CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 12. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Van Marleplantsoen

Raadsvergadering 28 november 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Ontwerp Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) Van Marleplantsoen.12.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

•

scholen;

24

• •

kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de oprichting van 86 woningen in de kern van Nunspeet. De beoogde ontwikkeling is aan te merken als een project dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Doordat dit gezien wordt als een NIBM-project is toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Wel is ten behoeve van 'een goede ruimtelijke ordening', met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.

Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2021 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 14,89 μg/m³, 8,15 μg/m³ en 9,29 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Conclusie Er kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, 2022-0844, d.d. 9 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies beschouwd. Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: gierzwaluw, huismus en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd

25

zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Op basis van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming is nader onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, 2022-1011, d.d. 25 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies beschouwd. Huismus In de periode april en mei 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn geen huismusnesten aangetroffen binnen het plangebied. De drie aangetroffen nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. Wel maakt het plangebied (in beperkte mate onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Er hoeft ten aanzien van huismus geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de bebouwing op de planlocatie gesloopt kan worden. Gierzwaluw In de maanden mei, juni en juli 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de gierzwaluw.

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van gierzwaluw aanwezig zijn. Hierbij zijn geen gierzwaluwnesten aangetroffen binnen het plangebied. De zes aangetroffen nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Er hoeft ten aanzien van gierzwaluw geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de bebouwing op de planlocatie gesloopt kan worden. Vleermuizen In mei t/m september is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn vier verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bebouwing in het plangebied (Secretaris Mulderweg 14 en Secretaris van Marleplantsoen 36) een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. De aangetroffen zomerverblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen twee verblijfplaatsen).

Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de woningen met vleermuisverblijfplaatsen gesloopt kunnen worden. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er is één nest van de groenling aangetroffen, welke zal worden weggenomen. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Voor de uitvoering van de ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Conform de relevante wetteksten en Kennisdocumenten wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag. 1. 2.

De activiteit is nodig met een wettelijk belang (Wnb, art. 3.8, lid 5b); Voor de activiteit is geen alternatieve bevredigende oplossing (Wnb, art. 3.8, lid 5a);

26

3. 4.

De staat van instandhouding van de soort blijft gewaarborgd (Wnb, art. 3.8, lid 5c); Bepaal compensatie en mitigatie (Wnb, art. 3.8, lid 5c).

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Als gevolg van de aanwezigheid van deze soorten kunnen werkzaamheden in het plangebied pas uitgevoerd worden nadat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend is. Deze ontheffing is nodig voor werkzaamheden die invloed hebben op de gewone dwergvleermuis. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Veluwe' ligt op een afstand van ca. 825 m. Gelet op de aard en omvang van het beoogde initiatief en de ruime afstand tot de omliggende beschermde gebieden, kan gesteld worden dat de ontwikkeling op deze gebieden geen invloed heeft. Voor functies waardoor de depositie van stikstofverbindingen toeneemt is een berekening noodzakelijk van de effecten. Vanwege de grote afstand tussen Natura 2000-gebieden en de planlocatie, en de aard van de werkzaamheden kan een effect van andere oorzaken, zoals geluid, licht of grondwaterstromen, op voorhand worden uitgesloten. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een stikstofonderzoek (Buro SRO, SR230079, d.d. 15 mei 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) uitgevoerd.

Uit de AERIUSberekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan onder de voorwaarden zoals genoemd in deze paragraaf. De in deze paragraaf genoemde ontheffing van de Wet natuurbescherming dient verleend te worden voordat de werkzaamheden uitgevoerd mogen worden.

4.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

27

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.8.2 Beleid Waterschap Vallei en Veluwe Blauwe Omgevingsvisie 2050 De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:

• • •

Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. Partnerschap als watermark.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en boven- en ondergrond. Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema’s en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma’s. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico’s (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.

•

Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.

•

Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.

28

•

Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

•

Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.

•

Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.

Keur en beleidsregels 2013 De 'Keur en beleidsregels' maken het mogelijk dat het waterschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheer kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

• • •

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); Andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. De gebods- en verbodsbepalingen in de Keur zijn algemeen van aard. Via algemene regels en beleidsregels zijn deze verder uitgewerkt. 4.8.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Planspecifiek Er wordt vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's navolgend beschouwd.

Watercompensatie Het Waterschap Vallei en Veluwe schrijft voor dat een toename van meer dan 1.500 m² aan verharding binnen de bebouwde kom gecompenseerd dient te worden. Echter, de gemeente Nunspeet hanteert haar eigen beleid met betrekking tot deze kwestie. Ongeacht de toename van verhard oppervlak streeft de gemeente naar een inrichting waarbij 60 mm waterberging voor elke vierkante meter verhard oppervlak wordt gegarandeerd. Met deze eis werkt de gemeente toe naar een klimaatbestendige (her)inrichting van de kernen met genoeg ruimte voor berging en infiltratie van (hemel)water. De onderstaande tabel geeft de verhardingsbalans van de toekomstige situatie weer. Toekomstige situatie Bebouwing Groen Verharding wegen en paden Half verharding parkeren (50%) Totaal

Plangebied (in m²) 2.332 4.223 2.795 478 9.828 m²

29

Toename verharding (in m²) 2.332 0 2.795 239 5.366 m²

In totaal moet er (5.366 m² * 0,06) 322 m³ water worden geborgen in het plangebied. Het inrichtingsplan (bijlage 7) toont dat er in het plangebied drie wadi’s worden gerealiseerd. Deze wadi’s hebben een totale oppervlakte van 446 m² en er is gerekend met een diepte van 80 cm. Binnen het plangebied kan dus 357 m³ water worden geborgen, wat resulteert in een netto waterberging van 35 m³. Het plangebied voldoet aan de gemeentelijke vereiste waterberging. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling grenst aan het plangebied de Bunterhoek, zie onderstaande afbeelding.

Plangebied (blauw omkaderd) en Bunterhoek (rood omkaderd)

30

In 2017 is voor dit plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor de Bunterhoek is vastgesteld dat de bodem zodanig geroerd was, dat archeologische waarden niet meer verwacht worden. Het plangebied kent een middelhoge archeologische verwachting. Dit wordt deels ingegeven door de bodemkundige situatie: dekzandwelvingen met cultuurdek. De meeste gebouwen in het plangebied dateren uit 1974 (BAG). Bij de bouw is de bodem fors geroerd en in navolging van het onderzoek in het aangrenzende Bunterhoek worden ook hier geen archeologische waarden meer verwacht. Op basis van de huidige bebouwing en de bij de bouw gepaard gaande bodemverstoringen worden intact archeologische waarden niet meer verwacht. Zodoende wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012). Planspecifiek Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. In het plangebied of in de omgeving zijn daarnaast geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling. Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan aan het van Marleplantsoen geen negatief effect heeft op de cultuurhistorische waarden van het gebied.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt

31

Planspecifiek Met het voorgenomen initiatief worden op de locatie 86 tijdelijke woningen toegevoegd. Dit levert extra verkeersbewegingen op. Hiervoor kan uitgegaan worden van een verkeersgeneratie conform de CROWpublicatie 381. Voor het plangebied wordt uitgegaan van 'schil centrum' en 'weinig stedelijk'.

Huur, appartement, midden/goedkoop Koop, appartement, goedkoop Koop, appartement, duur Totaal

Verkeersgeneratie 4,1 5,8 7,7

Aantal 50 10 26 86

Totaal 205 58 200,2 463,2

In de bestaande situatie zijn 4 vrijstaande woningen en 35 sociale huurwoningen aanwezig. Deze hebben een totale verkeersgeneratie van ca. 222 verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling brengt 464 (afgerond) verkeersbewegingen met zich mee. Dat houdt in dat er in de toekomstige situatie een toename is van 242 verkeersbewegingen. Volgens het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit heeft de Elburgerweg een verkeersintensiteit van 11.088 verkeersbewegingen per etmaal. Op deze weg vindt geen congestie plaats. Een toename van 242 bewegingen betekent een toename van slechts 2%. De bestaande infrastructuur is naar verwachting in staat om deze verkeersgeneratie te verwerken. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Castricum heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota parkeernormen 2014 Gemeente Nunspeet' (gepubliceerd op 21 juli 2014). Bovengenoemde CROW-kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Planspecifiek In de volgende tabel is weergegeven wat de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie is. Aangesloten wordt bij de categorie 'huur, etage, midden/goedkoop', 'koop, etage, goedkoop' en 'koop, etage, duur' van de 'Nota Parkeernormen 2014 gemeente Nunspeet'. Uitgegaan wordt van de categorie 'schil centrum' en 'weinig stedelijk'.

Huur, etage, midden/goedkoop Koop, etage, goedkoop Koop, etage, duur Totaal

Parkeernorm 1,6 1,8 2,3

Aantal 50 10 26 86

Totaal 80 18 59,8 157,8

Voor de woningen geldt een parkeerbehoefte van 157,8 parkeerplaatsen, opgesplitst in het bewoners- en het bezoekersaandeel. Conform de CROW aanwezigheidspercentages wordt de hoogste gelijktijdigheid op

32

werkdagavonden vastgesteld. Voor het bewonersaandeel wordt gerekend met een gelijktijdigheid van 90%, terwijl voor het bezoekersaandeel een gelijktijdigheid van 80% wordt gehanteerd. In onderstaande tabel wordt dit overzichtelijk weergegeven.

Wonen (bewoners) Wonen (bezoek) WZU Totaal

Parkeernorm 110,5 47,3 88

Gelijktijdigheid 90% 80% 100%

Totaal 99 38 88 225

Daarnaast zijn de 88 vergunde parkeerplaatsen ten behoeve van De Bunterhoek opgenomen in de parkeerbalans, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6. Deze parkeerplaatsen zijn geïntegreerd in het inrichtingsplan, bijlage 7. Er zijn reeds 12 parkeerplaatsen onder de boomruinen aanwezig in het uiterste noorden van het plan, welke als ‘bestaand’ zijn aangeduid. De overige 213 parkeerplaatsen zijn nieuw toegevoegd. In totaal zijn er 225 parkeerplaatsen voorzien in het plangebied. Het aspect ‘parkeren’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

33

5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Voorliggende omgevingsvergunning maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met deze buitenplanse omgevingsvergunning een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van exploitatiekosten anderszins is verzekerd (op een andere manier geregeld is) en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. Planspecifiek Initiatiefnemer en de gemeente sluiten een anterieure overeenkomst waarin de exploitatiekosten zijn verzekerd en het risico op planschade bij de initiatiefnemer wordt neergelegd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie De directe omwonenden zijn tijdens een bijeenkomst op 15 maart 2023 geïnformeerd door de initiatiefnemer. In bijlagen bij toelichting bijlage 8 zijn de verslagen van de bijeenkomst opgenomen.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14831773/1