AP 12. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Van Marleplantsoen
Tekst van het document
omgevingsvergunning
van Marleplantsoen, Nunspeet Gemeente Nunspeet
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0302.OV00112-on01
Datum:
2024-05-17
Contactpersoon Buro SRO:
mw. F.F.L. Zandstra
Kenmerk Buro SRO:
SR230079
Opdrachtgever:
Lengkeek
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleid ..................................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 18 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 19 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 20 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 21 4.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
25 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 27 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 30 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 31 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 31
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 34 5.1 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................................................... 34 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 34
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie aan het Secretaris van Marleplantsoen de bestaande woningen te slopen en hier nieuwe woningen te bouwen. Het plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan 'Nunspeet - Kom'. Voor deze ontwikkeling kan met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) van het bestemmingsplan afgeweken worden. Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan slechts worden afgegeven indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De vergunning moet dan ook voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing geeft inzicht in de bij de afweging betrokken belangen en aspecten, alsmede in hoeverre het project past in een breder ruimtelijk verband en perspectief. Behalve op het ruimtelijke aspect wordt daarbij onder meer ingegaan op de beleidskaders en de relevante milieuaspecten.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan het Secretaris van Marleplantsoen in de kern van de gemeente Nunspeet. Het plangebied is gelegen binnen de kadastrale perceelnummers 9589, 6326, 5186, 5705, 4362 en 7708, sectie B, en beslaat een totale oppervlakte van ca. 0,94 ha. De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (plangebied rood aangeduid, bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied (plangebied rood aangeduid, bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Nunspeet - Kom', vastgesteld op 24 maart 2010. Voorts geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren', vastgesteld op 29 april 2021. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Nunspeet - Kom' plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
Binnen het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Tuin' en 'Verkeer'. Het beoogde plan past niet binnen de begrenzingen van de bestemmingen en bouwvlakken. Omdat het initiatief daarmee niet past binnen het geldende bestemmingsplan, dient hiervan afgeweken te worden. Het geldende bestemmingsplan staat de bouw en het gebruik van een woning ter plaatse niet toe. Omdat het initiatief daarmee niet past binnen het geldende bestemmingsplan, dient hiervan afgeweken te worden. Omdat het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden kent en een buitenplanse afwijking op grond van de 'kruimellijst' evenmin tot de mogelijkheden behoort, is medewerking aan de afwijking slechts mogelijk op basis van een uitgebreide afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Om gebruik te kunnen maken van deze mogelijkheid is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie ligt ten noorden van het centrum van Nunspeet. Het Marleplantsoen is een verborgen plekje binnen Nunspeet. Een drietal gebouwen die als massa's in het groene landschap zijn gepositioneerd. Deze gebouwen bestaan uit één of twee lagen. De planlocatie ligt aan de Secretaris Mulderweg, dit is de enige toegangsweg tot het plangebied. Vanaf de Secretaris Mulderweg is het plantsoen nauwelijks te zien en heerst vooral een beleving van een groene straat met woningen. Het plangebied ligt tussen De Bunterhoek (WZU) en een vijftal vrijstaande woningen. In de bestaande situatie zijn er 35 woningen in de sociale huursector, waarvan twee woningen reeds in gebruik zijn als kantoorruimte voor de WZU. Daarnaast staan er 4 vrijstaande woningen aan de Secretaris Mulderweg. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit woningbouw en maatschappelijke bestemmingen, zoals een ziekenhuis, verzorgingshuis, brandweer, dierenuitvaartcentrum, etc. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de Elburgerweg. Aan de oostzijde ligt een park, met daarachter de F.A. Molijnlaan (N310). Aan de zuid- en westzijde is voornamelijk woningbouw aanwezig. Op onderstaande afbeelding is een impressie van het plangebied weergegeven.
Impressie plangebied (bron: Lengkeek)
8
2.2 Toekomstige situatie Het planvoornemen is om diverse bebouwingstypologiën en groenstructuren in het plangebied toe te passen die aansluiten op de omgeving. Binnen het plangebied worden drie gebouwen gerealiseerd; twee losse parkvilla's en één geschakeerde golvende bouwmassa. De villa's komen langs de Secretaris Mulderweg te liggen en het derde gebouw komt aan de zijde van de Elburgerweg te liggen. Dit gebouw heeft een langere vorm, waardoor een groene binnenruimte ontstaat die aansluit op de tuinen van De Bunterhoek. De twee gebouwen aan de Secretaris Mulderweg worden twee- en drielaags uitgevoerd. Het merendeel van de appartementen in deze gebouwen zijn 70-90 m². Het derde gebouw vormt een begrenzing voor het park. In harmonie met de Bunterhoek gaat het in dit gebouw om de golvende lengte in het park. Ook hiervoor zal de hoogte wat gebroken moeten worden, echter is het goed mogelijk om een accent te brengen aan het centrale deel van het nieuwe Marleplantsoen. Het aantal sociale huurwoningen is in dit gebouw hoger dan in de andere gebouwen. In totaal worden er 86 woningen gerealiseerd:
• • • •
34 sociale huurwoningen 16 midden huurwoningen 10 goedkope koopwoningen 26 hoge koopwoningen
Het parkeren wordt grotendeels mogelijk gemaakt aan de zijde van de Elburgerweg, zodat er in het hart van het gebied meer ruimte is voor een groene invulling. Op de navolgende afbeelding is de toekomstige situatie weergegeven.
Toekomstige situatie volledig plan Marleplantsoen, plangebied rood omkaderd (bron: Lengkeek)
9
3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het project is de NOVI niet specifiek van belang. Desalniettemin draagt deze ontwikkeling bij aan een aantal nationale belangen. Allereerst wordt met het initiatief de woningvoorraad vergroot die aansluit op de woonbehoeften; er is namelijk een woningtekort. Daarnaast zal de leefomgevingskwaliteit aanzienlijk verbeterd worden door de nieuwe, groene invulling van de openbare ruimte. Ook zal de toegankelijkheid van de leefomgeving van het plangebied gewaarborgd blijven. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De ontwikkeling van dit bestemmingsplan valt niet binnen één van de projecten of onderwerpen die zijn aangewezen in het Barro. Er zijn vanuit het Barro geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
10
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 woningen. Omdat voorliggend plan de ontwikkeling van 86 woningen mogelijk maakt, dienen de ‘treden’ van de ladder doorlopen te worden. Behoefte Er is een tekort aan woningen in Nunspeet en de behoefte aan woningen neemt de afgelopen jaren alleen maar toe. Volgens het regionale woningmarktonderzoek Noord - Veluwe blijkft dat er een behoefte is aan 885 - 1195 woningen tot 2030. Ook na 2030 wordt nog een toename van het aantal huishoudens verwacht. Tussen 2030 en 2040 wordt nog een groei op de Noord - Veluwe voorzien van 5.000 huishoudens. De verwachting is dat van deze groei 13% (650 woningen) in Nunspeet terecht komt. In de regionale Woondeal Noord-Veluwe is voor de gemeente Nunspeet tot en met 2030 een aandeel van 1.380 te realiseren woningen opgenomen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte, er worden namelijk 47 woningen toegevoegd.
Bestaand stedelijk gebied De beoogde ontwikkeling van 86 woningen vindt plaats ten noorden van het centrum van Nunspeet. Volgens artikel 1.1,1, eerste lid, onder h van het Bro is bestaand stedelijk gebied ‘het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.’ Uitgaande van deze definitie kunnen de gronden in het plangebied aangemerkt worden als bestaand stedelijk gebied. De locatie is geschikt om de woningbehoefte op te vangen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van
11
zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: a. b. c. d. e. f. g.
Energietransitie: van fossiel naar duurzaam Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer Circulaire economie: sluiten van kringlopen Biodiversiteit: werken met de natuur Bereikbaarheid: duurzaam verbonden Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam
Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de ambitie voor biodiversiteit (d) en woon- en leefomgeving (g) van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Daarbij zijn de volgende ambities opgesteld: a.
b. c.
d. e.
In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.
In de toekomstige situatie krijgt het plangebied een groenere invulling en zal aansluiten op het karakter van de omgeving. De bebouwing wordt gerealiseerd aan de buitenkanten van het plangebied, zodat de nadruk in het hart van het plangebied op de natuurinclusieve uitstraling gaat. Dit wordt ingevuld met onder andere bomen, groene paden en wadi's. Met de beoogde ontwikkeling wordt duurzame woningbouw toegepast. De beoogde woningen worden aardgasloos aangelegd. Daarnaast krijgen de woningen een maat, schaal en uitstraling die passen in de omgeving van Nunspeet. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen de ambities van de provincie wat betreft woningbouw. Eén van de ambities van de provincie is dat er bij ontwikkelingen aandacht geschonken wordt aan klimaatadaptatie. Bij voorliggend plan wordt er voorzien in een verbetering van het groen in het plangebied. Dit heeft een positieve invloed op de waterhuishouding en de hitte in het plangebied. Gelderse ladder voor duurzaam gebruik Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd.
Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Een goede afweging volgens de ladder vraagt om kennis van de bestaande voorraad. Gekoppeld daaraan zijn er vragen over de opgaven en kwaliteiten in een gebied:
• •
Past de ontwikkeling bij de doelen in Gelderland? Zo ja: Hoe voegt de ontwikkeling extra kwaliteit toe aan een gebied?
12
Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Elke ruimtelijke ontwikkeling die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren. De Gelderse ladder is opgenomen in de Omgevingsvisie en biedt een aanvulling op de rijksladder. Eén van de aanvullende speerpunten betreft het prioriteren van hergebruik, transformatie en revitalisering van de bestaande voorraad aan gebouwen boven het benutten van nog open plekken in stedelijk gebied. Ten aanzien van de Rijksladder geeft de provincie Gelderland met haar Gelderse ladder extra richting op het gebied van duurzaam ruimtegebruik. Daarbij vraagt de provincie om extra aandacht voor het toevoegen van kwaliteit aan de leefomgeving. De provincie acht het van belang dat er een goede match ontstaat tussen de kwaliteiten van het ruimtelijk initiatief en de kwaliteiten van de locatie en het omliggende gebied. De beoogde ontwikkeling past functioneel en in verschijningsvorm binnen de kenmerken en karakteristieken van de directe omgeving. Het plan ziet op versterking van de ruimtelijke kwaliteiten. Hiermee is de ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig oogpunt zeer passend en gewenst.
Daarmee wordt gesteld dat onderhavige ontwikkeling past binnen de doeleinden van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik en het toevoegen van extra kwaliteit aan het gebied. Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan in overeenstemming is met het provinciale beleid. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland december 2022. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er één van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Planspecifiek Het plangebied is opgenomen in de volgende kaarten van de Omgevingsverordening:
• •
Glastuinbouw (Kaart 2) Intrekgebied (Kaart 9)
Glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied (art. 2.17) De omgevingsverordening bevat een regeling voor het eenmalig toestaan van een uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Een bestemmingsplan kan, gerekend vanaf 29 juni 2015, eenmalig een dergelijke uitbreiding tot vijf hectare toelaten, als in de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten. Onderhavig planvoornemen heeft geen betrekking op een glastuinbouwbedrijf. Uit de Omgevingsverordening volgen op dit gebied geen regels die relevant zijn voor het planvoornemen.
13
Intrekgebied (art. 2.38) De provincie streeft er naar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een bestemmingsplan ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Onderhavig planvoornemen betreft een bestemmingswijziging en voorziet niet in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Nunspeet In de Omgevingsvisie (vastgesteld in november 2018) kijkt de gemeente vooruit in de periode tot 2030. De koers van de Omgevingsvisie is niet nieuw; doelstelling blijft het bouwen aan een krachtige en vitale gemeente waar het goed wonen, werken en recreëren is. Er zijn zes speerpunten benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Versterken sociaal-economische positionering Een duurzame ontwikkeling van het (agrarisch) buitengebied Een vitale toeristisch-recreatieve sector bereiken Ruimtelijk inpassen van duurzame energieopwekking Ontwikkeling stationsomgeving als levendig knooppunt in Nunspeet Gebiedsgericht milieu- en gezondheidsbeleid initiëren en accommoderen Behouden en versterken van de rijke cultuurhistorie van Nunspeet
Op basis van landschappelijke kenmerken en nederzettingspatronen zijn vier deelgebieden onderscheiden. Welke ontwikkelingen waar in welke vorm mogelijk zijn is afhankelijk van het gebied waarbinnen een ontwikkeling gedacht is. Een ontwikkeling moet de identiteit en kracht van een gebied ondersteunen. Gemengd kleinschalig gebied Het plangebied ligt in het 'Gemengd kleinschalig overgangsgebied'. Dit deelgebied ligt globaal in een strook tussen het grootschalig open landschap en het Centraal Veluws Natuurgebied. Uitgangspunt voor dit deelgebied is het behoud van de karakteristieke afwisseling en voorkomen van vermindering van de ruimtelijke kwaliteit door bijvoorbeeld leegstand. Verdichting is mogelijk op plaatsen waar geen bebouwing aanwezig is. Er is ruimte voor verbreding van agrarische bedrijven, bedoeld om het karakter en de functionele diversiteit te behouden. Gezien de brede functionaliteit van het gebied zijn er veel mogelijkheden, uiteraard passend binnen de kaders van omgevingsaspecten en zonder andere functies te hinderen in hun voortbestaan. Gedacht kan worden aan woon-zorg-initiatieven (zorgboerderij), toeristischrecreatieve initiatieven, kleinschalige bedrijvigheid, coöperatieve initiatieven.
Belangrijk is dat het kleinschalige initiatieven zijn en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing, duurzaamheid, ecologisch verantwoord ondernemen en energieneutraliteit. Uitgangspunten kwaliteit:
• • • • • • •
Behoud van het open landschap en agrarische karakter. Versterking van natuurwaarden en bekenstructuur in het veenweidegebied. Behoud van doorzichten naar de bosrand en naar het grootschalige open landschap. Versterken van de landschapsstructuur; houtwallen in het coulissenlandschap en de open enken. Nieuwe ontwikkeling zorgvuldig inpassen in de bosrand en het kampenlandschap. Bosrand bestaande uit loofhout behouden en versterken. Behoud van klein dorpse karakteristiek Hulshorst.
14
Planspecifiek De ontwikkeling van nieuwe woningen op deze locatie past goed in het scala van functies die in het deelgebied 'Gemengd kleinschalig overgangsgebied' mogelijk zijn. Het plan draagt bij aan het behoud van de karakteristieke afwisseling en zorgt voor een groene doorgang van het Belvaderebos/Veluwe naar Lage Bijssel/Veluwemeer. Binnen het plangebied staat groen centraal. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de omgevingsvisie van Nunspeet. 3.3.2 Woonvisie gemeente Nunspeet Op 20 februari 2020 is de visie 'Goed Wonen in de Gemeente Nunspeet' vastgesteld, deze woonvisie geldt voor de periode 2020-2025. Wat betreft 'wonen' gaat het goed in Nunspeet. De woningbouwproductie neemt toe en de laatste jaren kent de gemeente een positief verhuissaldo, oftewel er komen meer mensen wonen in de gemeente dan dat er vertrekken. De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de vestiging van jonge gezinnen uit de grotere steden. Jongeren, eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen vertrekken juist naar de grotere steden. De afgelopen jaren heeft de gemeente de woningproductie fors verhoogd, ondanks dat is er nog steeds sprake van druk op de woningmarkt. Het aantal huishoudens neemt toe en er is sprake van een inhaalvraag, als gevolg van de huidige krapte in de markt.
Naast de natuurlijke groei van het aantal huishoudens, komt daarbovenop nog het woningtekort van starters en spoedzoekers. De groei van het aantal huishoudens tot 2025 zorgt voor een uitbreiding van het aantal woningen met ongeveer 670 en wanneer verder wordt gekeken naar 2030 dan komt de uitbreiding in totaal uit op 950 woningen. Planspecifiek Met voorliggend plan worden 47 nieuwe woningen gerealiseerd. Het initiatief draagt daarmee op bescheiden schaal bij aan de woningbehoefte in de gemeente Nunspeet. Het plan past hiermee binnen de Woonvisie. 3.3.3 Beleidsregel Woningbouw op Maat In de Woonvisie is opgenomen dat nieuwbouw noodzakelijk is om tot een passend woningaanbod te komen voor een divers aantal mensen. Tegelijkertijd tonen de prognoses dat op de middellange termijn rekening moet worden gehouden met de terugloop van het aantal huishoudens. Om aan deze ontwikkelingen de juiste sturing te geven, is in de woonvisie het 'strategisch programmeren' geïntroduceerd. Met de provincie Gelderland zijn afspraken gemaakt om de volgende drie maatregelen te nemen: a. b. c.
Temporisering/fasering Molenbeek Herprogrammering niet benutte locaties Sturen op invulling nieuwe woningbouwinitiatieven.
Het doel van het vervolgdocument van de Woonvisie, de Beleidsregel Woningbouw op Maat, is om een strategische aanpak en afwegingskader te ontwikkelen waarmee de gemeente gerichter sturing kan geven aan nieuwe initiatieven voor woningbouw in de gemeente. In de visie staat beschreven waar de gemeente de komende jaren met woningbouw op wil in zetten, hoe zij dit wil bereiken en aan welke criteria de nieuwe initiatieven worden getoetst. Om tot een goed afgestemde woningmarkt te komen, geeft de gemeente de markt veel ruimte. Voor het toetsen van nieuwe initiatieven heeft de gemeente een afwegingskader opgesteld, bestaande uit zeven uitgangspunten: 1. 2. 3. 4.
Het benutten van inbreidingslocaties heeft de prioriteit; Bij inbreidingslocaties inzetten op verbetering ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; Innovatie en maatwerk op individuele locaties in buitengebied Geen mogelijkheden voor nieuwe uitbreidingslocaties
15
5. 6. 7.
Het plan past binnen de beschikbare gemeentelijke kwantitatieve woningbouwcapaciteiten tot en met 2024; Doelgroepen / woningtypen passen binnen de behoefte van de woonvisie; Inzetten op kleinschalige locaties, organische groei en flexibele concepten.
Planspecifiek De gemeente is door de initiatiefnemer op de hoogte gebracht van de bouwplannen. Deze plannen zijn door de gemeente getoetst aan het in de beleidsregel neergelegde beoordelingskader en afgezet tegen de overige initiatieven. Het college heeft besloten om dit initiatief op te nemen op de lijst 'Dynamisch programma woningbouw 2023/2024'. Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan in lijn is met de beleidsregel van de gemeente.
16
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat 86 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
17
b.
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken en de plaats van het project worden in toelichting hoofdstuk 1 en toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Gezien de omvang van het project, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. De potentiële effecten hebben met name betrekking op verkeer en de effecten als gevolg daarvan. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen gevoelige en kwetsbare gebieden. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r.(-beoordeling) nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat er geen m.e.r. opgesteld hoeft te worden. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt de grond geroerd. Derhalve is een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 20 december 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.
18
De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht is niet bevestigd. Er zijn in grond en grondwater lichte verhogingen aangetoond aan enkele zware metalen, PAK en/of PCB. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen ons inziens geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning. De afgifte van de omgevingsvergunning blijft echter een beleidsmatige afweging van de gemeente zelf. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden onder andere woningen gerealiseerd. Woningen zijn in het kader van de Wet geluidhinder geluidgevoelig. Derhalve dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Wegverkeerslawaai De planlocatie ligt binnen de onderzoekszone van de Elburgerweg en de F.A. Molijnlaan (N230), waarmee een akoestisch onderzoek wegverkeer vereist is. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (AdviesBuro VanderBoom, d.d. 11 december 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. De Secretaris Mulderweg, de Secretaris Boerhoutweg, de Dokter van Loonweg en de Laan zijn 30 km/uur wegen. Deze wegen zijn niet gezoneerd. In het kader van goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting ten gevolge van deze wegen bepaald. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Secretaris Mulderweg bedraagt ten hoogste 49 dB inclusief aftrek op één gevel.
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de overige gevels niet overschreden. De geluidsbelasting voor alle 30 km wegen samen bedraagt ten hoogste 31 dB inclusief aftrek.
19
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Elburgerweg bedraagt ten hoogste 56 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt voldaan. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Om het planvoornemen mogelijk te maken zal een hogere waarde moeten worden aangevraagd bij de gemeente van 56 dB Lden voor het wegverkeer. Spoorweglawaai De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op een afstand van meer dan 1,1 km ten zuiden van het plangebied. Daarmee bevindt de planlocatie zich niet binnen een geluidzone van het spoor. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de onderzoekszone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel is er ten noorden van het plangebied een paardenhouderij aanwezig. In toelichting paragraaf 4.4 wordt in het kader van milieuzonering nader ingegaan op de omliggende bedrijven. Conclusie De bepalingen van de Wet geluidhinder vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Wel dient een hogere waardenprocedure te worden doorlopen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorgenomen initiatief betreft de oprichting van 86 woningen. Wonen is een gevoelige functie, waardoor beoordeeld dient te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woonen leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg.
20
Het plangebied is gelegen in de kern van Nunspeet. In de omgeving van het plangebied zijn woningen, maatschappelijke, gemengde en dienstverlenende bestemmingen aanwezig. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat een gebied met een matige tot sterke functiemenging aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied en omgeving wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kan worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar. De navolgende tabel toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Activiteit
SBI-code
Adres
Milieucategorie
Brandweer Medisch centrum WZU Veluwe, De Bunterhoek Bijendijk koffiegroothandel
8425 871 871
Elburgerweg 13 Elburgerweg 11 Secretaris Boerhoutweg 1 Laan 57
3.1 2 2
Richtafstand Minimale gemengd gebied afstand tot het plangebied 30 m 50 m 10 m 50 m 10 m 70 m
2
10 m
4637
40 m
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook kan geconcludeerd worden dat het bestaande bedrijven in de omgeving niet verder gehinderd worden in de bedrijfsvoering.
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting
21
en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat (tijdelijke) woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
22
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op circa 1.100 meter van spoorroute 360 (tussen Putten en Hattem). Vanaf het spoor ligt een invloedsgebied met toxisch scenario over het plangebied. Dit komt door het vervoer van stofcategorie D4 (toxische vloeistof) waarvan het invloedsgebied groter dan 4 kilometer kan zijn. Op basis van artikel 7 uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dienen de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te worden beschouwd. De bestrijdbaarheid van een ongeval met gevaarlijke stoffen De bestrijdbaarheid zorgt op deze afstand van het spoor niet voor vraagstukken. De bestrijding vindt vooral plaats in het brongebied. De inzet zal vooral gericht zijn op het neerslaan van de gifwolk. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een ongeval In geval van een ongeval moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. Daarnaast dient in geval van een ongeval tijdig gewaarschuwd te worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het bebouwde grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van een zogenaamde bevi-inrichting. Voor het gasontvangstation op het terrein van Nestlé is een bevi-zone opgenomen. Binnen deze zone mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden gerealiseerd. Het plangebied valt buiten deze zone en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Op ca. 200 m ligt een lpg tankstation. Gezien deze ruime afstand vormt dit ook geen belemmering voor het voorgenomen plan. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten.
23
Buisleidingen Uit de risicokaart externe veiligheid komt naar voren dat in de nabij het plangebied een buisleiding zijn gelegen. Dit betreft een aardgastransportleiding van de Gasunie. Deze buisleiding ligt op ca. 200 m ten noorden van het plangebied. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze buisleiding. Gezien deze afstand kan gesteld worden dat de buisleiding geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.