CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 12. St.t.i. Ruimtelijke onderb. VVGB Driestweg 6

Raadsvergadering 18 februari 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte (ontwerp) Verklaring van geen bedenkingen Driestweg 6 in Nunspeet.15.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aanvullend bodemonderzoek (2009, Tauw B.V., LOO2-4671741WDO-baw-V01-NL)

Door Tauw B.V. is in november 2009 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie. Aanleiding was het resultaat van het verkennend onderzoek. Ter plaatse van verschillende plandelen zijn namelijk enkele overschrijdingen van de achtergrondwaarde en/of streefwaarde aangetroffen. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4. Resultaten Tijdens dit onderzoek zijn in een mengmonster van de bovengrond verhoogde gehalten van lood en PAK aangetoond. In één mengmonster van acht deelmonsters is een gehalte van lood van 50 mg kg droge stof gemeten. In theorie kan in één van de monsters 400 mg kg droge stof aan lood zitten. Bij dit gehalte kunnen humane risico’s aanwezig zijn. Omdat er sprake is van een heterogeen monster (de gehalten aan PAK fluctueren) zijn de individuele grondmonsters geanalyseerd op lood en ook op PAK. Op basis van het aanvullend onderzoek kan worden gesteld dat de gehalten van lood en PAK maximaal licht verhoogd aanwezig zijn. Er zijn dan ook geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling. 

Verkennend bodemonderzoek (2018, Kruse Groep, projectcode 18052012, 30 juli 2018)

Door Kruse Groep is in juli 2018 een verkennend (actualiserend) bodemonderzoek uitgevoerd. In dit actualiserend onderzoek is, met instemming van de gemeente Nunspeet, alleen de boven- en ondergrond onderzocht. Voor de resultaten van het grondwater wordt verwezen naar de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Daarnaast is er geen asbestonderzoek verricht, omdat het onderzoek in 2009 reeds heeft aangetoond dat de puinhoudende bodem niet asbesthoudend is. Onderstaand wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5. OP basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:   

De bovengrond is licht verontreinigd met lood en PCB; Boring 22 (0-0.5) is zeer licht verontreinigd met PCB; De ondergrond is niet verontreinigd met minerale olie.

De vastgestelde lichte verontreinigingen overschrijden de tussenwaarden voor nader onderzoek niet. Daarom is er geen reden een nader onderzoek uit te voeren. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. Aanvullend wordt gesteld dat er in dit geval geen sprake zal zijn van de afvoer van grond. Daarom wordt een onderzoek naar PFAS in dit geval niet noodzakelijk geacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.2.3

Conclusie

Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken is gebleken dat er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar is tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodemonderzoeken zijn uitgevoerd in 2007 en 2009. In 2018 is een actualiserend onderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodem geschikt geacht wordt voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen (appartementen) met tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie projectgebied

Voorliggend initiatief heeft betrekking op het realiseren 21 appartementen met bijbehorende tuinen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:     

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in:   

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan hand van de Risicokaart (risicokaart.nl) is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart ter plaatse van het projectgebied en de omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied:    

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Nunspeet, in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse centrumfuncties. Horeca, detailhandel, kleinschalige bedrijfsfuncties, wonen en maatschappelijke voorzieningen komen naast elkaar voor. In dit gebied wordt bewust functiemenging nagestreefd om de levendigheid te creëren. Door deze functiemenging is het projectgebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als ‘functiemengingsgebied’.

Bij ‘functiemengingsgebieden’ moet gedacht worden aan:  stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;  horecaconcentratiegebieden;  zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;  (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 5.5.3

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft het oostelijk gelegen pand. Het pand heeft een centrumbestemming. In het pand is een schildersbedrijf gevestigd. Daarnaast is er aan de Bergakkerweg 14 een sportschool gevestigd. Tot slot kan het nabijgelegen parkeerterrein voor geluidsbelasting zorgen. Omdat in dit geval sprake is van een ‘functiemengingsgebied’, vanwege de ligging van het projectgebied in het centrum van Nunspeet, waar een verscheidenheid aan functies gelegen is, wordt getoetst aan de ‘SvB functiemenging’.

Onderstaand wordt op de verschillende functies ingegaan: Schildersbedrijf (centrumbestemming, Driestweg 10) Op basis van het bestemmingsplan zijn op gronden met de bestemming ‘Centrum’ de volgende functies mogelijk:  detailhandel;  (lichte) horeca;  dienstverlening;  maatschappelijke voorzieningen;  wonen. Op basis van deze lijst vallen de mogelijke functies onder categorie A. Hiervoor geldt dat de activiteiten zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. In dit geval is er sprake van bouwkundige scheiding tussen de woning en de desbetreffende activiteiten, aangezien ze in afzonderlijke gebouwen uitgevoerd worden. Daarnaast is de functie ‘wonen’ reeds toegestaan binnen de bestemming ‘Centrum’, indien het de eerste op hogere verdieping betreft. De afstand van de eventueel milieubelastende functies in de bestemming ‘Centrum’ tot de functie ‘wonen’ wordt dan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing ook niet kleiner. Overige milieubelastende functies zijn allen op een grotere afstand van het projectgebied gelegen. Sportschool (Bergakkerweg 14) Een sportschool wordt op basis van de criteria zoals opgenomen in de ‘SvB – functiemenging’ aangeduid als categorie B activiteit. Hiervoor geldt het volgende: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De sportschool is gevestigd in een nabijgelegen pand. Op circa 6 meter van het projectgebied. Er is dan ook sprake van een bouwkundige afscheiding van de woningen. Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat wordt voldaan aan het gestelde in de ‘SvB-functiemenging’. Voor de appartementen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen gebruik. Parkeerterrein Ten zuiden van het projectgebied zijn parkeerplaatsen aanwezig. Er is in dit geval een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van dit parkeerterrein. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze onderbouwing.

Resultaten De optredende maximale geluidniveaus ter plaatse van de beoogde appartementsgebouwen respecteren niet de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. De hogere geluidniveaus zijn in de concrete situatie acceptabel aangezien: 

    

Bij beoordeling aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie worden piekniveaus vanwege aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing gelaten. Onder aan- en afrijdend verkeer worden ook aanverwante piekgeluiden zoals het dichtslaan van portieren verstaan. Geconcludeerd wordt dat hiermee wel wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen zijn niet wenselijk. Het betreft een omgevingseigen geluidbron. In de omgeving vinden al vergelijkbare activiteiten plaats. Het aantal parkeerbewegingen in de nachtperiode zal beperkt zijn. Het betreft gebruik van een, voor de bewoners van de appartementsgebouwen, eigen parkeerterrein. De geluidbelaste gevels van de nieuwe appartementen dienen conform het Bouwbesluit uitgevoerd te worden met een geluidwering van minimaal 20 dB(A) waardoor binnen geluidsgevoelige ruimten een maximale geluidniveau (LAmax) van ten hoogste 55 dB(A) in de dag-, 50 dB(A) in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode wordt gewaarborgd. In de dagperiode bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 74 dB(A). Daarmee wordt, uitgaande van een minimale geluidwering van 20 dB(A), een binnenniveau van 55 dB(A) gewaarborgd. In de avond- en nachtperiode bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 74 dB(A).

Daarmee wordt, uitgaande van een minimale geluidwering van 20 dB(A), een binnenniveau van 50 dB(A) in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode niet gewaarborgd. Om dit binnenniveau te waarborgen dient middels een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels te worden aangetoond dat deze binnenniveaus worden gewaarborgd.

Conclusie In verband met de realisatie van parkeerplaatsen en de reeds aanwezige parkeerplaatsen bij de nieuwbouw wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. In het kader van deze procedure is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het gebruik van de parkeerplaatsen. Centraal hierin staat enerzijds de vraag of, en onder welke voorwaarden, er sprake zal zijn van een goed woon- en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing leefklimaat, ter plaatse van de nieuwe appartementen. Voorliggend rapport heeft betrekking op het milieuaspect ‘geluid’. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai” van 1999. De beoordeling van de rekenresultaten in het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft plaatsgevonden aan de hand van aan de richtwaarden uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, versie 2009. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van de nieuwe appartementen bedraagt in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde, De richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor een “gemengd gebied” (50 dB(A) etmaalwaarde) wordt gerespecteerd. De berekende maximale geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe appartementen bedragen ten hoogste 74 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. De richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie voor een “gemengd gebied” worden niet gerespecteerd. Voorgaand (onder resultaten) is een afweging en motivatie voor hogere geluidniveaus opgenomen. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (in Gelderland Gelders Natuurnetwerk GNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op circa 500 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7 van deze onderbouwing. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

5.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN is gelegen op minimaal 500 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en de invulling van het tussenliggende gebied met infrastructuur en bebouwing (barrièrewerking), wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. In figuur 5.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN weergegeven.

Figuur 5.2 Ligging van het projectgebied ten opzichte van natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN (Bron: Provincie Gelderland)

5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Natuurbank Overijssel heeft ter plaatse van het projectgebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 8 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.6.3.2 Onderzoeksresultaten Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige beschermde vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingslocatie, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in de beplanting. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en vernielen. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader soort- of gebiedsbescherming.

Er worden alleen dieren verwond of gedood en er worden alleen rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield van soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb. 5.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie projectgebied Op basis van de archeologische beleidskaart ligt het projectgebied in een gebied met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’. In deze gebieden geldt voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2 waarbij voor de gehele oppervlakte werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, dat een omgevingsvergunning voor het bouwen worden aangevraagd bij de gemeente. Voor de uitvoering van werken, geen bouwwerk zijnde, groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter is eveneens een omgevingsvergunning vereist. In voorliggend geval zal een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn, aangezien er sprake is van het bouwen van bouwwerken groter dan 120m2. Daarnaast wordt naar verwachting dieper dan 0,5 meter gegraven. In figuur 5.3 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5.3 Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Nunspeet)

Verkennend archeologisch onderzoek Ten tijde van het opstellen van het vigerende bestemmingsplan, heeft er reeds een archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat alleen ter plaatse van het onderhavige projectgebied nader archeologisch onderzoek nodig is. Voor dit onderzoek is inmiddels een programma van eisen opgesteld. Aan de hand van dit bureauonderzoek is door Laagland een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt nader op de resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze onderbouwing. Op basis van het bestemmingsplan worden resten verwacht uit de Bronstijd t/m de Late Middeleeuwen. Het verkennende booronderzoek had tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen opgesteld Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans hoog dat er nog archeologische sporen uit de Bronstijd t/m de Late Middeleeuwen aanwezig zijn. Dit komt doordat het gebied is gelegen op een enk. Een enk is een aaneen gesmolten akkerareaal dat door bemesting met plaggen vermengd met schapenmest een bol karakter heeft gekregen. De dikte van een enk kan door bemesting meer dan 1 meter bedragen. Door deze dikte zijn archeologische waarden die eventueel in de ondergrond aanwezig zijn gevrijwaard van bodemingrepen die niet dieper reiken dan 1 meter.

In boring 2 is aan de oostrand van het plangebied waarschijnlijk een ca. 3 m diepe, voormalige kavelsloot aangetroffen. Verder is de humeuze bovengrond tot op 50 à 100 cm –Mv verstoord, tot maximaal op de Chorizont. In boring 1 en 3 is onderin de humeuze bovenlaag een 30 à 40 cm dikke intacte subhorizont aanwezig, die als rest van het esdek kan worden geïnterpreteerd. In boring 4 is een dergelijke subhorizont ook aangetroffen, maar deze is waarschijnlijk verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren. Afhankelijk van de planning kan bij dit vervolgonderzoek gekozen worden voor een proefsleuvenonderzoek volgens KNA-protocol 4003 (IVO-P) op het zuidelijk en bij dit onderzoek onderzochte deel van het terrein en daarna een archeologische begeleiding van de sloop en een eventuele doorstart naar een opgraving volgens KNA-protocol 4004. Er kan ook voor gekozen worden om na de sloop van de bebouwing een proefsleuvenonderzoek uit te voeren BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing volgens KNA-protocol 4003 (IVO-P) met een optie voor een doorstart tot een definitieve opgraving van het gehele bouwblok. In dit geval is ervoor gekozen om een archeologische begeleiding conform KNA-protocol 4004 van de werkzaamheden (uitgraven van de bouwputten en/of de funderingssleuven) te laten uitvoeren. Deze archeologische begeleiding zal als voorwaarde bij de omgevingsvergunning worden opgenomen. Proefsleuvenonderzoek Selectieadvies Als gevolg van het verkennend onderzoek is door RAAP Archeologisch adviesbureau een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 9 van deze onderbouwing. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van eventueel in het plangebied aanwezige archeologische resten. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blij ven of dient deze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied één proefsleuf aangelegd met een totaal oppervlak van 48m2.

Dit komt neer op een dekkingsgraad van 10% van het totale plangebied. In het westen van de proefsleuf zijn twee paalsporen een greppel aangetroffen met een onbekende datering. Op basis van de stratigrafische ligging van de sporen dateren deze tussen de neolithicum en de late middeleeuwen B.   

Aard van de vindplaats: Diepteligging: Datering:

onbekend 90-100 cm onbekend (waarschijnlijk tussen neolithicum en vroege middeleeuwen)

Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een niet behoudenswaardige vindplaats. Het selectieadvies luidt: vrij geven. Conclusie De sporen duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Mogelijk gaat het hierbij om een afwateringsgreppel van een perceel. Over de twee paal sporen zijn geen verdere uitspraken te doen aangezien deze geen onderdeel uitmaken van een structuur. In het oosten van de proefsleuf ontbreken verdere sporen. Op basis van de dikte van de akkerlaag of cultuurlaag maakt het plangebied vermoedelijk deel uit van een grotere vindplaats. Gezien de spoordichtheid is echter geen sprake van daadwerkelijke bewoning binnen het plangebied zelf. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 5.7.3

Conclusie

Na uitvoering van het nader archeologisch onderzoek vormt het aspect archeologie naar verwachting geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling. In het projectgebied is er geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing 5.8.2

Beoordeling

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 500 kilometer afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:   

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.8.3

Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten functiewijziging is niet m.e.r.-plichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Op 30 september 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. De afgelopen jaren is veel bereikt, maar tegelijk staan er voor de komende jaren nieuwe uitdagingen. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft de koers aan die het waterschap wil gaan varen en beoogt daarmee twee dingen. Ten eerste inzicht geven aan alle gebruikers en partners in het werkgebied in de doelen en maatregelen die het waterschap de komende zes jaar gaat bereiken. Ten tweede de koers intern bij het waterschap, als spoorboekje, expliciet maken en vastleggen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

6.2

Watertoets

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Standaard Waterparagraaf’ is opgenomen in bijlage 10 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies.

Hemelwater Wat betreft hemelwater dient bij nieuwbouw het nieuwe verharde oppervlakte niet te worden aangesloten op de riolering. Binnen het plangebied moet in bergings- en infiltratiecapaciteit worden voorzien. Dit kan zowel bovengronds als ondergronds. Als het verhard oppervlak groter is dan 150 m2 moet er rekening worden gehouden met de maatgevende bui, en moet er gerekend worden met 36 mm neerslag per m 2 verhard oppervlak. De op het terrein aan te leggen bergingsvoorziening moet een overstortmogelijkheid krijgen, deze mag niet op het riool worden aangesloten. Bij het ontwerp moet rekening worden gehouden hoe er met neerslag overstorten bij (zeer) intensieve buien wordt omgegaan. Met voorgenoemde eisen wordt rekening gehouden. Tevens zullen er niet uitlogende materialen worden toegepast, waardoor wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater het grond- en/of oppervlaktewater zal verontreinigen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor de economische uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het project financieel haalbaar is en of het kostenverhaal (grondexploitatie) goed geregeld is. Financiële haalbaarheid Aan de realisatie van de appartementen liggen particuliere initiatieven ten grondslag. De initiatiefnemers bekostigen deze zelf. Daarbij moeten zij bij de vergunningaanvraag aantonen hiervoor over voldoende financiële middelen te beschikken. In het geval van de eigenaren in het projectgebied is dit het geval. Grondexploitatie Voor dit project is de grondexploitatieregeling van toepassing, omdat bouwplannen (de bouw van appartementengebouwen) mogelijk worden gemaakt. Het kostenverhaal hoeft niet via het publiekrechtelijke spoor (vaststelling exploitatieplan) te lopen.

De gemeente verhaalt de plankosten via de leges bij de omgevingsvergunning. Deze leges zijn dekkend voor de door de gemeente te maken kosten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 8

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1

Vooroverleg

8.1.1

Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Gelderland

Het voornemen voor de bouw van de appartementengebouwen zal als ontwerpbesluit omgevingsvergunning ter beoordeling worden aangeboden aan de provincie. 8.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap is geïnformeerd door gebruik te maken van de ‘digitale watertoets’. Hieruit bleek dat de zogenaamde ‘korte procedure’ van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Het waterschap adviseert hiermee positief, waarmee het wettelijke vooroverleg is afgerond.

8.2

Inspraak

In het kader van inspraak hebben er ten behoeve van de ontwikkeling aan de Driestweg 6-8 te Nunspeet verscheidene gesprekken met belanghebbenden en omwonenden plaatsgevonden. Een samenvatting van deze gesprekken is opgenomen als bijlage 12 bij deze onderbouwing.

8.3

Zienswijze

Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ontwikkeling voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. De ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning met bijbehorende stukken wordt daarna gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Een ieder wordt zo in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het initiatief kenbaar te maken. De ingekomen zienswijzen worden door het college van burgemeester en wethouders beantwoord en meegewogen in de besluitvorming voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Tegen dit besluit bestaat de mogelijkheid voor beroep en hoger beroep. De voorgenoemde procedure toont de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek wegverkeer

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek Grondvitaal 2007

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek Tauw 2009

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 4

Aanvullend bodemonderzoek Tauw 2009

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 5

Actualiserend bodemonderzoek Kruse 2018

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek industrielawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 7

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 8

Quickscan natuurwaarden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 9

Archeologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 10

Archeologisch proefsleuvenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 11

Standaard waterparagraaf

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Driestweg 6-8, Nunspeet Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 12

Samenvatting inspraak

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9739463/1