AP 11. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet vastgesteld
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet Wijziging omgevingsplan - gemeente Nunspeet
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet NL.IMRO.0302.TAM0022s-vg01 Vastgesteld 20 april 2026 24.90.19
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
3
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3 8.4
7 9
Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Voorgenomen ontwikkeling Huidige situatie Toekomstige situatie Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Weging van het waterbelang Activiteiten en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Geur Geluid Omgevingsveiligheid Trilling Goede omgevingskwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik Archeologie, cultuurhistorie en landschap Ecologie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaatadaptatie Conclusie Juridische planbeschrijving Inleiding Juridische systematiek Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan Beschrijving per functie Overige aspecten Participatie Kostenverhaal Vooroverleg Zienswijzen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
11 11 11 12 13 13 13 14 14 15 16 18 23 23 24 24 25 26 28 29 31 33 33 33 34 36 36 38 39 39 39 39 39 40 40 40 40 40
5
Bijlagen bij de motivering
41
Bijlage 1 Bijlage 2
43 45
Digitale watertoets Passende beoordeling
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Hoofdstuk 2 Artikel 4 Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Hoofdstuk 4 Artikel 8
47 Inleidende regels Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Functieregels Agrarisch Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemeen gebruiksverbod Aanvraagvereisten Overgangsregels Overgangsrecht
49 49 49 52 54 54 58 58 58 58 59 59
Bijlagen bij de regels
61
Bijlage 1
63
6
Sloopkaart
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Vaststellingsbesluit
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
7
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Motivering
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
9
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het initiatief
Ter plaatse van de Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet is in de huidige situatie een intensieve veehouderij aanwezig, waarbij het voornemen bestaat de bedrijfsactiviteiten te beëindigen en de aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen. Hierbij worden tevens de bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning omgezet naar plattelandswoningen. Deze ontwikkelingen vinden plaats in het kader van het functieveranderingsbeleid van de gemeente Nunspeet. Dit plan is onderdeel van een maatwerkplan. In ruil voor de sloop op deze locatie mag op een andere locatie (Stakenbergseweg 46) een extra woning worden gerealiseerd. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Kleine Kolonieweg 162 in Elspeet, in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
11
1.3
Leeswijzer
Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Alléén relevante onderwerpen Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit. Besluit breder dan alleen voorliggende motivering Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Kleine Kolonieweg 162 in Elspeet, in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. Op de locatie bevindt zich een intensieve veehouderij. De Kleine Kolonieweg betreft een smalle landelijke weg met verspreide bebouwing en agrarische erven. De directe omgeving wordt gekenmerkt door open graslanden en agrarische bedrijfsbebouwing, afgewisseld met enkele woningen en schuren. Binnen het plangebied bevinden zich meerdere voormalige agrarische opstallen, waaronder een agrarische bedrijfswoning met bijgebouwen en enkele grotere stallen die achter op het erf staan. Daarnaast bevindt zich achter de schuren nog een recreatiewoning. Het terrein heeft een grotendeels verhard erf met erfbeplanting langs de randen en sluit qua structuur aan bij de omliggende erven.
Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie worden de bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten definitief beëindigd en worden de bijbehorende bedrijfsopstallen gesloopt. De bestaande bedrijfswoning en de recreatiewoning krijgen de status van plattelandswoning. De woningen behouden de bestaande inrit en blijven op dezelfde wijze ontsloten via de Kleine Kolonieweg. Voor beide woningen is er voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. In ruil voor de sloop aan de Kleine Kolonieweg 162 mag op een andere locatie een extra woning worden gerealiseerd. Deze locatie is geen onderdeel van voorliggend TAM-omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
13
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.
Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed; 3. Natuurbescherming. Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4. Veiligheid primaire waterkeringen; 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk; 6. Kwaliteit van de buitenlucht; 7. Waterkwaliteit; 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
15
Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. 3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid Navolgend worden de relevante thema's uit het provinciale beleid toegelicht: Landschap Het plangebied is gelegen binnen een nationaal landschap. Om die reden dient aangegeven te worden op welke wijze rekening is gehouden met de hier geldende kernkwaliteiten. Onderhavig initiatief voorziet in de sloop van agrarische opstallen, een afname van verharding en het wegbestemmen van een agrarisch bedrijf en intensieve veehouderij. Hierdoor treden er geen negatieve effecten op ten aanzien van het landschap en neemt de ruimtelijke kwaliteit op het perceel juist eerder toe.
De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Woondeal regio Noord-Veluwe Woondeal regio Noord-Veluwe Als overheden staan Rijk, Provincies, Regio en gemeenten gezamenlijk voor een urgente woningbouwopgave met de corporaties en marktpartijen als belangrijke partners om tot uitvoering te komen. Er zijn onvoldoende woningen en de vraag stijgt. Met de Nationale Woon- en Bouwagenda (programma Woningbouw) zet de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) in op de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030. Het streven is dat ten minste twee derde van deze nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Voor die betaalbaarheidsdoelstelling is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in middensegment nodig. In de Nationale Prestatieafspraken tussen de corporaties, VNG, Woonbond en het Rijk is reeds vastgelegd dat de corporaties 250.000 woningen in de sociale huursector en 50.000 midden huurwoningen zullen realiseren tot en met 2030. Het is cruciaal dat de corporaties voldoende in positie worden gebracht om deze opgave te kunnen realiseren. Alle partners die meedoen in deze Woondeal (gemeenten, corporaties, provincie en Rijk) hebben de ambitie om de opgaven op de woningmarkt het hoofd te bieden.
Deze Woondeal wordt echter wel gesloten in een complexe en onzekere tijd; bouwers en ontwikkelaars hebben te kampen met oplopende bouwkosten en capaciteitsproblemen terwijl uitdagingen op het gebied van stikstof, netcapaciteit, water en mobiliteit vragen om het maken van scherpe keuzes. Juist vanwege deze omstandigheden is het zo belangrijk dat we ons samen sterk maken en via langjarig commitment de schouders er onder zetten. Versnelling en verhoging van de bouwproductie vraagt naast regie van Rijk en provincie nauwe samenwerking met gemeenten en denken in kansen en oplossingen. Dit vraagt visie, creativiteit, draagvlak, durf en daadkracht waarbij corporaties de positie hebben van een vanzelfsprekende samenwerkingspartner.
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Als regio zetten we in op een bouwopgave van ruim 12.500 woningen verspreid over de 7 gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten.1 Een opgave met onderliggende locaties en met voldoende financiële slagkracht bij de corporaties voor de invulling van de sociale huur binnen de totale woningopgave. Als samenwerkende partijen willen en kunnen we deze opgave aan. Toch betekent dat niet dat de ambitie zonder meer gerealiseerd kan worden. Daarvoor is het nodig dat er tegemoet wordt gekomen aan enkele essentiële randvoorwaardelijke condities.
Regionaal aandeel in de provinciale en nationale opgave
Woningbouwopgave per gemeente
Planspecifiek Het plan draagt bij aan de kwalitatieve verbetering van de bestaande woningaanbod door het beëindigen van agrarische bedrijvigheid en het transformeren van de bedrijfswoning en recreatiewoning naar plattelandswoningen. Daarmee wordt bestaande bebouwing beter benut voor woondoeleinden, wat aansluit bij de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik en het vergroten van het aanbod in het buitengebied. Het initiatief is hiermee passend binnen de Woondeal.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
17
3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid Het initiatief is passend binnen het regionale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie 2018 Nunspeet In de Omgevingsvisie zijn diverse “Ideekaarten” opgenomen. Deze ideekaarten benoemen voor de deelgebieden het doel, het streven voor het gebied en de afweegbare ontwikkelingsmogelijkheden op hoofdlijnen. Daarnaast zijn uitgangspunten met betrekking tot kwaliteit opgenomen. Dit zijn de uitgangspunten die van belang zijn voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit en identiteit van het gebied. Gebiedsgericht Het plangebied is gelegen in deelgebied 7 'Kern en agrarische enclave Elspeet'. Dit gebied wordt gekenmerkt door een kleinschalig agrarisch landschap met verspreide erven, houtwallen en open ruimten die overgaan in het omliggende bos- en heidegebied. De locatie maakt deel uit van de overgangszone tussen het dorp en het agrarisch buitengebied, waar wonen en agrarisch gebruik van oudsher in samenhang aanwezig zijn. Planspecifiek De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van het kleinschalige, gemengde en landschappelijk karakter van de enclave. Door het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten en het behoud van bestaande bebouwing voor wonen wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimtelijke structuur en openheid van het gebied.
De functieverandering sluit aan bij de ambitie om vrijkomende agrarische erven een nieuwe, passende functie te geven zonder verdere verdichting, waarmee de landschappelijke kwaliteit behouden blijft. Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie. 3.4.2 Woonvisie "Goed wonen in de gemeente Nunspeet" In februari 2020 is de visie “Goed Wonen in de Gemeente Nunspeet” vastgesteld, deze woonvisie geldt voor de periode 2020-2025. Wat betreft “wonen” gaat het goed in Nunspeet. De woningbouwproductie neemt toe en de laatste jaren kent de gemeente een positief verhuissaldo. Oftewel: er komen meer mensen wonen in de gemeente dan dat er vertrekken. De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de vestiging van jonge gezinnen uit de grotere steden. Jongeren, eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen vertrekken juist naar de grotere steden. De afgelopen jaren heeft de gemeente de woningproductie fors verhoogd, ondanks dat is er nog steeds sprake van druk op de woningmarkt. Het aantal huishoudens neemt toe en er is sprake van een inhaalvraag, als gevolg van de huidige krapte in de markt. Naast de natuurlijke groei van het aantal huishoudens, komt daarbovenop nog het woningtekort van starters en spoedzoekers.
De groei van het aantal huishoudens tot 2025 zorgt voor een uitbreiding van het aantal woningen met ongeveer 670 en wanneer verder wordt gekeken naar 2030 dan komt de uitbreiding in totaal uit op 950 woningen.
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Planspecifiek Door de agrarische bedrijfsactiviteiten te beëindigen en de bedrijfswoning en recreatiewoning om te zetten naar plattelandswoningen, wordt de bestaande woningvoorraad beter benut en blijft de woonkwaliteit in het buitengebied behouden. Daarmee draagt het plan bij aan een gevarieerd en toekomstbestendig woningaanbod binnen de gemeente. Het initiatief is passend binnen de Woonvisie. 3.4.3 Notitie Functieverandering agrarische bebouwing naar wonen De ontwikkeling van woningen ter plaatse van vrijkomende agrarische bebouwing kan bijdragen aan behoud van de waardevolle bebouwing en de beeldkwaliteit van het karakteristieke landschap. De gemeente Nunspeet heeft de regeling voor functieverandering van agrarische bebouwing naar wonen opgenomen als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan voor het buitengebied (2019). Voor de functieverandering moet aan een aantal algemene voorwaarden worden voldaan: Alle bedrijfsbebouwing, maar tenminste 500 m² wordt gesloopt en tenminste 350 m² in de ecologische hoofdstructuur; Met uitzondering van monumentale gebouwen; De wijziging naar wonen levert geen beperking op voor omliggende (agrarische) bedrijven; De overige gronden van het voormalige bouwblok krijgen een agrarische of natuurbestemming; Er wordt een inrichtingsplan opgesteld op kosten van de initiatiefnemer, bij voorkeur door de ervenconsulent.
Uit het inrichtingsplan moet blijken dat functieverandering landschappelijk wordt ingericht en ingepast en de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd; Er wordt een overeenkomst gesloten waarin afspraken worden gemaakt over sloop, inrichting, planschade en instandhouding; In beginsel is er geen mogelijkheid om de hobbyboerenregeling toe te passen bij functieverandering. Uitruil van bijgebouwen binnen de ontwikkeling is mogelijk. Dat houdt in dat bij één woning meer bijgebouwen gebouwd mogen worden als bij de andere woning minder bijgebouwen worden gebouwd. Als initiatiefnemer afziet van de mogelijkheid om twee vrijstaande woningen te bouwen en in ruil daarvoor medewerking vraagt om één vrijstaande woning te bouwen kan hij een beroep doen op 150 m² extra bijgebouwen. Als initiatiefnemer afziet van de mogelijkheid om een twee-onder-één-kapwoning te bouwen en in ruil daarvoor medewerking vraagt om één vrijstaande woning te bouwen kan hij een beroep doen op 75 m² extra bijgebouwen. Binnen 6 jaar na bedrijfsbeëindiging moet het verzoek zijn ingediend. De te slopen agrarische gebouwen kunnen alleen meetellen voor de benodigde vierkante meters indien deze gebouwen minimaal 10 jaar agrarisch zijn gebruikt.
Notitie Functieverandering Uitgangspunten voor nieuw functieveranderingsbeleid van agrarisch naar wonen In 2020 is het beleid ten aanzien van functieverandering aangepast. Deze notitie bevat richtinggevende uitgangspunten voor een herijking van het beleid voor functieverandering naar wonen in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. De essentie van deze herijking is een koerswijziging in aanpak: "van het overal in de gemeente zoveel mogelijk faciliteren van functieverandering naar wonen naar een meer gebiedsgerichte en doelmatige functieverandering naar wonen" De ingangsdatum van het beleid in deze notitie is 1 januari 2021 en geldt tijdelijk tot 31 december 2022. De reeds ingediende functieveranderingsverzoeken van voor 1 januari 2021 vallen nog onder de huidige regeling voor functieverandering (overgang). Na twee jaar wordt de herijkte regeling geëvalueerd en zo nodig verlengd en/of aangepast.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
19
Planpecifiek De agrarische bedrijfsactiviteiten op het erf worden beëindigd en de agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarmee verhard oppervlak verdwijnt en de ruimtelijke kwaliteit op het perceel toeneemt. De bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning krijgen de functie plattelandswoning zonder dat omliggende agrarische bedrijven worden beperkt, wat in lijn is met de beleidsdoelstellingen. Voorliggend plan is onderdeel van een maatwerkplan. In ruil voor de sloop op deze locatie mag op een andere locatie een extra woning worden gerealiseerd. Daarmee voldoet het plan aan de voorwaarden van het functieveranderingsbeleid. 3.4.4 Beleid plattelandswoningen De gemeente Nunspeet kent enkele agrarische bedrijfswoningen die zijn vervreemd van het agrarische bedrijf. Er wonen niet langer mensen die werkzaam zijn op het agrarisch bedrijf terwijl het agrarisch bedrijf nog functioneert. Hiermee wordt niet meer voldaan aan het kenmerk van een bedrijfswoning en treden er conflicten op met de milieuwetgeving. Daarnaast is het gebruik van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning ook in strijd met het bestemmingsplan. Landelijk is daarom de Wet Plattelandswoning ontwikkeld. De wet is op 1 januari 2013 in werking getreden. De wet houdt in dat de gemeente het toe kan staan dat bepaalde agrarische bedrijfswoningen ook door burgers mogen worden bewoond.
Omdat het woon- en leefklimaat niet optimaal kan zijn, wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van plattelandswoningen. Dit houdt in dat alleen aan die situaties medewerking wordt verleend waarbij sprake is van een historische vervreemding van de bedrijfswoning. Het is niet de bedoeling dat wordt gefaciliteerd dat een stoppende agrariër zijn bedrijf in delen splitst. Daarom gelden de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4. 5.
voor plattelandswoningen gelden dezelfde bouw- en gebruiksregels als voor bedrijfswoningen; er is sprake van een daadwerkelijk functionerend agrarisch bedrijf; er is sprake van een historische situatie die blijkt uit het feit dat de bedrijfswoning al voor 1 januari 2010 vervreemd is van het agrarisch bedrijf; er is sprake van een voldoende woon- en leefklimaat, waarvan in ieder geval sprake is als een minimale afstand van 25 m wordt aangehouden tussen agrarische bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning; er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Planspecifiek Met voorliggend plan worden de bedrijfswoning en recreatiewoning omgezet naar plattelandswoningen. Aan de bovenstaande voorwaarden ten aanzien van het beleid voor plattgelandswoningen wordt voldaan. Enkel aan de voorwaarde onder punt 3 wordt niet voldaan. Hiervan wordt afgeweken, omdat met behulp van de vrijkomende stikstofreductie met dit plan een bijdrage kan worden geleverd aan een woningbouwontwikkeling elders. Gezien de verbetering van de milieusituatie ter plaatse van het plangebied met het definitief beëindigen van de intensieve veehouderij en het grote algemeen belang van het kunnen realiseren van nieuwe woningen (elders) kan dit plan doorgang vinden ondanks dat niet aan alle voorwaarden van het beleid ten aanzien van plattelandswoningen wordt voldaan.
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
3.4.5 Omgevingsplan Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, meet specifiek het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' (vastgesteld op 21 maart 2024. Op grond van de vigerende planologische situatie heeft het plangebied overwegend de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Over dit gehele bestemmingsvlak is een functieaanduiding 'intensieve veehouderij' gelegen. Daarnaast geldt hier een maatvoering ten aanzien van het maximaal toegestane bebouwd oppervlak (537 m2). Ter plaatse van de recreatiewoning heeft het plangebied de bestemming 'Recreatie Recreatiewoning'.
Verder zijn ter plaatse van het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Voor het gehele plangebied geldt dat deze is gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'overige zone - bed en breakfast buitengebied'. Het gehele agrarische bestemmingsvlak is gelegen in een zone die is aangeduid als 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Tevens gelden een drietal gemeentebrede parapluplannen m.b.t. de volgende onderwerpen: parkeren, bed & breakfast en onzelfstandige bewoning. Navolgende afbeelding geeft de vigerende planologische situatie weer.
Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
21
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Ter plaatse van de bestaande agrarische bedrijfswoning en recreatiewoning zijn geen mogelijkheden opgenomen om deze in gebruik te mogen als plattelandswoning. Daarmee is onderhavig initiatief in strijd met het omgevingsplan. De hoeveelheid bebouwing blijft wel binnen de reeds bestaande kaders en levert daarmee geen strijdigheid op. Met onderhavig initiatief wordt het gebruiksrecht voor de woningen vastgelegd. Tevens wordt met voorliggend plan het agrarisch bedrijf wegbestemd. 3.4.6 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
4.1
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow); Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen.
Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van het waterschap Vallei en Veluwe. Ten aanzien van de ontwikkeling is digitaal wateradvies opgevraagd middels het wateradvies.nl (zie bijlage 1). Hieruit komt enkel een algemeen advies naar voren met betrekking tot het plan. Omdat met het plan juist bebouwing wordt gesloopt, verharding wordt verwijderd en voor een deel bestaande bebouwing wordt benut , is er sprake van een positief effect op de waterhuishouding. Het treffen van bergingsmaatregelen is niet nodig voor het plan. Ook zijn effecten met betrekking tot beschermde waterkeringen/watergangen uitgesloten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
23
4.2
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden. Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen.
In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Planspecifiek Met onderhavig initiatief wordt de mogelijkheid voor het uitoefenen van een intensieve veehouderij op de locatie beëindigd. Dit betekent een vermindering van de milieubelastende activiteiten ter plaatse van het plangebied. Daarmee treedt voor milieugevoelige objecten in de omgeving een verbetering op van de situatie. De bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning worden omgezet naar plattelandswoningen. Hiermee worden geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. De omzetting ervan naar plattelandswoningen levert daarmee geen verandering op van de situatie. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.3
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek Het omzetten van de bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning naar plattelandswoningen leidt niet tot het toevoegen van een nieuwe bodemgevoelige functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting; het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).
De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
25
bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 51468751_56114, gelegen aan de N310 ten oosten van het plangebied .In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide)
PM10 (fijnstof)
8,0 µg/m3
14,0 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 7,5 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.5
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw
Standaardwaarde
Grenswaarde
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
2,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m
35,0 ouE/m3
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).
Planspecifiek Met onderhavig initiatief worden de agrarische bedrijfsactiviteiten in het plangebied definitief beëindigd. Dit betekent een vermindering van de geurbelasting ter plaatse. De bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning worden omgezet naar plattelandswoningen. Hiermee worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
27
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen.
In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.
de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
5. 6.
van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).
De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Geluidsaandachtsgebied Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Breedte (m) 100 200 350 200 350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek De bestaande bedrijfswoning is in de huidige situatie reeds een geluidgevoelig object. Omzetting naar een plattelandswoning levert daarmee geen verandering op met betrekking tot dit aspect. De om te zetten recreatiewoning betreft wel een nieuw geluidgevoelig object. De locatie is gelegen aan de Kleine Kolonieweg, een smalle straat met een beperkte verkeersintensiteit met minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De weg heeft daarmee geen geluidsaandachtsgebied. De weg wordt vrijwel uitsluitend gebruikt voor de ontsluiting van de aan deze weg gelegen erven, niet voor doorgaand verkeer. Hierdoor is de geluidbelasting afkomstig van verkeer over deze weg ook beperkt en heeft wegverkeersgeluid geen relevante invloed op het woon- en leefklimaat. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
29
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk.
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Op de risicokaart is zichtbaar dat het plangebied zich niet in de omgeving van risicobronnen bevindt. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied of PR-contour. Er hoeft om die reden niet nader ingegaan te worden op het groepsrisico. Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.8
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.
Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
31
Planspecifiek In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.