CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vinkenhofjes - Bijlage 12 Besluit ontheffing Wnb

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhofjes12.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

ODBN, Kenmerk

Pagina 20 van 30 Z/119035-250079

De verschillende typen alternatieve verblijven zijn per soort uitgewerkt in de Mitigatiecatalogus van Arcadis. Daarbij geldt het uitgangspunt dat alleen gewerkt mag worden met ‘evidence based practice’ (bewezen maatregelen) en – vooruitlopend op het aantonen van de functionaliteit door monitoring – reeds gangbare maatregelen waarvan de verwachting is dat ze daadwerkelijk werken. Het betreft een levend document dat deel uitmaakt van het SMP. Evaluatie en bijstelling van deze Mitigatiecatalogus vindt tenminste jaarlijks plaats op basis van monitoring in het kader van alle SMP’s die landelijk worden uitgevoerd door Arcadis. Het bevoegd gezag zal van elke wijziging op de hoogte worden gesteld. Een keuze van een bepaalde maatregel is afhankelijk van vele factoren zoals soort(en), constructie, werkzaamheden en type verblijfplaats. Om deze reden wordt een keuze voor specifieke maatregel altijd genomen door een ecoloog. Voor de keuze van mitigerende maatregelen gelden diverse uitgangspunten (SMP, § 2.4.2). Zo is er een sterke voorkeur voor natuurinclusieve maatregelen in gebouwen (constructie), met een voorkeur voor het behoud van bestaande verblijfplaatsen. Daarmee is de kans op succes het grootst (acceptatie door beschermde soorten). Second best is de realisatie van natuurinclusieve verblijfsruimten in de gebouwconstructie waarbij vrije ruimtes slim worden benut (maatwerk).

Indien dit niet mogelijk is, dan kan worden teruggevallen op prefab inbouwmaatregelen (voorkeur) of opbouwmaatregelen, voor zover deze zijn gemaakt van duurzame materialen. De betrokken ecologisch begeleider zal daarnaast zorgen voor de juiste ruimtelijke verdeling van de mitigerende maatregelen. Het is daarbij toegestaan om de voorzieningen ‘te clusteren’ binnen de betrokken woningen, onder voorwaarde dat daarbij de totale mitigatietaakstelling wordt bereikt en er een voldoende ruimtelijke spreiding van voorzieningen is door het gehele projectgebied. Clustering geldt alleen soorten die in kolonieverband leven. Hierbij geldt een maximaal aantal voorzieningen/kasten per woning/gebouw: • Gierzwaluw: zes voorzieningen/kasten per separaat geveldeel; • Huismus: twee voorzieningen/kasten per separaat); • Vleermuizen: drie voorzieningen/kasten per separaat geveldeel (maximaal één bijzondere verblijfsfunctie per geveldeel). Vooral tijdens de start van de looptijd van het SMP kunnen (bij uitzondering) tijdelijke mitigatievoorzieningen een eventueel gebrek aan alternatieve verblijfplaatsen opheffen, voor zover die nog niet zijn aangeboden in reeds uitgevoerde projecten als surplus op de taakstelling volgens de SMP-methodiek. Het kan daarbij gaan om tijdelijke of duurzame maatregelen.

Dit kan met name aan de orde zijn bij meer geïsoleerd liggende woningcomplexen, of in het geval dat de SMP-zone (salderingsgebied) bestaat uit één enkel complex of slechts enkele woningen, waardoor niet kan worden voldaan aan de eis dat op enig moment niet meer dan maximaal 25% van de SMP-zone in renovatie of verduurzaming mag zijn (en daarmee tijdelijk ongeschikt is voor gebouwbewonende soorten). Salderingsboekhouding De aantallen te realiseren en gerealiseerde alternatieve voorzieningen worden bijgehouden in een Excelbestand en berekend met behulp van macro’s. Hiermee wordt inzichtelijk of er een plus of een tekort aan verblijfplaatsen is gerealiseerd in een SMP-zone (salderingsgebied). De werkwijze alsmede de ligging van de SMP-zones (salderingsgebieden) staan toegelicht en afgebeeld in bijlage G van het SMP. Deze salderingsboekhouding moet tevens inzichtelijk en toegankelijk zijn voor de toezichthouder op deze ontheffing, en dient op eerste aanvraag te kunnen worden overgelegd.

ODBN, Kenmerk

Pagina 21 van 30 Z/119035-250079

Maatwerkvoorziening Bij het aantreffen van een bijzondere verblijffunctie wordt maatwerk toegepast. De maatwerk maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch (maat)werk-protocol en ter goedkeuring verzonden naar bevoegd gezag. Onder een bijzondere verblijffunctie wordt verstaan: o verblijfplaats van laatvlieger of gewone grootoorvleermuis vanaf 10 dieren; o kraamkolonie van gewone dwergvleermuis vanaf 50 dieren; o massawinterverblijf van gewone dwergvleermuis; o kolonies van gierzwaluw of huismus vanaf 20 nesten binnen een cirkel met diameter 50 meter; o nest of kolonie van huiszwaluw; o verblijfplaats van steenmarter. Mutaties woningbestand Een aantal woningen van Helpt Elkander is voorzien van een verkoop-label. Voorzien is dat de verkoop van woningen de komende vijf jaar op een jaarlijks gemiddelde van 0,4% van het gehele woningbestand zal uitkomen. Ook kunnen woningen aan de woningvoorraad van Helpt Elkander worden toegevoegd. Het aantal woningmutaties dat onder deze ontheffing kan worden geschaard beperken wij tot jaarlijks maximaal 5% van het woningbestand. Zie hiertoe voorschrift 11. 2.7

Monitoring

De monitoring is gericht op inzicht in de effectiviteit van de voorzieningen en op inzicht in de staat van instandhouding van de populaties van aangevraagde soorten. Op basis van deze monitoringsresultaten wordt het SMP geëvalueerd. Deze evaluatie bepaalt of het SMP voldoet aan de ontheffingsvoorwaarden en of er reden is om het SMP op onderdelen aan te passen. Aan het einde van het vierde jaar van de ontheffingstermijn wordt het monitoringsonderzoek gerapporteerd en het SMP geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast ten behoeve van een mogelijk verlengingsverzoek. Op basis hiervan wordt vastgesteld of al dan niet nadelige gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de betreffende soorten. Hieruit volgt of bijsturing van de werkwijze noodzakelijk is of niet. In het eigendom is of kwantitatief onderzoek (nulmeting) dan wel kwalitatief onderzoek (vervolgonderzoek nulmeting) uitgevoerd voorafgaand aan de aanvang van de ingrepen. Door onderzoek te herhalen kan de voor- en na-situatie vergeleken worden. Tevens worden de bijzondere situaties nauwkeuriger opgevolgd en worden de aangebrachte voorzieningen gecontroleerd. De toekomstige resultaten van monitoring in het kader van SMP worden opgenomen in de database en daarmee actueel gehouden.

Onderzoek staat van instandhouding Monitoring naar de instandhouding van soorten vindt plaats in het vierde jaar (en negende jaar, na verlenging) van de ontheffingstermijn plaats, tenzij werkzaamheden aan een complex met een bijzondere verblijfsfunctie zijn uitgevoerd. Bij laatstgenoemde complexen vindt het eerste jaar na afronding van de werkzaamheden kwalitatief onderzoek plaats. Vanwege de bijzondere functie is het belangrijk vast te stellen waar deze zich na uitvoering van de werkzaamheden bevindt. Voor de monitoring worden dezelfde onderzoeksgebieden als tijdens het kwalitatief onderzoek gebruikt (zie figuur 1 en bijlage 1 van het rapport naar kwalitatief onderzoek van Staro BV, en tabel 3 van het BAG), tenzij de bijzondere verblijfsfunctie aan de rand van een onderzoeksgebied is waargenomen. In dat geval zal een nieuw onderzoeksgebied bepaald worden, zodat de kans voor het terugvinden van de bijzondere verblijfsfunctie het grootst is.

ODBN, Kenmerk

Pagina 22 van 30 Z/119035-250079

Het overige monitoringsonderzoek (zonder vooraf vastgestelde bijzondere verblijfsfuncties) vindt plaats in de kwalitatieve onderzoeksgebieden waarin zich complexen bevinden die tot en met het derde jaar van de ontheffingstermijn zijn aangepakt en voorzien zijn van mitigerende maatregelen. Voor de complexen die nog niet vallen onder een kwalitatief onderzoeksgebied wordt een nieuw onderzoeksgebied gemaakt of wordt het complex bij een bestaand kwalitatief onderzoeksgebied toegevoegd. De onderzoeksinspanning is conform de kwalitatieve methode zoals is opgenomen in Tabel 17. Hierdoor wordt, naast het aangepakte complex, de aansluitende bebouwing in de directe omgeving geïnventariseerd. Dit voor het in beeld brengen van verplaatsingen van dieren uit het woningbezit van Helpt Elkander richting andere woningen (al dan niet van Helpt Elkander) in de directe omgeving. Ten aanzien van de monitoring van de populaties en de voorzieningen hebben wij, ter aanscherping en verduidelijking, aanvullende voorschriften opgenomen. Dit is mede ingegeven door de lage mitigatietaakstellingen die Helpt Elkander hanteert in het SMP. De aanscherpingen dienen een vollediger beeld te krijgen van de gevolgen voor de populaties zodat, vanuit het vinger-aan-de-pols principe, daar waar nodig aanvullende voorschriften kunnen worden opgelegd.

Monitoring functionaliteit voorzieningen De functionaliteit van de voorzieningen wordt tegelijkertijd met het onderzoek naar de staat van instandhouding onderzocht. Dit door het noteren van de typen mitigerende maatregelen die gebruikt worden. Daarbij worden onderstaande omgevingsfactoren van de maatregelen genoteerd: - type voorziening; - expositie ten opzichte van de zon; - mate van aanwezigheid van kunstmatige lichtbronnen; - mate van groen in de directe omgeving; - voldaan aan geschiktheidseisen omgeving: ja/nee. Ten behoeve van de monitoring van de maatwerkvoorzieningen worden deze bijzondere verblijfsfuncties visueel geïnspecteerd. Hierbij wordt door middel van een endoscoop gezocht naar allerlei soorten sporen die duiden op een gebruik van de maatregelen (nestmateriaal, uitwerpselen, resten etc.). Dit wordt uitgevoerd in de periode tussen het einde van het vogelbroedseizoen en begin van de winterrust van vleermuizen, van begin september tot en met eind oktober. Het doel van het verzamelen van deze gegevens is tweeledig: - Het vaststellen van het gebruik van de permanente voorzieningen; - Het bepalen van de belangrijkste factoren voor de effectiviteit ervan. Deze gegevens dragen bij aan de optimalisatie van toepassing van deze voorzieningen en daarmee aan de instandhouding van de soorten.

Evaluatie De evaluatie van de monitoringsgegevens vindt plaats in het vierde jaar van de ontheffingstermijn. Hierin worden de verspreidingsgegevens van het soortgericht onderzoek, de verspreidingsgegevens van de monitoring en de regionale en landelijke trend (voor zover actueel, beschikbaar en bekend) tegen elkaar afgezet. Op basis hiervan wordt vastgesteld of al dan niet nadelige gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de betreffende soorten. Hieruit volgt of bijsturing van de werkwijze noodzakelijk is of niet.

ODBN, Kenmerk

Pagina 23 van 30 Z/119035-250079

2.8 Beoordeling voorgestelde maatregelen De voorgestelde wijze van onderzoek naar beschermde soorten en de te nemen maatregelen beoordelen wij als in grote lijnen voldoende. Wel hebben wij, ter borging voor een voldoende betrouwbaar beeld van de belangrijkste functies van de beschermde soorten, en ter uniformering van deze gebiedsontheffing aan eerdere, gelijksoortige besluiten, extra maatregelen in de voorschriften opgenomen ten aanzien van het onderzoek. Deze voorschriften hebben onder meer betrekking op: • De wijze van uitvoering van de nulmeting, kwantitatief (conform protocollen) en kwalitatief; • De omgang met de kwetsbare perioden en de wijze van ‘ontmoediging’ van de betreffende soorten; • De taakstelling ten aanzien van de te realiseren faunavoorzieningen; • De handelswijze bij aangetroffen bijzondere verblijfsfuncties; • De wijze van monitoring van de populatietrends, de bijzondere verblijfsfuncties en de geplaatste ‘experimentele’ voorzieningen; • De toe te sturen overzichten, documenten en rapporten; • De situaties waarbij het aanvragen van een goedkeuring is voorgeschreven.

2.9 Verspreiding en staat van instandhouding van de betreffende soorten In het SMP zijn de kansen en bedreigingen (SMP, bijlage C), een natuurkalender met de gevoelige (kwetsbare) periode per soort (SMP, bijlage F) en beschermingsmaatregelen (alternatieve verblijven) (SMP, § 2.4) per soort(groep) uitgewerkt. Een kaart met het voorkomen van de soort in het plangebied is te vinden in Bijlage C van het SMP. Hieronder wordt nader ingegaan op de verspreiding en staat van de instandhouding van soorten. De gierzwaluw is een (semi)koloniebroeder en maakt vaak gebruik van bestaande (oudere) bebouwing in woonwijken. Ze zijn enorm honkvast. De soort overwintert in Afrika en is van half april tot begin augustus aanwezig in Nederland om hier te broeden. De landelijke populatie laat de laatste jaren een stabiele trend zien en de staat van instandhouding van de gierzwaluw wordt beoordeeld als ‘gunstig’. Uit Sovon-gegevens blijkt dat de soort op diverse locaties in Noord-Brabant is verdwenen en op andere juist is verschenen. De som hiervan is onbekend. Verwacht wordt dat de landelijke staat van instandhouding redelijk overeenkomt met de regionale situatie. De gierzwaluw kent een ruime verspreiding in de gemeente Nuenen. De huismus broedt vaak in groepen en zijn erg honkvast. De soort is gebonden aan bebouwing in een groene omgeving.

Op landelijk niveau vertoonde de trend van de huismus als broedvogel tussen 1990 en 2000 een sterke afname. Sindsdien toont het aantal broedparen geen significante veranderingen. De huismus komt in Provincie Noord-Brabant vrijwel overal voor in gebieden met bebouwing, tenzij er geen nestgelegenheid en/of voedsel aanwezig is. De provinciale trend van de huismus3 als broedvogel toont over de laatste 12 jaar een significante afname met meer dan 5% jaarlijks. Verwacht mag worden dat de regionale staat van instandhouding overeenkomt met de landelijke, namelijk ‘matig ongunstig’. De huismus kent een ruime verspreiding in de gemeente Nuenen.

3

https://www.sovon.nl/provincies#euring=15910&prov=NB&lang=nl ODBN, Kenmerk

Pagina 24 van 30 Z/119035-250079

De huiszwaluw komt relatief algemeen verspreid over Nederland voor en laat de laatste jaren een toename zien. De huidige landelijk staat van instandhouding is matig ongunstig, maar met een toenemende trend. Verwacht kan worden dat de landelijke staat van instandhouding redelijk overeenkomt met de regionale situatie. De huiszwaluw is waargenomen in en rond het plangebied van Helpt Elkander. De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort. Hij komt veel voor in stedelijke en bebouwde gebieden. De landelijke populatie van deze vleermuissoort laat over de laatste vijf jaar een matige toename zien4. De landelijke en regionale staat van instandhouding is als gunstig te interpreteren. Op basis van de verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) blijkt dat deze soort algemeen en overal voorkomt in de omgeving van het plangebied van Helpt Elkander. Geconcludeerd kan worden dat de gewone dwergvleermuis een ruime verspreiding heeft in het plangebied. De gewone grootoorvleermuis komt relatief wijdverspreid voor, vooral in kleinschalig landschap en bosgebieden, maar nergens in grote aantallen. De soort kan dezelfde verblijfplaatsen als voor gewone dwergvleermuis gebruiken. Over de populatieomvang in de provincie Noord-Brabant is weinig bekend. De landelijke trend vertoont, na een periode met een matige toename, sinds 2009 een matige afname4.

De soort is weliswaar (nog) niet waargenomen tijdens het soortgericht onderzoek, maar de aanwezigheid is wel te verwachten, vandaar dat de soort ook is meegenomen in de ontheffingsaanvraag. De laatvlieger komt in alle provincies voor, maar op veel minder locaties en in lagere aantallen dan bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis. Het is een soort van stadsranden en dorpen. De laatvlieger is honkvast, maakt weinig onderscheid tussen zomer-, winter- en paarverblijven, maar wisselt wel regelmatig tussen verschillende verblijfplaatsen. De landelijke trend van de laatvlieger lijkt de laatste jaren een matige afname te vertonen4. Er zijn weinig waarnemingen binnen het plangebied; verwacht wordt dat de soort verspreid en in beperkte aantallen voorkomt in het plangebied. De ruige dwergvleermuis komt in heel Nederland voor. De ruige dwergvleermuis is in ons land een algemeen voorkomende soort. Van de ruige dwergvleermuis zijn alleen gegevens beschikbaar van de nazomer. Afgezien van enkele uitzonderingen zijn kraamkolonies niet bekend in Nederland. Het huidige aantal lijkt overeen te komen met de gunstige referentiewaarde (Ottburg & van der Swaay, 2014). De populatieomvang wordt daarom als gunstig beoordeeld. De landelijke trend laat over de afgelopen vijf jaar een matige toename zien4.

Door ontbrekende inventarisatiegegevens in NoordBrabant is er weinig informatie over de regionale staat van instandhouding. Verwacht wordt dat deze overeenkomt met de landelijke staat van instandhouding. Aan de hand van een enkele waarneming mag redelijkerwijs worden aangenomen dat deze soort ook binnen het plangebied voorkomt. De steenmarter is territoriaal en leeft solitair. Binnen hun territorium hebben ze een netwerk aan verblijfplaatsen. De steenmarter geeft, zoals zijn naam doet vermoeden, de voorkeur voor stenige verblijfplaatsen. Hij trekt daarmee steeds vaker richting stedelijk gebied, vooral rondom parken, landbouwgrond en open velden. De soort is in Noord-Brabant algemeen voorkomend en de trend vertoont een toename. De landelijke staat van instandhouding van deze soort is ‘gunstig’. Er zijn meerdere waarnemingen van de steenmarter bekend uit de gemeente. De soort kan daarom (sporadisch) in het plangebied voorkomen.

4

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/53/vervijfvoudiging-vleermuizen-sinds-1986 ODBN, Kenmerk

Pagina 25 van 30 Z/119035-250079

Door de combinatie van de wijze van onderzoek, de voorgestelde werkwijze op basis van het soortenmanagementplan, alsmede de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden, worden voldoende maatregelen genomen om de soorten te beschermen. Door te werken buiten de kwetsbare periode en door het tijdig ongeschikt maken van de woningen waaraan gewerkt wordt, wordt verstoring van beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen. De maatregelen zullen tevens via monitoring worden gevolgd en, zo nodig, worden bijgestuurd. Met het SMP wordt ingezet op het duurzaam behouden van populaties door het creëren van een overmaat aan nieuwe verblijven voor de gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, steenmarter en vleermuizen. Alle woningen worden op een duurzame manier natuurinclusief gerenoveerd of gebouwd. Naast de generieke maatregelen worden ook specifieke maatregelen getroffen bij locaties met belangrijke functies. Hiermee worden alle woningen geschikt voor gebouw bewonende soorten, ook waar deze woningen voorheen ongeschikt waren. Hierbij zal het aanbod aan geschikte verblijfplaatsen voor gebouw bewonende soorten toenemen. Het realiseren van een meerwaarde voor soorten is vanuit de provincie Noord-Brabant een belangrijk uitgangspunt voor een gebiedsontheffing op basis van een SMP. In de ontheffing is de werkwijze en de wijze waarop informatie-uitwisseling (o.a.

afschriften, meldingen, goedkeuring) plaatsvindt tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag nader vastgelegd via specifieke voorschriften. Op deze manier worden effecten zoveel mogelijk voorkomen, worden ontwikkelingen en werkwijze gevolgd en vindt monitoring en eventueel bijsturing plaats. Een gebiedsontheffing op basis van een soortenmanagementplan is relatief nieuw. Het onderdeel monitoring van de effectiviteit van de maatregelen en de staat van instandhouding van de soorten is dan ook een belangrijk onderdeel. Op basis hiervan kan de werkwijze met bijbehorende maatregelen zo nodig aangepast worden. Door de in het SMP beschreven werkwijze (met mitigerende maatregelen en aan te brengen voorzieningen en monitoring) en met aan dit besluit gestelde voorschriften, komt de staat van instandhouding van huismus, gierzwaluw, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en steenmarter niet in het geding door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. 2.10 Voorzorg andere beschermde soorten Gelet op de locatie is het mogelijk dat tijdens of voorafgaand aan de werkzaamheden blijkt dat verbodsbepalingen ten aanzien van andere soorten of hun leefgebied worden overtreden. In dat geval mogen de handelingen niet plaatsvinden en dient eerst te worden nagegaan of een aanvullende of nieuwe ontheffingsaanvraag noodzakelijk is.

In de voorschriften is daarom opgenomen dat, indien er andere soorten worden aangetroffen, er voorafgaand aan het uitvoeren van de activiteiten, hiernaar ecologisch onderzoek moet plaatsvinden, zodat nagegaan kan worden of er sprake is van een overtreding van een verbodsbepaling. Daarnaast geldt in alle gevallen de zorgplicht ten aanzien van alle beschermde soorten, voor zover de ontheffing hierop niet toeziet. 3. Conclusie Gelet op het voorgaande verlenen wij gevraagde ontheffing. De ontheffing wordt slechts voor de in het besluit genoemde soorten en beschreven activiteiten verleend. Deze ontheffing geldt alleen voor de activiteiten conform de aanvraag en het SMP worden uitgevoerd, voor zover in deze ontheffing zelf niet anders is aangegeven. Aan deze ontheffing zijn algemene en specifieke voorschriften verbonden.

ODBN, Kenmerk

Pagina 26 van 30 Z/119035-250079

BIJLAGE 1. OVERZICHTSTEKENING VAN HET PLANGEBIED

Figuur 1. Woningbezit Stichting Helpt Elkander (zwarte stippen), gelegen in de gemeente Nuenen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 27 van 30 Z/119035-250079

BIJLAGE 2. MELDINGSFORMULIER START HANDELINGEN BESCHERMDE SOORTEN Meldingsformulier start handelingen ten aanzien van beschermde soorten Ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten Gegevens Aanvraagnummer

Z/119035

Naam initiatief

Gebiedsontheffing Woningstichting Helpt Elkander, Nuenen

Ontheffingsperiode

voor de periode tot en met 31 maart 2026

Ontheffinghouder Naam aanvrager Adres PC-Woonplaats Gegevens werkzaamheden:

Stichting Helpt Elkander Mevrouw K. Heilijgers Vincent van Goghstraat 78 5671 GZ Nuenen

Contactpersoon uitvoering …………………………………………………………………………………………………………… werkzaamheden Telefoonnummer (vast) …………………………………………………………………………………………………………… Telefoonnummer (mobiel)

……………………………………………………………………………………………………………

Ecoloog betrokken bij ………………………………………………………………………………………………………….. uitvoering Locatie(s) werkzaamheden …………………………………………………………………………………………………………… Datum gereedkomen compensatiemaatregelen Datum start werkzaamheden Overzicht planning werkzaamheden

…………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………

Dit formulier dient zodra de aanvang van de handelingen met betrekking tot beschermde soorten bekend is, in te dienen bij de Omgevingsdienst Brabant Noord Retouradres

ODBN, Kenmerk

Omgevingsdienst Brabant Noord Email: info@odbn.nl

Pagina 28 van 30 Z/119035-250079

KENNISGEVING WET NATUURBESCHERMING, Woningstichting ‘Helpt Elkander’, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Z/119035 Beschikking Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant maken bekend dat zij op 29 maart 2021 een ontheffing ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, van de Wet natuurbescherming hebben verleend (kenmerk Z/119035-250079) aan Woningstichting ‘Helpt Elkander’ voor de gebiedsgerichte aanpak van werkzaamheden aan het woningeigendom, gelegen binnen de gehele gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. De ontheffing is geldig voor de periode tot en met 31 maart 2026. De aanvraag, het besluit en de bijbehorende stukken liggen vanaf 30 maart 2021 tot en met 10 mei 2021, 6 weken ter inzage bij de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN), telefoonnummer (088) 743 00 00. Voor inzage in de bijbehorende stukken dient een afspraak gemaakt te worden. Het besluit is digitaal op te vragen via e-mail info@odbn.nl of te vinden op de website www.brabant.nl/loket/vergunningen-meldingen-en-ontheffingen. Bezwaar Bezwaren tegen dit besluit kunnen binnen zes weken na de bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij: Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Secretariaat van de hoor- en adviescommissie Postbus 90151 5200 MC te ‘S-HERTOGENBOSCH Wij vragen u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord "bezwaarschrift" te vermelden.

Het bezwaarschrift moet zijn voorzien van een handtekening, naam en adres van de indiener, de dagtekening en ons kenmerk van het besluit. Ook dient u een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar hierin op te nemen. Daarnaast vragen wij u vriendelijk om een kopie van dit besluit bij te voegen. Kunt u ons ook uw telefoonnummer geven? De provincie kan dan, mocht dit nodig zijn, u bellen om samen de beste aanpak van behandeling van uw bezwaarschrift te bespreken. Meer informatie over de behandeling van bezwaarschriften vindt u op www.brabant.nl/bezwaar. U kunt het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie bereiken via telefoon (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 80 en e-mailadres bezwaar@brabant.nl. Voorlopige voorziening Bovenstaand besluit treedt in werking, ook al wordt een bezwaarschrift ingediend. Het is daarom mogelijk om gelijktijdig met of na het indienen van een bezwaarschrift een zogenaamde “voorlopige voorziening” te vragen bij: de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. Een voorlopige voorziening is in feite het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om de bezwaren te behandelen en daarop een besluit te nemen.

Voorwaarde om een voorlopige voorziening te vragen is dat er sprake is van spoedeisend belang.

ODBN, Kenmerk

Pagina 29 van 30 Z/119035-250079

Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.mailto:bezwaar@brabant.nl Aan deze procedure is het kenmerk Z/119035 gekoppeld. Wij verzoeken u bij correspondentie dit kenmerk te vermelden. 's-Hertogenbosch, maart 2021

ODBN, Kenmerk

Pagina 30 van 30 Z/119035-250079

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13992517/1