CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 11. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet vastgesteld

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Kleine Kolonieweg 162 Elspeet. (hamerstuk)16.559 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Planspecifiek Het omzetten van bestaande bebouwing kan niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De Ladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

33

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Gelet op de aard van het initiatief kunnen negatieve effecten met betrekking tot cultuurhistorie en landschap worden uitgesloten.

Archeologie Met het initiatief vinden geen grondroerende werkzaamheden en daarmee geen werkzaamheden plaats die eventueel aanwezige archeologische resten kunnen aantasten. Daarmee is het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor dit plan niet aan de orde. De bestaande regels met betrekking tot archeologie blijven gelden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Soortenbescherming Met het omzetten van de bedrijfswoning en recreatiewoning naar plattelandswoningen vinden verder geen ruimtelijke ingrepen plaats. In het kader van de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt momenteel een quickscan Natuur uitgevoerd.

De eerste resultaten geven geen aanleiding om aan te nemen dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat en/of dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet verkregen zou kunnen worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het perceel ligt op circa 25 meter afstand tot het Natura 2000-gebied de Veluwe. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is een stikstofonderzoek in de vorm van een passende beoordeling uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat er ten opzichte van de referentiesituatie (rekening houdend met een afroomfactor van 0,35) in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Ook zijn er naast effecten vanwege stikstofdepositie geen overige effecten op Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in het Bal, Artikel 11.6,

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

35

specifieke zorgplicht, onder 2). De natuurlijke kenmerken van het gebied worden niet aangetast. Aangezien significant negatieve effecten zijn uitgesloten, staat de Natura 2000-toets het vaststellen van het plan niet in de weg. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Door het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten vervalt het hierbij behorende verkeer van en naar het plangebied, waaronder zwaar landbouw- en vrachtverkeer. In de nieuwe situatie blijft uitsluitend beperkt bestemmingsverkeer over ten behoeve van de plattelandswoningen. Dit leidt tot een afname van de verkeersintensiteit. Aan de wijze van ontsluiting wijzigt verder niets. Het plangebied blijft ontsloten via de Kleine Kolonieweg.

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen van de gemeente Nunspeet, zoals opgenomen in de Parkeernota Nunspeet 2014. Voor vrijstaande woningen wordt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning gehanteerd, is afgerond 3 parkeerplaatsen. In onderhavig plangebied is voldoende ruimte om voor beide woningen op eigen terrein te voldoen aan deze parkeerbehoefte. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Planspecifiek Door de sloop van de voormalige agrarische opstallen neemt het verharde oppervlak af, waardoor meer ruimte ontstaat voor infiltratie van regenwater en vermindering van wateroverlast. Daarnaast wordt door het verdwijnen van de agrarische functies het waterverbruik verminderd, wat gunstig is in periodes van droogte. Gezien de ligging buiten overstroombare gebieden en de kleinschalige aard van het plan zijn risico’s op overstroming verwaarloosbaar. Per saldo heeft het plan een positief effect op de klimaatadaptieve kwaliteit van het gebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

37

Hoofdstuk 6

Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.

Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.

Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2

Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:  Preambule;  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Functieregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3

Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22s} wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22s] van het omgevingsplan Nunspeet. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

7.4

Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies: Agrarisch De gronden krijgen de functie 'Agrarisch'. Binnen het functievlak zijn aanduidingen opgenomen waarbinnen de plattelandswoningen zijn toegestaan. Deze bevinden zich ter plaatse van de bestaande om te zetten woningen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

39

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1

Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht.

8.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.

De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3

Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg zijn de belanghebbende instanties op de hoogte gebracht van het initiatief.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerpplan heeft met ingang van woensdag 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. In de regels heeft een ambtelijke wijziging plaatsgevonden ten aanzien van bijbehorende bouwwerken bij de plattelandswoningen. Op de verbeelding is het bouwvlak behorende bij de zuidelijke plattelandswoning verruimt.

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Bijlagen bij de motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

41

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Bijlage 1

Digitale watertoets

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

43

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Bijlage 2

Passende beoordeling

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

45

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeeten is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22s]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22s] van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22s]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22s]' gelezen worden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

47

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Hoofdstuk 1 Artikel 1 a.

b. c.

Inleidende regels Toepassingsbereik

In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Buitengebied 2023', artikel 4 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en artikel 17 'Recreatie - Recreatiewoning', met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in onder c de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022s-vg01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2

Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen: 2.1 plan het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022s-vg01 van de gemeente Nunspeet. 2.2 omgevingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 2.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.5 aan huis verbonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling

heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2.6 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

49

2.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een hout- en/of fruitteeltbedrijf, een boom- en/of sierkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij of een bollenteeltbedrijf; 2.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.9 bebouwingsgebied achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; 2.10 bedrijf een bedrijfseconomische eenheid; onder eenheid worden ook verstaan rechtspersonen die ruimtelijk als één bedrijf optreden.

Onder bedrijf - buitengebied gerelateerd wordt begrepen een bedrijf dat vanwege de aard van de bedrijfsvoering past in het buitengebied; 2.11 bedrijfsmatig in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding; 2.12 bestaande bestaand en legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; 2.13 bijbehorend bouwwerk functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 2.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 2.16 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; indien en voorzover twee bouwpercelen middels de figuur relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel; 2.17 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 2.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

2.19 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 2.20 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 2.21 erf een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning; 2.22 functievlak/locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie en/of een gebruiksdoel; 2.23 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.24 hoofdgebouw een gebouw dat gelet op de functie als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 2.25 huishouden een verzameling van één of meerdere personen die samen één zelfstandig huishouden vormen dat zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid; 2.26 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel zijnde en prostitutie, dat in of bij een woonhuis of de bedrijfswoning wordt uitgeoefend door de gebruiker, en waarvan de omvang zodanig is, dat het woonhuis of de bedrijfswoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2.27 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 2.28 paardenbak een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

51

2.29 peil voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: a. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: d. het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil; e. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil; 2.30 plattelandswoning een al dan niet voormalige agrarische bedrijfswoning of recreatiewoning, die tevens bewoond mag worden door een persoon of diens huishouden die geen functionele binding heeft met het nabijgelegen agrarisch bedrijf/erf, waartoe de voormalige bedrijfs-/recreatiewoning behoort dan wel in het verleden heeft behoord; 2.31 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 2.32 verbeelding a. de digitale verbeelding met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022s-vg01; b. de analoge (papieren) kaart met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022s-vg01. 2.33 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel.

2.34 woning een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 2.35 woonhuis een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: 3.1 2.1 Gebouwen en bouwwerken 3.1.1 De breedte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 3.1.2 De dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3.1.3 De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Wolfseinden worden hieronder niet begrepen.

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

3.1.4 De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.1.5 De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 3.1.6 De oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bouwonderdelen zoals goten, dakoverstekken en in dakoverstekken geïntegreerde goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een oversteek van meer dan 75 cm worden in de oppervlakte meeberekend. 3.1.7 De hoogte van een windturbine: De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan: 1. bij een horizontale as-turbine: de (wieken)as van de windturbine; 2. bij een verticale as-turbine: de bovenzijde van de rotor; 3.1.8 De vloeroppervlakte van een beroeps- en/of bedrijfsactiviteit tussen de binnenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren van de ruimtes die in gebruik zijn voor de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit.

3.2 Maatvoering Alle maten zijn tenzij anders aangegeven: a. voor lengten in meters (m); b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²); c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³); d. voor verhoudingen in procenten (%); e. voor hoeken/hellingen in graden (º).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

53

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Functieregels Agrarisch

4.1 Functieomschrijving De voor 'Agrarisch ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het weiden van vee, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf; b. bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare; c. paden en ontsluitingswegen; d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers; e. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden; f. een plattelandswoning, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" en waarbij geldt dat het aantal woningen op het perceel niet mag toenemen; al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen, erven en agrarische gronden. 4.2 Bouwactiviteit - algemeen Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien deze ten dienste staan van de functies genoemd in 4.1. 4.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten 4.3.1 Toepassingsbereik In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.

4.3.2 Plattelandswoning(en) Voor het bouwen van een plattelandswoning gelden de volgende regels: a. per aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' mag niet meer dan 1 plattelandswoning worden gebouwd; b. de oppervlakte mag niet meer dan 120 m2 bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte (inclusief, indien van toepassing, niet woongedeelten binnen het oorspronkelijke boerderijpand) groter is, in welk geval de oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte mag bedragen; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen; e. de afstand van een woning ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen; f. kelders mogen uitsluitend worden gerealiseerd loodrecht onder de bedrijfswoning, inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, tot een diepte van niet meer dan 3,50 m; g. de afstand tot de perceelgrens moet ten minste 3 m bedragen, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken bouwwerken. 4.3.3 Bijbehorende bouwwerken bij de plattelandswoning Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een plattelandswoning gelden de volgende regels:

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

a.

b. c.

d. e.

de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 110 m². Indien het bebouwingsgebied groter is dan 500 m², mag de gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte van het bebouwingsgebied vanaf 500 m² tot een maximum van 150 m²; de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,50 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen; de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen; de afstand tot de perceelgrens moet ten minste 3 m bedragen, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken; vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.

4.3.4 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 0,3 m bedragen; b. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen. 4.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten 4.4.1 Specifieke beoordelingsregels nieuwe schuilgelegenheden In afwijking van het bepaalde in 4.3.1 kan een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van nieuwe schuilgelegenheden voor dieren worden verleend, met dien verstande dat: a. de schuilgelegenheid alleen wordt gebouwd en gebruikt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren; behoudens de gevallen zoals bedoeld in 4.4.1, onder c; b. de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in 4.3.1 alleen voor een tijdelijke periode wordt verleend voor maximaal 5 jaar; na de periode van 5 jaar kan na een nieuwe beoordeling eventueel een verlenging plaatsvinden; c. in afwijking van 4.4.1 onder a, kan een omgevingsvergunning voor een tijdelijke schuilgelegenheid worden verleend wanneer het gaat om het bedrijfsmatig houden van dieren, waarbij deze vergunning dan alleen seizoensgebonden wordt verleend voor de periode tussen 1 maart en 1 november; d. de schuilgelegenheid aantoonbaar noodzakelijk en doelmatig is in het kader van dierenwelzijn; e.

aanvrager niet in de nabijheid woont van het weiland waar het vee loopt/graast waardoor er niet aangehaakt kan worden bij bestaande bebouwing en er een behoefte bestaat aan een solitaire schuilgelegenheid; f. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer dan 30 m2 bedraagt; g. de bouwhoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 3 m bedraagt; h. de goothoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 2 m bedraagt; i. de schuilgelegenheid enkel uit houten wanden bestaat of eventueel uit wanden met een houtachtige uitstraling; j. de schuilgelegenheid ten minste één zijde heeft die voor tweederde open moet zijn; k. de schuilgelegenheid niet zodanig mag worden uitgerust waardoor permanent verblijf van dieren mogelijk is; l. er geen buitenopslag mag plaatsvinden; m. de aanvrager van een schuilgelegenheid minimaal 2.000 m2 aaneengesloten agrarische percelen in eigendom dan wel in gebruikt heeft; n. per aanvrager maximaal 1 schuilgelegenheid is toegestaan; o. voorafgaand aan de aanvraag een onderzoek dient plaats te vinden of geen gebruikgemaakt kan worden van bestaande bebouwing;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

55

p. q.

de schuilgelegenheid landschappelijk ingepast dient te worden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het bestaande landschap en/of bestaande landschapselementen en/of aangrenzende bebouwing; alle aanvragen om een schuilgelegenheid dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

4.4.2 Specifieke beoordelingsregels teeltondersteunende voorzieningen In afwijking van het bepaalde in 4.3.4, onder a, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van teeltondersteunende voorzieningen tot een bouwhoogte van 1,5 m worden verleend, met dien verstande dat: a. de noodzaak aannemelijk is gemaakt; b. de tijdelijkheid van twee maanden is verzekerd; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 4.4.3 Specifieke beoordelingsregels afrasteringen In afwijking van het bepaalde in 4.3.4, onder b, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van afrasteringen met een bouwhoogte van niet meer dan 2 m ter voorkoming van wildschade worden verleend, met dien verstande dat: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 4.4.4 Specifieke beoordelingsregels opwekking zonne-energie In afwijking van het bepaalde in 4.3.4, onder b, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van zonnepanelen en de bijbehorende constructies en installaties met een bouwhoogte van niet meer dan 4 m op of boven het maaiveld worden verleend, met dien verstande dat: a. de bouwwerken landschappelijk worden ingepast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en cultuurhistorische waarden; c.

bij aanvragen in de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren, kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend als aangetoond is dat er geen significant negatieve effecten op de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden zullen optreden; d. de oppervlakte van zon op land (zonnevelden) mag maximaal 200 m2 bedragen, en dienen op of aansluitend aan een erf te worden aangelegd, waarbij aanvragen worden getoetst aan het Beleidskader Zonne-energie gemeente Nunspeet; e. aanvragen getoetst dienen te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. 4.5 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten 4.5.1 Verboden gebruiksactiviteiten Tot een gebruik dat strijdig is met de functie Agrarisch wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie; b. het gebruiken of laten gebruiken van een woning en de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, met dien verstande dat dit is toegestaan indien: 1.

ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning met de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mits deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m², 2. de uitstraling als bedrijfswoning intact blijft; 3. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;

56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

4.

het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt; 5. geen detailhandel wordt uitgeoefend; 6. geen sprake is van reclame-uitingen en buitenopslag; c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak; d. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning; e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; f. het gebruiken of laten gebruiken van een woning ten behoeve van de huisvesting van een extra huishouden; g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van nevenactiviteiten gericht op recreatie, educatie en landschapsbeheer, zoals fietsenverhuur, kanoverhuur, boerengolf, boerderijwinkel, ijsboerderij, imkerij, theeschenkerij en zorgboerderij; h. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van lichte horeca; i. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van de stalling van caravans, campers en boten; j. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van opslag van naar hun aard statische goederen; k. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalige woonwerkcombinaties; l.

het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch hulpbedrijf; m. het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd. 4.5.2 Voorwaardelijke verplichting sloop agrarische opstallen n. Het gebruiken van de woningen als plattelandswoningen is enkel toegestaan onder de voorwaarde dat de bestaande agrarische opstallen, zoals aangeduid op bijlage 1 bij de regels, binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan zijn gesloopt. Het hieraan niet voldoen is een vorm van strijdig gebruik met de bepalingen in artikel 4.1 ; de woningen mogen dan niet worden gebruikt. o. Het college is bevoegd om door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van de termijn zoals beschreven onder a, indien de benodigde toestemmingen niet binnen die termijn ontvangen zijn. Deze afwijking wordt enkel verleend indien schriftelijk aangetoond wordt dat alle redelijkerwijs te verwachten inspanningen zijn geleverd om op tijd de benodigde toestemmingen te verkrijgen.

4.6 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten 4.6.1 Specifieke beoordelingsregels paardenbak In afwijking van het bepaalde in 4.5.1, onder c, kan de omgevingsvergunning voor het gebruik en de bouw van 1 paardenbak voor eigen hobbymatig gebruik worden verleend, met dien verstande dat: a. de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een plattelandswoning gelegen binnen een functievlak, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen in het functievlak waarin de plattelandswoning; b. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in combinatie en qua criteria passend met de specifieke beoordelingsregels voor de aanleg van een paardenbak binnen de van toepassing zijnde functie; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

57

Hoofdstuk 3 Artikel 5

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6

Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 7

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Hoofdstuk 4 Artikel 8

Overgangsregels Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken 8.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 8.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 8.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 8.1.1 met maximaal 10 %. 8.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 8.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan. 8.2 Overgangsrecht gebruik 8.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

8.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 8.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 8.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 8.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 8.2.4 Uitzondering Het bepaalde in 8.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

59

60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Bijlagen bij de regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

61

62

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

Bijlage 1

Sloopkaart

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

63

64

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17097307/1