Vinkenhofjes - Bijlage 4 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
Tekst van het document
RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Vinkenlaan Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten
Rapportage archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Vinkenlaan, Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Rapportnummer
16743.001
Versienummer1
1
Datum
23 januari 2023
Opsteller
Mevrouw L. Veenendaal, MA en de heer drs. M. Stiekema (reg. nr. 32138595)
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw P. Beurskens, MA (reg. nr. 69784247)
Paraaf
1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld
door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 16 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 7 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 13 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 15
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 16 Methoden .................................................................................................................................... 16 Resultaten .................................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 17
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 18
LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 3.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16.
Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op geomorfologische kaart Het plangebied op het AHN Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit 1817 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1900 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1929 Het plangebied op de topografische kaart uit 1953 Het plangebied op de topografische kaart uit 1973 Het plangebied op de topografische kaart uit 1984 Het plangebied op de topografische kaart uit 2015 Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
16743.001
Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte
Toponiem
Vinkenlaan
Plaats
Nuenen
Gemeente
Nuenen, Gerwen en Nederwetten
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Nuenen, sectie F, percelen 157, 158, 258, 2890, 2896, 3128 en 4009
Omvang plangebied
Circa 12.117 m2
Centrumcoördinaten (X/Y)
X: 166.232/ Y: 386.458
Archeoregio NOaA
4: Brabants zandgebied
Bevoegde overheid
Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten Postbus 10000 5670 GA Nuenen T: 040-2631631
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Wal 28 Postbus 8035 2601 KA Einshoven
Uitvoeringsperiode
Januari 2023
Uitvoerder(s)
Econsultancy, mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Fysisch geograaf en Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5321654100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot van Noord-Brabant
Contactpersoon: Mevrouw drs. R. Berkvens T: 088-3690638 E: R.Berkvens@odzob.nl
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte in januari 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Vinkenlaan te Nuenen in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. In het plangebied zullen 120 driekamerappartementen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting geldt er een lage archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd. Voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een gevlekte, verrommelde bouwvoor tot circa 0,60 m – 0,90 m mv. Ook is de top van de C-horizont verstoord tot circa 0,85 m – 1,50 m -mv. Hieronder zit de niet-verstoorde Chorizont welke bestaat uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden.
Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies
16743.001 versie 1
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Nuenen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
16743.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Vinkenlaan in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en NederwettenGemeenteX. De initiatiefnemer heeft voornemens de huidige 60 appartementen te slopen en hiervoor in de plaats 120 driekamerappartementen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in januari 2023 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Fysisch geograaf en Senior KNA Prospector).
Het rapport is gecontroleerd door mevrouw P. Beurskens, MA (Senior KNA Archeoloog en Senior KNA Prospector).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
16743.001 versie 1
1 / 18
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Vinkenlaan in de bebouwde kom van Nuenen en circa 700 meter ten zuiden van de kern van Nuenen, in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (kaart 1). Het plangebied ligt in de kadastrale gemeente Nuenen, sectie F, percelen 157, 158, 258, 2890, 2896, 3128 en 4009 (kaart 2).
2
SIKB.
16743.001 versie 1
2 / 18
Het plangebied heeft een oppervlak van 12.117 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond 18,1 m +NAP in het noorden van het plangebied en 17,7 m +NAP in het zuiden van het plangebied. De centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 166.232 en Y: 386.458. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels bebouwd met 60 appartementen in vier blokken. Daarnaast zijn gedeelten bestraat of in gebruik als groenperkjes met gras, bomen en struiken (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Nuenen Zuidoost’ (opgesteld op 27-09-2018). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 2.500 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.3 Volgens de beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (zie kaart 4).4 Milieuhygiënische situatie Te gelijker tijd met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend. Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van Zuidoost-Brabant geraadpleegd.5 Binnen het plangebied is in 1993 een bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodem potentieel verontreinigd is. Bij een potentiële verontreiniging wordt vermoed dat de aanwezige verontreiniging niet ernstig is.
2.4 Toekomstige situatie
3
Portaal voor Ruimtelijke Plannen.
4
Berkvens 2010.
5
*Omgevingsloket
16743.001 versie 1
3 / 18
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zijn 120 driekamerappartementen gepland. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie6
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (Bx6): fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek
Geomorfologie7
Niet gekarteerd; dekzandvlakte
Bodem8
Niet gekarteerd; hoge zwarte enkeerdgrond
Grondwatertrap9
Niet gekarteerd
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met overwegend afzettingen van de Formatie van Boxtel. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd (circa 115.000 tot 10.000 jaar geleden), toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.10 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laatglaciaal (14.650 tot 11.650 jaar geleden) zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de
6
De Mulder et al., 2003.
7
BRO Bodemkaart, NGR/WER, 2018.
8
BRO Geomorfologische kaart, NGR/WER, 2019.
9
BRO Grondwaterspiegeldiepte Model , NGR/WER, 2021.
10
Berendsen, 2008
16743.001 versie 1
4 / 18
Formatie van Boxtel.11 Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd.12 De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Op circa 1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het dichtstbijzijnde stuifduinencomplex. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van het plangebied afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde bekende beekdal, van de Kleine Dommel, bevindt zich op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. DINO Het Dinoloket13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.
Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 14 Hieruit blijkt dat de ondergrond tot circa 1,90-2,90 m -mv bestaat uit zeer fijn en matig fijn zand. Deze lagen kunnen worden geïnterpreteerd als dekzand dat is afgezet gedurende de laatste ijstijd en behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Hieronder zitten leemlagen, waarvan sommige lagen zwak kleiig zijn. Deze leemlagen behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Liempde. Het Laagpakket van Liempde is ook wel bekend onder de naam Brabants leem. Het Brabants leem is tijdens het Weichselien afgezet. Tussen de leemlagen komen lagen matig fijn en matig grof zand voor.15 Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie kaart 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een dekzandvlakte.
11
De Mulder et al., 2003.
12
Berendsen, 2008
13
Dinoloket.
14
DINO boornummers B51G2041, B51G2042 en B51G2039.
15
Brabant in Zicht.
16743.001 versie 1
5 / 18
Dekzand is tijdens de laatste ijstijd afgezet tijdens stormen onder zeer koude weersomstandig. Op sommige plekken heeft dekzand een vlakke ligging. De geringe invloed van water, vochtige omstandigheden bij de afzetting of latere invloed van de mens zijn voor deze vlakke ligging verantwoordelijk geweest. Soms zijn de lagere delen van het dekzandoppervlak bedekt met veen of overstromingsmateriaal en zijn hogere delen afgegraven of geëgaliseerd, waardoor het gebied een vlak uiterlijk heeft.16 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland17 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het noordelijke gedeelte van het plangebied op 18,1 m +NAP en het zuiden van het plangebied ligt op 17,7 m +NAP (zie kaart 6). Direct ten westen van het plangebied is een hoger gelegen strook aanwezig dat van noord naar west loopt (circa 19 m +NAP). Uit de aanwezige data is niet te concluderen of het een natuurlijke heuvel betreft of dat het gebied is opgehoogd. Wanneer wordt uitgezoomd, wordt zichtbaar dat ten westen van het plangebied een lager gelegen gebied in noordzuidelijke richting ligt, welke de loop van de beek de Kleine Dommel volgt.
Volgens het AHN liggen delen van het beekdal op circa 13,7 m +NAP. Vanaf de beek, het oosten, naar het plangebied toe loopt de hoogte op. Volgens de geomorfologische kaart liggen hier dekzandruggen en dekzandvlaktes. Het gebied rond het plangebied ligt veelal tussen de 17,5 m en 18,5 m +NAP. Ook op circa 750 meter ten oosten van het plangebied liggen dekzandruggen en hiervan ligt de hoogte op circa 19 m +NAP. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie kaart 7). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen hoge zwarte enkeerdgronden. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. 18 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.
16
Geologie in Nederland.
17
PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.
18
Doesburg et al., 2007.
16743.001 versie 1
6 / 18
Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd.
2.6 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, is Archis3, geraadpleegd, de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 8 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. AMK-terreinen Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn, maar die nog niet zijn onderzocht. Een uitdraai van de onderzoeksmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 2. Het AMK-terrein ten noorden van het plangebied geeft aan dat ongeveer op die locatie de oude dorpskern van Nuenen was gelegen, van bewoning vóór 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen.
De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16e-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Late-Middeleeuwen (tot circa 1300) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet per se hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Onderzoeksmeldingen Archeologische onderzoeksmeldingen zijn meldingen van onderzoeken die vanaf de jaren 1990 zijn uitgevoerd op basis van artikel 46 van de Monumentenwet uit 1989. Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Een uitdraai van de onderzoeksmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 3.
16743.001 versie 1
7 / 18
Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal tien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en een opgraving. De twee dichtstbijzijnde onderzoeken zijn in onderstaande paragraaf besproken. De vier dichtstbijzijnde en meest representatieve onderzoeken zijn hieronder verder uitgeschreven. Onderzoeksmeldingsnummer 5203597100: Lyndakkers 31 te Nuenen, 40 meter ten noorden van het plangebied 19 Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een lage gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van de boringen kan de bodemopbouw in hoofdlijnen worden weergegeven. In het plangebied zijn matig fijne, zwak tot matig siltige zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij een van de boringen een pakket aangetroffen bestaande uit een zwak humeus eerddek met een dikte van 60 cm. Onder het eerddek is bij alle boringen vanaf het maaiveld een verstoorde laag met sterk wisselende dikte waargenomen.
Bij deze eerste boring (ligt ten westen binnen het plangebied) was de verstoorde laag 30 cm dik, en bij de overige boringen 70 tot 130 cm dik. Het verstoorde pakket lijkt te bestaan uit een mix van resten van een vergraven voormalig plaggendek en vergraven resten van de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen. De verstoringen kenmerken zich door de gevlektheid van het sediment en plaatselijk de aanwezigheid van fragmenten baksteen. In deze laag zijn bij geen van de boringen resten van een voormalig podzolprofiel waargenomen. Onder het verstoorde pakket zijn bij alle boringen onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen bestaande uit zwak tot matig siltige zanden. De dekzandafzettingen zijn verder zwak tot matig gleyhoudend. Hoeveel van de dekzandafzettingen zijn afgetopt in het oostelijke deel van het plangebied is op basis van het verkennend booronderzoek niet te bepalen. Wel kan op basis van de matig tot sterk verstoorde bodemopbouw de gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek is geadviseerd het plangebied vrij te geven.
Onderzoeksmeldingsnummer 2342085100: Hoge Brake te Nuenen, 50 meter ten zuiden van het plangebied 20 In het bureauonderzoek is een lage archeologische verwachting opgesteld voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. De Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen hebben een middelhoge archeologische verwachting gekregen. Op het aantreffen van archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Tijdens het verkennende booronderzoek zijn de te verwachten enkeerdgronden niet aangetroffen. Rond het plangebied zijn veel gebieden ontgrond, wat ook in het plangebied het geval lijkt te zijn. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.
19
Stiekema 2022.
20
Schorn 2014.
16743.001 versie 1
8 / 18
Onderzoeksmeldingsnummer 2201030100: De Luistruik te Nuenen, 350 meter ten noorden van het plangebied21 De bodemopbouw bestond uit een plaggendek op dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel).In het zuidoostelijke gedeelte was het plangebied maximaal 1 m opgehoogd. In 10 van de 36 uitgevoerde proefsleuven werd onder het plaggendek een (restant van een) veldpodzolbodem aangetroffen. Met name in de noordelijke helft van het plangebied zijn langwerpige, rechthoekige kuilen of banen van verschillende lengte en breedte aangetroffen. Het betreft esgreppels uit de Nieuwe tijd (17 e eeuw tot begin 20e eeuw). Naast deze sporen uit de Nieuwe tijd zijn ook paalkuilen, kuilen, waterkuilen, een waterput en greppels uit de Middeleeuwen aangetroffen. Het plangebied ligt op dezelfde landschappelijke locatie als het huidige plangebied aan de Vinkenlaan in Nuenen. Onderzoeksmeldingsnummer 4648326100, Luistruik fase 3, 410 meter ten noorden van het plangebied22 In het plangebied Nuenen-Luistruik wordt sinds 2004 een woonwijk gerealiseerd waarvan de uitvoering een gefaseerd verloop heeft gehad. Deze opgraving bevatten de resultaten uit fase 3. In 2008 is een groot proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij zeven vindplaatsen zijn aangewezen. Drie van deze vindplaatsen liggen in het plangebied van fase 3.
Een van deze vindplaatsen (vindplaats 6) bevindt zich in het zuiden van het plangebied. Het gaat om bewoning uit de Late-Middeleeuwen. De opgraving van de middeleeuwse bewoning heeft geresulteerd in de reconstructie van een aantal structuren waaronder gebouwen, waterputten, greppels en kuilen. Het onderzoek heeft tevens een aantal structuren uit de Nieuwe Tijd aan het licht gebracht. De verschillende archeologische onderzoeken in het plangebied hebben een goed beeld van de landschappelijke situatie mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in een zwak golvend dekzandlandschap dat afgedekt is met een plaggendek. Vanaf wanneer het plaggendek is ontstaan kon niet bepaald worden. Waarschijnlijk vindt het zijn oorsprong na de Late-Middeleeuwen, omdat de sporen van vindplaats 6 erdoor afgedekt zijn. Het plangebied ligt op dezelfde landschappelijke locatie als het huidige plangebied aan de Vinkenlaan in Nuenen. Vondstmeldingen Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval zijn gedaan of bij archeologisch onderzoek dat niet op basis van de Monumentenwet is uitgevoerd. Het gaat hierbij veelal om onderzoeken die voor de jaren 1990 zijn uitgevoerd. Bij elke vondstmelding hoort één vondstlocatie. Een overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 4.
De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Zo zijn kuilen en paalgaten uit de IJzertijd aangetroffen, een bronzen zegelstempel, aardwerk, slakmateriaal en huisplattegronden uit de Vroege- en Late-Middeleeuwen en aardewerk uit de Nieuwe tijd.
21
Wilgen 2010.
22
Wesdorp 2020.
16743.001 versie 1
9 / 18
Andere bronnen Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant23 heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn wetenschappelijke publicaties geraadpleegd in de vorm van archeologische rapportages en bouwdossiers. Het provinciaal archeologisch depot is niet geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.
2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Nuenen24 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De naam Nuenen, Nuenhem of Nuynhem is een zogeheten Frankische heimnaam, ontstaan tussen de 5 e en de 8e eeuw. Het achtervoegsel ‘hem’ betekent heim of woonplaats. Het voorvoegsel ‘nuen’ of ‘nuyn’ betekent ‘nieuw’. De naam zou dus verwijzen naar een nieuwe woonplaats. De oude woonplaats zou Gerwen geweest kunnen zijn. Gerwen is gelegen ten noorden van Nuenen en zou in de Frankische tijd, tussen de 5e en 8e eeuw, zijn ontstaan.
Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300, ook wel bekend als ‘Sint-Barbaradag’, aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd de basis gelegd voor wat aanvankelijk de gemeente Nuenen-Gerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden.
23
Brabant.nl.
24
Drijehornick.nl.
16743.001 versie 1
10 / 18
Hoewel de huidige kern van Nuenen zich op circa 700 m ten noorden van het plangebied bevindt, was de middeleeuwse kern van Nuenen niet hier gelegen maar rond het kerkhof aan de Tomakker, circa 500 m oostelijk van de huidige kern. De huidige kern van Nuenen is ontstaan uit de buurtschappen Berg en Heieind. Het buurtschap Heieind wordt reeds in de 15e eeuw vermeld. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.2
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut25
1817
Gemeente Nuenen, sectie E, blad 01
1:2.500
Het plangebied bestaat uit negen kavels. Waarvan de twee meest noordelijke kavels in gebruik waren als weiland. De overige kavels werden gebruikt als bouwland. Door het noorden van het plangebied loopt van oost naar noordwest een weg.
Ten zuiden van het plangebied loopt de Lijkweg. Ten oosten loopt ook een weg, welke gedeeltelijk door het plangebied loopt. Deze weg splitst zich en loopt verder in noordwestelijke, noordoostelijke en zuidwestelijke richting.
Militaire topografische kaart26 (nettekening)
1900
670
1:50.000
Langs de oostkant van de aanwezige weg ligt een groenstrook. Het overige gedeelte is in gebruik als weiland.
Ten westen is een weg aanwezig welke is verhard. Circa 70 meter ten zuiden komt heide voor. Op circa 600 meter ten noorden ligt de kern van Nuenen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1929
670
1:50.000
Geen veranderingen ten opzichte van 1900.
De kern van Nuenen is iets uitgebreid.
Topografische kaart
1953
51G
1:25.000
De groenstrook is niet meer aanwezig.
Langs de verharde wegen is het aantal gebouwen uitgebreid.
25
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
26
Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
16743.001 versie 1
11 / 18
Topografische kaart
1973
51G
1:25.000
In het noordelijke gedeelte zijn drie rijen van de huidige bewoning aanwezig. De eerder aanwezige weg is niet meer aanwezig.
Ten noorden van het plangebied is veel bijgebouwd. Ook zijn direct ten noordoosten en ten westen van het plangebied wijken gerealiseerd.
Topografische kaart
1984
51G
1:25.000
De huidige bebouwing is binnen het plangebied gerealiseerd. Dit zijn vijf rijen/blokken bewoning.
Het plangebied is omringd door nieuwe woonwijken.
Topografische kaart
2015
51G
1:25.000
Vergelijkbare situatie als in 1984.
Vergelijkbare situatie als in 1984.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.2) is te zien dat het plangebied in 1817 bestond uit negen kavels. Waarvan de twee meest noordelijke kavels in gebruik waren als weiland en de overige kavels werden gebruikt als bouwland. Door het noorden van het plangebied loopt van oost naar noordwest een weg. Op de historische kaart van 1900 is te zien dat langs de oostkant van de weg een groenstrook ligt en dat het gebied dat eerder in gebruik was als weiland nu in gebruik is als bouwland. Op de kaart van 1953 is de groenstrook niet meer aanwezig. Op de kaart van 1973 is in het noordelijke gedeelte de weg verdwenen en hiervoor in de plaats zijn drie rijen van de huidige bewoning gerealiseerd. In 1984 is dit uitgebreid met nog twee vergelijkbare rijen bewoning, waardoor huidige situatie ontstaat. Op de kaart van 1817 is te zien dat ten zuiden van het plangebied de Lijkweg loopt. Ook ten oosten loopt een weg, welke gedeeltelijk door het plangebied loopt. Deze weg splitst zich net ten noordwesten van het plangebied en loopt verder in noordwestelijke, noordoostelijke en zuidwestelijke richting. De kaart van 1900 laat zien dat ten westen van het plangebied een verharde weg aanwezig is. Op circa 70 meter naar het zuiden vanaf het plangebied komt heide voor. Op circa 600 meter ten noorden ligt de kern van Nuenen.
Deze kern is op de kaarten van 1929 en 1953 uitgebreid, ook langs verharde wegen. Rond 1973 is er ten noorden van het plangebied veel bijgebouwd. Ook zijn direct ten noordoosten en ten westen van het plangebied woonwijken gerealiseerd. In 1984 is het plangebied in zijn geheel omringd door nieuwe woonwijken. Deze situatie blijft tot het heden vergelijkbaar. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen 50 m van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIP-objecten. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbestek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.
16743.001 versie 1
12 / 18
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 27 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23, (d.d. 04 januari 2023, maar dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd.
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.3
27
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Mesolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Ruimingskaart.
16743.001 versie 1
13 / 18
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandvlakte, blijkt dat het plangebied vanaf het Neolithicum gunstig is geweest voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 28 Het plangebied ligt ongeveer 1,5 kilometer van de beek de Kleine Dommel. Dit was voor de jagers en verzamelaars niet gunstig. Zij kozen eerder voor de gradiëntzones dichterbij (stromend) water. Daarnaast zijn er geen archeologische vondsten uit deze perioden aangetroffen. De perioden Paleolithicum en Mesolithicum hebben dan ook een lage archeologische verwachting gekregen.
Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.29 Voor de landbouwers was de locatie van het plangebied gunstig, namelijk op een hoger gelegen
28
Louwe Kooijmans et al., 2005.
29
Louwe Kooijmans et al., 2005.
16743.001 versie 1
14 / 18
dekzandvlakte. Daarnaast zijn er meerdere vondsten gedaan uit de perioden van de landbouwers. Ook is bekend dat de naam Nuenen een Frankische heimnaam is en tussen de 5e en 8e eeuw is ontstaan. Daarom is er een hoge archeologische verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum, de Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen binnen het plangebied. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 30 Op circa 400 meter ten noorden van het plangebied zijn sporen en vondsten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. De kans op het aantreffen van soortgelijke sporen binnen het plangebied is hoog. Het historisch kaartmateriaal laat zien dat er in de afgelopen tweehonderd jaar geen bebouwing binnen het plangebied aanwezig was. Daarom is de archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Nieuwe tijd laag. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog en hoog.
Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weiland, bouwland en is momenteel bebouwd. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting geldt er een lage archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd. Voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting.
30
Renes, 1999.
16743.001 versie 1
15 / 18
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 2 januari 2023 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en Mevrouw P. Beurskens, MA (Senior KNA Archeoloog en Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 11 januari 2023 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector en fysische geograaf). Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 5 boringen tot maximaal 1,60 m -mv gezet (zie kaart 16) De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 31 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd
31
Bosch, 2005.
16743.001 versie 1
16 / 18
op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven: Tabel 3.1
Hoofdlijn bodemopbouw
Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0,60 – 0,90 m -mv
Matig fijn, zwak siltig, grijsbruin gevlekt zand met brokjes steenkool
Bouwvoor
0,85 – 1,50 m -mv
Matig fijn, zwak siltig, bruingeel zand
Verstoorde laag
1,00 – 1,60 m -mv
Matig fijn, zwak/matig siltig, geel zand, soms zwak gleyhoudend
C-horizont/Cg-horizont
De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: Tot circa 0,60 m tot 0,90 m -mv komt matig fijn, zwak siltig, grijsbruin zand voor. Deze laag is geïnterpreteerd als een gevlekte bouwvoor. In de tweede boring zaten in de bouwvoor brokjes steenkool, wat erop wijst dat de bouwvoor in de 19e eeuw of later is omgezet. Onder de bouwvoor zit in boringen 1, 2, 5 en 6 een gevlekte, verstoorde laag bestaande uit een mix van de bouwvoor en de C-horizont matig fijn, zwak siltig, bruingeel zand. Deze laag eindigt op 0,85 m – 1,50 m -mv. In boringen 3 en 4 komt direct onder de verstoorde bouwvoor de Chorizont of Cg-horizont voor, in boringen 1, 2, 5 en 6 volgt deze laag onder de verstoorde C-horizont. De Chorizont kan worden beschreven als matig fijn, zwak/matig siltig, geel zand, welke soms zwak gleyhoudend is. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied is verstoord. Deze verstoring komt voor in de bouwvoor en top van de C-horizont. De verwachte hoge zwarte enkeerdgrond, zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland, is niet aangetroffen.
3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het booronderzoek is gebleken van de bodem in het volledige plangebied is verstoord tot in de top van de C-horizont.
16743.001 versie 1
17 / 18
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een gevlekte, verrommelde bouwvoor tot circa 0,60 m – 0,90 m mv. Ook is de top van de C-horizont verstoord tot circa 0,85 m – 1,50 m -mv. Hieronder zit de niet-verstoorde Chorizont welke bestaat uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek verworpen. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven.
Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
16743.001 versie 1
18 / 18
LITERATUUR Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkvens, R., 2010. Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Nuenen c.a. SRE Milieudienst, Eindhoven. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt en T. de Groot (red.), 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research). Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg.
Eisma, Leeuwarden. Schorn, E.A., 2014: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek Hoge Brake te Nuenen gemeente Nuenen. Synthegra: Doetinchem. Stiekema, M, 2022: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Vinkenlaan te Nuenen. Econsultancy: Swalmen. Wesdorp, M., 2020: Opgravingen in het plangebied Luistruik te Nuenen (fase 3). Een erf met twee bijzondere smidsen uit de Volle Middeleeuwen. VUhbs: Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 84). Wilgen, L.R. van, 2010: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Bestemmingsplan De Luistruik, Nuenen, gemeenten Nuenen. SOB Instituut: Heinenoord (projectnummer 1403-0710).