CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 13 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 11 Archeologische onderzoek

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Weversweg fase 2.18.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport 6168

H U L S H O R ST , WEVERSWEG FASE 2 W. Jezeer & M.C. van der Storm

Hulshorst, Weversweg Fase 2 (Gemeente Nunspeet) Een archeologische opgraving

W. Jezeer & M.C. van der Storm

Met bijdragen van: R.A. Houkes (De Litholoog) M.B. Langbroek (Universiteit Leiden)

Colofon ADC Rapport 6168 Hulshorst, Weversweg Fase 2 (Gemeente Nunspeet) Een archeologische opgraving W. Jezeer & M.C. van der Storm In opdracht van: Gemeente Nunspeet Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, juli 2023 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

W. Jezeer ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort T 033 299 8181 E info@archeologie.nl W www.archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding (M.C. van der Storm) 1.1 Algemeen 1.2 Archeologie en historie 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden en afwijkingen op het PvE 3 Resultaten 3.1 Fysisch geografisch onderzoek 3.2 Sporen en structuren (W. Jezeer en M.C. van der Storm) 3.2.1 Algemeen 3.2.2 Gebouwen 3.2.3 Roedenbergen/ hooimijten 3.2.4 Kuilen 3.2.5 Greppels 3.2.6 Overig 3.3 Vondstmateriaal 3.3.1 Aardewerk (W. Jezeer) 3.3.2 Glas (M.B. Langbroek, De Oudheidsfabriek/Universiteit Leiden) 3.3.3 Natuursteen (R.A. Houkes, De Litholoog) 14C onderzoek (W. Jezeer) 3.3.4 4 Synthese (W. Jezeer) 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen Literatuur Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlagen Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 8 10 13 14 15 15 16 16 17 21 23 25 26 28 28 28 29 32 34 34 34 42 43 44 61 62

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Coördinaten:

Opdrachtgever:

Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid: Deskundige namens de bevoegde overheid: Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archiszaaknummer: ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): KNA versie: Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:

Gelderland Nunspeet Hulshorst Weversweg fase 2

NW: 178.285 / 485.966 NO: 178.335 / 485.982 ZO: 178.352 / 485.932 ZW: 178.302 / 485.915 Gemeente Nunspeet M. Smit Postbus 79 8070 AB Nunspeet 0341-259911 m.smit@nunspeet.nl M.C. van der Storm Gemeente Nunspeet M. Wispelwey (regio-archeoloog Noord-Veluwe) nog niet bekend 5295281100 000445 Nederzetting Middeleeuwen 4.1 Dekzand afgedekt met esdek 5,92 meter – 6,29 meter + NAP 5,36 meter + NAP 3-10-2022 - 10-10-2022 Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland

Samenvatting In het kader van de realisatie van een nieuwe woonwijk en de daartoe benodigde bestemmingsplanwijziging, is in het najaar van 2022 een definitieve opgraving (DO) uitgevoerd binnen een deel van het beoogde plangebied Weversweg te Nunspeet. Tijdens dit onderzoek zijn twee gebouwplattegronden, twee roedenbergen of hooimijten en verscheidene greppels en kuilen aan het licht gekomen. Deze resten vertegenwoordigen een (deel van) een middeleeuws erf dat, op basis van het aangetroffen vondstmateriaal en 14C-dateringen, dateert in de Volle Middeleeuwen (Late Middeleeuwen A; 11e tot en met 12e eeuw). Waarschijnlijk strekt het erf zich nog verder uit in oostelijke richting, aangezien de begrenzing niet is vastgesteld en de verwachte waterput bij een hoofdgebouw niet is aangetroffen.

5

Tabel 1 Overzicht van de verschillende perioden.

6

1 Inleiding

(M.C. van der Storm)

1.1

Algemeen

In opdracht van de gemeente Nunspeet heeft ADC ArcheoProjecten een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Weversweg fase 2 (afb. 1) in het kader van voorgenomen nieuwbouw en de aanleg van bijbehorende infrastructuur. Vooronderzoek (zie §1.2) heeft aangetoond dat zich op deze locatie een middeleeuws erf bevindt. (Zie voor periodisering tabel 1). De voorgenomen bouwplannen zullen deze archeologische resten vernietigen/ernstig beschadigen.

Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied.

7

Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 10.000 m2 en is momenteel in gebruik als grasland. Het gebied ligt achter de bebouwing aan de Klarenweg en het Molenpad en wordt begrensd door de Vlakken Eng. In het gebied zijn drie werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van ca. 2.500 m2. Het veldwerk is uitgevoerd tussen 3 oktober en 10 oktober 2022. In die periode zijn de werkputten aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door E.E.A. van der Kuijl is opgesteld. 1 Dit ontwerp is goedgekeurd door M. Wispelwey (regio archeoloog Noord-Veluwe) en M. Smit van de gemeente Nunspeet. De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens de opgraving zijn verzameld, zijn gedeponeerd in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland te Nijmegen. Het veldteam bestond uit de volgende personen: M.C. van der Storm (projectverantwoordelijke), W. Jezeer (senior archeoloog), R. van der Veen en M. Hiemstra (veldarcheologen) en T. Vos (kraanmachinist ingehuurd via de firma Basten BV). De contactpersoon bij de gemeente Nunspeet is M. Smit. Het vondstmateriaal is bestudeerd door J. Verduin (aardewerk), R.A. Houkes (natuursteen), M.B. Langbroek (glas) en N. Hammers (botanische monsters). Hun bevindingen zijn in de betreffende deelrapporten beschreven. Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door J.W. Beestman.

1.2

Archeologie en historie

In verband met de geplande nieuwbouw van huizen in plangebied Weversweg is een eerste archeologische inventarisatie uitgevoerd op 24 juni 2003 door RAAP 2 en door ADC ArcheoProjecten op 20 januari en 2 februari 2005 3. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied ligt ten westen van de hoge stuwwal van de oostelijke Veluwe. Deze stuwwal is opgestuwd in de voorlaatste ijstijd (Saalien). Tijdens deze periode was de noordelijke helft van Nederland bedekt door ijs. Tegen de flanken van deze stuwwal is in de laatste ijstijd (Weichselien) dekzand afgezet door de wind. Toen was Nederland niet door ijs bedekt en had de wind vanwege de koude, droge condities en het ontbreken van vegetatie vrij spel. Het afgezette materiaal bestaat voornamelijk uit siltig en minder siltig fijn zand: de dekzanden. Vanaf de Late Middeleeuwen is het dekzand opnieuw verstoven. Dit was het gevolg van intensief gebruik van de heidevelden voor het steken van heideplaggen en het plaatselijk verdwijnen van de vegetatie. De dekzanden zijn van oorsprong arme zandgronden. Vanaf het begin van onze jaartelling is men begonnen met het bemesten van de zandgronden om het geschikt te maken voor landbouw. Vanaf de Middeleeuwen zijn de landbouwgronden op de dekzanden intensief bemest met potstalmest dat vermengd werd met heideplaggen.

Deze oude landbouwgronden worden ook wel essen genoemd; dit zijn de hoge zwarte enkeerdgronden. Op de bodemkaart is te zien dat het gelegen is op hoge zwarte enkeerdgronden. 4 Tijdens de booronderzoeken is vastgesteld dat de bodemopbouw ter plaatse van het huidige onderzoeksgebied intact is. In het onderzoeksgebied en ten oosten daarvan is het esdek 50 tot 70 dik. Ten westen en noorden van het onderzoeksgebied ligt op het dekzand een dun esdek van 15 tot 60 cm dik. Het onderzoeksgebied ligt in een zone met oude bouwlanden. Rond het jaar 1000 werd gestart met de ontginningen in deze regio. De ontginningen werden o.a. geïnitieerd door het Benedictijner klooster de Abdinkhof in Paderborn (D) en de Utrechtse Kapittels van Sint Marie en Sint Pieter (beiden opgericht in de 11e eeuw). De bezittingen van het Kapittel van Sint Marie bestonden grotendeels uit woeste gronden die vanaf het begin van de 12e eeuw door horigen werden ontgonnen. 5 Binnen het gebied met oude bouwlanden komen twee zones voor waarin de

1 Kuijl, E.E.A. van der, 2022: Programma van Eisen Weversweg te Hulshorst, gemeente Nunspeet. Zelhem (goedgekeurd op

19-5-2022).

2 Ringenier 2003. 3 Smit 2005.

4 Smit 2005, 7-8.

5 Veen et al. 2016, 23-24, 86.

8

middeleeuwse bewoning op verschillende tijdstippen lijkt te beginnen. Het gebied ten oosten van de Klarenweg was, op basis van de onregelmatige verkavelingsstructuur, mogelijk eerder bewoond dan het gebied ten westen van de weg. Het oostelijke gebied zou pas zijn ontgonnen nadat bewoning op het Hulshorster Zand werd opgegeven (vanaf de 13e eeuw). 6 In de directe omgeving zijn verschillende historische erven bekend, zoals het Pannekoecksgoet aan de huidige Harderwijkerweg 425. Dit goed werd in de 12e eeuw aan de oostzijde van de Klarenweg gevestigd en in de 14e eeuw voor het eerst onder deze naam genoemd. Het Pannekoecksgoet had vermoedelijk een voorloper in de Clarenhof, die ongeveer bij de kruising van de Klarenweg en het Molenpad gelegen moet hebben. Het ontginningsblok waar deze boerderijen bij hoorden was in het bezit van het Kapittel van Sint Marie te Utrecht. 7

Afb. 2. De proefsleuven uit 2008. In 2008 is door ADC ArcheoProjecten een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij zes werkputten zijn aangelegd (afb. 2). 8 De bodemopbouw in het onderzochte terrein bestaat uit een gemiddeld 40 tot 50 cm dik esdek dat direct overgaat in de C-horizont (dekzand). Het sporenvlak ligt tussen 60 en 90 cm -Mv. In de westelijke, noord-zuid georiënteerde proefsleuf (werkput 2) is destijds een vermoedelijke huisplattegrond aangetroffen, bestaande uit twee rijen paalsporen (afb. 3). Op basis van de vondst van scherven kogelpotaardewerk in twee van de paalkuilen is de structuur gedateerd in de 12e t/m 13e eeuw. Verder zijn over het hele onderzochte terrein een greppelsysteem en enkele losse paalkuilen aangetroffen. Vanwege het ontbreken van

6 Ringenier 2003, 5-6.

7 Veen et al. 2016, 86-87. 8 Williams 2008.

9

vondstmateriaal kon geen uitsluitsel gegeven worden over de datering van het greppelsysteem. De greppels zijn daarom destijds voorlopig gedateerd in de Nieuwe tijd. 9

Afb. 3. De sporen van het proefsleuvenonderzoek (rood) geplot op de allesporenkaart van de opgraving.

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

De archeologische opgraving heeft tot doel het materiaal van de vindplaats veilig te stellen en de gegevens te documenteren om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld, die in dit rapport worden beantwoord op basis van hetgeen in de werkputten is aangetroffen: Bodemopbouw en landschap 1. Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten)> 2. Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? 3. Welke hydromorfe kenmerken zijn in het profiel aanwezig (sporen van oxidatie en reductie) en op welke diepte(n)? 4. Welke lagen/bodemhorizonten zijn kalkrijk, kalkarm of kalkloos? 5. Wat is de grondwaterstand en de grondwatertrap ter plaatse? 6. Welke lagen/bodemhorizonten bevatten organische resten (plantenresten, dierresten)?

9 Williams, 2008.

10

7.

In het kader van waardestellend onderzoek: zijn er, gelet op de lokale lithologie, bodems en hydrologie, onverbrande en dierlijke en plantaardige resten: a. Te verwachten? b. Zo ja, in welke context(en)? 8. Zijn er: a. Sedimentatiefases te onderscheiden in het profiel? b. Wat zijn de onderscheidende kenmerken daarvan? c. Wat is de geschatte datering? d. Heeft tussen de onderscheiden fases van sedimentatie bodemvorming plaatsgevonden? 9. Is er sprake van processen van bodemvorming, erosie, laterale verplaatsing, afdekking? 10. Is er sprake van processen van vernatting (gley, veenvorming) en/of verdroging (eventueel verstuiving)? 11. In welke mate en waar is de bodem in het plangebied verstoord? Sporen en structuren 12. Is er sprake van loopvlakken, ophogingslagen of cultuurlagen? 13. Welke archeologische lagen zijn in het profiel te onderscheiden en wat is de diepte, dikte, textuur en vulling? 14. Welke sporen zijn te onderscheiden en wat is de vorm, diepte, lengte, breedte, textuur, kleur, vulling? 15. Hoe is de horizontale en verticale spreiding van sporen en wat is hun samenhang? 16. In welke mate zijn: a. Lagen en sporen op vlakken te koppelen aan lagen in de profielen? b. Wat zijn de ingravingsniveaus? 17. Hoe is: a. De stratigrafie in antropogene zin? b. Zijn er meerdere sporenniveaus aanwezig, m.a.w.

moeten er meerdere vlakken op verschillende dieptes worden aangelegd en gedocumenteerd om alle periodes inzichtelijk te krijgen? c. Zo ja, op welke diepte bevinden zich deze niveaus en welke periodes zitten op welke niveaus? 18. Zijn begrenzingen van het sporencomplex vast te stellen? 19. Wat is de aard en/of de functie en conservering van de sporen? 20. Wat is de relatieve en/of absolute datering van de sporen en spoorniveaus en waarop is de datering gebaseerd? 21. Zijn er (delen van) structuren te onderscheide? Zo ja, a. Van welke soort (mogelijke) structuren? b. Welke (mogelijke) delen? c. Wat is de relatieve en/of absolute datering van de structuren? d. Waarop is/zijn de datering(en) gebaseerd? e. Is er bij steenbouw sprake van hergebruikt bouwmateriaal? 22. Is er sprake van perifere en centrale zones? 23. Indien er geen of weinig paalsporen zijn: in welke mate kan er sprake zijn van bouwmethoden die geen of weinig sporen hebben nagelaten en is dat af te leiden uit vondsten of andere sporen? 24. Welke fasering (relatieve en absolute datering) is in de vindplaats aan te brengen? 25. Indien graven worden gevonden: a. Is er sprake van enkele individuele graven of een groter grafveld? b. Wat kan worden gezegd over de locaties van begravingen ten opzichte van gelijktijdige en niet-gelijktijdige bewoning (indien dateringen dit mogelijk maken)? c.

Welke vorm van begraving is gevolgd (crematie/inhumatie)? Vondsten en paleo-ecologische resten 26. Welke mobiele vondsten zijn gedaan? a. Om welke materialen, soorten, typen, functies, aantallen en gewichten gaat het en uit welke context komen de vondsten? b. Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd?

11

27. In welke mate bevinden vondsten zich in primaire positie/gesloten context en in welke mate gaat het om vondsten zonder context? 28. Welke conclusies zijn te trekken uit de fragmentatiegraad en de mate van conservering of verwering van de vondsten? 29. Wat is de vondstdichtheid (aantal scherven per m2) per vlak, per werkput en in het geheel? 30. Zijn er plaatsen aan te wijzen met een opvallend grote vondstconcentratie en wat is de samenstelling ervan? 31. In welke mate dragen mobiele vondsten bij aan de datering van lagen, sporen en structuren? 32. Is er sprake van (kennelijk) intentionele deposities? 33. Hoe zijn de verhoudingen tussen lokaal of in de nabijheid gewonnen of geproduceerd materiaal en importmateriaal? 34. Wat is: a. De aard en conservering van paleo-ecologische resten? b. In welke mate en in welke context worden ze aangetroffen? c. Welke betekenis ontlenen zij of kunnen zij geven aan deze context? d. In welke mate kunnen ze bijdragen aan de datering van sporen, lagen en structuren? 35. Welke informatie kunnen zij geven over landschap en vegetatie (voorafgaand, tijdens en/of na bewoningsfase(n)), voedseleconomie, verwerving en toepassing van organisch materiaal e.d.? Vragen in relatie tot de Kennisagenda Archeologie Gelderland (H. 4 – De Veluwe) 36. Welke gebouwtypen zijn aangetroffen en wat zegt dit over de lokale economie? 37.

Is er sprake van bewoningscontinuïteit van de vroege naar de volle middeleeuwen en van de volle middeleeuwen naar de nieuwe tijd? 38. Vanaf wanneer is er sprake van fixatie van de middeleeuwse erven en wat voor gevolgen heeft dit gehad voor de inrichting en het gebruik van het landschap? 39. Wat is de mogelijke reden dat de bewoning op de locatie geëindigd is en wat zijn hiervoor de bewijzen? Vragen in relatie tot NOaA 2.0 40. Welke veranderingen treden op in de samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? (NOaA 2.0-vraag 104) 41. Wat is de aard, context en betekenis van intentionele (rituele?) deposities in en rond huis en erf? (NOaA 2.0-vraag 29) 42. Wat is de aard en context van ‘diergraven’? (NOaA 2.0-vraag 57) 43. Wat zijn de vorm, functie, datering en context van verdiepte (delen van) gebouwen? (NOaA 2.0-vraag126) 44. Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna? (NOaA 2.0-vraag 15) Conclusie, evaluatie en aanbevelingen 45. Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van het eerdere onderzoek of andere bekende gegevens? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? 46.

In welke mate heeft dit onderzoek bij kunnen dragen aan de Kennisagenda’s? in welke mate heeft dit onderzoek in een datalacune kunnen voorzien? Hoe is het kennisrendement te omschrijven? 47. In welke mate zijn de gehanteerde strategieën en methoden effectief geweest? Indien het onderzoek niet volgens plan kon worden uitgevoerd, om welke reden en op welke wijze is van het PvE afgeweken?

12

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie OS15). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Indien nodig kan altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het e-depot. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. De auteurs staan telkens bij de betreffende hoofdstukken vermeld.

13

2

Methoden en afwijkingen op het PvE Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het PvE. In het PvE werd een werkwijze voorgesteld waarbij vier werkputten aangelegd moesten worden van 25 bij 25 meter. Tijdens het opstellen van het Plan van Aanpak (PvA) voor deze opgraving is een alternatieve werkwijze voorgesteld. In het voorgestelde puttenplan zou de verwachte gebouwplattegrond precies op de locatie liggen waar de werkputten elkaar snijden. Hierdoor zou de plattegrond dus niet in zijn geheel in één werkput liggen. In het PvA werd een aanpak voorgesteld waarbij meerdere sleuven van ca. 15 bij 50 meter zouden worden aangelegd. Tijdens de opgraving zijn uiteindelijk drie werkputten aangelegd, waarbij de eerste werkput (bij de gebouwplattegrond) meerdere keren in de breedte is uitgebreid. Er is gestart met de werkput in het midden, waar de gebouwplattegrond werd verwacht. De vlakken zijn machinaal aangelegd met een ca. twee meter brede, gladde bak. Tijdens de aanleg van het vlak zijn vondsten in vakken van 4 x 4 m verzameld. Alle vondsten zijn als puntvondsten ingemeten. Grondsporen zijn direct ingekrast. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Vervolgens is het vlak en ieder spoor daarin gefotografeerd en getekend (dmv GPS), waarbij om de 4 m de hoogte is bepaald.

Alle aangetroffen grondsporen zijn met de hand of machinaal gecoupeerd waarbij vondsten zijn verzameld. Alle coupes van archeologische sporen zijn gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Het restant van de gecoupeerde sporen is vervolgens met de schep of troffel afgewerkt en indien nodig bemonsterd voor archeobotanisch en daterend (14C) onderzoek. Op verschillende plekken zijn per werkput profielkolommen afgestoken, gefotografeerd en getekend. In het veld bleek dat de westgrens van de putten in de tuinen van de huizen aan de Klarenweg lag. De werkputten zijn daarom aan de westkant enkele meters ingekort. Tijdens de aanleg van werkput 1 werd aan de oostzijde een deel van een tweede structuur aangetroffen. In overleg met het bevoegd gezag is de werkput hier uitgebreid om de hele structuur in beeld te krijgen.

14

3

Resultaten 3.1

Fysisch geografisch onderzoek

De bodemopbouw is binnen het hele onderzochte gebied gelijk en bestaat uit een bouwvoor (dikte ca. 20 cm) op een dun plaggendek (dikte ca. 30 cm) op dekzand (C-horizont). Op de meeste plaatsen is er sprake van een eveneens dunne bioturbatielaag in de top van de C-horizont. Er is geen sprake van oude(re) plaggendekken of ploeglagen. Het sporenvlak (top C-horizont) ligt op ca. 50 - 60 cm onder maaiveld (ca. 5,4 m +NAP aan de noordzijde en op ca. 5,6 m +NAP aan de zuidzijde van de opgraving). Het maaiveld ligt op ca. 6 m +NAP aan de noordzijde en ca. 6,2 m +NAP aan de zuidzijde van het opgravingsareaal.

Afb. 4. Bodemopbouw in een profielkolom in werkput 2

15

3.2

Sporen en structuren

(W. Jezeer en M.C. van der Storm)

3.2.1 Algemeen In totaal zijn er 328 sporen gedocumenteerd binnen het opgravingsareaal (afb. 5), exclusief recente verstoringen (n = 24). Een groot deel van de sporen is na couperen afgevallen als natuurlijk spoor (n = 128). De recente verstoringen hingen grotendeels samen met de proefsleuf uit 2008 en bestonden uit oude coupes en bandensporen van de kraan (zie ook afb. 3). De overgebleven, antropogene sporen bestaan uit paalkuilen (n = 168), kuilen (n = 16), greppels (n = 15) en een standgreppel. Zie ook de sporenlijst in Bijlage 1.

Afb. 5. Allesporenkaart van de opgraving met de aard van de sporen. Uit de antropogene sporen konden twee gebouwplattegronden worden herleid, alsmede twee roedenbergen of hooimijten, waarvan één overigens onzeker is (afb. 6). Tevens zijn drie greppels mogelijk in verband te brengen met de bewoningssporen. Daarnaast zijn enkele grote kuilen aan de noordzijde van de opgraving de moeite van het bespreken waard. Er is sprake van een erf met hoofd- en bijgebouwen, op basis van het aardewerk en de 14Cdateringen daterend in de middeleeuwen, meer specifiek in 11e t/m 12e eeuw. Er lijkt sprake te zijn van enige aftopping van het oorspronkelijke niveau, waardoor ondiepere sporen zoals staken (hekwerk) niet meer zijn teruggevonden. Opvallend is de afwezigheid van een waterput op het erf, wat doet vermoeden dat het erf waarschijnlijk niet volledig is opgegraven. De begrenzing van het erf is in de opgraving in ieder geval niet aangetoond. Onderstaand zullen de verschillende relevante sporen en structuren worden besproken.

16

Afb. 6. Allesporenkaart van de opgraving met de in dit hoofdstuk besproken structuren uitgelicht. 3.2.2 Gebouwen Algemeen Voor een typologische indeling van de twee gebouwen HS01 en HS02 is met name gebruik gemaakt van de publicatie over Putten - Rimpeler. 10 De reden hiervoor is dat hierin de meest recente typologische informatie is verzameld voor middeleeuwse huizen op de Veluwe, een regio en periode die tot op heden slechts in beperkte mate is uitgewerkt in publicaties. Bovendien zijn tijdens de opgraving in Rimpeler vele huisplattegronden uit verschillende middeleeuwse periodes opgegraven, die een mooie vergelijking vormen voor gebouwen in de regio. De gebouwtypologie die is toegepast in Rimpeler is deels gebaseerd op de gebouwtypologie die is opgesteld door Heidinga op basis van de opgravingen in Kootwijk in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw en de gebouwtypologie die Waterbolk opstelde voor middeleeuwse gebouwen op de Noord-Nederlandse zandgronden. 11 HS01 Gebouw HS01 ligt centraal binnen de opgraving en is oost/noordoost-west/zuidwest georiënteerd (afb. 7). Het westelijke deel van deze plattegrond is al tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen. Door couperen in en dichtdraaien van de proefsleuf was een deel van de paalsporen van HS01 verdwenen of verstoord geraakt en daardoor niet teruggevonden tijdens de opgraving. In

10 Norde 2022.

11 Heidinga 1984; Waterbolk 2009.

17

de afbeeldingen in dit hoofdstuk zal HS01 daarom steeds worden afgebeeld met de sporen van de proefsleuf en de opgraving gecombineerd, om een zo volledig mogelijk beeld te geven.

Afb. 7. HS01 uitgelicht (combinatie van de sporen uit de proefsleuven en de opgraving). De kernconstructie van HS01 is 20,5 m x 6,5 m en bestaat uit 9 staanderparen of gebinten. De paalsporen van de kernconstructie hebben een diameter van ca. 1 m en een diepte tussen ca. 25 en 45 cm onder vlak. De plattegrond heeft zeer licht gebogen lange wanden. Buiten de noordelijke lange zijde liggen twee losse paalsporen die mogelijk als onderdeel van een zogenaamde kubbing kunnen worden beschouwd, of te maken kunnen hebben met een ingangspartij. Deze palen zijn iets kleiner en met een diepte van ca. 10 cm onder vlak, ondieper dan die van de kernconstructie. Buiten de zuidelijke lange zijde van het gebouw liggen drie kleinere en ondiepe (- 10 cm) paalsporen die ook aan HS01 zijn toegekend. In de oostelijke korte zijde zijn twee relatief grote staanders aanwezig, die op basis van hun ligging en overeenkomstige vulling wel degelijk tot het gebouw hebben behoord. Waarschijnlijk betreft het een ingangspartij in de korte wand. Uit drie van de paalsporen van HS01 komt aardewerk (S16, S43 en S83), in totaal 4 fragmenten. Drie fragmenten betreffen ruim daterend kogelpotaardewerk, maar in paalspoor 83 was één fragment Pingsdorfaardewerk aanwezig. Dit geeft HS01 een datering in de 11e t/m 12e eeuw. Tevens zijn twee paalsporen van HS01 gedateerd dmv 14C-analyse (S89 en S90).

Deze dateringen kwamen uit op 1035-1214 na Chr. En sluiten dus mooi aan op de aardewerkdatering Het gaat hier op basis van de plattegrond om een gebouw van het type D1 of D2, zoals beschreven in de publicatie over de opgraving Putten – Rimpeler. 12 Gebouwtype D1 is bootvormig en heeft zwaar uitgevoerde wand-/ gebintpalen die de daklast dragen (afb. 8). Buitenstaanders ontbreken geheel. Dit type gebouwen had waarschijnlijk een functie als schuur. 13 Gebouwtype D2 is zwak bootvormig tot rechthoekig, heeft eveneens zwaar uitgevoerde wand-/ gebintpalen met daaraan gekoppelde, iets kleinere buitenstaanders. Er is bij type D2 dus sprake van kubbingen of zijbeuken langs beide lange wanden en daarmee van driebeukigheid.

12 Norde 2022, 71; 82-86 13 Norde 2022, 67; 82.

18

HS01 laat de zwak bootvormige of rechthoekige plattegrond duidelijk zien. Van de driebeukigheid van type D2, waarbij ook sprake is van gekoppelde wand-/ gebintpalen en buitenstaanders, is echter geen sprake. In het geval van HS01 zijn slechts enkele buitenstaanders aanwezig, die overigens wel merendeels gekoppeld zijn aan de wand-/ gebintpalen. Met name de zwakke bootvormigheid, in combinatie met toch enkele buitenstaanders, is een argument om HS01 te scharen onder type D2, hoewel echte goede visuele overeenkomsten ontbreken. De datering van gebouwtype D2 wordt door Norde, op basis van de Kootwijk-typologie van Heidinga, gesteld op de 9e tot 10e eeuw. Echter, gezien de 14C-dateringen en het gedateerde aardewerk uit HS01, die ruim later vallen, zou er sprake moeten zijn van gebouwtype D3, die echter sterk bootvormig is en buitenstaanders heeft aan beide lange zijden. Daarom is hier waarschijnlijk toch sprake van een bijgebouw dat niet direct in een bestaande typologie kan worden gepast. Parallellen Rimpeler: structuren 2, 53, 54, 72, 73, 75.

Afb. 8. Putten Rimpeler, plattegronden van de types D1 (boven, structuur 36) en D2 (onder, structuur 72 (bron: Norde 2022, fig. 42 en 44). HS02 Gebouw HS02 ligt direct ten oosten van HS01 en heeft vrijwel dezelfde oriëntatie. De kernconstructie is 14,3 m x 6 m en bestaat uit 6 staanderparen of gebinten (afb. 9). De paalsporen van de kernconstructie hebben een diameter van ca. 0,8 m tot 0,95 m en een diepte tussen ca. 30 en 40 cm onder vlak.

19

Afb. 9. HS02 uitgelicht. HS02 is meer bootvormig dan HS01 en kleiner van afmeting. Er is geen sprake van palen buiten de kernconstructie. Ingangen kunnen niet met zekerheid worden achterhaald, hoewel de afstand tussen de twee middelste gebinten groter is dan die tussen de overige gebinten, wat kan wijzen op ingangen halverwege de lange wanden. De relatief beperkte afmetingen van HS02 doet vermoeden dat het hier om een bijgebouw of schuur gaat. Eventueel kan HS02 worden gezien als schuur bij HS01, maar van HS01 is allerminst zeker of het een woonstalhuis betreft. Ook HS01 kan een schuur zijn, wat betekent dat het hoofdgebouw op het erf buiten de huidige opgravingscontouren ligt. Het gaat hier op basis van de plattegrond waarschijnlijk om een gebouw van het type D1 of C2, zoals beschreven in de publicatie over de opgraving Putten – Rimpeler. 14 En dan komt huistype D1 visueel het meest overeen met HS01. gebouwtype C2 is bootvormig met regelmatig geplaatste, zwaar uitgevoerde wandpalen die de gehele daklast dragen (afb. 10). Er is dus geen sprake van buitenstaanders of kubbingen/zijbeuken. De datering van dit gebouwtype wordt gesteld op 850-950. Gebouwtype D1 is, zoals gezegd, bootvormig en heeft zwaar uitgevoerde wand-/ gebintpalen die de daklast dragen. Buitenstaanders ontbreken geheel.

Dit type gebouwen had waarschijnlijk een functie als schuur en wordt in de Volle Middeleeuwen geplaatst.

14 Norde 2022, 71; 82-86

20

Afb. 10. Putten Rimpeler, plattegronden van de types C2 (boven, structuur 71) en D1 (onder, structuur 36 (bron: Norde 2022, fig. 40 en 42). 3.2.3 Roedenbergen/ hooimijten In het noorden van de opgraving zijn twee roedenbergen of hooimijten aanwezig (HM01 en HM02). Dit zijn veelhoekige, vijf- of zespalige gebouwen waarin hooi of zaaigoed werd opgeslagen en die in de middeleeuwen een vast element vormden op het erf. De oostelijke (HM01, afb. 11) bestaat uit zes palen met een diepte tussen 14 en 28 cm onder vlak. HM01 heeft een diameter van 3,9 meter. De westelijke van de twee (HM02, afb. 12) oogt slordig en mist enkele palen, ervan uitgaande dat ook deze hooimijt bestond uit zes palen. Van de vier overgebleven paalsporen hebben twee nog een diepte van respectievelijk 20 cm en 50 cm onder vlak, twee andere paalsporen zijn nog slechts 8 cm onder vlak. De HM02 heeft een diameter van 4 meter.

21

Afb. 11. Detail van HM01.

22

Afb. 12. Detail van HM02. 3.2.4 Kuilen Verspreid over de opgraving zijn 15 kuilen van verschillende afmetingen gedocumenteerd. Vier van deze kuilen, KL01 t/m KL04, zijn geclusterd net het noorden van HS01 en vallen op door hun grootte en diepte. Tijdens vlakaanleg werd vermoed dat deze kuilen, of minstens één ervan, de waterput(ten) bij HS01 zou zijn. Na couperen bleek het echter steeds te gaan om grote maar niet zeer diepe kuilen, waarschijnlijk afvalkuilen. KL01 (S148) Dit betreft een relatief grote, vrij egaal opgevulde kuil met een diepte van ca. 80 cm en een diameter van ruim 3 meter (afb. 13). De kuil is waarschijnlijk in één keer dicht gestort. Wat vooral opvallend was aan deze kuil is de grote hoeveelheid natuursteen in één van de vullingslagen (vulling 3, zie ook § 3.3.3). Naast natuursteen zijn er ook vijf fragmenten huttenleem en drie fragmenten kogelpotaardewerk uit de kuil verzameld. Op basis van het aardewerk dateert KL01 in de 9e tot 12e eeuw, wat overeenkomt met de datering van de gebouwplattegrond HS01. Een duidelijke functie kan niet aan KL01 worden gegeven.

23

Afb. 13. KL01 na couperen. Op het spoor ligt een deel van de natuurstenen die tijdens couperen zijn verzameld uit de kuilvulling. Opvallend gegeven is dat greppel GR03 precies ophoudt bij KL01 (zie afb. 6). Hoewel dit toeval kan zijn is bij aanleg van GR03 mogelijk rekening gehouden met KL01, wat zou betekenen dat deze gelijktijdig in gebruik zijn geweest. KL02 (S239) Kuil KL02 is een langwerpige kuil (lengte ca. 2,8 meter) met een diepte van ca. 65 cm (afb. 14). Uit dit spoor zijn twee fragmenten kogelpotaardewerk verzameld, wat ook deze kuil een datering geeft in de 9e tot 12e eeuw. Een duidelijke functie kan niet aan KL02 worden gegeven.

Afb. 14. KL02 na couperen. KL03 en KL04 (S234 en S232) Deze twee kuilen liggen naast en tegen elkaar aan en hangen op basis van de waargenomen oversnijding met elkaar samen (afb. 15). Gelijktijdigheid van beide sporen is vrijwel zeker. KL03 is met een diameter van ca. 2 meter en een diepte van ca. 60 cm de kleinste van de twee. KL04 heeft een diameter van ca. 2,5 meter en een diepte van ca. 80 cm. Gezien de gelaagde en humeuze vulling kan voor KL04 (en daarmee wellicht ook voor KL03) een functie als water- of drenkkuil worden beargumenteerd.

24

Afb. 15. KL04 (links) en KL03 (rechts) na couperen. Uit KL03 is de meest opvallende vondst van de opgraving afkomstig, namelijk een halve veelkleurige glaskraal (zie § 3.3.2). Deze kraal dateert vroeger dan het aardewerk binnen de opgraving, namelijk in de Karolingische periode (tussen late 8e en vroege 9e eeuw). KL04 bevatte, naast enkele fragmenten natuursteen, negen fragmenten kogelpotaardewerk. Dit plaatst ook KL04 in dezelfde tijdsperiode als KL02, KL01 en HS01, namelijk de 9e t/m 12e eeuw. Aangezien samenhang tussen KL03 en KL04 is aangetoond moet de oudere glaskraal worden gezien als intrusief. De herkomst van de kraal valt helaas niet te bepalen. 3.2.5 Greppels Drie langer doorlopende greppels kunnen worden beschouwd als onderdeel van landinrichting, namelijk GR01, GR02 en GR03 (afb. 16). Een functie als perceelsbegrenzing of -indeling ligt voor de hand, hoewel geen van de greppels eenzelfde oriëntatie heeft als de twee gebouwen HS01 en HS02. Samenhang tussen de greppels en het aanwezige middeleeuwse erf is daarom niet vanzelfsprekend.

25

Afb. 16. Greppels op het structurenoverzicht. Van de drie greppels heeft enkel GR01 (S111) vondsten opgeleverd. Het gaat daarbij om meerdere fragmenten kogelpotaardewerk en enkele fragmenten Elmpt. De aanwezigheid van Elmpt lijkt te duiden op een iets jongere datering dan het erf met HS01 en HS02, namelijk 12e tot 13e eeuw. GR01 oversnijdt GR02 en is dus ook jonger. De overeenkomstige oriëntatie van GR02 en GR03 suggereert dat zij onderdeel zijn van eenzelfde systeem en wellicht zelfs dat zij gelijktijdig zijn. Toch wijkt de datering van GR01 niet erg af van die van de overige gedateerde sporen binnen de opgraving. Dit hangt overigens ook samen met het feit dat het aardewerk niet heel scherp gedateerd kan worden, wat een ruime dateringsmarge betekent voor alle structuren en sporen binnen de opgraving. Vooralsnog wordt aangenomen dat de greppels allemaal jonger zijn dan het erf en dus losstaan van de erfinrichting rond HS01 en HS02 en dus ook van de erfbegrenzing. 3.2.6 Overig Een intrigerend fenomeen zijn sporen S4, S5, S13 en S109, die samen een halfronde standgreppel vormen direct ten westen van HS01 (afb. 17). Dit spoor is helaas slechts beperkt en ondiep bewaard gebleven, waardoor onduidelijk is of dit eventueel kan worden gekoppeld aan HS01 of dat het om een op zichzelf staande structuur gaat.

De slechte conservering, samen met het ontbreken van vondstmateriaal, maakt dat van dit spoor de datering onduidelijk is. Op basis van de vrij donkere kleur van deze sporen lijkt een oudere datering dan de middeleeuwen niet voor de hand te liggen, maar er zijn geen aanknopingspunten om deze standgreppel direct aan HS01 te koppelen. Eenzelfde fenomeen is echter ook waargenomen tijdens het onderzoek in Rimpeler, waar eveneens sprake was van een rond lopende standgreppel direct naast een hoofdgebouw (afb. 18). 15 Hoewel niet één op één vergelijkbaar, is er blijkbaar wel sprake van dit soort fenomenen

15 Norde 2022, 74-75.

26

binnen nederzettingen uit de 8e tot 10e eeuw. Dienovereenkomstig kan worden aangenomen dat de standgreppel inderdaad bij HS01 mag worden getrokken. Mogelijk is dit spoor een overblijfsel van bijvoorbeeld een afrastering/ hek of windscherm aan de kopse kant van HS01.

Afb. 17. Standgreppel (rood) ten westen van HS01.

Afb. 18. Putten - Rimpeler, structuur 64 en 66 met halfronde standgreppel (bron: Norde 2022, 75).

27

3.3

Vondstmateriaal

3.3.1 Aardewerk (W. Jezeer) Tijdens de opgraving zijn in totaal 40 fragmenten aardewerk verzameld met een totaalgewicht van 557 gram. Deze vondsten komen uitsluitend uit sporen. Vrijwel al het aardewerk betreft kogelpotaardewerk, afgezien van één scherf pingsdorfaardewerk, enkele scherven grijs aardewerk wat als Elmpt kan worden benoemd en vier fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk uit een recenter spoor. Kogelpotaardewerk is handgevormd, lokaal vervaardigd aardewerk dat meestal vrij zacht gebakken is. De potten hebben een, zoals de naam al aangeeft, volledig ronde vorm en een grote variatie aan randvormen. Kogelpotaardewerk kan over het algemeen slechts ruim gedateerd worden, namelijk tussen ca. 900 en 1350. Op basis van een aantal kenmerken kan wel onderscheid worden gemaakt in ouder en jonger kogelpotaardewerk. Zo zijn de scherven van het jongere materiaal dunner en vaak harder gebakken, met relatief fijne magering en hebben jongere kogelpotten, in tegenstelling tot de oudere potten, wel een gedraaide rand. Ouder kogelpotmateriaal heeft vaak een relatief grove magering van grof zand en/of kleine kiezelfragmentjes. Oudere kogelpot dateert ruwweg tussen 900 en 1200, jongere kogelpot dateert tussen 1200 en 1350. Pingsdorfaardewerk is gedraaid en herkenbaar aan een geel- tot witbakkend baksel en vertoont vaak een beschildering met rode verf.

Het baksel is genoemd naar de plaats in Duitsland waar voor het eerst pottenbakkersafval van dit type is gevonden. Het is geproduceerd in de periode 900-1200 Het blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type wordt doorgaans gedateerd in de periode tussen 1150 en 1350. Dit type aardewerk is gemaakt van tertiaire klei en is aan de buitenkant gesmoord. Hierdoor heeft het aardewerk een grijs uiterlijk met een witte tot grijs-witte kern. Het aardewerk is vernoemd naar de plaats waar voor het eerst pottenbakkersafval van deze soort gevonden is, namelijk het Duitse Elmpt. Het baksel is echter ook in andere plaatsen in Duitsland en Nederland vervaardigd. 3.3.2 Glas (M.B. Langbroek, De Oudheidsfabriek/Universiteit Leiden) In kuil KL03 (vulling 3) is een halve veelkleurige glazen kraal gevonden (afb. 19). Het gaat om een halve millefiori of mozaïekkraal die is opgebouwd uit verschillende stukken mozaïekglas. Deze kralen zijn gemaakt door plakjes te snijden uit mozaïekstaven van polychroom glas, die zo waren samengesteld dat in het grensvlak patronen van ogen, bloemen of ‘schaakborden’ ontstonden.

Afb. 19. Glazen kraal uit KL03. Vóór de 8e eeuw werden mozaïekkralen uitsluitend in het oostelijke Middellandse Zeegebied gemaakt, met name in Egypte. De eerste Europese productieplaats van dit type kraal is

28

opgegraven in Ribe, en dateert tot de periode 730-750 na Christus. 16 Het exacte patroon op de kraal uit Nunspeet, een afwisseling van wit met rode ogen in blauw glas en een roodomrand schaakbordpatroon van geel en groen glas, is in deze workshop teruggevonden. 17 In de door Callmer ontwikkelde typologie voor 8e- tot 10e-eeuwse kralen uit Scandinavië behoort de in Nunspeet gevonden kraal tot het type G030. Callmer dateert dit type kraal iets later dan de workshop in Ribe, namelijk tussen de late 8e en vroege 9e eeuw. 18 Dit is een datering die in principe overeenkomt met het handgevormde aardewerk van de opgraving, maar die te vroeg is om te kunnen samenvallen met het scherper gedateerde, gedraaide (import)aardewerk, met name het fragment Pingsdorf en de 14C-dateringen. Mogelijk hebben de bewoners van het erf zo’n mooie kraal langere tijd in de familie gehouden en pas weggegooid toen hij kapot ging. Waar de bewoners van het erf deze kraal vandaan hebben is niet duidelijk. 3.3.3 Natuursteen (R.A. Houkes, De Litholoog) Inleiding Bij de archeologische opgraving Hulshorst Weversweg fase 2 zijn 99 objecten van natuursteen gevonden, die afkomstig zijn uit verschillende grondsporen die behoren tot een vroeg- tot vol middeleeuws nederzettingsterrein. In dit hoofdstuk worden de typologie, herkomst en gebruik van het natuursteen per context behandeld.

De analyse levert een bijdrage aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen uit het PvE: 19 Methoden en technieken De uitwerking van het natuursteen is uitgevoerd conform protocol 4006, specificatie SP02 en het voorstel voor verdere uitwerking in het evaluatierapport. 20 Bij de uitwerking van het natuursteen zijn daarnaast de richtlijnen uit de Leidraad anorganisch materiaal, deel 2, Natuursteen gehanteerd. 21 Artefacten zijn individueel beschreven, waarbij passende fragmenten als één zijn geteld, gemeten en gewogen. De artefacttypen zijn conform SIKB0102, waar nodig zijn ook eventuele subtypen vastgelegd. Naast het artefacttype zijn de grondvorm, (vuur)steensoort, dimensies, gewicht en de aard en percentage van het natuurlijk oppervlak, de mate van fragmentatie en de mate van verbranding vastgelegd. Afmetingen zijn gemeten in millimeters met behulp van een onderlegger met millimeterverdeling en een digitale schuifmaat. Artefacten met een gewicht tot 500 g zijn gewogen met een digitale weegschaal met een precisie van 0,1 g, zwaardere stukken zijn gewogen met een precisie van 1 g. Artefacten zonder sporen van bewerking of gebruik zijn per vondstnummer ingedeeld in groepen met gelijke kenmerken, zijnde: grondvorm, type en subtype, steensoort, fragmentatie, aanwezigheid- en aard van het natuurlijke oppervlak en mate van verbranding.

Individuele maten en gewichten zijn hierbij niet genoteerd. Waar nodig is gebruik gemaakt van een handloep en een stereomicroscoop met opvallend licht voor de identificatie van de verschillende artefacttypen en de determinatie van de gebruikte vuursteen- en natuursteensoorten. De determinaties van de natuursteensoorten zijn tot stand gekomen met behulp van vakliteratuur. 22 Daarnaast is gebruik gemaakt van de vergelijkingscollectie van de auteur en web-based digitale vergelijkingscollecties. 23 Mogelijke artefacten zijn gecontroleerd op sporen van gebruik met behulp van een stereomicroscoop met opvallend licht bij vergrotingen van 10 tot 64 keer.

16 Sindbaek 2023, 259-264.

17 Sode 2004; Sindbaek 2023.

18 Callmer 1977; Callmer 1997. 19 Van de Kuijl 2022.

20 Van der Storm 2022. 21 Houkes et al. 2017.

22 Elburg et al. 2016; Peeters 2016; Bosch 1992; Dreesen et al. 2014; Hellinga 1980; Rudolph 2011; Rudolph 2012; Van der Lijn 1935; Van der Lijn 1974; Zandstra 1988; Zandstra 1999. 23 www.zwerfsteenweb.nl

29

Resultaten Samenstelling van de assemblage De assemblage natuursteen bestaat uit 99 objecten met totaal gewicht van 24080,4 g (tabel 2). Hieronder zijn 63 onbewerkte rolstenen en 34 brokstukken van rolstenen. Werktuigen of fragmenten daarvan zijn niet aanwezig. Een brokstuk met een afslagnegatief en een mogelijke afslag kunnen worden beschouwd als bewerkingsafval, maar het is zeer de vraag of het om intentionele bewerking gaat. Onder de steensoorten zijn er 33 van vulkanische oorsprong; vooral graniet maar ook diabaas, dioriet, gabbro en een sferolithische porfier. Van de 49 sedimentaire gesteenten zijn er 47 van (deels kwartsitische) zandsteen, twee zijn van arkose (veldspaatrijke zandsteen, ontstaan uit verweerde graniet). Metamorfe gesteenten zijn vijftien keer aanwezig, in de vorm van gneis, kwartsiet en schist. Twee rolstenen zijn van gangkwarts. De stenen zijn waarschijnlijk verzameld uit lokale moreneafzettingen. Bijna de helft van de rolsteenbrokken, drie rolstenen en de ‘afslagkern’ met een afslagnegatief vertonen sporen van verhitting in de vorm van rode verkleuring, zwarte vlekken, onregelmatige scheuren en dito breukranden.

vulkanisch

3

6

2

63

gewicht

14

2

% van aantal verbrand

4

aantal

1

gangkwarts

27

totalen

schist

1

kwartsiet

20

gneis

4

kw_ Zandstn

1

metamorf

zandsteen

porfier

1

arkose

graniet

ROLST EEN

gabbro

subtyp e2

dioriet

subtyp e1

diabaas

type ABR

sedimentair

1668 9,1

34

6962, 2

44,1

4,8

ROLST EEN

BROK

ROLST EEN

BROK

afslag ?

1

1

101,9

0,0

ROLST EEN

BROK

afslag k?

1

1

327,2

100, 0

99

2408 0,4

19,2

1

totaal

2

1

1

4

5

2

24

1

2

41

6

10

3

3

2

2

Tabel 2. Artefacttypen afgezet tegen de steensoorten. Natuursteen per context Vondsten van natuursteen zijn gedaan in paalkuilen die behoren tot de plattegrond van HS01, een kuil binnen huisplattegrond HS02, een paalkuil die mogelijk tot hooimijt HM02 behoort en in vier kuilen. Van de 99 natuursteenvondsten zijn er 78 afkomst uit één context, laag 3 van KL01 (tabel 3). De vondsten worden in onderstaande per context behandeld.

afslag?

ROLSTEEN BROK

afslagk? totaal

1

totaal

ROLSTEEN BROK

23

2

KL04

1

54

KL03

ROLSTEEN BROK

1

KL02

4

3

KL01

ROLSTEEN

HM02?

type sub 2

binnen HS02

type sub 1

HS01

type ABR

5

34

1

1

3

1 7

1

Tabel 3. Artefacttypen per context.

30

1

78

63

1 1

2

9

99

Plattegrond HS01 Uit vijf paalkuilen die behoren tot plattegrond HS01 komen in totaal zeven vondsten van natuursteen met een totaal gewicht van 1285,5 g, drie rolstenen en vier rolsteenbrokken. Uit S25 komt een verhit rolsteenbrok van diabaas (106,5g), uit S37 een rolsteenbrok van zandsteen (59,1g). Uit S72 komen twee passende rolsteenbrokken van sterk verweerde arkose die mogelijk recent zijn gebroken (samen 505g), uit S79 rolsteen van graniet (153,3g) en uit S83 twee rolstenen, een van graniet en een van arkotische zandsteen (samen 461,4 g). Geen van deze stenen lijkt een functie te hebben gehad in de sporen, bijvoorbeeld om een paal te stutten. Daarvoor zijn ze te klein en is het aantal vondsten per spoor te laag. De stenen zijn waarschijnlijk bij toeval in de sporen geraakt. Plattegrond HS02 De enige vondst van natuursteen die mogelijk bij HS02 behoort komt uit vulling 1 van kuil S58; een rolsteenbrok van kwartsitische zandsteen met een gewicht van 241g. De steen lijkt intentioneel te zijn stukgeslagen, al zijn geen eenduidige afslagnegatieven herkend. Hooimijt HM02 Uit paalkuil S139 komt een klein rolsteentje van fijne zandsteen met een gewicht van slechts 9g dat wel een natuurlijke oorsprong zal hebben. Kuil KL01 In vulling 3 van kuil S148 zijn liefst 78 vondsten van natuursteen gedaan, met een totaal gewicht van 21181,2g.

Hieronder zijn 54 onbewerkte rolstenen, waarvan 23 van vulkanische gesteenten zijn; diabaas (1), dioriet (1), gabbro (4), graniet (16) en porfier (1). Sedimentaire gesteenten zijn eveneens 23 keer aanwezig, in alle gevallen zandsteen. Vier rolstenen van gneis en twee van schist vormen de metamorfe gesteenten, daarnaast zijn twee rolstenen van gangkwarts. Rolsteenbrokken zijn 24 keer aanwezig. Hiervan zijn er slechts vier van vulkanische gesteenten, drie van graniet en één van gabbro. Twaalf rolsteenbrokken zijn van zandsteen, waaronder één van kwartsitische zandsteen met een vaag afslagnegatief dat niet intentioneel lijkt te zijn. Acht rolsteenbrokken zijn van metamorfe gesteenten, vijf van gneis en drie van kwartsiet. Van de 23 rolsteenbrokken vertonen er 15 duidelijke tekenen van verhitting; Alle twaalf de brokken van zandsteen, een van graniet, een van gabbro en een van kwartsiet. Ook drie rolstenen, van diabaas, porfier en schist ,vertonen tekenen van verhitting. Het zijn dus vooral zandstenen die tekenen van verhitting vertonen. De verhitte stenen zijn wellicht gebruikt in een haard, maar in de kuil hadden ze mogelijk een andere functie. Deze kuil is waarschijnlijk als waterkuil gebruikt, waarbij de stenen zijn gedumpt bij dichtgooien. Kuil KL02 De enige vondst van natuursteen uit kuil S239 komt uit vulling 1: een gebroken rolsteen van arkose, met een gewicht van 228,9g.

Kuil KL03 Uit vulling 4 van S234 komen twee kleine rolsteentjes met een totaal gewicht van 64,7g. Een is van graniet en een van zandsteen. Kuil KL04 In kuil S232 zijn negen vondsten van natuursteen gedaan, met een totaal gewicht van 1070,1g. Hiervan komen er acht uit vulling 2; twee kleine rolsteentjes van zandsteen en graniet met een gezamenlijk gewicht van 57,3g en zes rolsteenbrokken die samen 897,6g wegen. Van de rolsteenbrokken zijn er vier van zandsteen, één is van graniet en één is van gneis. Een van de rolsteenbrokken van zandsteen heeft morfologische overeenkomsten met een afslag, maar omdat een duidelijk inslagpunt ontbreekt is dit verre van zeker. Geen van de rolstenen of rolsteenbrokken vertoont tekenen van verhitting. Uit vulling 3 komt een rolsteen van zandsteen met een gewicht van 74g.

31

Conclusie Alhoewel het onderzoek 99 vondsten van natuursteen heeft opgeleverd is de informatie die hier uit kan worden gehaald maar zeer beperkt. Onder de vondsten zijn geen werktuigen of fragmenten daarvan, van de twee stuks mogelijk bewerkingsafval is het zeer discutabel of deze intentioneel tot stand zijn gekomen. Het grootste deel van de assemblage bestaat uit rolstenen en rolsteenbrokken. De stenen zijn gezien de samenstelling van de steensoorten waarschijnlijk verzameld uit moreneafzettingen, die op de Veluwe en de omgeving daarvan op verschillende plaatsen dagzomen. In vijf paalkuilen van huisplattegrond HS01 zijn natuursteenvondsten gedaan, maar omdat hieronder geen werktuigen zijn en het totale aantal- en gewicht van de stenen te klein is om een stuttende functie te hebben kan er van worden uitgegaan dat deze vondsten bij toeval in de sporen zijn geraakt. Hetzelfde geld voor de paar vondsten die zijn gedaan in kuil S58 binnen de plattegrond van HS02, paalkuil S139 die mogelijk tot hooimijt HM02 behoorde en de vondsten uit kuilen KL02, -03 en -04. In kuil KL01 zijn maar liefst 78 vondsten van natuursteen gedaan die allemaal uit één vulling komen, vulling 3. Deze kuil is als mogelijke waterkuil geïnterpreteerd. Mogelijk dienden de stenen als filter op de bodem, om opwervelend zand tegen te gaan.

Onder de stenen uit deze kuil is echter ook een behoorlijk aantal door verhitting verkleurde en gebarsten stenen die in een haard dienst lijken te hebben gedaan. Het zou daarom ook om een dump van haardafval kunnen gaan. Beide interpretaties hoeven elkaar niet uit te sluiten, het kan ook zijn dat de stenen van een afgedankte haard een tweede leven als waterfilter hebben gekregen. 3.3.4

14C onderzoek

(W. Jezeer) Van de 15 monsters die zijn genomen voor 14C-analyse, zijn slechts twee monsters geschikt gebleken voor analyse. Beide monsters zijn afkomstig uit paalsporen van HS01: vondstnummer 19 uit S89 en vondstnummer 21 uit S90 (afb. 20).

Afb. 20. Gedateerde 14C-monsters uit paalsporen van HS01.

32

De datering van beide monsters komt vrijwel gelijk uit tussen 1035 en 1214 na Chr., wat een sterke onderbouwing is van de datering van HS01 in de 11e t/m 12e eeuw die op basis van het aardewerk al was gesteld (tabel 4). Tabel 4. Resultaten 14C-analyse Vnr

NUNT-2219 NUNT-2221

Context

Labcode

Paalkuil S89

Poz-164444

Paalkuil S90

Gedateerd materiaal

Ongekalibreerd e ouderdom 14 C jr BP

Poaceae stengel 2 920 ± 30 frgm (v) cf. Corylus avellana v Poz-164446 910 ± 30 1 frgm (v)

33

Gekalibreerde ouderdom cal jr. na Chr. (95,4% nauwkeurig) 1035-1210 1040-1214

4

Synthese (W. Jezeer)

4.1

Algemeen

Tijdens de definitieve opgraving aan de Weversweg zijn de resten van een middeleeuws erf aangetroffen, bestaande uit twee gebouwen, waarschijnlijk bijgebouwen, twee roedenbergen/hooimijten en enkele grote water-/afvalkuilen. De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen derhalve op basis van het huidige onderzoek worden bevestigd. De datering van het erf ligt op basis van het aardewerk echter in de 11e t/m 12e eeuw en niet, zoals gedacht op basis van het proefsleuvenonderzoek, in de 12e tot 13e eeuw. 14C-datering van twee van de paalkuilen van gebouw HS01 kwam uit op 1035 – 1214 na Chr. Er liggen meerdere greppels rond de erfsporen, maar onduidelijk is of deze greppels samenhangen met het erf. Gezien hun afwijkende oriëntatie, oversnijding en het erin aangetroffen aardewerk lijkt het erop dat de greppels van later datum zijn, toen het erf reeds verdwenen of verplaatst was. De hoofdgebouwen uit de Vroege en Volle Middeleeuwen die uit de regio bekend zijn (met als meest recente voorbeeld Putten-Rimpeler), hebben over het algemeen buitenstaanders of kubbingen (zijbeuken) en zijn bovendien vrij breed, namelijk tussen ca. 6 m en 9 m.

Op basis van het ontbreken van buitenstaanders en/of kubbingen en de relatief smalle breedte van HS01 en HS02 (respectievelijk 6,5 m en 6 m) lijkt het erop dat we hier te maken hebben met schuren, eerder dan met hoofdgebouwen. Er lijkt voor deze periode echter wel sprake te zijn van schuren die schuin op het hoofdgebouw zijn georiënteerd en een waterput bij elk hoofdgebouw. 24 De begrenzing van het erf is binnen de opgraving lijkt dus niet te zijn bereikt en het is aannemelijk dat het erf nog doorloopt in oostelijke richting. De aanname is dat in deze periode het hoofdgebouw centraal op het erf ligt, met ernaast een waterput en een of meerdere bijgebouwen/schuren. Het lijkt daarom zeker te zijn dat het erf aan de Weversweg niet compleet is opgegraven, maar welke elementen nu precies wel zijn opgegraven is niet volledig duidelijk. De gebouwtypologieën die beschikbaar zijn geven veel ruimte voor interpretatie en er zijn geen vaste waardes voor een typering als schuur/bijgebouw of als hoofdgebouw. Het ontbreken van een waterput binnen de opgraving is opvallend voor een erf met een datering in de 11e t/m 12e eeuw en daarmee een aanwijzing dat het erf groter was dan nu is waargenomen. Ik zou zelf zeggen dat we twee bijgebouwen hebben opgegraven. Dit is gebaseerd op het feit dan geen van beide gebouwen buitenstaanders hebben en ze allebei relatief klein/smal zijn.

Het vondstmateriaal is samengesteld zoals te verwachten is bij een dergelijk erf. Relatief weinig aardewerk dat voornamelijk bestaat uit handgevormde kogelpot voor het dagelijks gebruik. Slechts enkele fragmenten aardewerk wijzen op het gebruik van mooier, geïmporteerd tafelwaar. Opvallend is vooral de Karolingische kraal uit een van de grote (afval)kuilen op het erf. Een dergelijke vondst brengt ons dichter bij de belevingswereld van de mensen die deze kraal mogelijk generaties lang bewaarden of, evengoed mogelijk, opraapten in de omgeving van het erf.

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het onderzoek. Bodemopbouw en landschap 1. Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten) De bodemopbouw is binnen het hele onderzochte gebied gelijk en bestaat uit een dun plaggendek (ca. 30 cm dik) op dekzand (de C-horizont). Op de meeste plaatsen is er sprake van een eveneens dunne bioturbatielaag in de top van de C-horizont. Er is geen sprake van oude(re) plaggendekken of ploeglagen. Het sporenvlak (top C-horizont) ligt op ca. 50 - 60 cm onder maaiveld (ca. 5,4 m +NAP aan de noordzijde en op ca. 5,6 m +NAP aan de zuidzijde van de opgraving). Het maaiveld

24 Norde 2022, 136-137.

34

ligt op ca. 6 m +NAP aan de noordzijde en ca. 6,2 m +NAP aan de zuidzijde van het opgravingsareaal. 2.

Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? Er is uiteindelijk slechts één archeologische periode onderscheiden, namelijk een volmiddeleeuwse. Er is sprake van aftopping van het oude maaiveld, maar op basis van de onderzoeksresultaten kan niet worden bepaald wat het niveau van het maaiveld was. 3.

Welke hydromorfe kenmerken zijn in het profiel aanwezig (sporen van oxidatie en reductie) en op welke diepte(n)? Er is geen sprake van hydromorfe kenmerken in de profielen. Deze vraag is in het kader van dit onderzoek niet relevant en kan niet worden beantwoord op basis van de onderzoeksresultaten. Een dergelijk onderscheid kan wel worden gemaakt (en is ook relevant) in het rivierengebied, maar doet op de zandgronden niet terzake. 4. Welke lagen/bodemhorizonten zijn kalkrijk, kalkarm of kalkloos? Deze vraag is in het kader van dit onderzoek niet relevant en kan niet worden beantwoord op basis van de onderzoeksresultaten. Een dergelijk onderscheid kan wel worden gemaakt (en is ook relevant) in het rivierengebied, maar doet op de zandgronden niet terzake. 5. Wat is de grondwaterstand en de grondwatertrap ter plaatse? De grondwatertrap binnen het plangebied is VII (hoogste grondwaterstand op 80 cm -Mv of dieper). Tijdens het onderzoek is het grondwater niet bereikt en derhalve is onbekend wat de grondwaterstand op dat moment was. 6. Welke lagen/bodemhorizonten bevatten organische resten (plantenresten, dierresten)? Geen van de bodemhorizonten bevatte organische resten. Op de zandgronden komen deze resten enkel voor in zeer diepe contexten, zoals waterputten, die tot in het bodemwater reiken.

Deze vraag is met name relevant in het rivierengebied, waar vaak sprake is van een gestapeld en nat landschap. 7.

In het kader van waardestellend onderzoek: zijn er, gelet op de lokale lithologie, bodems en hydrologie, onverbrande en dierlijke en plantaardige resten: a. Te verwachten? De verwachting voor deze resten is zeer laag in de zandige, droge en zuurstofrijke bodem. b. Zo ja, in welke context(en)? Mogelijk zijn onverbrande en dierlijke en plantaardige resten nog aanwezig in zeer diepe contexten. Hierbij kan enkel worden gedacht aan waterputten die tot in het grondwater reiken. 8.

Zijn er: a. b. c. d.

Sedimentatiefases te onderscheiden in het profiel? Wat zijn de onderscheidende kenmerken daarvan? Wat is de geschatte datering? Heeft tussen de onderscheiden fases van sedimentatie bodemvorming plaatsgevonden? 9. Is er sprake van processen van bodemvorming, erosie, laterale verplaatsing, afdekking? 10. Is er sprake van processen van vernatting (gley, veenvorming) en/of verdroging (eventueel verstuiving)? Bovenstaande vragen (8 t/m 10) hebben betrekking op bodems in het rivierengebied en zijn in het kader van onderhavig onderzoek niet relevant. 11. In welke mate en waar is de bodem in het plangebied verstoord? Verstoring is beperkt binnen het plangebied. Enige verstoring betreft bandensporen en enkele vergravingen in het centrale deel van de opgraving. Deze verstoringen hangen samen met de graafwerkzaamheden tijdens de aanleg van de proefsleuf van het vooronderzoek. Sporen en structuren

35

12. Is er sprake van loopvlakken, ophogingslagen of cultuurlagen? Er is geen sprake van loopvlakken, ophogingslagen of cultuurlagen. 13. Welke archeologische lagen zijn in het profiel te onderscheiden en wat is de diepte, dikte, textuur en vulling? In het profiel is enkel een relatief dun plaggendek te onderscheiden, dat op de C-horizont ligt. De dikte van dit plaggendek is ca. 30 cm en het wordt afgedekt door een bouwvoor van ca. 20 tot 30 cm dik. Het plaggendek is grijs/donkerbruin en licht humeus. De top van de C-horizont is gebioturbeerd en bestaat uit een zgn. ‘mollenlaag’ van ca. 10 cm dik. 14. Welke sporen zijn te onderscheiden en wat is de vorm, diepte, lengte, breedte, textuur, kleur, vulling? Aangetroffen sporen zijn paalsporen (n=168), greppels (n=15), kuilen (n=16), een standgreppel en natuurlijke sporen (n=128). In totaal betreft het 328 sporen. De vorm, diepte, lengte, breedte, textuur, kleur en vulling verschilt uiteraard per spoor. In hoofstuk 3.2 (sporen en structuren) zijn de sporen toebehorend aan structuren reeds besproken. Voor de overige sporen wordt verwezen naar de database in bijlage 1 en de digitale data die na afronding en deponering van het project zijn terug te vinden in het Provinciaal Depot en op DANS. 15.

Hoe is de horizontale en verticale spreiding van sporen en wat is hun samenhang? Op het dekzand is over het algemeen geen sprake van verticale spreiding van sporen, dat is meer iets voor het gestapelde landschap in het rivierengebied. Afgezien van het zuidelijke deel van de opgraving, waar voornamelijk twee greppels lopen, zijn de sporen verspreid over het volledige opgravingsareaal. Het zwaartepunt ligt ter hoogte van de twee gebouwen HS01 en HS02. Op basis van de spoorspreiding lijkt het erop dat het aanwezige erf doorloopt in noordelijke en oostelijke richting. 16. In welke mate zijn: a. Lagen en sporen op vlakken te koppelen aan lagen in de profielen? b. Wat zijn de ingravingsniveaus? Deze vragen zijn niet relevant voor een dekzandopgraving. Ale sporen liggen in de top van de Chorizont en zijn vanaf daar ingegraven. Er is geen sprake van meerdere vlakken of verschillende bodemlagen. 17. Hoe is: a. De stratigrafie in antropogene zin? b. Zijn er meerdere sporenniveaus aanwezig, m.a.w. moeten er meerdere vlakken op verschillende dieptes worden aangelegd en gedocumenteerd om alle periodes inzichtelijk te krijgen? c. Zo ja, op welke diepte bevinden zich deze niveaus en welke periodes zitten op welke niveaus? Zie antwoord op vraag 16. 18. Zijn begrenzingen van het sporencomplex vast te stellen? Er zijn geen begrenzingen vastgesteld van het sporencomplex.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13914593/1