CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 11 Bijlage Bestemmingsplan Elspeterbosweg 7

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Elspeterbosweg 7 in Vierhouten (hamerstuk).32.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hieruit blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van verkeerslawaai op de Elspeterbosweg inclusief de aftrek voor stiller verkeer 46 dB bedraagt. De Elspeterbosweg is een 30 km weg en heeft geen wettelijke zone. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor wat het wegverkeerslawaai. Voor het hiervoor genoemde rapport van de ODNV “Ontwikkelingsmogelijkheden Elspeterbosweg 7-9 Geluid” (ODNV Z-19-204354, versie 06) van 14 april 2020, zie Bijlage 2 bij deze Toelichting.

Akoestische aspecten op het plangebied van met name twee nabijgelegen horecabedrijven Op basis van de geluidsberekeningen volgens het rapport van de ODNV “Ontwikkelingsmogelijkheden Elspeterbosweg 7-9 Geluid” (ODNV Z-19-204354), versie 06, van 14 april 2020. is nader onderzoek gedaan, naar met name de geluidhinder vanwege de twee horecabedrijven die in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen, het Hotel-restaurant de Vossenberg, Elspeterbosweg 1, en het Pannenkoekenrestaurant de Boswachter, Elspeterbosweg 11. Naar de genoemde geluidhinder, en met name naar de te nemen geluidsmaatregelen, is nader onderzoek gedaan door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo (N.A.A.) te Assen. Akoestisch onderzoek Noordelijk Akoestisch Adviesburo (N.A.A.) te Assen, rapport d.d. 28 mei 2020 Het plan is voor wat betreft de akoestische aspecten nader onderzocht door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo (N.A.A.) te Assen. Dit op grond van de onderzoekscijfers van de ODNV, volgens het hiervoor genoemde het laatste rapport van de ODNV van 14 april 2020. Het onderzoeksrapport van N.A.A. is genaamd de “Notitie geluidssituatie woningen in plan Elspeterbosweg 7 in Vierhouten gemeente Nunspeet” (d.d. 28 mei 2020). Dit rapport van bureau N.A.A. geeft aan dat bij de beoordeling meerdere aspecten aan de orde zijn, te weten: 1.

Ten eerste moet voor de woningen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening en moet er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Voor die afweging wordt gebruik gemaakt van de systematiek uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Op grond van de type inrichting en de ligging in gemengd gebied is de conclusie dat buitenplanse inpassing mogelijk is en dat verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege kan blijven. (Zie voor deze conclusie met name blz. 15 van het rapport). 2. Ten tweede vragen de inrichtingen een bepaalde geluidruimte, die door de aanwezigheid van de nieuwe woningen niet beperkt mag worden. Voor de afweging hiervan kan aanvullend gebruik worden gemaakt van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De conclusie is dat de inrichtingen kunnen voldoen aan de geluidsgrenswaarden op de nieuwe woningen en ook dat de inrichtingen niet beperkt worden in de geluidruimte. Dat voldaan kan worden aan de grenswaarden Activiteitenbesluit is een gevolg van het uitsluiten van geluid van bezoekers in het Activiteitenbesluit. (Zie voor deze conclusie met name blz. 15 van het rapport). 3.

Wanneer het geluid van bezoekers voor de afweging van een goed woon- en leefklimaat van de woningen toch beoordeeld wordt, dan kunnen een aantal geluidreducerende maatregelen worden genomen zoals het plaatsen van geluidsschermen langs alle geluidsbronnen binnen en op de grens van het plan. Voor wat betreft het parkeren op de locatie buiten het plangebied aan de noordzijde van het terrein voor wonen, kan naar de toekomst toe overwogen worden parkeren op het betreffende terrein mogelijk te maken met een afstand tussen parkeren en wonen van ten minste 10 meter. Ten aanzien van de indeling en geluidwering van de woningen zijn maatregelen mogelijk, die verder uitgewerkt

25

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

4.

5.

kunnen worden in het bestemmingplan en/of in het bouwplan. (Zie voor deze conclusie blz. 15 van het rapport). Voor wat betreft de afweging van het woon- en leefklimaat van de woningen kan worden gesteld, dat sprake is van hogere geluidsniveaus als gevolg van het parkeren van de horecabedrijven en het stemgeluid van kinderen in de speeltuin bij het pannenkoekenrestaurant De Boswachter. Vanuit de woningen gezien wordt daarbij opgemerkt dat sprake is van een gemengd gebied met een recreatieve functie. In rustige perioden zal die recreatieve functie niet tot hogere geluidsniveaus leiden. (Zie voor deze conclusie met name blz. 15 van het rapport). In perioden met verhoogde activiteit, bijvoorbeeld het gebruik van de terrassen en de speeltuin bij het pannenkoekenrestaurant in de zomerperiode, zullen de geluidsniveaus op de woningen hoger worden. Vanwege de wenselijkheid van de woningen op deze locatie, juist in de recreatieve omgeving met de nodige voorzieningen dichtbij, en de grote behoefte aan starters-woningen in Vierhouten, wordt dit geluid op de woningen in deze concrete situatie acceptabel geacht. (Zie voor deze conclusie met name blz. 15 van het rapport).

Voor het onderzoeksrapport van N.A.A. “Notitie geluidssituatie woningen in plan Elspeterbosweg 7 in Vierhouten gemeente Nunspeet” d.d. 28 mei 2020, zie Bijlage 3 bij deze Toelichting.

4.2.3.3 Extra afweging woon- en leefklimaat Hoewel vanuit de VNG Publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" is geconstateerd dat "buitenplanse inpassing" mogelijk is, en dat vanuit de inrichtingen (horecabedrijven) er geen belemmeringen zijn voor de toetsing aan het Activiteitenbesluit, kan voor een goed woon- en leefklimaat voor de woningen nog gekeken worden naar alle geluidsbronnen en het op de nieuwe woningen veroorzaakte geluid. Zie hiervoor het rapport van N.A.A. dat hierbij voor de aangeleverde gegevens gebruik heeft gemaakt van het rapport van de ODNV. Op basis hiervan wordt geadviseerd om geluidsmaatregelen te nemen (zie onderstaande paragraaf). 4.2.3.4 Voorgestelde geluidsmaatregelen De voorgestelde concrete geluidsmaatregelen volgens het Noordelijk Akoestisch Adviesbureau (N.A.A.) zijn volgens paragraaf 4.3 (blz. 14) van het onderzoeksrapport de volgende: I. Geluidsschermen: Vanwege de hogere geluidspieken moeten voldoende geluidsschermen met een hoogte van 2,50 meter worden geplaatst: ten noorden van de woningen over globaal de lengte van het parkeerterrein (behalve langs het gebouw aan de Elspeterbosweg 5). ten zuiden van de woningen langs de gehele terreingrens. Dit zal in de Regels bij de bestemming "Wonen" met twee voorwaardelijke verplichtingen worden geregeld.

Namelijk ten eerste in de bouwregels voor de bestemming "Wonen", namelijk in artikel 6, lid 6.2.5, welke voorwaardelijke verplichting als volgt luidt: a. Daar waar de functieaanduiding 'geluidscherm' op de verbeelding is aangegeven, dient op de aangegeven plaats op de perceelsgrens (perceelsgrenzen) een geluidsscherm met een bouwhoogte volgens de bouwregels van deze bestemming "Wonen" te worden gebouwd. b. Het geluidsscherm, zoals bij lid 6.2.5, onder a, genoemd, zal door de gemeente Nunspeet worden gebouwd c.q. in opdracht van de gemeente Nunspeet worden gebouwd. c. Het geluidsscherm dient daar waar het geluidsscherm op particuliere bouwpercelen wordt gebouwd, door de eigenaren van de bouwpercelen op hun grond te worden geduld. d. Daar waar het geluidsscherm op gemeentegrond is geplaatst bevordert de gemeente de instandhouding van het geluidsscherm. Op locaties waar het geluidsscherm geplaatst wordt op particuliere grond wordt de instandhouding van het geluidsscherm geborgd in privaatrechtelijke overeenkomsten. e. Indien niet aan de verplichtingen, zoals deze zijn geformuleerd in lid 6.2.5, onder a, b, c, en d, wordt voldaan, is het niet toegestaan dat er ten behoeve van de bouwpercelen met de bestemming/functie 'Wonen' voor de bestemming/functie 'wonen' omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen worden verleend.

Ten tweede is er bij de bestemming "Wonen" een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de specifieke gebruiksregels, namelijk in artikel 6, lid 6.4.4, welke als volgt luidt: a. Daar waar de functieaanduiding 'geluidscherm' op de verbeelding is aangegeven, dient op de aangegeven plaats op de perceelsgrens (perceelsgrenzen) een geluidsscherm met een bouwhoogte volgens de bouwregels van deze bestemming "Wonen" te worden gebouwd. b. Het geluidsscherm, zoals bij lid 6.4.4, onder a. genoemd, zal door de gemeente Nunspeet worden

26

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

c. d.

e.

gebouwd c.q. in opdracht van de gemeente Nunspeet worden gebouwd. Het geluidsscherm dient daar waar het geluidsscherm op particuliere bouwpercelen wordt gebouwd, door de eigenaren van de bouwpercelen op hun grond te worden geduld. Daar waar het geluidsscherm op gemeentegrond is geplaatst bevordert de gemeente de instandhouding van het geluidsscherm. Op locaties waar het geluidsscherm geplaatst wordt op particuliere grond wordt de instandhouding van het geluidsscherm geborgd in privaatrechtelijke overeenkomsten. Indien niet aan de verplichtingen, zoals deze zijn geformuleerd in lid 6.4.4, onder a, b, c, en d, wordt voldaan, is het niet toegestaan dat de bouwpercelen met de bestemming/functie 'Wonen' voor de bestemming/functie 'wonen' worden gebruikt.

ook binnen de bestemmingen "Verkeer" en "Tuin" zijn soortgelijke voorwaardelijke voorwaardelijke verplichtingen opgenomen als bij de bestemming "Wonen" (zoals hierboven beschreven). Dit, omdat de geluidsschermen ook binnen deze bestemmingen worden gebouwd en gebruikt.

II. De tweede verdieping (zolder) zal niet voor geluidsgevoelige functies (ruimten) mogen worden gebruikt: De woningen in het plan worden gerealiseerd met een kap. Op de begane grondlaag en op de tweede bouwlaag worden geluidsgevoelige ruimten gerealiseerd, op de eventuele derde bouwlaag zal uitsluitend sprake zijn van een bergruimte of zolder. (Een eventuele verdieping met een waarneemhoogte van 7,50 meter, zoals berekend door de ODNV, vraagt dan ook geen beoordeling, volgens het N.A.A. rapport). Deze derde bouwlaag (zolder) zal niet voor geluidsgevoelige ruimtes mogen worden gebruikt. Dit zal worden geregeld in de Regels van het bestemmingsplan, en wel als volgt: er zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen in de bouwregels van de bestemming "Wonen". Deze voorwaardelijke verplichting luidt als volgt: a. De gebruiksruimtes van de woningen op de 3e bouwlaag (de bergruimtes en/of de zolder(s)) mogen in verband met de geluidseisen niet als geluidsgevoelige ruimtes (zie begrip 1.47), worden gebouwd. b. Indien niet aan de verplichting, zoals in lid 6.2.6, onder a, is geformuleerd, wordt voldaan is het niet toegestaan de woning(en) met de bestemming "Wonen" voor de bestemming/functie wonen te bouwen. Deze voorwaardelijke verplichting is ook opgenomen onder de specifieke gebruiksregels. a.

De gebruiksruimtes van de woningen op de 3e bouwlaag (de bergruimtes en/of de zolder(s)) mogen in verband met de geluidseisen niet als geluidsgevoelige ruimtes (zie begrip 1.47), worden gebruikt. b. Indien niet aan de verplichting, zoals in lid 6.4.5, onder a. is geformuleerd, wordt voldaan, is het niet toegestaan de woning(en) met de bestemming "Wonen" voor de bestemming/functie wonen te gebruiken. III. Dove gevels: Hoewel in het akoestisch onderzoeksrapport van N.A.A. ook de mogelijkheid is geopperd voor het toepassen van "dove gevels" in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh) (zie paragraaf 4.2.3.1.) wordt dit in dit bestemmingsplan niet voorgeschreven voor (de) gevels van de te bouwen woningen. Deze maatregel is niet direct noodzakelijk gebleken.

IV. Voorgeschreven verbeterde geluidwering van de woningen: Gezien de resterende overschrijdingen van de grenswaarden kan de geluidwering van de woningen verbeterd worden naar minimaal 25 dB in plaats van de standaardwaarde conform het Bouwbesluit van 20 dB. Een waarde van 25 dB kan bijvoorbeeld gehaald worden, door gebruik te maken van een mechanisch ventilatiesysteem, of een WTW-unit. In dat geval hoeft geen rekening te worden gehouden met ventilatieopeningen in de gevel, waardoor de gemiddelde geluidwering van de gevel zal toenemen. Anders gezegd, voor de ventilatie is het dan niet noodzakelijk om ramen of roosters open te zetten. Bij een verbetering van de geluidwering van de gevel naar 25 dB zijn op de buitengevel theoretisch “overschrijdingen” van de standaardgrenswaarden mogelijk tot 10 dB. Dit zal worden geregeld in de bouwregels van de bestemming "Wonen" en wel als volgt in lid 6.2.7: a. Bij het verlenen van een Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient aangetoond te worden dat de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering heeft met een minimum van 25 dB. b. Indien niet aan de verplichting, zoals in lid 6.2.7, onder a, wordt voldaan is het niet toegestaan de

27

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) woning(en) met de bestemming "Wonen" voor de bestemming/functie wonen te bouwen. Ook in de specifieke gebruiksregels is hiervoor een regel opgenomen. Dit zal worden geregeld in de Regels van het bestemmingsplan in artikel 6, lid 6.4.6 en wel als volgt: a. Bij het verlenen van een Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient aangetoond te worden dat de uitwendige scheidingsconsructie van een verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering heeft met een minimum van 25 dB. b. Indien niet aan de verplichting, zoals in lid 6.4.6, onder a, wordt voldaan is het niet toegestaan de woning(en) met de bestemming "Wonen" voor de bestemming/functie wonen te gebruiken. 4.2.3.5 Borging van de geluidsmaatregelen De borging van de geluidsmaatregelen, zoals hierboven genoemd, kan worden gerealiseerd door deze als voorschriften / voorwaarden / regels op te nemen in de Regels van het bestemmingsplan voor deze locatie (met name als voorwaardelijke verplichtingen), en ook door de plaats van bijvoorbeeld de geluidsschermen op te nemen op de Verbeelding. De verplichting tot het plaatsen van deze geluidsschermen is geregeld in de Regels met voorwaardelijke verplichtingen (zie bovenstaande paragraaf 4.2.3.4.).

De toetsing aan de Regels en aan de Verbeelding van het bestemmingsplan vindt uiteindelijk plaats bij de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunningen en bij het verlenen van deze omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (bouwvergunningen). De gebruiksregels kunnen door de gemeente worden gehandhaafd, indien bijvoorbeeld de bewoners van de woningen zich niet aan de geformuleerde gebruiksregels houden.

4.2.3.6 Algehele conclusie geluidsaspecten Voor wat betreft de afweging van het woon- en leefklimaat van de woningen kan worden gesteld, dat sprake is van hogere geluidsniveaus als gevolg van het parkeren van de horecabedrijven en het stemgeluid van kinderen in de speeltuin bij het pannenkoekenrestaurant De Boswachter. Vanuit de woningen gezien wordt daarbij opgemerkt dat sprake is van een gemengd gebied met een recreatieve functie. In rustige perioden zal die recreatieve functie niet tot hogere geluidsniveaus leiden. In perioden met verhoogde activiteit, bijvoorbeeld het gebruik van de terrassen en de speeltuin bij het pannenkoekenrestaurant in de zomerperiode, zullen de geluidsniveaus op de woningen hoger worden. Vanwege de wenselijkheid van de woningen op deze locatie, juist in de recreatieve omgeving met de nodige voorzieningen dichtbij, en de grote behoefte aan starters-woningen in Vierhouten, wordt dit geluid op de woningen in deze concrete situatie acceptabel geacht. Hieruit volgt dat na het nemen van de in de paragrafen 4.2.3.3 t/m 4.2.3.5 beschreven geluidsmaatregelen het plan Elspeterbosweg 7 vanwege de geluidsaspecten uitvoerbaar is. Voor het onderzoeksrapport van N.A.A. “Notitie geluidssituatie woningen in plan Elspeterbosweg 7 in Vierhouten gemeente Nunspeet” d.d. 28 mei 2020, zie Bijlage 3 bij deze Toelichting.

4.2.4

Geurhinder

4.2.4.1 Wetgeving geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede soort gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het zogenoemde 'vaste afstandsdieren'. Op grond van artikel 3, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: Als het geen bedrijf is waarvoor een geuremissiefactor is vastgelegd, gelden op basis van artikel 3, lid 2 van de Wgv de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

28

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent ook een zogenoemde "omgekeerde werking". Dat wil zeggen, dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

4.2.4.2 Geurhinder - Planspecifiek Er zijn in de directe nabijheid van het plangebied Elspeterbosweg 7 geen agrarische bedrijven of andere bedrijven die ernstige geurhinder (kunnen) veroorzaken aanwezig. Derhalve is het geuraspect overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.2.5

Milieuzonering

4.2.5.1 Milieuzonering Algemeen Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies, zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waarvoor de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden wordt afgeweken, dient een nadere motivatie te worden gegeven waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. 4.2.5.2 Milieuzonering - planspecifiek Milieuzonering van binnenuit het plangebied Binnen het plangebied worden alleen woningen gebouwd / gepland. Milieuzonering van binnenuit het plangebied is daarom niet aan de orde. Milieuzonering van buiten het plangebied Buiten het plangebied zijn er in de directe omgeving van het plangebied Elspeterbosweg 7 twee horecabedrijven aanwezig.

Dit zijn het hotel-restaurant de Vossenberg, Elspeterbosweg 1 en het pannenkoekenhuis De Boswachter, Elspeterbosweg 11. Het hotel de Vossenberg is op circa 20 meter afstand gelegen van het bouwblok (gevels) van de negen woningen. Het pannenkoekenrestaurant is op circa 10 meter van de gevels van de woningen gelegen. Het belangrijkste aspect is hierbij de potentiële geluidhinder. Gezien de functiemenging is er sprake van een "gemengd gebied". Dat betekent dat de afstand van woningen tot de bedrijven een stap afneemt. Zowel Hotel-restaurant De Vossenberg als het Pannenkoekenrestaurant De Boswachter vallen volgens de VNG Publicatie onder milieucategorie 1 met een afstand van 10 meter i.v.m. geluid. Omdat hier sprake is van een

29

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) gemengd gebied mag voor de afstand rekening worden gehouden met de vermindering van één afstandsstap. Dat betekent dat de milieuzonering 0 wordt, met een afstand van 0 meter. Aangezien hieraan kan worden voldaan, betekent dit dat de bestemmingsplanherziening mogelijk is voor wat betreft dit punt. Overigens wordt voldaan aan de afstand van minimaal 10 meter vanaf de horecabedrijven tot een de gevels van de te bouwen woningen). De conclusie luidt dat er geen belemmeringen zijn in verband met de milieuzoneringen voor de betreffende woningen. De geluidsaspecten zouden een belemmering kunnen zijn. Door maatregelen te nemen worden deze geluidsaspecten / c.q. knelpunten weggenomen (zie paragraaf 4.2.3.).

4.2.6

Externe veiligheid

4.2.6.1 Externe veiligheid - Wetgeving Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking die ontstaan door het transport van, de opslag van, of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het wegvervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en in het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10 -6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico(beleid) bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbare objecten. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR-contour en/of de invloedsgebieden van de GR-contour. Voor inrichtingen geldt daarnaast, dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt, dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

4.2.6.2 Externe veiligheid - Planspecifiek Risicokaart Volgens de risicokaart die in verband met de externe veiligheid is opgesteld, mede voor de gemeente Nunspeet, zijn er geen risicobronnen, zoals Bevi-bedrijven of transportroutes voor gevaarlijke stoffen, in de directe omgeving van het plangebied Elspeterbosweg 7 te Vierhouten aanwezig. Het aspect externe veiligheid is dan ook geen belemmerende factor voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.3

Water

4.3.1

Water - Wetgeving

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog worden gehouden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen, beleidsstukken, en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn: het beleidskader volgens het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, en het Nationaal Waterplan.

30

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Europa De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (2000) gaat ervan uit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater, en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen, en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; en er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Rijk Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheren in Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-)problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's, waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld, hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven.

De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verkoren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Nationaal Bestuursakkoord Water actueel (NBW actueel) In 2003 is door het Rijk, de provincies, de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NB) ondertekend in navolging van het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing, bodemdaling, en verstedelijking, het watersysteem in 2015 op orde te hebben en voor de toekomst op orde te houden. In 2008 werd het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geactualiseerd. Waterwet (2009) Acht bestaande wetten op watergebied, waaronder ook de Wet Gemeentelijke Watertaken, zijn in 2009 vervangen door de Waterwet. Deze Waterwet is inclusief de invoeringsregeling en de invoeringswet op 22 december 2009 in werking getreden. De Waterwet stelt een integraal waterbeheer op basis van de "watersysteembenadering" centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De belangrijkste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name in het ruimtelijke domein.

Verschillende vergunningenstelsels zijn met de invoering van de Waterwet gebundeld tot één watervergunning voor alle handelingen in het watersysteem. Hierin zijn de vergunningenstelsels uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet op de waterhuishouding, de Grondwaterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de verordeningen (de Keur) van de waterschappen samengevoegd. Veel handelingen in het watersysteem vallen onder algemene regels en dan is er geen watervergunning nodig. Een melding is vaak wel noodzakelijk. Vergunningplichtige handelingen volgen uit de Waterwet en ook uit de Keur van het Waterschap (gebaseerd op de Waterwet). Wet Gemeentelijke Watertaken (2008 en 2009) Op 1 januari 2008 trad de Wet Gemeentelijke Watertaken in werking. Nieuw was op dat moment dat de gemeenten hiermee de zorgplicht voor hemelwater en grondwater kregen toebedeeld, terwijl de bestaande gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater enigszins werden aangepast. Bij de hemelwaterzorgplicht gaat het om de verwerking van overtollig hemelwater dat de perceeleigenaar niet zelf kan verwerken. De gemeente dient hiervoor dan een aansluitpunt aan te bieden. De zorgplicht voor het grondwater geldt voor bebouwd gebied. Deze zorg richt zich op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond

31

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) gegeven bestemming. Met deze gemeentelijke zorgplichten blijven particulieren de verantwoordelijkheid houden voor het nemen van maatregelen op eigen terrein. De gemeentelijke taken liggen vooral in de openbare ruimte en bij coördinatie en onderzoek. De zorgplicht voor het grondwater geldt voor bebouwd gebied. Deze zorg richt zich op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van het grondwater. De Wet Gemeentelijke Watertaken (2008) is later weer integraal opgenomen in de bovengenoemde Waterwet van 2009. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is het Nationaal Waterplan, vastgesteld door het Rijk, op basis van de Waterwet Het Nationaal Waterplan verving de vierde Nota Waterhuishouding. In het Waterplan wordt beschreven welk beleid het Rijk voert in de periode 2009-2015 om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan "Waterbeheer 21e eeuw (WB21)".

Dit houdt in, dat voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe Waterwet (22 december 2009).

Waterplan Provincie Gelderland Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema's zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2007 en 2015 er liggen. Hierbij is rekening gehouden met de Europese Kaderrichtlijn Water.

Waterbeheersplan Waterschap Vallei en Eem/Veluwe In de Waterbeheersplannen 2010 - 2015 hebben beide Waterschappen hun ambities en uitvoeringsprogramma's vastgelegd voor de periode 2010 rot en met 2015. De plannen bepalen in grote lijnen de agenda's voor de komende zes jaar. De plannen zijn mede kaderstellend voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied.

Gemeentelijk Waterplan Er is door de gemeentes Elburg en Nunspeet in 2012 / 2013 een "Afvalwaterketenplan" opgesteld. Met de opstelling van dit plan voldoen de gemeentes Elburg en Nunspeet ook aan de wettelijke verplichting tot het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan. De thema's die in het "Afwaterketenplan" zijn gekozen om richting te geven aan de gezamenlijke strategie, zijn de volgende: de keten als één geheel beschouwen; brede scope: afvalwaterketen en watersysteem in relatie tot de buitenruimte; kwetsbaarheid verminderen; beïnvloeden van handelen bewoners en bedrijven.

4.3.2

Watertoets

Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies, en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond, en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen, en uiteindelijk beoordelen, van de in de ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. De "watertoets" is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een

32

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het plan Elspeterbosweg 7 is afgestemd met het waterschap Vallei en Veluwe. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

4.3.2.1 Watertoets - Planspecifiek Beoordeling Afsprakennotitie voor ruimtelijke plannen met mogelijk een groot waterbelang (normale procedure) (dossiercode 20210204-10-25470) d.d. 4 februari 2021 (Zie Bijlage 6 bij deze Toelichting). Binnen het plangebied liggen een of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat mogelijk daarmee primaire waterbelangen worden geraakt.

Afbeelding 4.1:

Kaart i.v.m. de watertoets

"Over de hierboven genoemde primaire belangen wil het waterschap graag in gesprek met de initiatiefnemer van het plan, Omdat er meer dan 1.500 m2 toename van verhard oppervlak wordt gerealiseerd is ook het realiseren van waterberging een agendapunt. Binnen twee weken wordt u benaderd voor het plannen van een overleg" (e-mailbericht d.d. 4 februari 2021). Zie hieronder bij het kopje "Overleg (telefonisch) met het waterschap over het project Elspeterbosweg 7". Aandachtspunten Naast de primaire waterbelangen zullen in het overleg ook een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water aan de orde komen.

Algemene aandachtspunten

33

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen, adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond, - en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.

Dit kan door andere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij (dat is het Waterschap) vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Riolering Binnen het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Dit betekent dat het schone hemelwater wordt afgekoppeld van het vuilwater dat via de vuilwater riolering wordt afgevoerd richting de RWZI. Overleg (telefonisch) met het waterschap over het project Elspeterbosweg 7 Door het waterschap is naar aanleiding van de ingediende digitale watertoets telefonisch contact opgenomen. Met het Waterschap Vallei en Veluwe (mevrouw J. de Ruijter) is het plan telefonisch doorgesproken. De conclusie was dat het perceel zich niet goed leent voor extra aanleg van oppervlaktewater. Wel moeten de infiltratie van het regenwater goed geregeld worden.

Conclusie Aangezien aan de criteria volgens de Watertoets wordt voldaan kan het project Elspeterbosweg 7 voor wat betreft dit aspect "Watertoets" worden uitgevoerd.

Voor de Watertoets van het waterschap Vallei en Veluwe, (dossier 20210204-10-25470) d.d. 4 februari 2021, zie Bijlage 6 bij deze Toelichting

4.4

Ecologie

4.4.1

Ecologie Wetgeving

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Dit valt onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming (Wnb) ook van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet een ontheffing of een vrijstelling worden aangevraagd. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming richt zich op de bescherming van gebieden. In de Wet natuurbescherming

34

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) (Wnb) zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd: Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden); Beschermde Natuurmonumenten; Wetlands. Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is. De EHS bestaat niet meer als zodanig. Daarvoor is de NNN (Natuurnetwerk Nederland) en het GNN (Gelders Natuurnetwerk) in de plaats gekomen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt (ook) de bescherming (onder meer) van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming.

De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor veel soorten geldt dat indien deze zorgplicht wordt nagekomen een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

4.4.2

Ecologie - Planspecifiek

Voordat ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden dient er eerst een onderzoek te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en eventueel andere natuurregelgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of de flora en fauna. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Gelders Natuur Netwerk (GNN). Ook de soortenbescherming wordt geregeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Gezien de afstand, de functieverandering naar wonen, en het relatief kleinschalige karakter van de ingreep, wordt beoordeeld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van zowel de Natura 2000-gebieden als van het GNN (zie hiervoor paragraaf 4.4.2.2.). Soortenbescherming Voor wat betreft de soortbescherming is ook de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of de flora en fauna. Indien hiervan wel sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

4.4.2.1 Beschermde soorten Er is allereerst door Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur te Ermelo een bureau-onderzoek naar soorten uitgevoerd op 9 maart 2017. Op 26 januari 2021 is er een veldonderzoek uitgevoerd.

Effecten van het plan op de Flora en Fauna Door het hiervoor genoemde bureau Groenewold is onderzoek verricht naar onder meer de flora en fauna die binnen het plangebied voorkomen.

35

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Vaatplanten De onderzoeksresultaten zijn als volgt. Het perceel bestaat uit een braakliggend stuk grond met veel opslag van braam. Er zijn alleen algemene soorten aangetroffen, zoals smalle en brede weegbree, paardenbloem, braam, grote kaardebol, ronde ooievaarsbek, en diverse grassen. Er staat 1 grote berk op het terrein. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Volgens het onderzoeksrapport is er bij verdere realisatie van de plannen geen sprake van overtreding van artikel 3.5 of 3.10 van de Wet natuurbescherming (Wnb), en is het aanvragen van een ontheffing voor de nog aanwezige flora niet nodig. Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen Volgens het onderzoeksrapport zijn er tijdens het veldbezoek van 26 januari 2021 geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Dat was gezien de tijd van het jaar ook niet te verwachten. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op het terrein is het niet geschikt als voortplantingsgebied voor amfibieën en libellen. Het gebied is geen typisch leefgebied voor reptielen of de in de gegevens van de NDFF genoemde beschermde vlindersoorten. Er zijn daarmee door realisatie van de plannen geen negatieve effecten te verwachten op deze soortgroepen. Een ontheffing op grond van de artikelen 3.5 of 3.10 van de Wet natuurbescheming (Wnb) is voor deze soortgroepen niet nodig.

Zoogdieren Volgens het onderzoeksbureau zijn er uit de wijdere omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van das, boommarter, en eekhoorn. Er zijn in het plangebied geen zoogdieren, verblijfplaatsen of sporen daarvan aangetroffen of te verwachten. Het gehele terrein is afgerasterd door meer dan een meter hoog hekwerk, met uitzondering van de ingang aan de Elspeterbosweg. Daarmee is er feitelijk geen toegang voor soorten als das en vos van de oostzijde of de buurpercelen. Op basis van de lokale situatie verdwijnen er bij realisatie van het plan met zekerheid geen beschermde verblijfplaatsen. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland. Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens zoals de NDFF komen er in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger, en de rosse vleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb), dit op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging.

Er zijn geen grote bomen met holtes of gebouwen aanwezig in het gebied. Met de realisatie van het onderhavige plan verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Er vindt geen aantasting plaats van (potentieel) onmisbare vliegroutes en fourageergebied. Er is als gevolg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten op vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) is voor vleermuizen niet nodig. Vogels algemeen Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten vogels in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende soorten in of om het plangebied gezien of gehoord: houtduif, koolmees, merel, en roodborst. Er is gelet op mogelijk jaarrond beschermde nestplaatsen, zoals bijvoorbeeld van uilen, maar die zijn met zekerheid niet in het plangebied aangetroffen. In de ondergroei van de bramen kan het zijn dat vogels als roodborst, heggemus, merel, of winterkoning tot broeden komen. Alle broedende vogels zijn beschermd. Het bouwrijp maken moet daarom plaatsvinden buiten de broedtijd.

In het algemeen geldt, dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart - 15 juli (huismus 15 augustus)) sterke negatieve invloeden effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (artikel 3.1 Wet natuurbescherming [Wnb]). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (artikel 3.1, lid 5 Wet natuurbescherming [(Wnb)]. Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dit niet mogelijk,

36

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld) dan dient aantoonbaar zijn onderzocht (door een deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijvoorbeeld met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broedvogels) in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na de realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging plaats zal vinden en dat de uitvoering elk geval wordt gestart buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk, dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (door een deskundige ) dat er geen vernietiging van nesten, eieren, of jongen zal plaatsvinden. Overige soorten Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten.

Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.

4.4.2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Artikel 2.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Wet natuurbescherming (Wnb) sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn en in de Habitatrichtlijn. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (NNN en GNN) (andersom is dat niet het geval). Het Natura 2000-gebied de Veluwe ligt op circa 215 meter ten zuiden en op circa 396 meter ten westen van het onderhavige plangebied. Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor onder andere het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel, en de Kamsalamander. Stikstofdepositie Het Natura 2000-gebied de Veluwe heeft diverse habitats die gevoelig zijn voor verzuring.

Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. In de voorliggende situatie zijn met behulp van het rekenprogramma Aerius (versie 2020) berekeningen gemaakt van de te verwachten stikstofdepositie in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Hoewel het hier, in de zin van de Wnb, primair gaat om de beoordeling van een plan, is voor de berekening toch aangesloten bij de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen. Op die wijze is het mogelijk om tegelijkertijd ook de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect inzichtelijk te maken. De nieuwe situatie betreft in totaal 9 nieuwe woningen. Deze woningen worden gasloos uitgevoerd waardoor alleen transportbewegingen bijdragen aan de stikstofemissie. Voor de verkeersgeneratie is aangesloten bij de CROW publicatie 381. De situatie is ingevoerd in Aerius 2020. Daarmee is er geen depositie berekend boven de 0.00 mol/ha/jaar. De gebruiksfase levert daarmee geen significante bijdrage aan de stikstofdepositie. Ook de aanlegfase is in beeld gebracht. Dat bestaat bij dit project uit het bouwrijpmaken en de realisatie van de negen nieuwe woningen. De gegevens zijn ingevoerd in Aerius 2020. Uit de verkeerresultaten blijkt dan dat bij de aanleg een stikstofdepositie is berekend van 0,05 mol/ha/jaar.

Conform het beleid van de provincie Gelderland is een tijdelijke bijdrage van =0.05 of <0,05 mol/ha/jaar niet significant als dit korter duurt dan 2 jaar en dit het gevolg is van transportbewegingen en mobiele werktuigen (zie ook de website van de provincie BIJ12.nl). Deze bronnen maken onderdeel uit van de totale stiktofdeken. Daarmee zal het project niet leiden tot significant negatieve effecten. Nader onderzoek en een vergunning Wet natuurbescherming (Nbw) is daarmee niet nodig.

37

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

4.4.2.3 Gebiedsbescherming Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) Naast de toetsing op Natura 2000-gebied vindt er separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn er Groene Ontwikkelzones aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijke verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied Elspeterbosweg 7 ligt buiten het GNN en de GO. De oostzijde van de tuinen van de tweekapper grenst op de oostzijde van het perceel wel aan het GNN. Voor het GNN geldt geen zogenoemde "externe werking". De planrealisatie heeft geen effecten op de natuurwaarden van het GNN en de GO. Eén van de kernwaarden van de GNN is de "Veluwe donker en stil". Vanuit de zorgplicht is daarom het advies om onnodige verlichting richting de GNN te voorkomen en de buitenlampen alleen te laten afstralen naar beneden en niet na 23.00 uur. Verder onderzoek of een ontheffing zijn niet nodig.

Conclusie Geconcludeerd kan worden, dat er vanuit het belang van de flora en fauna en vanwege de natuurbescherming in het algemeen, geen negatieve effecten zijn te verwachten door de voorliggende ontwikkeling. Voor het onderzoeksrapport "Quickscan Natuur Woningbouw Elspeterbosweg 7-9 Vierhouten, Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur d.d. 27 januari 2021, zie Bijlage 5 bij deze Toelichting.

4.5

Bezonningsonderzoek

4.5.1

Bezonningsonderzoek - Regelgeving

Van belang is dat voor bezonning en schaduwwerking geen wettelijke eisen bestaan. Over algemeen worden TNO-normen gehanteerd als beoordelingskader voor bezonning. TNO hanteert twee normen, een lichte norm en een strenge norm. De strenge norm: 3 uur zon per dag (niet aansluitend), in de periode van 21 januari tot en met 22 november; in het midden van de vensterbank, binnenkant raam. De lichte norm: 2 uur zon per dag (niet aansluitend) in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober; in het midden van de vensterbank, binnenkant raam.

4.5.2

Bezonningsonderzoek - Planspecifiek

Door Van Bokhorst Architecten BNA is een bezonningsstudie gedaan. De resultaten daarvan zijn in onderstaande afbeelding zichtbaar gemaakt.

38

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Afbeelding 4.2

Bezonningsstudie van Bokhorst Architecten BNA

Er is een bezonningsstudie uitgevoerd voor het project Elspeterbosweg 7 te Vierhouten. Uit dit onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de bezonningsnormen van TNO. In de periode van maart tot en met september is er niet of nauwelijks schaduwwerking op het pand Elspeterbosweg 5, het enige pand in de directe omgeving van het plangebied dat een "woonbestemming" heeft.

Voor de bezonningsstudie, zie ook Bijlage 7 bij deze Toelichting.

4.6

Verkeer

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plan Elspeterbosweg 7 takt met de ontsluitingsweg direct aan op de Elspeterbosweg. De toename van het verkeer zal bestaan uit het autoverkeer naar en vanaf de negen nieuwe woningen, die worden gerealiseerd. Het perceel Elspeterbosweg 7 werd voor de uitvoering van het plan voor de negen woningen gebruikt als parkeerplaats voor toeristische bezoekers aan Vierhouten met name ten behoeve van het pannenkoekenrestaurant Elspeterbosweg 11. Door de negen nieuwe woningen zal de verkeerstoename er niet zijn, dan wel zal deze gering zijn.

39

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

4.7

Cultuurhistorie en archeologie

4.7.1

Cultuurhistorie

4.7.1.1 Cultuurhistorie - Wetgeving Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6, onder 2, van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Denk hierbij aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van de cultuurhistorie is de archeologie.

Erfgoedwet De nieuwe Erfgoedwet is d.d. 8 februari 2016 in werking getreden.

4.7.1.2 Cultuurhistorie - Planspecifiek Historische geografie De naam Vierhouten (vroeger "Vierholten") is afkomstig van vier "foreesten" of wouden. Het dorp ligt vrijwel geheel ingesloten door de Veluws bossen, tussen Elspeet, Nunspeet, en Vaassen. Vierhouten is de kleinste kern in de gemeente Nunspeet en is ontstaan op de kruising van de Nunspeterweg/Gortelseweg met de Elspeterbosweg. Het dorp is ontstaan als enkdorp. Tot aan de negentiende eeuw was de bevolking in de omgeving van het plangebied arm en bestond deze voornamelijk uit kleine boeren, schaapherders, dagloners en eekschillers die vaak in plaggenhutten leefden (rapport van de Steekproef blz. 12, met een verwijzing naar Exaltus 2014 1). Woeste gronden werden gebruikt voor het hoeden van schapen. Plaggenbemesting maakte het mogelijk om bepaalde akkers (enken) intensief te gebruiken voor de teelt van rogge. Totdat in het begin van de twintigste eeuw grote delen heide en stuifzand werden bebost, werd het dorp bedreigd door oprukkende stuifzanden. Op de topografische kaart van de Veluwe en Veluwezoom uit 1802 - 1812 van De Man wordt Vierhouten "Vierholte" genoemd. Ten noorden van het dorp ligt een stuifzandgebied. Het plangebied ligt aan de "Weg na Zwolle" en er staat op die kaart geen bebouwing weergegeven. Het plangebied Elspeterbosweg 7 ligt in de oude historische dorpskern van Vierhouten.

Door het bemesten van de bouwlanden met potstalmest zijn de akkers van Vierhouten hoger komen te liggen en is de dorpsenk ontstaan. Door de ophoging kunnen archeologische waardengoed bewaard zijn gebleven. Rondom het dorp Vierhouten is een groot aantal grafheuvels bekend.

40

bestemmingsplan ELSPETERBOSWEG 7 (vastgesteld)

Afbeelding 4.3:

Historische kaart uit 1802-1812 (De Man) (Ontleend aan blz. 12 van het rapport van De Steekproef)

Op de kadastrale minuut uit 1832 bestaat het noordwestelijke deel van het plangebied uit bos en de rest is in gebruik als bouwland. Er is op deze kaart geen bebouwing weergegeven. Op de historische topografische kaarten is de ontwikkeling van de dorpskern Vierhouten en de bebouwing in het plangebied duidelijk te volgen. Op de kaart uit 1850 staat de kruising van de Nunspeterweg / Gortelseweg met de Elspeterbosweg weergegeven met enkele boerderijen. Rond 1850 tot circa 1940 was het grootste deel van het plangebied in gebruik als bouwland en was er een bos aanwezig. Vanaf 1940 tot circa 2010 is het plangebied bebouwd met meerdere losse gebouwen. Vanaf 2010 is alle bebouwing op het perceel gesloopt.

4.7.2

Archeologie

4.7.2.1 Archeologie wetgeving Het groeiende besef dat de toenemende ruimtelijke ontwikkelingen - en de bodemingrepen die daarmee gepaard gaan - op termijn het bodemarchief vernietigen, heeft in 1992 geleid tot de Conventie van Valletta (Verdrag van Malta). In dit Europese verdrag is vastgelegd dat het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter beschermd moet worden. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. In Nederland is het verdrag van Malta geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet is op 1 september 2007 van kracht geworden. Door middel van de Wamz is de omgang met het bodemarchief verankerd in onder andere de Monumentenwet 1988 (nu de nieuwe Erfgoedwet, in werking getreden d.d. 8 februari 2016) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis hiervan zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet (nu de nieuwe Erfgoedwet, in werking getreden d.d. 8 februari 2016) kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10564956/1