23. AP 6a. Bijlage Zienswijzennota BPL geanonominiseerd
Tekst van het document
10.4
- 27 Het stijgende aantal gewenste woningen in het plan suggereert een wens van de gemeente om te gaan bouwen voor niet-Nunspeters. In omliggende gemeenten blijkt uit diverse stukken dat het bouwpercentage voor niet-inwoners (Randstad) zelf tot 50% kan gaan bedragen. Indieners geven aan dat Nunspeet te klein is om te voorzien in bouwlocaties voor andere regio’s. Moet de gemeente zich niet wat bescheidener opstellen qua aantal te woningen, gezien de zorg tot behoud van natuur.
De gemeente streeft ernaar om zoveel mogelijk te richten op de lokale bevolking. Het toekomstig woningaanbod moet zich daarom richten op alle leeftijdsgroepen en inkomensklassen binnen de gemeente. Door te streven naar een groene en open wijk kan compact worden gebouwd waarbij er nog steeds ruimte is voor groen. Zie ook de reactie op zienswijze 2.7.
10.5
Op de voormalige IKC-locatie zijn 24 woningen ingetekend met een oppervlakte van 200 m2 per woning. Invulling van 24 woningen op zo’n beperkt stuk grond doet het uitgangspunt ‘landschappelijk’ geen recht. Aangezien het stuk Molenweg van indieners met name vrijstaande woningen betreft (zo ook de randen van plan Molenbeek) zal het plaatsen van lagere vrijstaande woningen aan de oostzijde van ’t Hul Noord (spiegelbeeldig aan Molenweg) een vriendelijker, dorpser, ruimtelijker en opener en evenwichtiger beeld geven.
De woningdichtheid is in dit woonveld iets hoger dan in andere woonvelden. Echter gaat het hier om kleine rug-aan-rugwoningen met een beperkte omvang. De bebouwingsdichtheid is daarmee vergelijkbaar met de rest van het plan. Zie verder ook de reactie op zienswijze 2.3.
10.6
Voor een groot deel van de Hullerweg geldt ‘lintbebouwing met landschappelijke elementen’. Doorzetten hiervan richting de kruising Molenweg is verstandig volgens indieners. De opzet van ’t Hul Noord zou qua aanzicht spiegelbeeldig aan de Molenweg moeten zijn.
Zie de reactie op zienswijze 2.3.
10.7
Indieners maken zich zorgen over de te verwachten verkeersbewegingen. De gemeente verwijst volgens indieners naar de verkeersonderzoeken die geen verkeersproblemen aantonen. De praktijk leert volgens indieners dat het regelmatig een probleem is om met de auto in het centrum van Nunspeet te komen en te parkeren. Met de toename van het aantal geplande verkeersbewegingen vreest indiener voor meer probleem. Onderkent de gemeente deze zorg? Kan (het centrum van) Nunspeet wel echt zoveel extra verkeersbewegingen aan, of wordt dit punt op zijn beloop gelaten?
Het wegennet binnen de gemeente Nunspeet is voldoende toereikend om de toename in verkeersbewegingen te verwerken. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de omliggende wegen de verkeersbelasting van de nieuwe ontwikkeling aan kan. Wij zien geen aanleiding dat dit pan elders in de gemeente voor knelpunten zou kunnen zorgen. De verkeersstromen richting het centrum worden verdeeld over het bestaande wegennet in en rondom het centrum. Het parkeeraanbod voor zowel kort- alsook lang parkeren rondom het centrum is voldoende toereikend. Binnen afzienbare tijd worden extra fiets parkeerplekken aangelegd rondom het centrum.
10.8
- 28 In het bestemmingsplan is minder groen ingetekend dat in de structuurvisie ’t Hul Noord. Indiener zou graag zien dat er meer oog is voor de door de gemeente zelf genoemde landschappelijke en groene uitgangspunten. Indieners verzoeken een participatiegelegenheid bij het inrichten van de groene zones voor bewoners Hullerweg/Molenweg.
Met het bestemmingsplan volgen wij de structuurvisie. Het bestemmingsplan leidt tot een concrete invulling van de globale aanduidingen van de structuurvisie. Langs de Hullerweg / Molenweg ligt een zone die is aangemerkt voor ‘behouden en versterken groen- en bebouwingsstructuur’. In deze zone is dus niet alleen groen beoogd, maar ook bebouwing. Er ligt ook bestaande bebouwing binnen deze zone. Voor de groensingels zal een inrichtingsplan opgesteld worden met passende beplanting. Omdat er al een ruim participatieproces is doorlopen en de invulling van alle groenstroken in het plangebied zeer uitvoeringsgericht is, zullen wij hiervoor geen afzonderlijk participatieproces starten
10.9
In een van de artikelen wordt door de gemeente een ontsnappingsclausule opgenomen voor molenbiotoop-eisen. Indiener vraagt zich af of het gewenst is dat de gemeente zichzelf uitzondering zou mogen verlenen. Tot nu toe is het zo dat ieder burger zich aan de regels van de molenbiotoop conformeren. Uitzondering hierop haalt het gelijkheidsbeginsel onderuit.
Zie de reactie op zienswijze 5.4.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan. 11
Indiener 11
11.1
Er heeft een gesprek met indiener en gemeente plaatsgevonden op 6 december 2023. Het gespreksverslag is nog niet ontvangen, Er kunnen nog argumenten uit het gesprek van 6 december jl. volgen. Indiener heeft eerder gevraagd om invulling te geven aan de richting die kan worden afgeleid uit het structuurplan uit 2021. Ten onrechte dreigt te worden gekozen voor de bestemming groen. Wat indiener betreft wordt, indien niet de gewenste recreatieve bestemming kan worden gegeven, er minimaal voor gekozen de huidige agrarische bestemming te handhaven en een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan op te nemen.
11.2
Op 21 december 2023 is het verslag van het gesprek van 6 december 2023 gemaild.
In de reactie op de inspraakreactie van de indiener op het structuurmodel hebben wij meegedeeld een eventuele uitbreiding van het caravanpark als een losstaand project te zien. In de afgelopen jaren is geen concreet voorstel ingediend. Inmiddels is de behoefte aan woningbouw dusdanig groot dat het algemeen belang voor woningbouw vereist, dat de gemeente hieraan prioriteit geeft ten opzichte van een mogelijke uitbreiding van het caravanpark. Het herbestemmen van de agrarische bestemming past niet bij de doeleinden die gewenst zijn op de betreffende gronden. De bestemming Groen is
- 29 hiervoor passend. Daarnaast is het instrument wijzigingsbevoegdheid verdwenen met de komst van de Omgevingswet. Het is dan ook niet opportuun om in het onderhavige bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, waarvan in de toekomst vanwege de Omgevingswet geen gebruik meer gemaakt kan worden. Het is dan ook niet opportuun om in het onderhavige bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, waarvan in de toekomst vanwege de Omgevingswet geen gebruik meer gemaakt kan worden. 11.3
De huidige waarde/aantrekkelijkheid van het bedrijf zitten met name in de locatie. De beoogde situatie levert een situatie op die vanuit bedrijfsmatig oogpunt niet aantrekkelijk is.
Het aantrekkelijk zijn van een omgeving is veelal een subjectieve beleving. Rondom het caravanpark komt een groene bufferzone, die in het bestemmingsplan is geborgd. Deze afscheiding zorgt voor een passende overgangszone tussen de nieuwe woonwijk en het caravanpark. Naar onze mening komt de aantrekkelijkheid van het caravanpark hierdoor niet in het gedrang.
11.4
Indiener stelt het volgende voor: - de recreatieve bestemming aan de oostzijde van het bedrijf met een strook van 10 á 15 m uit te breiden; - dat ook te doen door een strook aan de zuidzijde recreatief te bestemmen; - en het U-gedeelte te voorzien van recreatieve mogelijkheden.
De door de indiener voorgestelde bestemmingen zorgen ervoor dat de woningbouw niet zoals gepland kan plaatsvinden. De behoefte van woningbouw prevaleert op dit punt zoals aangegeven bij 11.2. Bovendien is de door de indiener gewenste uitbreiding voorzien op gronden, die niet in eigendom zijn van indiener. De gemeente ziet geen reden om de door indiener genoemde bestemmingen toe te kennen.
11.5
Indiener heeft, in tegenstelling tot wat uit voorliggende stukken blijkt, een uitgewerkt plan ingediend en dit plan is ook door de gemeente ontvangen. Zo blijkt uit een ontvangen reactie daarop en het feit dat het is besproken met leden van het college.
Door indiener is in het verleden een schets verstrekt, maar er zijn geen concrete uitbreidingsplannen ingediend. Hierbij is ook relevant dat de uitbreiding die de indiener voor ogen heeft, is voorzien op gronden van derden. Aangezien een concreet uitbreidingplan ontbreekt zien wij geen aanleiding om dit te betrekken bij het onderhavig bestemmingsplan.
11.6
De verbreding van de groenbestemming, zoals hierboven gewenst, zal, in tegenstelling tot de weerlegging van de wens van indiener, zal niet leiden tot een fundamentele inperking van de woningbouwmogelijkheden.
Het is onduidelijk wat de wens is met betrekking tot uitbreiding groen, omdat door de indiener om een uitbreiding van de recreatieve bestemming is gevraagd.
11.7
- 30 Over het U-gedeelte staat reeds nu vast dat een invulling t.b.v. een woonwijk, gelet op de minimaal tot een recreatiebedrijf te hanteren afstanden en gelet op het feit dat dat gedeelte is ‘ingeklemd’ tussen recreatief bestemde gronden, niet aan de orde is.
Er geldt een richtafstand van minimaal 50 meter tussen de woningen en de recreatieve bestemming. Aan deze richtafstand wordt in dit geval voldaan. Aan de ‘u‘ waarop de indiener wijst, is de bestemming Groen toekend als onderdeel van de groene bufferzone tussen de nieuwe woonwijk en het caravanpark.
11.8
Voor het U-gedeelte wenst indiener dat een wijzigingsbevoegdheid wordt opgenomen (agrarisch naar recreatief).
De wijzigingsbevoegdheid bestaat niet meer onder de Omgevingswet. Het opnemen van een wijzigingsmogelijkheid in het onderhavige bestemmingsplan is dan ook niet opportuun. Zie verder reactie op 11.2.
11.9
De bufferstrook is bij meting op ruimtelijkeplannen.nl 43-45 m in plaats van de vereiste 50 m.
De afstand tussen de bestemming Recreatie en de bestemming Wonen is 50 meter. Zie hiervoor het bestemmingsplan Recreatieterreinen 2010 en het onderhavige bestemmingsplan.
11.10
Gelet op de rust (onder andere zondagsrust) die de klanten van indiener is het onwenselijk de bufferstroken te bestemmen als intensief recreatief medegebruik.
Anders dan de indiener stelt, is er geen sprake van intensief recreatief medegebruik. De bestemming van de bufferzone is Groen, waarop geen intensieve recreatieve gebruiksmogelijkheden zijn voorzien.
11.11
Indiener verzoekt het volgende ten aanzien van de planregels bij de groenbestemmingen rondom het recreatiebedrijf: - 3.1 b; vervangen door alleen ‘voetpaden’ - 3.1 c; ‘speelvoorzieningen’ te laten verwijderen.
Wij zien geen aanleiding om het gebruik van de groenbestemming te beperken voor alleen voetpaden en fietspaden uit te sluiten. Als gemeente willen we juist meer stimuleren om mensen te laten fietsen. Juist kan de groene zone een gewenste toevoeging zijn om passend in de omgeving een speelvoorziening te bieden.
11.12
Uit de plantoelichting en uit de voorliggende Participatie nota blijkt dat er wat betreft ‘water-aspecten’ nog onderzoeken moeten plaatsvinden.
11.13
De afstroom in noordelijke richting (feitelijk richting bedrijfsterrein van de indiener) vergt bijv. met betrekking tot waterretentie nader onderzoek. Er zijn voornemens tot ophoging. Indiener maakt zich zorgen en is van oordeel dat eerst de wateraspecten afdoende moeten worden onderzocht en er moet duidelijk zijn dat er geen enkel negatief gevolg is.
Voor het onderhavige bestemmingsplan is een watertoets opgesteld en het waterschap heeft hiermee ingestemd. De nadere technische uitwerking wordt in het waterhuishoudkundig plan meegenomen wat in een later stadium wordt opgesteld samen met het waterschap Zie de reactie onder 11.12.
11.14
De intentie is om de groenstrook niet op te hogen. Zie verder de reactie onder zienswijze 11.12
11.15
- 31 Bij de situering van eventuele retentiegebieden pleit indiener voor het nadrukkelijk rekening houden met de belangen van indiener.
De situering van de retentiegebieden ligt nog niet vast i.v.m nadere technische onderzoeken. Binnen de bestemming Groen is retentie in beginsel mogelijk gemaakt. Dit neemt niet weg dat bij de situering van de retentiegebieden ook de belangen van aanliggende partijen, waaronder indiener worden meegewogen.
11.16
Indiener gaat er van uit dat de mogelijkheid om grondwater te gebruiken alleen (blijft) gelden voor de nu bestaande situatie. Zij wenst haar afhankelijkheid van grondwater voor haar watervoorziening te behouden. Zij verzoekt om in de planregels een verbod wordt opgenomen, waarbij geen gebruik kan worden gemaakt van grondwater dan na door een verlening van een omgevingsvergunning.
Het verzoek van indiener valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. De vergunning voor grondwateronttrekking is een bevoegdheid van het Waterschap en niet van de gemeente.
11.17
Indiener gaat ervanuit dat rekening wordt gehouden met de belangen van haar met betrekking tot de flora- en faunawaarden op en om het recreatiegebied.
Landschappelijke en natuurwaarden zijn onderdeel van de beoordeling of het bestemmingsplan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. In zoverre wordt hiermee bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening gehouden.
11.18
Indiener verzoekt de wijzigingsbevoegdheid op te nemen en op dit punt het bestemmingsplan vast te stellen waarbij meer rekening wordt gehouden/ recht wordt gedaan aan de Structuurvisie.
Zie de reactie op zienswijze 11.2 en zienswijze 11.8.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan. 12
Indiener 12
12.1
Door de gemeente worden termen als ‘instandhouding van een dorpskarakter’, ‘plan met een ruimtelijke opzet’, ‘benadrukking van een open en landelijk karakter’, ‘landschappelijk inpassing’ en ‘het groene karakter in stand houden gebruikt’. Het plan begon eerder ook met circa 450 woningen, zoals ook bij Molenbeek, maar dit zijn er nu 750. Indiener vraagt zich af waarom de ge-
Zie de reactie op zienswijze 5.1.
- 32 meente (steeds meer) woningen op hetzelfde gebied wilt plaatsen. Indiener geeft daarbij aan dat aan de termen geen recht wordt gedaan. 12.2
Indiener geeft aan dat het beter is het plan ’t Hul Noord spiegelbeeldig (qua aantallen/ qua aanzicht) aan Molenbeek in te richten. Dit doet volgens indiener meer recht aan een evenwichtige, dorpse, open en landelijk karakter.
Zie de reactie op zienswijze 5.1.
12.3
Door de gemeente is een voorkeursrecht gevestigd op de centrumlocatie Feitenhof en dit was niet gepland bij aanvang van de bouwplannen ’t Hul Noord. In Feitenhof zou voldoende ruimte moeten zijn om grotere aantallen woningen te bouwen. ’t Hul Noord zou dan volstaan met fors minder woningen dan 750 woningen.
Zie de reactie op zienswijze 10.3.
12.4
Het stijgende aantal gewenste woningen in het plan suggereert een wens van de gemeente om te gaan bouwen voor niet-Nunspeters. In omliggende gemeenten blijkt uit diverse stukken dat het bouwpercentage voor niet-inwoners (Randstad) zelf tot 50% kan gaan bedragen. Indieners geven aan dat Nunspeet te klein is om te voorzien in bouwlocaties voor andere regio’s. Moet de gemeente zich niet wat bescheidener opstellen qua aantal te woningen, gezien de zorg tot behoud van natuur.
Zie de reactie op zienswijze 2.7 en zienwijze10.4.
12.5
Op de voormalige IKC-locatie zijn 24 woningen ingetekend met een oppervlakte van 200 m2 per woning. Invulling van 24 woningen op zo’n beperkt stuk grond doet het uitgangspunt ‘landschappelijk’ geen recht. Aangezien het stuk Molenweg van indieners met name vrijstaande woningen betreft (zo ook de randen van plan Molenbeek) zal het plaatsen van lagere vrijstaande woningen aan de oostzijde van ’t Hul Noord (spiegelbeeldig aan Molenweg) een vriendelijker, dorpser, ruimtelijker en opener en evenwichtiger beeld geven.
Zie de reactie op zienswijze 10.5.
12.6
- 33 Voor een groot deel van de Hullerweg geldt ‘lintbebouwing met landschappelijke elementen’. Doorzetten hiervan richting de kruising Molenweg is verstandig volgens indiener. De opzet van ’t Hul Noord zou qua aanzicht spiegelbeeldig aan de Molenweg moeten zijn.
Zie de reactie op zienswijze 2.3.
12.7
Indiener maakt zich zorgen over de te verwachten verkeersbewegingen. De gemeente verwijst volgens indiener naar de verkeersonderzoeken die geen verkeersproblemen aantonen. De praktijk leert volgens indiener dat het regelmatig een probleem is om met de auto in het centrum van Nunspeet te komen en te parkeren. Met de toename van het aantal geplande verkeersbewegingen vreest indiener voor meer probleem. Onderkent de gemeente deze zorg?. Kan (het centrum van) Nunspeet wel echt zoveel extra verkeersbewegingen aan, of wordt dit punt op zijn beloop gelaten?
Zie de reactie op zienswijze 10.7.
12.8
In het bestemmingsplan is minder groen ingetekend dat in de structuurvisie ’t Hul Noord. Indiener zou graag zien dat er meer oog is voor de door de gemeente zelf genoemde landschappelijke en groene uitgangspunten. Indieners verzoeken een participatiegelegenheid bij het inrichten van de groene zones voor bewoners Hullerweg / Molenweg.
Zie de reactie op zienswijze 10.8.
12.9
In een van de artikelen wordt door de gemeente een ontsnappingsclausule opgenomen voor molenbiotoop-eisen. Indiener vraagt zich af of het gewenst is dat de gemeente zichzelf uitzondering zou mogen verlenen. Tot nu toe is het zo dat ieder burger zich aan de regels van de molenbiotoop conformeren. Uitzondering hierop haalt het gelijkheidsbeginsel onderuit.
Zie de reactie op zienswijze 5.4.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan. 13
Indiener 13
13.1
- 34 Indiener geeft aan het bijzonder jammer te vinden dat zij niet in persoon zijn ingelicht.
Het ontwerpbestemmingsplan is op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De wet vereist niet dat gemeenten alle (mogelijk) betrokkenen in persoon informeren. Om deze reden is indiener niet in persoon geïnformeerd.
13.2
De gemeente Nunspeet is tot op heden geen eigenaar van het eigendom van de indiener. De grondruil, bouwkavel en prijs voor de kavel is al vanaf medio 2021 onderwerp van gesprek en ondanks diverse toezeggingen er nooit een bod of grondruil voorstel van de gemeente is gedaan. Het verzoek aan de gemeente om een bouwkavel te kunnen realiseren, daarvoor een deel van de A watergang Nunspeet A 5316 (direct gelegen naast het perceel) eigendom van de gemeente Nunspeet te mogen verleggen, wat door het waterschap reeds is toegezegd, heeft de gemeente niet op gereageerd.
Het perceel van de door indiener gewenste bouwkavel is niet gelegen in het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Onduidelijk is wat het bezwaar van indiener is in relatie tot het onderhavige bestemmingsplan. Dit betekent dat het eigendom van dit perceel ook niet benodigd is, voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
13.3
De ligging van de rotonde neemt een disproportionele groot stuk van de grond in en kan en moet meer richting hoek BovenwegWezenland gesitueerd worden.
De rotonde Bovenweg heeft aansluitingen naar Wezenland én naar de parallelweg (bestaande Bovenweg). De aansluiting parallelweg zorgt ervoor dat de rotonde in zuidelijke richting gepositioneerd moet worden. Vracht- en landbouwverkeer moet de rotonde op kunnen draaien. De gehanteerde boogstralen zijn zo minimaal gehouden. De middengeleider is overrijdbaar ontworpen om de afstand rotonde-parallelweg zo klein mogelijk te maken. Verschuiven in westelijke richting heeft tot gevolg dat de rotonde ook in zuidelijke richting verschoven moet worden. De rotonde komt dan ook steeds verder uit de lijn van de doorgaande route te liggen, wat negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid: een haakse aansluiting van kruisende wegen is het meest overzichtelijk en remt de snelheid in alle richtingen gelijkmatig. De keuze voor de parallelweg en voor een rotonde heeft het gevolg dat dit ruimtebeslag nodig is. Het tracé is tot stand gekomen in zorgvuldig overleg tussen aanwonenden en de gemeente. Er is geen aanleiding om de locatie van de rotonde of het benodigde grondbeslag te wijzigen.
13.4
De in het perceel Nunspeet liggende keerlus, is geweest, is verkeerd gesitueerd, gelet op de ligging van het dubbele fietspad en
De betreffende keerlus is slechts bedoeld voor vuilniswagens voor het ophalen van de vuilnis voor de woningen Bovenweg 22 tot en met 36. Wij zijn van mening dat deze juist is gesitueerd en verkeersveilig is. Het verkorten van
- 35 het grondbeslag. Deze keerlus zou korter moeten zijn/ anders gesitueerd moeten worden.
de keerlus van 20 meter naar 15 meter is mogelijk en we zullen het plan hierop aanpassen.
13.5
De resterende gronden (ca. 43% van het huidige geheel ) welke overblijven na splitsing van de kavel worden door dit voorgenomen bestemmingsplan in waarde vermindert als agrarisch te bewerken grond, waarvoor geen compensatie is gepland.
Bij de aankoop van de gronden wordt dit aspect meegenomen in de schadeloosstelling. Het argument heeft voor het overige geen betrekking op het bestemmingsplan.
13.6
Er gevraagd is om een bouwperceel te mogen ontwikkelen op de grond kadastraal bekend gemeente Nunspeet sectie A nummer. De gemeente stelt echter dat het niet kan vanwege het 100 meter uit het bouwvlak van de nabijgelegen kalvermesterij te moeten blijven wat kennelijk in strijd lijkt te zijn met de uit 2010 zijnde planMER waarin is aangegeven dat dit 50 meter is in het buitengebied met max 13 odeur.
Indiener wenst een extra bouwkavel naast zijn woning te realiseren. Vanwege de aanwezigheid van de kalvermesterij past dit niet binnen de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dit onderdeel van de zienswijze valt buiten het bestek van dit bestemmingsplan.
13.7
De huidige, ons bezit zijnde, als landbouwgronden bestemd en thans als agrarische gronden in gebruik zijnde, kunnen wij niet zonder gegronde vastgelegde redenen ter beschikking stellen van de gemeente Nunspeet zo zij dat wenst. Wel zouden wij in kunnen stemmen met vervreemding indien er een grondruil met bouwkavel tegenover staat van gelijke getaxeerde waarde, dan wel op basis van vigerende waarde in het huidige algemene verkeer.
Dit onderdeel van de zienswijze heeft geen betrekking op het plangebied en valt daarmee buiten het bestek van het bestemmingsplan.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot de volgende wijziging: De keerlus aan de Bovenweg van 20 meter verkorten naar 15 meter. 14
Indiener 14
14.1
Volgens indiener ontbreekt het aan een feitelijke onderbouwing om te voorzien in noodzakelijke woningen. De voorliggende rapporten laten het tegendeel zien, namelijk dat de woonwijk niet nodig is. Volgens indiener zou er een (persoonlijke) drive zijn vanuit
Zie de reactie op de zienswijze 3.9.
- 36 de wetgever om dit plan te realiseren. Indiener verzoekt de gemeenteraad om goed naar de onderbouwingen te kijken, alle bezwaren op juiste waarde te wegen en het bestemmingsplan niet vast te stellen. 14.2
De kwaliteit van de quickscan Wet natuurbescherming ’t Hul Noord voldoet niet. Er is volgens indiener gewerkt met een onacceptabel beïnvloede nulsituatie door onder andere het kort voor de start grootschalig kappen van bomen en deels vernietigen van de leefomgeving van diverse diersoorten. Wel aanwezige diersoorten komen niet in het stuk voor en uit niets blijkt dat er rekening is gehouden met eerder naar dit gebied verplaatste foerageergebieden vanwege het plan Molenbeek.
Wij spreken tegen dat door de gemeente bomen zijn gekapt dan wel leefomgevingen van diverse diersoorten (deels) zijn vernietigd. Ten behoeve van het project is een quick scan en aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Conclusie is dat het plan uitvoerbaar is en er geen overtredingen van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming optreedt.
14.3
De conclusie in de m.e.r.-beoordelingsnotitie dat het plan niet m.e.r.-plichtig is, wordt door indiener bestreden. Indiener geeft aan dat dit onder andere het gevolg is van het dubieuze flora- en faunaonderzoek. Indiener is van mening dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de woon- en leefomgeving en dat als gevolg daarvan de belangen worden geschaad.
Zie hiervoor de reactie op zienswijze 14.2 met de aanvulling dat in de wet is opgenomen voor welke gevallen een milieueffectrapportage (mer) moet worden uitgevoerd. Een flora en fauna onderzoek kan geen aanleiding zijn tot het uitvoeren van een mer.
14.4
Indiener geeft aan dat er door de gemeente meerdere keren beleden werd dat de bestaande groenstructuur in het gebied door de aanleg van de woonwijk zou worden versterkt. Uit het voorliggende ontwerpbestemmingsplan blijkt dat de meest markante singel in het gebied totaal onnodig deels gerooid en in tweeën wordt gesplitst.
De hoofdontsluitingsweg loopt voor een klein deel door bestaande singels. Daardoor verdwijnt enig bestaand groen. Doordat de rest van de singels wel behouden blijft, blijft de bestaande structuur ook herkenbaar in de nieuwe situatie. Daarnaast wordt er veel nieuw opgaand groen gerealiseerd, waardoor er per saldo sprake is van een flinke toename opgaand groen in het plangebied.
14.5
Door indiener is eerder in een zienswijze op het structuurmodel aangegeven dat er grote delen van de beloofde groenstrook rondom zijn perceel ontbraken. In het ontwerpbestemmingsplan is daar niets mee gedaan. Indiener is van mening dat er te dicht tegen zijn perceel wordt gebouwd en dat dit een onacceptabele aantasting is van de privacy.
De kortste afstand tot de lintbebouwing aan de Hullerweg aan één zijde van het woonperceel van indiener is gelegen op tenminste 20 meter. De afstanden tot de woonbuurten in het plangebied is meer dan 45 meter voor waar dit grenst aan woningen zit daar zelfs nog een groenstrook van 10 meter tegenaan. Wij zijn van mening dat hiermee het woonperceel van indiener voldoende ingepast is en dat er geen sprake is van een onacceptabele aantasting van de privacy, zoals de indiener betoogt.
14.6
- 37 Door indiener zijn meerdere oplossingen aangedragen om blijvend op kleinschalige wijze vee te houden. Gelet op de mogelijke problemen met toekomstige bewoners zijn door de indiener voorstellen gedaan. Indiener heeft verzocht tot uitplaatsing, maar dit is tot op heden niet mogelijk gebleken. Vervolgens is gevraagd om vergroting van het perceel met een geschikte buffer. Indiener verzoekt om, indien het plan wordt vastgesteld, de beloofde buffer in het plan op te nemen.
Zie de reactie op zienswijze 14.5.
14.7
Indiener is van mening dat het onderzoek ontsluitingen verkeersprognose onverklaarbare aantallen vermeldt voor met name de Hullerweg. Deze onderzoeken en prognoses zijn niet meer relevant, aangezien het aantal woningen in het plangebied naar boven zijn bijgesteld.
In het plan is een afsluiting van de Molenweg opgenomen, direct ten noorden van de Hullerweg. Daarmee is de Hullerweg een weg met uitsluitend een functie voor de aanliggende woningen, bedrijven en percelen met de bijbehorende lage intensiteit. Verder zijn de verkeersonderzoeken gebaseerd op het juiste (maximale) aantal te realiseren woningen.
14.8
Door indieners is aangegeven dat de geplande knip in zowel de Molenweg als de Oude Zeeweg niet gerealiseerd kunnen worden zonder dat daarin wordt voorzien in maatwerk voor indiener en anderen. Indiener geeft aan dat het niet acceptabel is dat zij 4 km in plaats van 800 m moeten rijden om vee in het achterland te verzorgen.
De uitwerking van de knippen in de Oude Zeeweg en Molenweg moeten nog nader bekeken worden.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan. 14b
Indiener 14b
De zienswijze van indiener 14b is gelijkluidend aan de zienswijze van indiener 3. Voor de samenvatting en beoordeling van de zienswijze wordt op deze plaats verwezen naar dat wat onder indiener 3 is vermeld. Conclusie De zienswijze van indiener 3 geeft aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen. Aangezien indiener 14b een gelijkluidende zienswijze heeft ingediend, leidt de zienswijze van indiener 14b tot dezelfde wijzigingen. Voor deze wijzigingen wordt verwezen naar wat onder ‘Conclusie’ bij indienere 3 is vermeld.
15
Indiener 15
15.1
- 38 Op het perceel van indieners, die een agrarisch bedrijf hebben, komt de bestemming ‘woongebied’. Hun bedrijf wordt hiermee wegbestemd en hiermee komt de bedrijfsvoering in het geding. Indieners zijn het niet eens met de bestemmingswijzigingen, omdat zij de bedrijfsactiviteiten willen voortzetten.
Aan het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan is een lang traject voorafgegaan. In 2018 is er al voorkeursrecht gevestigd op de betreffende gronden van indieners met als doel woningbouw. In 2021 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie ’t Hul-Noord vastgesteld waarin de onderhavige gronden voor woningbouw zijn aangewezen. Uit de woningbehoefteonderzoeken blijkt dat de behoefte aan woningbouw dusdanig groot is dat het algemeen belang voor woningbouw dusdanig zwaarwegend is en dit voor de gemeente prioriteit heeft ten opzichte van het belang van indieners betreffende het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten. Als gemeente zetten wij ons in om in minnelijk overleg tot aankoop van de gronden over te gaan. Mocht minnelijke aankoop niet mogelijk zijn, dan zijn wij aangewezen op het inzetten van de onteigeningsprocedure.
15.2
Een goede belangenafweging van de verschillende met de bestemming gemoeide belangen is noodzakelijk. Het momenteel in voorbereiding zijnde plan, ontbeert een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening.
Zie reactie op zienswijze 15.1. Er heeft een belangenafweging plaatsgevonden in het voorgaande traject en geconcludeerd is dat de onderhavige planlocatie geschikt is voor woningbouw. De woningbehoefte is dusdanig groot dat deze prevaleert en het algemeen belang, voldoen aan de woningbehoefte, zwaarder weegt dat het persoonlijke belang van indieners.
15.3
Met het ontwerpbestemmingsplan is onvoldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging. De belangen van cliënten zijn onvoldoende onderkend en meegewogen in de besluitvorming.
Zie reactie op zienswijze 15.1 en zienswijze15.2.
15.4
Bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Dit is niet gebeurd.
Zie reactie op zienswijze 15.5.
15.5
Artikel 7.1 van de planregels bevat de bestemmingsomschrijving. Hierin is geen agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt, terwijl er in de toelichting is opgenomen dat het bedrijf van cliënt mag blijven bestaan. Er is onvoldoende rekening gehouden met de maximale mogelijkheden. Er is enkel een geurzone opgenomen (toelichting houdt uitdrukkelijk rekening met een uitzondering in de vorm van een omgevingsvergunning). Daarbij is geen rekening gehouden
Het agrarisch bedrijf van indieners valt na vaststelling en inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan onder het overgangsrecht. De gemeente wenst het bedrijf actief te verwerven om de voorgenomen woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Uit de handreiking bij de geurwetgeving en jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2014:93) blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden
- 39 met andere bedrijfsvormen of dierencategorieën. Binnen de bestaande mogelijkheden zijn wijzigingen mogelijk. Binnen de maximale mogelijkheden van het plan moet met dergelijke wijzigingen rekening worden gehouden (ECLI:NL:RVS:2022:116, r.o. 3.3 en 3.4). Er is onvoldoende geborgd dat het agrarische bedrijf onbelemmerd voortgezet kan worden.
afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. De in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen geurzone is bepaald op basis van de rand van het vigerende bouwvlak van de veehouderij Oude Zeeweg 2. Uit de handreiking bij de geurwetgeving blijkt dat bij een toets omgekeerde werking de geurbelasting van een veehouderij gebaseerd moet zijn op: - de vergunde of aangevraagde aantallen en soorten dieren met stalsysteem, of - de gemelde aantallen en soorten dieren met stalsysteem (bij een type B-inrichting). Er hoeft dus geen rekening gehouden te worden met andere bedrijfsvormen of dierencategorieën/aantallen. Zie ook reactie op zienswijze 15.6 ten aanzien van de opgenomen geurzone.
15.6
In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de situatie dat het agrarisch bedrijf gevestigd blijft op hetzelfde adres. Tegelijkertijd is het wel de bedoeling dat het bedrijf stopt, zodat de locatie voor woningbouw kan worden gebruik. Deze doelen rijmen niet met elkaar.
De agrarische functie is in het bestemmingsplan wegbestemd. Beoogd is dan ook dat de bedrijfsactiviteiten van indieners beëindigd worden. In het vast te stellen bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting toegevoegd waarin is geborgd dat in deelgebied 2 pas kan worden gebouwd als het agrarisch bedrijf is gestopt. Hiermee zijn de milieuzones voor geur en geluid rond dit bedrijf in het plangebied overbodig (deze liggen namelijk geheel binnen deelgebied 2). Deze zijn in het vast te stellen plan dan ook verwijderd van de verbeelding, evenals de bijbehorende regels.
15.7
Indieners zijn van mening dat de bouwregels voor de te bouwen woningen in het woongebied onvoldoende rechtszeker zijn en onvoldoende zijn onderbouwd. Beoogd is dat de milieuzone ervoor zorgt dat de woningen pas gebouwd kunnen worden als het bedrijf stopt. Dit is niet geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Enkel het opnemen van de milieuzone op een verbeelding is onvoldoende om als voorwaardelijke verplichting te worden aangemerkt. Deze verplichting is evenmin opgenomen in bouw- en gebruiksregels. Hierdoor ontstaat rechtsonzekerheid.
Zie de reactie op zienswijze 15.6.
- 40 Daarbij houdt het plan uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de geurzone. 15.8
De effecten van het bestaande bedrijf in relatie tot het beoogde woongebied en omgekeerd zijn niet goed onderzocht, aangezien de maximale mogelijkheden niet goed in beeld zijn gebracht. De effecten van de mogelijkheden van artikel 7.1 van de planregels zijn onvoldoende beoordeeld in het plan. Zo is de mogelijkheid van aan-huis-verbonden beroep onder andere niet meegenomen in de onderzoeken. Dit heeft gevolgen voor het woon- en leefklimaat, maar ook voor de verkeerafwikkeling. Zo is niet duidelijk in hoeverre aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan in bijgebouwen en is niet geborgd dat deze niet binnen de geurzone kunnen worden opgericht waarna daar aan een huis verbonden beroep kan worden uitgeoefend. Deze kunnen leiden tot milieugevolgen, welke niet zijn betrokken in het plan. Indieners vrezen belemmering van de bedrijfsactiviteiten en nadelige gevolgen voor hen en hun directe omgeving. Ook hier is niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan.
Zie de reactie op zienswijze 15.5 en zienswijze 15.6.
15.9
Indiener zullen nadelige gevolgen ondervinden voor de ontsluiting van hun perceel vanwege de beoogde knip in de Oude Zeeweg en de geplande ontsluiting van het plangebied via de (te realiseren rotonde bij) de huidige kruising Kolmansweg/Bovenweg. Hierdoor wordt de bereikbaarheid van de locatie van indieners nadelig beïnvloed, en daarmee ook weer hun bedrijfsvoering.
Het bedrijf blijft ten allen tijde bereikbaar.
15.10
Cliënten merken op dat er geen exploitatieplan ter inzage is gelegd bij het ontwerpbestemmingsplan (paragraaf 3.1 en 4.7 ontwerpbestemmingsplan geven aan dat deze aanwezig moet zijn). Economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee niet aangetoond.
Het ontwerp-exploitatieplan heeft vanaf 22 december 2023 ter inzage gelegen. Indiener is daarover geïnformeerd. In het ontwerp-exploitatieplan is de economische uitvoerbaarheid toegelicht en als zodanig gewaarborgd.
15.11
Uit het plan blijkt niet dat in de kosten is voorzien voor de verbreding van de ontsluitingsweg, welke hierboven is genoemd, alsmede de aanleg van de rotonde.
Zie de reactie op zienswijze 15.10.
- 41 -
15.12
Er is niet onderbouwd dat over de gronden waarop het plan betrekking heeft, kan worden beschikt. Een groot deel van de gronden waarop de woningbouw is geprojecteerd is in eigendom van cliënt en in gebruik voor het agrarische bedrijf. Er is geen zicht op een minnelijke overeenstemming en indieners willen het bedrijf voortzetten. Nu het overgrote deel van het plangebied bestaat uit gronden van indieners en zij daar geen medewerking aan wil verlenen, moet worden geconcludeerd dat het plan ook om die reden niet uitvoerbaar is.
Het plan ’t Hul – Noord kent twee deelgebieden: deelgebied 1 en deelgebied 2. Deelgebied 1 zal als eerste in ontwikkeling worden gebracht. De indieners hebben geen grondeigendom in dit deelgebied. Deelgebied 2, verder betreft het gebied waar het overgrote deel van het eigendom ligt bij het agrarisch bedrijf. Als gemeente inspanning zetten wij ons in om de gronden in eigendom te verkrijgen middels minnelijke verwerving. Als minnelijke aankoop niet mogelijk blijkt dan is de gemeente aangewezen op het inzetten van een onteigeningsprocedure. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan.
16
Indiener 16
16.1
Indiener geeft aan dat de Molenbeek per woning 35-40% ruimer is opgezet dan ’t Hul Noord. Indiener is benieuwd of de ervaringen in Molenbeek vanuit gemeentelijk perspectief goed zijn of niet. Wanneer deze goed zijn, dan vraag indiener zich af of de 150 extra woningen op dit perceel dan zo waardevol zijn en onmogelijk elders te voorzien dat de hele wijk in deze mate extra verdicht moet worden. Indiener vindt het jammer en afdoen aan de kwaliteit van de openbare ruimte, maar heeft ook besef dat er woningnood is.
De woningdichtheid van ‘t Hul Noord is vergelijkbaar met de woningdichtheid van Molenbeek: minder dan 20 woningen per hectare. Dit is qua dichtheid aan de lage kant voor een dorp.
16.2
In de toelichting staat dat in twee van de woonvelden ook buurtfuncties mogelijk zijn, waarbij een hogere goot- en bouwhoogte is toegestaan dan in de overige woonvelden. Daarnaast zijn er woonvelden aangeduid als ‘specifieke vorm van woongebied – landschappelijk woonveld’ en ‘specifieke vorm van woongebied – lint’, waarbinnen (evenals binnen ‘specifieke vorm van woongebied – buurtfuncties’) met een afwijkingsbevoegdheid een andere afstand tot de voorste of achterste perceelsgrens kan worden aangehouden dan in de reguliere woonvelden. Indiener vindt het
De afwijkingsbevoegdheid maakt uitsluitend afwijking van de afstand tot voorste- en achterste perceelsgrens mogelijk.
- 42 onduidelijk of de afwijkingsbevoegdheid voor dit gebied alleen ziet op de voorste en achterste perceelsgrens of ook op de hogere bouwhoogte. 16.3
Indiener is benieuwd wat ‘landschappelijk woonveld’ specifiek betekent.
In de stedenbouwkundige visie is toegelicht welke inrichtingsprincipes in de landschappelijke woonvelden beoogd zijn. Deze stedenbouwkundige visie is als bijlage 2 bij het bestemmingsplan gevoegd. In het bestemmingsplan is specifiek voor het landschappelijk woonveld een afwijkingsmogelijkheid opgenomen van de afstand tot de voorste- en achterste perceelsgrens.
16.4
Op dit woonveld van 5.200m2 zijn 24 woningen voorzien. Dit komt neer op 225 m2 per woning incl. de benodigde parkeervoorzieningen. Dit verhoudt zich niet goed met de vrijstaande woningen.
Zie de reactie op zienswijze 2.3 en zienswijze 10.5.
16.5
Indiener vraagt zich af hoe invulling wordt gegeven aan het ‘landschappelijke’ en waarom niet is gekozen voor bijvoorbeeld 8 vrijstaande woningen in lijn met de Molenweg en de Meelzolder ter hoogte van deze locatie?
Zie reactie op zienswijze 2.3 en zienswijze 10.5.
16.6
In de toelichting is opgenomen dat aspecten van de duurzame leefomgeving ‘zo optimaal mogelijk’ worden ingezet. Indiener geeft aan dat van de gemeente verwacht mag worden dat ‘zo optimaal mogelijk’ wordt gedefinieerd zodat op voorhand consensus is over wat een duurzame wijk is. Indiener geeft aan dat het goed zou zijn om dit specifiek te maken met in bijzonder de verhouding tussen de maatregelen op dit vlak en de in 2.2.2 genoemde maximale vrij op naam prijzen.
In het bestemmingsplan mogen enkel regels opgenomen worden voor aspecten die ruimtelijk relevant zijn. Duurzaamheidsmaatregelen zijn dat in de meeste gevallen niet. Bij aanvragen van omgevingsvergunningen voor het bouwen moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de geldende regelgeving voor duurzaamheid.
16.7
Indiener vraagt zich af of de te treffen maatregelen op het gebied van de genoemde duurzaamheidsthema’s ten laste komen van de opstalontwikkeling of de gemeentelijke grondexploitatie.
Grondexploitatie houdt rekening met alle duurzaamheidthema’s en Duurzaamheidseisen. Deze worden bij wet en beleid gesteld.
16.8
Indiener vraagt zich af welke doelstellingen en ambities er concreet liggen en wat prevaleert wanneer deze twee onherroepelijk in conflict raken? (in het kader van duurzaamheid)
Doel van het bestemmingsplan is het planologisch mogelijk maken van woningbouw. Ambitie is om bij te dragen aan het invullen van de woningvraag en dit zo duurzaam mogelijk te doen. Er is in zoverre geen sprake van een conflict.
- 43 -
16.9
68% van de woningen wordt ontwikkeld voor sociale koop of middel huur. Volgens indiener is daar ook animo voor. In de woondeal Noord Veluwe is volgens indiener een verkeerde definitie van ‘betaalbaar’ gehanteerd en zou deze voor Nunspeet lager moeten liggen.
Met de aanpassing van de doelgroepenverordening, de koppeling van deze verordening aan het bestemmingsplan en exploitatieplan willen wij zoals indiener wenst in het voorliggende bestemmingsplan betaalbare woningen realiseren die lager liggen dan de landelijk gehanteerde betaalbaarheidsgrens.
16.10
Gelet op punt 16.9 is indiener van mening dat er koopwoningen met flinke subsidie verkocht gaan worden. De onrendabele top komt in dat geval ten laste van de grondexploitatie van de gemeente. Iedereen die wordt ingeloot heeft volgens indiener een lot uit de loterij met een antispeculaulatiebeding dat 10 jaar loopt. Indiener vraagt zich af of het aan de gemeente is om op gemeenschapsgeld zo geconcentreerd bij enkele geluksvogels te laten belanden. Indiener vraagt zich af of dat geld niet beter geïnvesteerd kan worden in de kwaliteit van de wijk, waarbij er marktconform wordt ontwikkeld en eventuele onrendabele toppen uitsluitend worden gedragen op publieke functies.
Het woningbouwprogramma dat is opgenomen in het bestemmingsplan ’t Hul Noord is een woningbouwprogramma dat is afgestemd op de woningbehoefte voor Nunspeet zowel qua aantallen als type woningen. Dit komt daarnaast overeen met de afspraken uit de woondeal Noord – Veluwe waarin is opgenomen dat 2/3 deel van het aantal woningen dat wordt gerealiseerd, wordt gerealiseerd in de betaalbare categorie.
16.11
Indiener zou graag de achtergrond van de beleidswijziging willen weten ten aanzien van het opnemen van de mogelijkheid in 13.3.3 om van de vrijwaringszone- molenbiotoop af te wijken.
Zie de reactie op zienswijze 5.4.
16.12
Indiener zou het bezwaarlijk vinden dat nu van de molenbiotoop kan worden afgeweken
Zie de reactie op zienswijze 5.4.
16.13
Indiener vraagt aandacht voor de overlast van hangjeugd in het retentiegebied Molenbeek 1, waarbij in de wintermaanden ook vuurwerk wordt afgestoken (zowel overdag als ’s nachts). Deze
In het ruimtelijk spoor is er beperkt invloed uit te oefenen op overlast van hangjeugd. De overlastsituaties hebben de aandacht van de gemeente.
Door indiener wordt vervolgens de koppeling gelegd tussen het realiseren van betaalbare woningen en de onrendabele top die ten laste komt van de exploitatie. Voor de locatie ’t Hul geldt de doelgroepenverordening, de gemeente kan hierdoor sturen op de realisatie van betaalbare woningen en dat deze woningen ook daadwerkelijk terecht komen bij de groep die op basis van het inkomen is aangewezen op een betaalbare woning. Dit staat wat ons betreft niet gelijk aan gelukszoekers die een lot uit de loterij ontvangen. De gemeente voorziet met de ontwikkeling ’t Hul Noord in woningen waar behoefte aan bestaat zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de wijk.
- 44 overlast is volgens indiener met het tot stand komen van Molenbeek 2 en 3 toegenomen. Indiener wil hiervoor met de plannen voor ’t Hul-Noord aandacht voor vragen. 16.14
Indiener wil graag vanaf heden als belanghebbenden worden aangemerkt en ook uitnodigingen die per brief aan bewoners van de Molenweg worden verstuurd ontvangen. Dit gezien indiener eerder geen uitnodiging voor de inloopavond heeft ontvangen.
Ten tijde van de structuurvisie is een participatieplan opgesteld. Hierin is de kring van doelgroepen vastgesteld, te weten grondeigenaren binnen het plangebied, bewoners en ondernemers binnen het plangebied, directe omwonenden grenzend aan het plangebied en inwoners van de gemeente Nunspeet. De bewoners van de Molenweg vallen in een andere doelgroep participatieaanpak dan indiener. Indiener valt onder algemene de groep, inwoners van de gemeente Nunspeet. Voor deze groep zijn ook participatiemogelijkheden geweest, informatieavond ten tijde van het structuurmodel en ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan. We zullen leden uit deze algemene groep niet specifiek of individueel benaderen. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan.
17
Indiener 17
17.1
Indiener geeft aan in de voorfase meegedeeld te hebben dat het gedeelte achter zijn woning vrij zou moeten zijn van bebouwing. Dit is in het concept ook verwerkt. In het ontwerpbestemmingsplan is dit teruggedraaid. Indiener vindt dit niet blijken van een open communicatie van de gemeente richting de burger. Indiener gaat ervanuit dat dit een misverstand betreft en dat het bestemmingsplan hierop wordt aangepast.
Zoals is aangegeven is in de Structuurvisie de betreffende gronden opgenomen als zoekgebied woningbouw. Het is juist dat in het structuurmodel de betreffende gronden niet opgenomen waren in het plangebied. Onbewust is dit buiten het structuurmodel gelaten. In 2018 is op de bedoelde gronden het voorkeursrecht gevestigd en in 2021 is besloten dat het voorkeursrecht gevestigd blijft op de betreffende gronden. Het doel van deze gronden is woningbouw. Naar aanleiding van het structuurmodel heeft de eigenaar van de betreffende gronden een inspraakreactie ingediend en verzocht om de betreffende gronden op te nemen in het plangebied voor woningbouw. Tussen het perceel van indiener van de woningbouw is een groene buffer van 10 meter voorzien. Wij zijn van mening dat woningbouw op deze gronden passend is en dat de woningbouw op een dusdanige afstand is gelegen van de woning van indiener dat er geen sprake is dat de belangen van indiener onevenredig worden geschaad.
- 45 Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het plan. 18
Indiener 18
18.1
Indieners zijn van mening dat de Chw niet van toepassing is om de volgende redenen: - Er is niet onderbouwd waarom er sprake is van een aaneengesloten gebied of herstructureringsgebied. - Hoewel het plan voorziet in meer dan 11 woningen, geeft het plan geen regels over het uitgiftetempo en zijn ook vele andere functies mogelijk. - De incorporatie van de Bovenweg in het plan leidt tot het feit dat het plan geen betrekking heeft op een aaneengesloten gebied, maar tot meerdere gebieden.
De Crisis- en herstelwet (Chw) is kort samengevat van toepassing op alle besluiten die zijn vereist voor de ontwikkeling van ruimtelijke projecten die zijn aangeduid in bijlage I bij de Chw (art. 1.1, eerste lid Chw). In categorie 3, onderdeel 3.1. van bijlage I bij de Chw worden onder meer als ruimtelijk project aangewezen, bestemmingsplannen voor: ‘de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.’ Het bestemmingsplan ’t Hul Noord voorziet in de bouw van maximaal 750 woningen, een school en ondersteunende voorzieningen. Dit nieuwe woongebied zal worden ontsloten via de Bovenweg, die daarvoor zal worden geherstructureerd. In paragraaf 2.1 van de toelichting bij het bestemmingsplan is het plangebied roodomlijnd weergegeven. Hieruit blijkt dat er sprake is van één aaneengesloten gebied. Omdat het bestemmingsplan betrekking heeft op de realisering van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied is de Chw daarop van toepassing. De opmerkingen over uitgiftetempo en de mogelijkheid om bijvoorbeeld een school in het plangebied te realiseren doen daaraan niet af.
18.2
Indieners zijn van mening dat het plan niet binnen de structuurvisie ’t Hul Noord past om de volgende redenen: 1. In casu is er strijdigheid met de structuurvisie. Er is niet alleen sprake van het ontbreken van een afwijkingsmotivering, maar de bijlage bij de toelichting van het plan, welke de structuurvisie bevat, is in strijd met de toelichting zelf.
1. Dat naar de Structuurvisie als bijlage verwezen wordt in de toelichting, betekent niet dat er niet van de structuurvisie kan worden afgeweken in diezelfde toelichting. Zie ook de reactie op zienswijze 3.9. 2. Zie de reactie op zienswijze 3.9. 3. De structuurvisie is in 2021 door gemeenteraad vastgesteld en gebaseerd op de behoefteberekening op basis van Primos 2020. Het is bekend dat woningbouwprognoses een houdbaarheidsdatum hebben van ongeveer 2 jaar. Dat is ook de reden waarom in de onderbouwing van het bestemmingsplan is verwezen naar recentere
- 46 2. Niet is onderbouwd waarom behoefte is aan 750 woningen, terwijl de structuurvisie stelt dat er behoefte bestaat aan 500 tot 600 woningen. 3. De cijfers, welke in de structuurvisie worden genoemd, zijn niet gemotiveerd (bijv. p.14 de 25% inloop op bestaande tekorten aan woningaantallen). Deze bestaande tekorten zijn niet gemotiveerd. 4. De afwegingen die gebruikt zijn om de locatie van ’t Hul aan te wijzen, zijn onvolledig. Er zijn alleen uitleglocaties in het dorp Nunspeet beoordeeld, maar een afweging op gemeenteniveau ontbreekt. 5. Nu in de toelichting slechts wordt verwezen naar de structuurvisie als onderbouwing op het plan is de onderbouwing als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro onjuist en onvolledig. 18.3
Indieners zijn van mening dat de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet (juist) is doorlopen om de volgende redenen: 1. Volgens de toelichting gaat het om een Ladder zoals bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. Indieners zijn van mening dat het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien het gaat om een functiewijziging maar ook om een plan dat naar aard en omvang het voorheen geldende planologische kader ruim overstijgt. 2. Ex artikel 3.1.6 lid 2 Bro dient de toelichting de behoefte aan de met dat plan mogelijk te maken ontwikkeling te beschrijven. Paragraaf 3.1 bevat een korte behoefte opgenomen, maar een kwantitatieve onderbouwing ontbreekt. Dit is onvoldoende. 3. Indieners vinden het plan niet passen in de omgeving. Het gaat indieners zowel om de kwantitatieve als kwalitatieve aard en omvang van het plan in relatie tot de negatieve gevolgen op haar woon- en leefklimaat (o.a. verkeersstromen).
gegevens over de woningbehoefte voor Nunspeet. We zien daarom ook niet het belang om een onderbouwing te geven van nader gegevens waar door de indiener naar wordt verwezen. 4. In de locatiestudies welke zijn uitgevoerd ten tijde van het opstellen van de structuurvisie zijn zowel de inbreidings- als uitbreidingslocaties onderzocht. De gemeenteraad heeft op basis van het locatieonderzoek gekozen voor ’t Hul Noord als best geschikte locatie voor de nieuwe woonwijk. 5. De veronderstelling van indiener dat uitsluitend naar de structuurvisie als ladderonderbouwing is niet juist. Ook actuele informatie over behoefte (bijv. regionaal woningmarktonderzoek Noord-Veluwe) is daarbij betrokken. Naar onze mening is ten behoeve van het plan voldoende en volledig onderzoek gedaan, waarmee de ladderonderbouwing op een juiste wijze is gegeven. Verwezen wordt in dit verband ook naar de reactie bij zienswijze 3.9. 1. In het bestemmingsplan wordt ook tot uitgangspunt genomen dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2. Anders dan de indieners stellen, is er in de toelichting een uitgebreide toelichting met cijfermatige onderbouwing opgenomen voor de behoefte. De kwantitatieve onderbouwing is daarmee in kaart gebracht. Het gedane verzoek en de weergave daarvan in de toelichting voldoen aan de eisen, die het Bro daaraan stelt. 3.
Er wordt ter plaatse een aanzienlijke nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt. De gevolgen daarvan, bijvoorbeeld op het gebied van verkeer en landschap, zijn uitgebreid onderzocht en hebben geleid tot de inrichting van het plan at nu voorligt. Het onderhavige plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
18.4
18.5
- 47 Het plan is in strijd met de omgevingsverordening van de provincie Gelderland om de volgende redenen: 1. Ten aanzien van het nationaal landschap wordt gesteld dat er geen sprake is van specifieke kernkwaliteiten die via de formule van 2.56 verordening moeten worden getoetst. Als bijlage bij de verordening is de bijlage ‘Kernkwaliteiten Gelderse Nationale Landschappen’ opgenomen. In hoofdstuk 7, onderdeel h, van deze bijlage zijn de kernkwaliteiten voor het specifieke gebied beschreven. Deze waarden zijn in de toelichting niet behandeld. Niet valt in te zien waarom deze onderdelen geen toetsing behoeven en waarom deze kernkwaliteiten niet aangetast worden. 2. Ten aanzien van het waardevol open gebied is niet getoetst aan het verbod in artikel 2.55 verordening. Artikel 2.55 verordening kent geen abc-toetsing. Artikel 2.56 kent deze wel, maar ten onrechte wordt gedaan alsof deze toetsing (ook) van toepassing is op artikel 2.55. Dat is onjuist. 3. De maatregelen voor ecologie, natuur en water uit het structuurmodel zoals opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting, hadden juridisch bindend in een planregel moeten worden vastgelegd. Dat is niet gedaan, waardoor de realisatie van deze maatregelen rechtsonzeker is en nimmer gemotiveerd aan de verordening kan worden voldaan. 4.
In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de realisatie van de woonwijk met 750 woningen en een herstructurering van een weg nimmer kan bijdragen aan de genoemde (kern)kwaliteiten van het landschap. Veel van de in het structuurmodel genoemde uitgangspunten zijn niet verwerkt in bindende planregels en derhalve kunnen zij niet dienen als motivering voor het afwijken van de omgevingsverordening. Er kan deels niet aan getoetst worden bij de vergunningverlening et cetera.
1. Zie de reactie op zienswijze 3.4. 2. Zie de reactie op zienswijze 3.4 en zienswijze 3.7. 3. De aanleg van de groen- en waterstructuur is in het exploitatieplan verplicht. De instandhouding van de groen- en waterstructuur nadat deze is aangelegd is verplicht in het bestemmingsplan. In dat verband is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De exacte inrichting van de groenstructuur en de landschapszone wordt op een later moment bepaald. Wel is bepaald dat binnen de 'specifieke vorm van groen - groenstructuur' bomen met onderbeplanting met een breedte van minimaal 10 meter wordt gerealiseerd. Daarmee zijn de landschappelijke maatregelen op een passende wijze in het bestemmingsplan geborgd. 4. De kernkwaliteiten worden niet aangetast, zie de reactie op zienswijze 3.4.
Van afwijking van de omgevingsverordening is geen sprake meer. Zie ook de reactie op zienswijze 3.7. Het overgrote deel van de inrichting van het gebied is bindend vastgelegd in het bestemmingsplan en het exploitatieplan. Voor de verdere uitwerking worden nog een beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan opgesteld waarmee een
- 48 duidelijk kwaliteitskader ontstaat voor de verlening van omgevingsvergunningen. 18.6
In het structuurmodel wordt gesteld dat sprake is van ‘big-five’ aan dieren, waartoe nieuwe habitats worden gerealiseerd. Deze zijn niet opgenomen in de planregels. Het is volgens indiener volstrekt onduidelijk wat de gemeenteraad beoogt te realiseren, te motiveren, dan wel te beschermen.
De te realiseren landschapselementen zorgen voor een uitbreiding van bestaande habitats en het toevoegen van nieuwe habitats. Dit is een extra kwaliteit van het plan: het is een natuurinclusieve ontwikkeling. Wij volgen de indieners niet dat het onduidelijk is wat de gemeenteraad beoogt te realiseren en te beschermen.
18.7
In het structuurmodel (pagina 12) zijn uitgangspunten voor het watersysteem van de wijk opgenomen. Deze uitgangspunten zijn niet opgenomen in de planregels dan wel op de verbeelding. De opgenomen wateropvang voldoet niet aan het gestelde in het structuurmodel. Onduidelijk is hoe deze tegenstrijdigheid moet worden uitgelegd, nu het structuurmodel veel meer waterberging voorschrijft.
De aanleg en instandhouding van de hoofdwatergang en landschapszone zijn vastgelegd in het exploitatieplan (aanleg) en bestemmingsplan (instandhouding). Hiermee is de vereiste waterberging geborgd.
18.8
De hoofdontsluiting is ondergeschikt aan de hoofdstructuren (de groen- en waterstructuren), aldus het structuurmodel. Deze mag niet extra benadrukt worden, maar heeft wel herkenningspunten door middel van eenzelfde beplantingssoort/ kleur. Dit uitgangspunt is niet geborgd, niet zichtbaar op de verbeelding et cetera.
De positionering van de hoofdontsluiting en de groen- en waterstructuur zorgt ervoor dat de hoofdontsluiting ondergeschikt is. Wij volgen de indieners daarom niet in hun betoog.
18.9
In paragraaf 2.3 van de toelichting wordt ingegaan op duurzame stedenbouw. Op de verbeelding wordt duidelijk dat het gaat om een groenbestemming met beperkte omvang die het gestelde uit het structuurmodel nimmer kan vertegenwoordigen. Er wordt gesproken over maatregelen voor groene stapstenen, maar deze zijn nergens opgenomen c.q. vastgesteld in het plan. Het raamwerk uit bijlage 2 is niet vastgelegd op de verbeelding, terwijl de toelichting daar wel aanleiding voor geeft.
De omvang van de groenbestemming is gebaseerd op de dwarsdoorsneden voor de groenstructuren die in de stedenbouwkundige visie is opgenomen. De aanleg en instandhouding ervan is vastgelegd en geborgd in het exploitatieplan (aanleg) en bestemmingsplan (instandhouding).
18.10
Een groot deel van de in het structuurmodel genoemde opzet is niet overgenomen of vertaald in bindende planregels. Dit zorgt ervoor dat het plan onvoldoende gemotiveerd is en niet voorziet in een goede ruimtelijke ordening.
De aanleg en instandhouding van de hoofdontsluiting, groen- en hoofdwaterstructuur zijn vastgelegd in het exploitatieplan en bestemmingsplan. De
- 49 positionering van de woonvelden ligt daarnaast ook vast, evenals de minimale en maximale aantallen woningen per woonveld. Hiermee is de beoogde structuur geborgd. 18.11
Het plan voorziet in een herstructurering van de Bovenweg. Deze moet worden verbreed, verlegd en voorzien van twee rotondes, waarvan één direct voor de woning van indieners. De Bovenweg vormt de enige ontsluiting voor ’t Hul Noord, fase 1. Dit betekent dat indieners al het verkeer uit de wijk over de weg/ rotonde langs hun woning te verwerken krijgen.
Ten behoeve van het onderhavige plan is uitgebreid onderzoek gedaan naar de verkeerseffecten. De capaciteit van de wegen en de te reconstrueren Bovenweg is voldoende om al het verkeer op passende wijze af te wikkelen.
18.12
Het volgende wordt door indieners aangegeven ten aanzien van bijlage 12 en 13 bij de toelichting ‘Verkeersnotitie reconstructie Bovenweg’ en ‘Onderzoek ontsluiting en verkeerprognose’: 1. Bijlage 12, notitie van RoyalHaskoningDHV, sluit aan op een verkeersmodel van de gemeente. Het model is als zodanig niet inzichtelijk en de uitkomsten van dit onderzoek, dan wel de conclusies uit de notitie, zijn derhalve niet verifieerbaar. Onduidelijk is waarom dit tracé is gekozen, waarom er twee rotondes dienen te komen, waarom er geen andere oplossingen waren en waarom al het verkeer over de Bovenweg moet worden afgewikkeld, et cetera. 2. Het zou logisch zijn om aan te sluiten bij de verkeersgeneratiecijfers uit de standaardpublicaties van CROW. 3. De maatschappelijke functie wordt gedefinieerd als ‘school’, maar de planregels bieden een veel ruimere bestemmingsomschrijving. De verkeersrapporten zijn derhalve niet toereikend. 4. In bijlage 13, het rapport van Goudappel, wordt gewerkt met een prognose van 2000 tot 5000 voertuigen, terwijl in casu, behoudens het vorenstaande, sprake is van meer dan 6000 verkeersbewegingen. Derhalve gaat dit rapport uit van verkeerde generatiecijfers. Daarmee is niet getoetst aan de maximale planologische mogelijkheden.
Verschillende opties voor de ontsluiting van ’t Hul-Noord zijn onderzocht. Op basis daarvan is de rotonde bij de molen ‘De Duif’ in het plan opgenomen. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van kencijfers van het CROW, afgestemd op het feitelijk woningtypes en de ligging van de planlocatie. De geprognosticeerde verkeersgeneratie van het plan bedraagt 5.300 mvt/etmaal op een weekdag en 5.800 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De maatschappelijke functie is meegenomen in de verkeersgeneratie. De totale verkeersgeneratie van het plan bedraagt 5.800 mvt/etmaal op een werkdag.