23. AP 6a. Bijlage Zienswijzennota BPL geanonominiseerd
Tekst van het document
18.13 18.14
- 50 De effecten van fijnstof op de bestaande woningen als gevolg van de toename van verkeer zijn niet onderzocht.
De bijdrage van het plan aan verslechtering van de luchtkwaliteit is onderzocht in paragraaf 4.1.2 van de toelichting van het bestemmingsplan.
In paragraaf 4.1.2 van de toelichting wordt ingegaan op de omvang van het plan ten aanzien van de woningen met een ontsluitingsweg bij die wijk, maar niet op de herstructurering van de Bovenweg. Deze heeft door de lengte van het tracé een groter ruimtelijke uitstraling, dan geldt als ware het een ontsluitingsweg bij een woonwijk zoals bedoeld in de regeling NIBM. In casu gaat het echter ten minste om een verdrievoudiging van het verkeer op de Bovenweg, over een lengte die veel grotere is dan de ontsluiting van de nieuwe wijk. De gevolgen hiervan op bestaande woningen in het kader van aanvaardbaar woon- en leefklimaat lijken in het geheel niet beoordeeld te zijn. Er is geen onderzoek gedaan naar externe invloeden van verkeer door maatschappelijke functies, welke getuige de toelichting een bovenlokale aantrekkende werking zouden moeten hebben en reeds om die reden het standpunt niet opgaat dat dit past in de regeling NIBM.
Het realiseren van de woonwijk met school en buurtfuncties is gezien de verkeersgeneratie en het feit dat er één ontsluitingswet is, aan te merken als NIBM, zoals in paragraaf 4.1.2 van de toelichting van het bestemmingsplan is onderbouwd.
18.15
De herstructurering van de Bovenweg leidt tot een toename van het verkeer en dit leidt tot een toename van geluidsproductie op bestaande woningen.
De invloed van de toename van het verkeer op de geluidbelasting op bestaande woningen is onderzocht. De conclusie is dat er sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
18.16
Volgens paragraaf 4.1.3 van de toelichting is sprake van een stijging van de geluidbelasting op vrijwel alle woningen langs het tracé, in elk geval die van indieners. Er geldt een toename van meer dan of exact 2 dB. Voor toepassing van een besluit hogere waarde alsook een goede ruimtelijke ordening moet getoetst worden aan relevant beleid van de regio Noord Veluwe (Beleidskader geluid & bestemmingsplannen). Hieraan is niet getoetst en dus is het onderdeel geluid onvoldoende gemotiveerd.
Het akoestisch onderzoek is conform de Wet geluidhinder (Wgh) opgesteld. Het beleidskader geluid & bestemmingsplannen van regio Noord Veluwe wijkt qua definities, systematiek en beoordeling van een reconstructie niet af van de Wgh.
De effecten op het aantal verkeersbewegingen vanwege de verkeerskundige ingrepen die samengaan met het plan (de herstructurering van de Bovenweg en de afsluiting van de Oude Zeeweg en Molenweg) zijn beperkt en zijn daarmee tezamen met de verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe functies aan te merken als NIBM. Met verkeer vanwege de maatschappelijke functies is rekening gehouden in het onderzoek naar de verkeersgeneratie. Zie ook reactie op zienswijze 18.12 punt 3.
Enige dat niet conform het regionale beleid is, is dat geen GES score is bepaald. Deze GES score heeft echter geen consequenties. De Ges score is in 2000 ontwikkeld door de GGD maar is in 2022 door de GGD teruggetrokken als beoordelingsinstrument omdat het niet langer voldeed. Het bepalen van de GES score is dan ook niet van toegevoegde waarde voor het plan. Conclusie is dat het plan zorgvuldig is gemotiveerd op het onderdeel geluid.
18.17
- 51 In bijlage 5 van de toelichting (akoestisch onderzoek) zijn verschillende onjuiste of onduidelijke uitgangspunten genomen. In tabel III.1 is de uiteindelijke verkeersgeneratie door het plan slechts vastgesteld op 4586. Dit strookt niet met de elders aangehouden 6000 verkeersbewegingen, zeker niet in ogenschouw nemende dat 750 woningen normaliter tot ca. 12.000 verkeersbewegingen leidt (ECLI:NL:RVS:2014:2306).
De verkeersaantallen waarmee is gerekend in het akoestisch onderzoek zijn tot stand gekomen op basis van de verkeersgeneratie zoals bepaald in het door Goudappel opgestelde verkeersmodel inclusief het plan ’t Hul Noord. Daarbij is de verkeersintensiteit op de Bovenweg met autonome groei omgerekend tot de verkeersintensiteit in 2034. Deze intensiteit is vergeleken met de verkeersintensiteit in 2023 zonder het plan ’t Hul Noord. Verder haalt indiener een uitspraak aan en stelt dat op basis daarvan de verkeersbewegingen circa 12.000 zouden bedragen De aangehaalde uitspraak is echter niet relevant, want gaat niet over een woningbouwontwikkeling. De genoemde aantallen worden in de uitspraak ook niet genoemd.
18.18
Ter plaatse van de cliënten is sprake van een extra parallelweg. De cumulatieve geluidbelasting van de parallelweg en de hoofd weg is niet beoordeeld.
Het aantal motorvoertuigen op de parallelweg is naar inschatting minder dan 10% van het verkeer op de Bovenweg en daardoor akoestisch niet relevant. Het akoestisch onderzoek is, ook op dit onderdeel, zorgvuldig tot stand gekomen.
18.19
Voor het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ten aanzien van geluid niet alleen de hoogte, maar ook de intensiteit van belang. Dit is niet onderzocht.
Het is onduidelijk wat indiener hiermee beoogt te stellen. Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen.
18.20
In paragraaf 6.4 van het onderzoek (bijlage 5 akoestisch onderzoek) is niet onderzocht waarom de maximumsnelheid niet omlaag kan. Dat de weg in het buitengebied ligt, is geen argument. Bovendien kan gesteld worden dat de weg, door de ontwikkeling, als liggend binnen de ruimtelijke bebouwde kom moet worden aangemerkt.
De minimale maximumsnelheid buiten de kom bedraagt 60 km/u. Onder de Wgh bepaalt het kombord de grens van de bebouwde kom. Gelet hierop is er geen aanleiding om een snelheidsverlaging te onderzoeken.
18.21
Er is geen onderzoek verricht naar zogenoemde ‘ontvangermaatregelen’ .
Ontvangermaatregelen zijn maatregelen aan de woning. Onderzoek naar evt. benodigde ontvangermaatregelen is pas aan de orde als sprake is van een reconstructie. Zie verder de reactie op zienswijze 18.22.
18.22
In paragraaf 6.6 van het onderzoek is opgenomen dat het college een goed binnenklimaat moet bevorderen. Onduidelijk is hoe het college dat gaat doen. Dit zorgt voor rechtsonzekerheid.
Het college zal na aanleg van de Bovenweg een onderzoek uitvoeren naar de maatregelen die nodig zijn om te zorgen dat de binnenwaarde van 33 dB in de woningen niet wordt overschreden. Eventuele geluidsmaatregelen worden in principe op kosten van de gemeente aangebracht.
- 52 -
18.23
Op grond van figuur 6 in bijlage III bij het onderzoek rijst de vraag of het rode lijntje niet te ver van de woning ligt. De lijn lijkt zo te zijn gelegd dat deze zo ver mogelijk van de woning van indieners af komt te liggen, met een resultaat dat men precies beneden de 53 dB blijft.
De lijn wordt bepaald door de ligging van de as van de weg. De suggestie van indieners is dan ook onjuist.
18.24
De mate van geluidsbelasting in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de tuin bij de woning van cliënten had ook getoetst moeten worden (ECLI:NL:RVS:2014:2306).
Bij reconstructies wordt gekeken naar de toename van de geluidbelasting op de gevels van woningen. De uitspraak waarnaar indieners verwijzen is hier niet van toepassing. De verblijfsruimten in de tuin liggen aan de achterzijde van de woning. De Bovenweg komt verder van de woning af te liggen en op de woning zelf de geluidsbelasting (op 1,5 meter hoogte) met maar 0,6 dB toeneemt. En dat daarmee geen sprake is van een significante aantasting van het woon- en leefklimaat.
18.25
Het akoestisch onderzoek is onvolledig en kan derhalve het plan niet dragen.
Gezien de reacties op zienswijzen 18.16 tot en met 18.24 is het akoestisch onderzoek voldoende om het bestemmingsplan vast te stellen.
18.26
Door gebreken is niet getoetst of überhaupt nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gevolgen van de toename van fijnstof en geluid zijn namelijk niet, niet volledig en of niet juist getoetst. Een verdrievoudiging (of meer) van toename van verkeer voor een woning, met inbegrip van een rotonde met alle daarbij behorende verkeersbewegingen, leidt ontegenzeggelijk tot een vermindering van het woon- en leefklimaat.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is uitgebreid onderzoek gedaan naar de effecten van het bestemmingsplan op het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Uit de onderzoeken blijkt dat het bestemmingsplan op onderdelen nadelige gevolgen heeft, bijvoorbeeld door en toename van de geluidbelasting bij enkele woningen. Uit de onderzoeken blijkt ook dat dit geen onevenredig nadelige gevolgen zijn Het goede woon- en leefklimaat blijkt ook na uitvoering van het bestemmingsplan gehandhaafd.
18.27
De belasting door andere deeltjes in de lucht, zoals stikstofdioxiden, is als onderdeel van woon- en leefklimaat niet getoetst.
In paragraaf 4.1.2 van de toelichting van het bestemmingsplan is de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit beoordeeld, met als conclusie dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt.
18.28
Het aspect volksgezondheid is niet getoetst. Indiener geeft aan dat op grond van het voorzorgbeginsel en het specialiteitsbeginsel ex artikel 3:4 Awb dit had gemoeten.
Volksgezondheid is veelal een combinatie van milieuaspecten die in de toelichting uitgebreid zijn besproken. In het onderhavige geval wordt geen ontwikkeling toegestaan die op zichzelf nadelige gevolgen heeft voor de volksgezondheid. Het betreft immers de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk.
- 53 Door de uitgebreide toetsing van de milieuaspecten kan ook vastgesteld worden dat het bestemmingsplan geen negatieve impact heeft op de volksgezondheid. combi van allerlei milieuaspecten, die in toelichting toegelicht zijn. 18.29
Door de ligging van de weg ontstaat volgens indiener meer inkijk in de tuin. Privacy vormt een onderdeel van de mate waarin cliënten prettig kunnen wonen en verblijven, in en om de tuin en het huis.
De hoofdweg (Bovenweg) komt door de reconstructie verder van de woning af te liggen. Op de positie van de huidige weg komt ter hoogte van deze woning een parallelweg te liggen. Niet duidelijk is waardoor er meer inkijk in de tuin zou ontstaan. Deze nieuwe parallelweg heeft een aanzienlijk lagere verkeersintensiteit at de voormalige doorgaande weg. Gelet hierop is er naar onze mening geen sprake van vermindering van privacy.
18.30
In paragraaf 4.1.5 wordt getoetst aan de richtafstanden als ware het een manege. Dit is volgens indiener onjuist nu er ten aanzien van dierenverblijven getoetst had moeten worden aan de artikelen 3.46, 3.11 t/m3.119 Activiteitenbesluit milieubeheer.
In paragraaf 4.1.4 van de toelichting van het bestemmingsplan wordt het aspect geur getoetst. De overige aspecten van milieuzonering worden in paragraaf 4.1.5 getoetst. De VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft voor alle type agrarische bedrijven maximaal een richtafstand van 50 meter voor de aspecten niet zijnde geur. Daarmee is er juist getoetst op het aspect milieuzonering.
18.31
Ten aanzien van het aspect water merken cliënten het volgende op: - In paragraaf 4.2 van de toelichting wordt gesteld dat de oppervlakte van het deel van de Bovenweg dat in het plangebied betrokken is, 0,67 ha bedraagt. Dat is in werkelijk volgens indiener meer, met een grove meting komen cliënten tot ca. 3 ha. - Daarmee klopt volgens indiener de berekende bergingscapaciteit niet. De aan te leggen wadi’s zijn niet in het plan opgenomen en evenmin is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waaruit zou volgen dat de weg pas mag worden aangelegd nadat vast is komen te staan dat in voldoende bergingscapaciteit voorzien is. Dit leidt volgens indiener tot een probleem voor waterafvoer, wat vervolgens kan worden opgevangen in de tuin van cliënten. - Het gestelde in paragraaf 4.2 stemt niet overeen met het structuurmodel uit bijlage 2.
Er is een kennelijke verschrijving in de toelichting. De woonwijk heeft een oppervlakte van circa 40 hectare en de Bovenweg van circa 6,7 hectare.
18.32
18.33
- 54 In paragraaf 4.3 staat het aspect ecologie. De maatregelen voor de ‘big five’ uit het structuurmodel worden buiten behandeling gelaten. Op het onderdeel soortenbescherming is het plan onvoldoende gemotiveerd. Als het behoud van soorten en het creëren van habitats voor deze soorten onderdeel uitmaken van de motivering van het besluit, dan dient deze ook geborgd te zijn.
In de voortoets wordt voor het aspect stikstof gewerkt met interne saldering van een veehouderij. Nergens is vastgelegd dat ook werkelijk beschikt wordt over deze salderingssituatie via bijvoorbeeld een koopovereenkomst of iets van dien aard.
In de Quickscan Wet natuurbescherming en het nader onderzoek is onderzocht of er negatieve effecten zijn op beschermde soorten. Daarbij is per soortgroep een oordeel gevormd. De ‘big five’ zijn onderdeel van deze soortgroepen. De habitats voor deze soorten zijn onderdeel van de groen- en waterstructuur waarvan is geborgd dat deze aangelegd en in stand gehouden worden. Daarmee heeft er een zorgvuldige beoordeling van het aspect ecologie plaatsgevonden. Deelgebied 2 van de woningbouwontwikkeling is gesitueerd ter plaatse van het agrarische bedrijf gelegen aan de Oude Zeeweg 2. Dit bedrijf is wegbestemd. Voor het wegbestemmen van gronden door de vaststelling van het bestemmingsplan en het realiseren van de bestemmingen is het niet vereist dat de gemeente eerst alle gronden heeft verworven. In de voortoets voor een bestemmingsplan, waarin de gevolgen van het voorgenomen bestemmingsplan worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie, mag rekening gehouden worden met interne salderingsmaatregelen. Als referentiesituatie geldt het feitelijk bestaande planologisch legale gebruik voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Wanneer het planologisch legale agrarische gebruik wordt beëindigd door verwezenlijking van een ruimtelijke ontwikkeling uit het bestemmingsplan, is sprake van een interne salderingsmaatregel die betrokken mag worden in de voortoets.
Het woningbouwplan (in dit geval deelgebied 2 van de woningbouwontwikkeling ’t Hul) komt in de plaats van het thans bestaande (planologisch legale) agrarische grondgebruik. De beëindiging van dat gebruik is dan ook rechtstreeks en onlosmakelijk verbonden aan de verwezenlijking van de ruimtelijke ontwikkeling uit het plan (=interne saldering). Zie ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:784 (Randweg Haps), r.o. 27.4 in samenhang met ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2073 (Giethoorn). Gelet hierop is het dan ook bij een interne salderingsmaatregel niet vereist dat reeds beschikt wordt de gronden via een koopovereenkomst of iets dergelijks. Zoals aangegeven ligt het wegbestemde agrarische bedrijf aan de Oude Zeeweg 2 in ‘deelgebied 2’. Het bestaande agrarische gebruik zal in de toekomst dan ook beëindigd worden door verwezenlijking van de bestemming. Ter plaatse zullen de gronden van het agrarische bedrijf gebruikt en ontwikkeld worden als woongebied. In het vast te stellen bestemmingsplan hebben
- 55 wij naar aanleiding van deze zienswijzen (zie ook zienswijze 18.34) wel een (extra) voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee ook is geborgd dat deelgebied 2 als ruimtelijke ontwikkeling pas kan worden aangelegd, gebouwd en in gebruik kan worden genomen als het agrarische bedrijf aan de Oude Zeeweg 2 volledig is beëindigd en gestaakt blijft. Dit betekent dat het gehele agrarische bedrijf volledig moet zijn beëindigd, voordat de schop in deelgebied 2 in de grond kan, Voor deelgebied 1 is een dergelijke verplichting niet relevant. Ook zonder de beëindiging van het agrarisch bedrijf aan de Oude Zeeweg 2 gaat de aanleg, bouw- en ingebruikname van deelgebied 1, inclusief de aanpassingen aan de Bovenweg (zie punt 18.34) niet gepaard met een berekende stikstofdepositie (max 0,00 mol N/ha/jaar). Dat volgt uit de stikstofberekeningen opgenomen in de voortoets. Het plan waarborgt daarmee dan ook dat significante gevolgen niet op kunnen treden. 18.34
Ook al beschikt men over iets wat het gebruik van interne saldering in beginsel toestaat, dan nog is er geen sprake van een vaststaand feit dat deze ook gebruikt kan worden. - Er is geen invulling gegeven aan het feit dat de gemeente nog niet alle vereiste grondposities bezit en dienovereenkomstig niet te voorzien is wanneer daadwerkelijk sprake is van een uitvoerbaar plan en wanneer deze te salderen activiteiten beëindigd zouden worden. Wanneer beoogd is de saldering hierop voor te bereiden, hadden deze criteria daartoe moeten worden doorlopen (ECLI:NL:RVS:2021:1960). - Er is geen voorwaardelijke verplichting of een concept intrekkingsverzoek dat de vergunde activiteiten verplicht doet beëindigen waardoor niet vaststaat dat er geen sprake is van doublures in de emissie van stikstof. Significante negatieve effecten zijn niet uit te sluiten. Het plan is in strijd met art. 6 lid 3 Hrl. - Er is geen sprake van één en hetzelfde project, nu de herstructurering van de Bovenweg een bovenlokaal doel heeft. Er is dan ook geen sprake van interne, maar van externe saldering (ECLI:NL:RVS:2021:2627, ECLI:NL:RVS:2021:3074). Extern salderen is vergunningplichtig en er bestaat een verplichting tot opstellen
Zoals onder zienswijze 18.33 reeds aangegeven, is om gebruik als interne salderingsmaatregel in een voortoets te betrekken niet vereist dat reeds beschikt wordt over de gronden via een koopovereenkomst of iets dergelijks. Het woningbouwplan (waaronder deelgebied 2 van de woningbouwontwikkeling ’t Hul) komt in de plaats van het thans bestaande (planologisch legale) agrarische grondgebruik. De beëindiging van dat gebruik is dan ook rechtstreeks en onlosmakelijk verbonden aan de verwezenlijking van de ruimtelijke ontwikkeling uit het plan (=interne saldering). Het bedrijf aan de Oude zeeweg 2 ligt ook in ‘deelgebied 2’ als ruimtelijke ontwikkeling. Door de voorwaardelijke verplichting is ook verzekerd dat tijdig het volledige agrarische bedrijf volledig is beëindigd. Zonder beëindiging kan niet gestart worden met de realisatie en ingebruikname van gronden gelegen in deelgebied 2 als ruimtelijke ontwikkeling. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten voor interne saldering die gelden voor de plantoets uit artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming (Wnb). Ook volgt uit het stikstofonderzoek dat de beëindiging van het agrarische bedrijf aan de Oude zeeweg 2 uitsluitend betrokken is in de beoordeling van deelgebied 2 (en niet in de beoordeling van de overige bestemmingen zoals de Bovenweg).
Nu de conclusie uit de voortoets is dat significante gevolgen niet op kunnen treden, is een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn van de vaststelling van dit bestemmingsplan niet vereist. Er is niet extern gesaldeerd. Ook niet gelet op de reconstructie van de Bovenweg. Die weg wordt aangepast, nu vanwege
- 56 van een passende beoordeling (2.8 lid 1 Wnb) met daarbij de verplichting tot het opstellen van een PlanMer (7.2a Wm jo Bijlage III Besluit m.e.r.).
18.35
Er is geen invulling gegeven aan de additionaliteitseis (ECLI:NL:RVS:2021:2627, ECLI:NL:RBLIM:2021:4198).
de woningbouwontwikkeling ’t Hul er extra verkeer over deze weg wordt geprognosticeerd. Dat er ook ander verkeer over deze weg rijdt, maakt dit niet anders. In de stikstofberekening is de Bovenweg als volwaardig onderdeel van het bestemmingsplan betrokken. De effecten van de reconstructie zijn in de beoordeling van het bestemmingsplan betrokken. Nu uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op kunnen treden is een passende beoordeling niet nodig voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er geldt dan ook geen plan-mer-(beoordelings)plicht vanwege artikel 7.2a Wet milieubeheer jo. artikel 3 Besluit mer. Indiener wijst onder punt 3 ook op de zogenaamde projecttoets (en stelt dat een natuurvergunning nodig is). In dat kader wijzen wij er op dat de plantoets uit artikel 2.7 lid 1 Wnb die doorlopen wordt voor de vaststelling van het bestemmingsplan, moet worden onderscheiden van de projecttoets uit artikel 2.7 lid 2 Wnb. De plantoets en de projecttoets betreffen volledig zelfstandige en afzonderlijke toetsingen. In die zin dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet hoeft te worden beoordeeld of te zijner tijd een natuurvergunning (omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit) voor een project nodig is en of die kan worden verleend. Er geldt voor wat betreft de Natura 2000 plantoets voor het bestemmingsplan nadrukkelijk geen uitvoerbaarheidstoets.
Zie ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318 (Moerdijk), r.o. 5.2. waarin de Afdeling bestuursrechtspraak dit expliciet overweegt. Nu uit de plantoets volgt dat significante gevolgen niet op kunnen treden, kan het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden vastgesteld. Zoals onder zienswijze 18.33 en zienswijze 18.34 reeds overwogen is in de voortoets die ten grondslag ligt aan de vaststelling van het bestemmingsplan uitsluitend rekening gehouden met interne salderingsmaatregelen. Ook de bedrijfsbeëindiging van het agrarische bedrijf aan de Oude Zeeweg 2 is een interne salderingsmaatregel. De beëindiging van dat agrarische bedrijf is ook uitsluitend betrokken in de beoordeling of de woningbouwontwikkeling in deelgebied 2 gerealiseerd en in gebruik kan worden genomen. En niet in de beoordeling van de overige onderdelen van het plan. Nu geen rekening is gehouden met externe salderingsmaatregelen is een toetsing aan het additionaliteitsvereiste niet aan de orde. Dit betreft een nadere voorwaarde die de rechtspraak stelt aan het toepassen van een externe salderingsmaatregel in de beoordeling of een plan de natuurlijke kenmerken van
- 57 een Natura 2000-gebied aantast. De rechtspraak waarop wordt gewezen is om die reden niet van toepassing. 18.36
De invoergegevens in Aerius moeten reël en aannemelijk zijn, evenals dat deze onderbouwd moeten zijn (ECLI:NL:RVS:2023:3129) en dit blijkt niet uit de voortoets.
In hoofdstuk 3 van de voortoets stikstofdepositie wordt onderbouwd waarom de invoergegevens reëel en aannemelijk zijn. Die invoergegevens zijn ook in overeenstemming met de Instructie gegevensinvoer AERIUS in de stikstofberekening ingevoerd. Uit de zienswijze blijkt overigens ook niet waarom de invoergegevens niet reëel en aannemelijk zouden zijn.
18.37
De lijnbronnen ten behoeve van verkeer zijn niet inzichtelijk en derhalve is niet te controleren of de gehele Bovenweg beoordeeld is. Daarmee lijkt de voortoets volgens indieners evenmin te voldoen aan het heersende verkeersbeeldcriterium.
In de voortoets stikstofdepositie zijn de gemodelleerde routes inzichtelijk gemaakt met afbeeldingen. Het verkeer is onder andere over het deel van de Bovenweg tussen de kruising met de Molenweg en de rotonde aan de Elburgerweg gemodelleerd. Meer concreet is een ruim studie gebied genomen, waarbij het verkeer gemodelleerd is, totdat het is opgegaan in het heersende verkeersbeeld, ook gelet op de Instructie gegevensinvoer AERIUS.
18.38
In de voortoets wordt gesteld dat de school niet beoordeeld hoeft te worden, omdat deze gasloos wordt gebouwd. Dit is niet geborgd in de planregels, maar evenmin aanwezig op grond van staand recht. Bovendien biedt de bestemmingsomschrijving een veel bredere toepassing. De maximale planologische mogelijkheden zijn niet beoordeeld en dit had niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
In het vastgestelde bestemmingsplan wordt binnen de bestemming Maatschappelijk een regel opgenomen waarmee het gebruik van gasgestookte verwarmingsinstallaties niet is toegestaan.
18.39
In de voortoets wordt gesteld dat sprake is van 1/10e deel van de bouwproductie per jaar. Dit is niet in de planregels vastgelegd. De maximale planologische mogelijkheden hadden beoordeeld moeten worden. Daarom zijn significante effecten niet uit te sluiten, derhalve had een passende beoordeling en PlanMer moeten worden opgesteld.
In de voortoets stikstofdepositie is uitgegaan van een reële en aannemelijke planning van de werkzaamheden. In het exploitatieplan is een prognose opgenomen van de looptijd voor de te verwachten uitgifte van gronden. Het gaat om een looptijd van 11 jaar. In deze prognose is de bouwproductie over langere tijd uitgespreid dan waarvan is uitgegaan in de voortoets stikstofdepositie. In de voortoets stikstofdepositie is daarmee uitgegaan van een reële en aannemelijke planning (en eerder een overschatting van de bouwproductie per jaar dan een onderschatting). Tot slot wijzen wij volledigheidshalve op ABRS 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4056 (Ermelo), r.o. 9.8. Zoals daaruit expliciet volgt hoeft (mits sprake is van een reëel en aannemelijk uitgangspunt) de bouw- en aanlegfase niet volledig vastgelegd te worden in de
- 58 planregels. Gelet op de uitkomsten opgenomen in de voortoets is het opstellen van een passende beoordeling en plan-MER niet aan de orde, Zie ook onze reactie onder zienswijze 18.34. 18.40
De Aerius-berekeningen in de voortoets zijn gemaakt met een versie van Aerius-calculator welke onverbindend moeten worden geacht.
In het vast te stellen bestemmingsplan is een geactualiseerd stikstofrapport toegevoegd, waarin nieuwe berekeningen zijn opgenomen met de op het moment van vaststellen meest actuele versie van Aerius-Calculator.
18.41
In het kader van ecologie & natuur is onvoldoende gemotiveerd en in strijd met (Europees) recht.
Niet duidelijk is waarom het plan in strijd zou zijn met (Europees) recht in het kader van ecologie en natuur. Gezien paragraaf 4.3 van de toelichting van het bestemmingsplan en de antwoorden op de zienswijzen 18.32 t/m 18.40 is het plan op het gebied van ecologie voldoende gemotiveerd en niet in strijd met het recht.
18.42
Er heeft geen onderzoek plaats gevonden naar de windvang van de molen.
De molenbiotoop is overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Er is daarom voor het bestemmingsplan geen onderzoek nodig voor de windvang van de molen. Zie ook de reactie op zienswijze 5.4.
18.43
Art. 7.2.5 sub e van de planregels is rechtsonzeker. De maximumbouwhoogten op de verbeelding zijn in strijd met de molenbiotoop en dit is verwarrend en rechtsonzeker, zeker nu een voorrangsbepaling of duidelijke uitsluitende werking ontbreekt. Duidelijker is volgens indiener om een maximumbouwhoogte binnen de molenbiotoop ook als zodanig op te nemen op de verbeelding.
De molenbiotoop prevaleert boven de aanduiding 'maximum goothoogte; maximum bouwhoogte’. Dit is verduidelijkt in de toelichting paragraaf wijze van bestemmen.
18.44
Artikel 7.2.6 van de planregels is in strijd met de molenbiotoop. Bijbehorende bouwwerken mogen 5 m zijn, hetgeen hoger is dan de toegestane bouwhoogte van 4,5 m. Vergunningvrije bouwwerken zijn niet uitgesloten in de planregels, welke op grond van art. 2 lid 3 bijlage II Bor (nu bruidsschat) kunnen leiden tot een hogere bouwhoogte.
De molenbiotoop prevaleert boven de overige bouwregels, waarmee alle gebouwen (ook bijbehorende bouwwerken) die middels het bestemmingsplan zijn toegestaan dienen te voldoen aan de regels van de molenbiotoop. Binnen de zone waar volgens de molenbiotoop lager dan een hoogte van 5 meter moet worden gebouwd, zijn op grond van de toegekende bestemmingen geen vergunningsvrije gebouwen mogelijk. Binnen deze zone is geen erf toegestaan.
18.45
18.46
18.47
- 59 Het behoud van de molenbiotoop, welke voor cliënten van belang is nu de draaiende molen onderdeel uitmaakt van hun leefomgeving, is derhalve niet geborgd. De gemeente heeft niet alle percelen van het plangebied in eigendom, waaronder een belangrijk perceel van cliënten. Er ligt geen exploitatieplan ter inzage, wat het ontwerpbestemmingsplan wel stelt. Hierdoor kan niet geconcludeerd worden dat het onderhavige ontwerpbestemmingsplan economisch uitvoerbaar is en het plan kan daarom niet worden vastgesteld. Er bestaan reële zorgen over een zorgvuldige voorbereiding van dit exploitatieplan. Er is geen sprake van een actieve grondpolitiek, maar van een passieve houding.
De molenbiotoop is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Voor de onderbouwing van de afwijkingsmogelijkheid, zie de reactie op zienswijze 5.4. Het exploitatieplan is op 22 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Zie de reactie op zienswijze 3.19 en zienswijze 15.10.
Het is bij ons niet bekend waarom de indiener meent dat hier sprake is van een onzorgvuldig voorbereiding van het exploitatieplan. In de zienswijzennota wordt gereageerd op zienswijzen gericht tegen, in dit geval, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Gelet op het exploitatieplan en de gevolgen daarvan is kostenverhaal voldoende verzekerd, waarmee de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is. Gemeente voert actieve grondpolitiek. Ten behoeve uitvoering van bestemmingsplan alle benodigde gronden verwerven en is hier ook al mee bezig.
18.48
Gelet op het vorenstaande is het plan niet evenredig. De onderbouwing waarom dit noodzakelijk, geschikt en evenwichtig (ECLI:NL:RVS:2022:3614) is, ontbreekt.
Wij volgen de indiener niet in zijn betoog at het bestemmingsplan in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het bestemmingsplan maakt woningen met bijbehorende voorzieningen mogelijk, waar zeer grote behoefte aan is. De nadelige gevolgen van dit bestemmingsplan zijn niet onevenredig met dit doel, zoals uit de onderzoeken en de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt.
18.49
De planregels zijn onduidelijk op de volgende onderdelen (nietlimitatief): 1. 1.9 t/m 1.12 Arbeidsmigranten: onduidelijk is wat de positie van arbeidsmigranten in relatie tot de woonwijk is. De begrippen zijn niet meetbaar en discriminerend. 2. 3.1 Bestemmingsomschrijving groen: te vaag ten aanzien van het behoud van ecologische en cultuurhistorische waarden en waarborging van die waarden.
1. De regeling inzake arbeidsmigranten is overgenomen van uit het parapluplan Onzelfstandige Bewoning & Logies arbeidsmigranten / seizoensarbeiders e.a. 2. Zie de reactie op zienswijze 18.4 (punt 3). 3. Zie de reactie op zienswijze 3.13 over parkeren en zienswijze 18.12 (punt 3) over verkeer. Ten behoeve van milieuzonering geldt voor alle toegestane functies maximaal milieucategorie 2. De milieuzone die op de verbeelding staat rondom de bestemming Maatschappelijk is gebaseerd op deze milieucategorie.
- 60 3. 4.1 jo 1.49 ‘maatschappelijk culturele, educatieve, medische, sociale, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen’. Definitie veel breder, dan de getoetste school. Deze functies zijn allemaal niet getoetst aan de omgeving. Maximale planologische mogelijkheden niet beoordeeld. 4. 5.22 sub c: gebouwen voor horeca niet wenselijk, niet passend en niet beoordeeld. 5. 7.1.1 dub d: begrip is niet gedefinieerd. Binnen de maximale uitleg zijn derhalve wegen toegestaan, welke niet zijn beoordeeld. Er zijn geen nadere beoordelingsregels opgesteld en er is geen besluitmoment ingebouwd, voorzover beoogd zou worden met dynamische planregels te werken (ECLI:NL:RVS:2021:2388). 6. 7.1.2 sub b: een concretiserend toets- en besluitmoment ontbreekt. Daarmee is de regel rechtsonzeker. 7. 12.2.4: er wordt hier getracht te werken met een dynamische planregel, echter de bijlage maakt onderdeel uit van de planregels. Daarmee kan niet geslaagd gewerkt worden met een posterieure beleidsdocument en is de regel om die reden innerlijk tegenstrijdig. 8. 12.3.2: onduidelijk geformuleerd. Waar stopt bijv. het begrip ‘de straat’. 9.
12.4.3 en 12.4.4: cliënten lezen hierin de concrete mogelijkheid dat het plangebied eerst tijdelijk voor huisvesting van arbeidsmigranten kan worden gebruikt. Deze functie is niet afgewogen noch beoordeeld. Daarnaast is het onwenselijk, gelet op de maatschappelijke context die bewoning door arbeidsmigranten in tijdelijke huisvesting met zich mee kan brengen als deze onvoldoende gereguleerd is. 10. Indiener vindt het tekstkader onder 12.4.4 sub a zeer bijzonder. Immers, dan kunnen allerlei mogelijkheden, straks onder de Ow, inclusief hun wettelijke grondslag,
4. De locatie aan de landschapszone achten wij juist zeer geschikt voor een kleinschalige horecagelegenheid. De locatie is goed bereikbaar en op een aantrekkelijke plek. Op deze manier kunnen de toekomstige bewoners in de buurt een hapje eten of drinken. In de regels van het bestemmingsplan is een horecacategorisering toegevoegd. De kleinschalige horecavoorziening mag enkel van categorie 1 zijn (Restaurant; bistro; crêperie, lunchroom; konditorei; Koffie-/theehuis; IJssalon). Deze categorie gecombineerd met het toegestane bouwvolume borgt dat de horecavoorziening kleinschalig is. Met verkeer voor deze horecavoorziening is rekening gehouden in het verkeerskundig onderzoek. Qua milieuzonering geeft de VNG voor alle toegestane vormen van horeca een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Binnen 10 meter van de aanduiding ‘horeca’ zijn geen woningen aanwezig en worden geen nieuwe woningen toegestaan. 5. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ zijn inderdaad wegen toegestaan, waarmee de verschillende woongebieden ontsloten worden op de hoofdstructuur. Dit zijn korte wegen met alleen bestemmingsverkeer en daarmee weinig verkeersbewegingen. Deze wegen hebben geen belangrijke effecten op de omgeving. In het exploitatieplan is de ligging van de beoogde wegen nader uitgewerkt. 6.
De toetsing of wordt voldaan kan op elk moment, het gaat om het percentage van de oppervlakte van de aanduiding. Als een percentage wordt overschreden is het betreffende gebruik in strijd met het bestemmingsplan. 7. Uit de regeling is duidelijk dat aan het nieuwste beleidsdocument wordt getoetst. 8. Dit is overgenomen uit het bestaande plan. 9. Dit is overgenomen uit het bestaande plan. 10. Dit is overgenomen uit het bestaande plan. 11. Zie de reactie bij zienswijzen 18.42 tot en met 18.45.
- 61 wel worden opgesomd. Onduidelijk is wat met deze loze tekstkader beoogd is. 11. 13.3.2: zie het voorgaande wat gesteld is over het vereist woningbouwprogramma in relatie tot de molenbiotoop. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot de volgende wijzigingen: Verduidelijking voorrang molenbiotoop op andere regels bouwhoogte in de toelichting: wijze van bestemmen Horecacategorisering in regels en toelichting milieuzonering Voorwaardelijke verplichting stikstof Maatschappelijk gasloos bouwen toevoegen in regels Kennelijke verschrijving van 0,67 hectare ipv 6,7 hectare 19
Indiener 19
De zienswijze van indiener 19 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 18. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 18 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 18 geeft aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 19 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 19 tot dezelfde wijzigingen. Voor deze wijzigingen wordt verwezen naar dat wat onder ‘conclusie’ bij indiener 18 is vermeld.
20
Indiener 20
De zienswijze van indiener 20 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 10. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 10 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 10 geeft geen aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 20 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 20 ook niet tot wijzigingen
- 62 21
Indiener 21
De zienswijze van indiener 21 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 18. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 18 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 18 geeft aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 21 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 21 tot dezelfde wijzigingen. Voor deze wijzigingen wordt verwezen naar dat wat onder ‘conclusie’ bij indiener 18 is vermeld.
22
Indiener 22
De zienswijze van indiener 22 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 10. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 10 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 10 geeft geen aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 22 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 22 ook niet tot wijzigingen.
23a
Indiener 23a
De zienswijze van indiener 23a is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 10. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 10 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 10 geeft geen aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 23a een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 23a ook niet tot wijzigingen.
23b
Indiener 23b
De zienswijze van indiener 23b is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 10. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 10 is vermeld. Conclusie
- 63 De zienswijze van indiener 10 geeft geen aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 23b een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 23b ook niet tot wijzigingen. 24
Indiener 24
De zienswijze van indiener 24 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 3. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 3 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 3 geeft aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen. Aangezien indiener 24 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 24 tot dezelfde wijzigingen. Voor deze wijzigingen wort verwezen naar dat wat onder ‘conclusie’ bij indiener 3 is vermeld.
25
Indiener 25
25.1
Indiener verzoekt als eigenaren en bewoners van Kolmansweg 15 om, in het kader van de privacy, het bestemmingsplan zo te wijzigen dat voetpaden binnen een afstand van 40 m van het woonperceel niet is toegestaan.
Hoewel de exacte inrichting van de groenstrook nog niet bekend is, zien wij geen aanleiding om op voorhand vast te leggen dat binnen 40 meter van het perceel van indieners geen wandelpaden mogen worden gerealiseerd. Een wandelpad heeft een zeer beperkt effect op de privacy en de privacy van de omliggende percelen wordt niet onevenredig aangetast als in de nabijheid van percelen een wandelpad wordt gerealiseerd. Wij zijn van mening dat dat er geen sprake is dat de belangen van indiener onevenredig worden geschaad. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan.
26
Indiener 26
De zienswijze van indiener 26 is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 10. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 10 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 10 geeft geen aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen aangezien indiener 26 een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 26 ook niet tot wijzigingen.
- 64 -
27
Indiener 27
27.1
Indieners verzoeken om het IKC meer in de woonwijk te plaatsen en de verplaatsing van het IKC richting de woning van indieners te heroverwegen. Dit om overlast van verkeer en geluid in combinatie met de grote rotonde, welke gepland is, te voorkomen.
Het verkeer zal gebruik maken van de rotonde, ongeacht de locatie van het IKC. Gezien de ligging van de woning van indieners nabij de rotonde heeft de locatie van de school ook geen impact op de geluidbelasting op de woning. Uit de locatiestudie blijkt dat de gekozen locatie voor de school de beste keuze was. De gekozen locatie is goed toegankelijk voor verschillende verkeersstromen uit de omgeving en zorgt ervoor dat niet al het verkeer van en naar het IKC door de nieuwe wijk rijdt. Wij zien dan ook geen aanleiding om in het plan een andere locatie voor de school op te nemen.
27.2
Indieners geven aan dat er voor hun woning een grote rotonde is ingetekend. Zij verzoeken om deze verder van de woning te plaatsen. Daar is volgens indieners voldoende ruimte en daar geeft de rotonde minder overlast.
De rotonde is op basis van verkeerskundig onderzoek op de best passende en veilige manier gesitueerd. Er is ook ruimte nodig voor de verbinding van de waterstructuur en paden op de bestaande omliggende structuren. In dat kader wordt ook gewezen op dat wat is vermeld bij zienswijze 13.3.
27.3
In de plannen is het volgens indieners niet duidelijk wat er gedaan gaat worden aan het voorkomen van geluids- stank- en lichtoverlast. Indieners willen meer duidelijkheid krijgen over de oplossingen hieromtrent.
Bij de opstelling van het plan is zorgvuldig onderzoek gedaan naar de milieuaspecten, die de indieners in de zienswijzen aanhalen. Er is akoestisch onderzoek gedaan en de resultaten daarvan zijn toegelicht in paragraaf 4.1.3. van de toelichting bij het bestemmingsplan. Op de geurbelasting wordt ingegaan in paragraaf 4.1.4. van de toelichting bij het bestemmingsplan. De conclusies van de onderzoeken is dat het goed woon- en leefklimaat voor omwonenden gewaarborgd blijft. Ten aanzien van lichtoverlast maakt de zienswijze niet duidelijk wat indieners hiermee beogen. Feit is dat de woning van indieners op een afstand van 50 meter van het plangebied ligt en dat geen lichtoverlast wordt verwacht.
27.4
Voor een groot deel van de Molenweg/ Hullerweg geldt lintbebouwing/ vrijstaande woningen in combinatie met landschappelijke elementen. Indieners verzoeken dit ook te doen aan de overzijde. Op de IKC locatie zijn nu 24 woningen ingetekend op een klein
Zie de reactie op zienswijze 2.3.
- 65 grondoppervlak en dit doet volgens indiener geen recht aan de landschappelijke waarden. 27.5
Op het ontwerpbestemmingsplan lijkt minder groen te zijn ingetekend dan in de structuurvisie kaart ’t Hul Noord. De groenstroken, welke in het vooruitzicht werden geplaatst, zijn fors minder dan eerder ingetekend was. Indieners verzoeken om ruimere groenstroken in het plan mee te nemen en om met bewoners om tafel te gaan hoe het een en ander moet worden ingericht.
Zie de reactie op zienswijze 10.8.
27.6
Er lijkt een ontsnappingsclausule in de plannen te zijn gemaakt om niet aan de molenbiotoop te moeten voldoen. Indieners vinden het niet meer dan redelijk dat ook de gemeente zich net als bewoners aan de regels dient te houden.
Zie de reactie op zienswijze 5.4.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan.