK
OVL
VLK
1
1
322 PK
OVL
ONR
52
28, cm 5,6 m
35, cm 32, cm
BIJLAGE 2 Vondstnr
Vondstlijst NUNT-22 Put
Vlak
Spoor
Vulling
Inhoud
Monster
Verzamel
1
1
1
43
1 AW
AANV
2
1
1
1
1 MIX
COUP
3
1
1
1
1 MIX
AAC
4
1
1
1
2
MZ
AFW
5
1
1
1
1
MZ
AFW
6
1
1
82
1 MIX
AFW
7
2
1
111
1 MIX
AAC
8
1
1
83
1 MIX
AAC
9
1
1
25
1 MIX
AAC
10
1
1
79
1 MIX
COUP
11
1
1
72
1 MIX
AAC
12
3
1
138
1 MIX
AAC
13
3
1
138
1 MIX
AAC
14
3
1
139
1 MIX
AAC
15
1
1
37
1 MIX
AAC
16
1
1
20
1
MZ
AFW
17
1
1
28
1
MZ
AFW
18
1
1
37
1
MZ
AFW
19
1
1
89
1
MZ
AFW
20
1
1
96
1
MZ
AFW
21
1
1
90
1
MZ
AFW
22
1
1
83
1
MZ
AFW
23
1
1
74
1
MZ
AFW
24
1
1
16
1 MIX
AAC
25
3
1
148
3 SXX
COUP
26
3
1
148
3 MIX
27
3
1
148
3
28
3
1
148
3 SXX
AFW
29
3
1
148
2 AW
AFW
30
1
1
231
1 MIX
COUP
31
1
1
208
1 AW
AFW
32
1
1
234
3 GLS
COUP
33
1
1
232
2 MIX
COUP
34
1
1
239
7 AW
COUP
35
1
1
234
4 SXX
COUP
36
1
1
234
3
MZ
AFW
37
1
1
232
3
MZ
AFW
38
1
1
239
6
MZ
COUP
39
1
1
58
1 BOUWMAT
COUP
40
1
1
232
2 OXB
AFW
41
1
1
239
1 MIX
AFW
47
1
1
58
1
53
AFW MZ
MZ
AFW
AFW
Vondstnr
Put
Vlak
Spoor
Vulling
Inhoud
Monster
Verzamel
48
1
1
232
3 MIX
AFW
49
1
1
232
2 MIX
AFW
50
1
1
232
1 MIX
AFW
54
BIJLAGE 3 Vondstnr
Splitslijst NUNT-22 Scancode
Inhoud
Aantal
Gewicht
1 NUNT-22V1.001
AW
1
3,00 gr
2 NUNT-22V2.001
AW
2
14,00 gr
3 NUNT-22V3.001
AW
1
5,20 gr
3 NUNT-22V3.002
HK
2
,30 gr
4 NUNT-22V4.001
ZF25
1
4 NUNT-22V4.002
ZF50
1
6 NUNT-22V6.001
ODS
1
,50 gr
7 NUNT-22V7.001
AW
13
250,50 gr
8 NUNT-22V8.001
AW
2
9,50 gr
8 NUNT-22V8.002
SXX
2
460,50 gr
9 NUNT-22V9.001
SXX
1
106,40 gr
10 NUNT-22V10.001
SXX
1
153,20 gr
11 NUNT-22V11.002
HUTTELM
1
1,30 gr
11 NUNT-22V11.001
SXX
2
506,30 gr
12 NUNT-22V12.001
AW
4
42,90 gr
13 NUNT-22V13.001
MFE
1
21,00 gr
14 NUNT-22V14.001
SXX
1
9,00 gr
15 NUNT-22V15.001
SXX
1
58,90 gr
18 NUNT-22V18.001
ZF25
1
18 NUNT-22V18.002
ZF50
1
19 NUNT-22V19.001
ZF25
1
19 NUNT-22V19.002
ZF50
1
21 NUNT-22V21.001
ZF25
1
21 NUNT-22V21.002
ZF50
1
24 NUNT-22V24.001
AW
1
25 NUNT-22V25.001
SXX
57
1,10 gr 15600,00 gr
26 NUNT-22V26.001
AW
1
17,70 gr
27 NUNT-22V27.001
ZF25
1
27 NUNT-22V27.002
ZF50
1
28 NUNT-22V28.002
HUTTELM
5
498,00 gr
28 NUNT-22V28.001
SXX
21
6670,40 gr
29 NUNT-22V29.001
AW
2
97,90 gr
30 NUNT-22V30.001
AW
1
11,60 gr
30 NUNT-22V30.002
HUTTELM
1
2,00 gr
31 NUNT-22V31.001
AW
1
2,30 gr
32 NUNT-22V32.001
GLS
1
7,10 gr
33 NUNT-22V33.001
AW
7
61,50 gr
33 NUNT-22V33.002
SXX
5
190,60 gr
34 NUNT-22V34.001
AW
2
24,60 gr
35 NUNT-22V35.001
SXX
2
64,70 gr
36 NUNT-22V36.001
ZF25
1
36 NUNT-22V36.002
ZF50
1
55
Vondstnr
Scancode
Inhoud
Aantal
Gewicht
37 NUNT-22V37.001
ZF25
1
37 NUNT-22V37.002
ZF50
1
38 NUNT-22V38.001
ZF25
1
38 NUNT-22V38.002
ZF50
1
39 NUNT-22V39.001
SXX
1
240,50 gr
40 NUNT-22V40.001
OXB
1
1,40 gr
41 NUNT-22V41.001
SXX
1
228,50 gr
47 NUNT-22V47.001
ZF25
1
47 NUNT-22V47.002
ZF50
1
48 NUNT-22V48.001
SXX
1
49 NUNT-22V49.002
AW
1
13,40 gr
49 NUNT-22V49.001
SXX
3
805,60 gr
50 NUNT-22V50.001
AW
1
2,00 gr
56
73,90 gr
BIJLAGE 4
Splitslijst per context
PUTNR SPOORNR VULLINGNR VONDSTNR
INHOUD
AANTAL
aard sp
structuur
datering
HS01
soort aw
1
43
1
1 AW
1 PK
800-1200
KP (dun)
1
1
1
2 AW
2 KL
800-1200
KP (rand)
1
1
1
3 AW
1 KL
800-1200
KP (rand)
1
1
1
3 HK
2 KL
1
82
1
6 ODS
1 PK
2
111
1
7 AW
13 GR
GR01
KP en Elmpt
1
83
1
8 AW
2 PK
HS01
800-1200 11e - 12e eeuw
1
83
1
8 SXX
2 PK
HS01
1
25
1
9 SXX
1 PK
HS01
1
79
1
10 SXX
1 PK
HS01
1
72
1
11 HUTTELM
1 PK
HS01
1
72
1
11 SXX
2 PK
3
138
1
12 AW
4 KL
17e - 18e eeuw
roodbakkend vuurtest
3
138
1
13 MFE
1 KL
HS01 binnen HM02 binnen HM02
3
139
1
14 SXX
1 PK
HM02?
1
37
1
15 SXX
1 PK
HS01
1
16
1
24 AW
1 PK
HS01
800-1200
KP(?)
3
148
3
25 SXX
57 KL
KL01
3
148
3
26 AW
1 KL
KL01
800-1200
KP (dun)
3
148
3
28 HUTTELM
5 KL
KL01
3
148
3
28 SXX
21 KL
KL01
3
148
2
29 AW
2 KL
KL01
800-1200
KP (grote rand)
1
231
1
30 AW
1 PK
800-1200
KP
1
231
1
30 HUTTELM
1 PK
1
208
1
31 AW
1 GR
parallelle GR
800-1200
KP (dun)
1
234
3
32 GLS
1 KL
KL03
1
232
2
33 AW
7 KL
KL04
800-1200
KP
1
232
2
33 SXX
5 KL
KL04
1
239
7
34 AW
2 KL
KL02
800-1200
KP
1
234
4
35 SXX
2 KL
1
58
1
39 SXX
1 KL
KL03 binnen HS02
1
232
2
40 OXB
1 KL
KL04
1
239
1
41 SXX
1 KL
KL02
1
232
3
48 SXX
1 KL
KL04
1
232
2
49 AW
1 KL
KL04
800-1200
KP
1
232
2
49 SXX
3 KL
KL04
1
232
1
50 AW
1 KL
KL04
800-1200
KP(?)
57
pingsdorf KP
BIJLAGE 5
Structuurplattegronden met spoordiepte
HS01
58
HS02
59
HM01 en HM02
60
Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.
CMA Centraal Monumenten Archief. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen.
Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen. Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria.
61
Afkortingen in de database
62
63