CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vinkenhofjes - Bijlage 12 Besluit ontheffing Wnb

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhofjes12.078 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESCHIKKING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN NOORD-BRABANT

Op de op 9 april 2020 ontvangen aanvraag van Woningstichting ‘Helpt Elkander’ om een ontheffing krachtens artikelen 3.3, 3.8 en 3.10, juncto artikel 3.8, van de Wet natuurbescherming voor het renoveren of slopen en realiseren van woningbezit van Helpt Elkander, gelegen binnen de kernen Nuenen, Gerwen en Nederwetten, in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, namens deze,

De heer J. Reijnen Teammanager Omgevingsdienst Brabant Noord

ons kenmerk Z/119035-250079

plaats / datum ‘s-Hertogenbosch, 29 maart 2021

BESLUIT Onderwerp Op 9 april 2020 hebben wij van Woningstichting ‘Helpt Elkander’ een aanvraag ontvangen voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, dit als gevolg van het renoveren, of slopen en realiseren van woningbezit van Helpt Elkander, uit te voeren de kernen Nuenen, Gerwen en Nederwetten, in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (verder te noemen: gemeente Nuenen). Besluit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze ontheffing en gelet op het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid, ter bescherming van wilde flora en fauna of in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats, in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten, I.

aan Woningstichting Helpt Elkander, Vincent van Goghstraat 78, 5671 GZ te Nuenen de gevraagde ontheffing te verlenen, op grond van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid en artikel 3.10, tweede lid, juncto artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, van de bepaling(en) als bedoeld in: • artikel 3.1, tweede en vierde lid, van de Wet natuurbescherming, voor de: - gierzwaluw (Apus apus), - huismus (Passer domesticus), huiszwaluw (Delichon urbicum); • artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wet natuurbescherming, voor de: - gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), - ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), - gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritis), - laatvlieger (Eptesicus serotinus); • artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wet natuurbescherming, voor de: steenmarter (Martes foina); voor de periode tot en met 31 maart 2026, voor het renoveren, of slopen en realiseren van woningbezit van Woningstichting ‘Helpt Elkander’, of van particuliere woningeigenaren van tussenliggende of aanliggende wooneenheden, uit te voeren in de woonkernen van Nuenen, Gerwen en Nederwetten, binnen de gemeente Nuenen; II. dat de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de soorten, en bijlagen 1 en 2, deel uitmaken van deze ontheffing; III.

aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die zijn opgenomen onder onderdeel ‘voorschriften’, alsmede dat de volgende documenten van de aanvraag onderdeel uitmaken van de deze ontheffing: • Soortenmanagementplan (SMP) Gebouwbewonende Soorten Woningstichting Helpt Elkander, opgesteld door Arcadis Nederland BV, d.d. 19 januari 2021. • Mitigatiecatalogus Gebouwbewonende soorten Arcadis - Leidraad natuurinclusief bouwen, renoveren en verduurzamen, d.d. 2 juli 2020. • Beantwoordingsdocument aanvullende gegevens d.d. 15 januari 2021, referentie D10022134:4. • Resultaten Kwalitatief onderzoek en Resultaten Kwantitatief onderzoek, beide d.d. 20 november 2020, Staro Onderzoek BV. • Excel-overzicht woningbezit Helpt Elkander d.d. 4 maart 2020, bevattende alle woningen die onder deze ontheffing vallen. ODBN, Kenmerk

Pagina 2 van 30 Z/119035-250079

Rechtsmiddelen Bezwaar Bezwaren tegen dit besluit kunnen binnen zes weken na de bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij: Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Secretariaat van de hoor- en adviescommissie Postbus 90151 5200 MC te ‘s-Hertogenbosch Wij vragen u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord "bezwaarschrift" te vermelden. Het bezwaarschrift moet zijn voorzien van een handtekening, naam en adres van de indiener, de dagtekening en ons kenmerk van het besluit. Ook dient u een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar hierin op te nemen. Daarnaast vragen wij u om een kopie van dit besluit bij te voegen. Kunt u ons ook uw telefoonnummer geven? De provincie kan dan, mocht dit nodig zijn, u bellen om samen de beste aanpak van behandeling van uw bezwaarschrift te bespreken. Meer informatie over de behandeling van bezwaarschriften vindt u op www.brabant.nl/bezwaar. U kunt het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie bereiken via telefoonnummer (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 80 en e-mailadres bezwaar@brabant.nl. Voorlopige voorziening Bovenstaand besluit treedt in werking, ook al wordt een bezwaarschrift ingediend.

Het is daarom mogelijk om gelijktijdig met of na het indienen van een bezwaarschrift een zogenaamde “voorlopige voorziening” te vragen bij: de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. Een voorlopige voorziening is in feite het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om de bezwaren te behandelen en daarop een besluit te nemen. Voorwaarde om zo’n voorlopige voorziening te vragen is, dat er sprake is van spoedeisend belang. Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.

ODBN, Kenmerk

Pagina 3 van 30 Z/119035-250079

INHOUDSOPGAVE Besluit ....................................................................................................................................................... 2 Voorschriften............................................................................................................................................ 5 Procedurele overwegingen .................................................................................................................... 13 Inhoudelijke overwegingen .................................................................................................................... 14 1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming ............................................................................................... 14 1.1 Beschermingsregimes ........................................................................................................................... 14 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.................................................................................... 14 2. Toetsing effecten ruimtelijke ingrepen ..................................................................................................... 15 2.1 Aangevraagde activiteiten ....................................................................................................................

15 2.2 Onderzoek beschermde soorten ........................................................................................................... 16 2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten .......................................................................................... 17 2.4 Alternatievenafweging ......................................................................................................................... 17 2.5 Belang van de aanvraag ....................................................................................................................... 18 2.6 Werkwijze en maatregelen op basis van het soortenmanagementplan .............................................. 19 2.7 Monitoring ............................................................................................................................................ 22 2.8 Beoordeling voorgestelde maatregelen ................................................................................................ 24 2.9 Verspreiding en staat van instandhouding van de betreffende soorten ............................................... 24 2.10 Voorzorg andere beschermde soorten .................................................................................................. 26 3.

Conclusie ................................................................................................................................................... 26

Bijlage 1. Overzichtstekening van het plangebied ................................................................................. 27 Bijlage 2. Meldingsformulier start handelingen beschermde soorten .................................................. 28 KENNISGEVING WET NATUURBESCHERMING ....................................................................................... 29

ODBN, Kenmerk

Pagina 4 van 30 Z/119035-250079

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1. De ontheffinghouder dient, zodra de datum waarop de werkzaamheden aanvangen bekend is, doch uiterlijk 2 weken voor aanvang van de activiteiten, het bijgevoegde meldingsformulier volledig in te vullen en naar ons op te sturen via info@odbn.nl, onder vermelding van kenmerk Z/119035. 2. De ontheffinghouder dient onmiddellijk contact met ons op te nemen via info@odbn.nl, indien bij het uitvoeren van de activiteiten andere beschermde soorten dan de genoemde worden aangetroffen, of andere activiteiten als bedoeld in onderdeel l en II van het besluit noodzakelijk zijn. Ook dient dan onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat de activiteiten, zoals beschreven in het Soortenmanagementplan (SMP) van 19 januari 2021, geen negatieve effecten hebben op deze soorten. Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten dient voor deze soorten alsnog een (aanvullende) ontheffing aangevraagd te worden. 3. Deze ontheffing kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers of in opdracht van de ontheffinghouder handelende (rechts-) personen. De ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers blijven daarbij verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van de aan deze ontheffing verbonden voorschriften. 4.

Deze genoemde (rechts)personen dienen op de hoogte te zijn van de inhoud en het doel van deze ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven. 5. Ontheffinghouder is bevoegd om derden gebruik te laten maken van deze ontheffing en dit beperkt tot eigenaren van woningen die gelegen zijn tussen- of aanliggend aan wooneenheden van Helpt Elkander in het plangebied waarvoor deze ontheffing geldt. 6. Indien de ontheffinghouder van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient de doormachtiging privaatrechtelijk vastgelegd te worden in een door beide partijen ondertekende en rechtsgeldige overeenkomst waarin in ieder geval de volgende onderdelen worden opgenomen: o Voor welke adres de doormachtiging geldt; o Voor welke activiteiten de doormachtiging geldt; o Voor welke periode de doormachtiging geldt; o Een verwijzing naar deze ontheffing Z/119035; o Een overzicht van de geplaatste faunavoorzieningen en de instandhoudingsverplichting ervan. 7. Tijdens de werkzaamheden dient een kopie van de hierboven bedoelde privaatrechtelijke overeenkomst op locatie aanwezig te zijn en te allen tijde aan de toezichthouder overgelegd te kunnen worden. De ontheffinghouder (Woningstichting Helpt Elkander) blijft eindverantwoordelijk voor de naleving van het SMP en de ontheffing met de daarbij geldende voorschriften. 8.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van deze ontheffing en de bijbehorende documenten (ecologische werkprotocollen) op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op eerste verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar. 9. Goedkeuringsbesluiten, met bijbehorende voorschriften, maken onderdeel uit van dit besluit. In de gevallen waarin op basis van deze ontheffing op onderdelen goedkeuring van de zijde van het bevoegd gezag vereist is, worden de voorwaarden aan een dergelijke goedkeuring onderdeel van deze ontheffing.

ODBN, Kenmerk

Pagina 5 van 30 Z/119035-250079

Specifieke voorschriften Overzicht jaarlijkse werkzaamheden: 10. Een actueel en volledig overzicht van de uitvoering van de werkzaamheden onder deze ontheffing dient jaarlijks, voor 1 maart, aan de ODBN te worden opgestuurd met: a. projectindeling (deelgebieden) en locaties (kaart); b. adresgegevens van de woningen (lijst); c. voorgenomen planning, waaruit mede blijkt of er wel of geen ontmoedigende maatregelen worden getroffen voor de woningen waaraan dat komend jaar zal worden gewerkt. Eventuele wijzigingen nadien worden via een geactualiseerd overzicht doorgegeven. Voor het eerste jaar van de ontheffing geldt hierbij een uitzondering. De planning voor het eerste jaar van de ontheffing dient binnen 2 maanden na het verlenen van de ontheffing, aan de ODBN te worden opgestuurd. 11. Op het woningbestand dat onder deze ontheffing valt mag maximaal 5% mutaties per jaar plaatsvinden. Mutaties van het woningbestand dienen jaarlijks voor 1 maart ter informatie verzonden te worden naar de ODBN. Voorwaarde daarbij is dat onderzoek, mitigatie, compensatie en monitoring conform SMP en de hier gestelde voorschriften uitgevoerd worden. Nulmeting (kwantitatief onderzoek en kwalitatief vervolgonderzoek): 12. Alle nog niet onderzochte complexen zullen tenminste kwalitatief worden onderzocht; dit betreft 58% van het gehele woningbezit.

De resultaten van dit onderzoek dienen binnen 2 maanden na afronding veldbezoeken, en voorafgaand aan de werkzaamheden aan de betreffende complexen, in ons bezit te zijn. 13. Het vervolgonderzoek dient plaats te vinden bij gunstige weersomstandigheden voor de te onderzoeken soorten en functies, en 100% gebiedsdekkend uitgevoerd te worden voor alle woningen waaraan gewerkt wordt binnen de ontheffingstermijn. Ook woningen met een lage kans dienen kwalitatief onderzocht te worden. 14. Bij het vervolgonderzoek naar de huismus dient een veldbezoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen, in de periode van 1 april tot 15 mei. Dit middels een ochtendronde tijdens omstandigheden zoals beschreven in het meest recente kennisdocument Huismus van BIJ12. 15. Bij het vervolgonderzoek naar de gierzwaluw dient een veldbezoek uitgevoerd te worden tijdens het jongenseizoen, dat is de periode van 20 juni tot 7 juli. Dit middels een avondronde tijdens omstandigheden zoals beschreven in het meest recente kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12, met een uitloop na zonsondergang van tenminste 20 minuten. Hierbij dienen ook lokgeluiden te worden afgespeeld. 16.

Ten aanzien van de huiszwaluw dient tijdens de onderzoeken naar overige soort(groep)en mede gelet te worden op nesten van de huiszwaluw; binnen de gebieden waarbinnen de woningen van Helpt Elkander gelegen zijn dienen kolonietellingen uitgevoerd te worden. 17. Het vervolgonderzoek naar vleermuizen dient strikt volgens de inspanning te geschieden als weergegeven in Tabel 17 van het SMP. Dit houdt met name in dat de twee middernachtelijke zwerminspecties dienen te worden uitgevoerd tussen 0:00 en 2:00 uur in de daarvoor geschikte periode; voorts een ochtend- en een avondonderzoek naar kolonies plus een uitvlieginspectie ’s ochtends, indien een bijzondere verblijfsfunctie is vastgesteld. 18. Wat betreft de tijden en omstandigheden voor het vleermuisonderzoek dient gewerkt te worden volgens het meest recente Vleermuisprotocol. 19. Een fysieke inspectie dient plaats te vinden: a. bij wooneenheden waar een bijzondere verblijffunctie is vastgesteld waarbij maatwerk benodigd is; b. te allen tijde (ongeacht of een bijzonder verblijf vastgesteld is of niet) bij gebouwtypen met belangrijke steenmassa, in relatie tot (massa)winterverblijven. Hieronder worden begrepen (voormalige) scholen, zorgcentra, ziekenhuizen, kerken en hoogbouw van 3 woonlagen en hoger; ODBN, Kenmerk

Pagina 6 van 30 Z/119035-250079

c. Deze fysieke inspectie dient te gebeuren voorafgaand aan het ongeschikt maken, in de minst kwetsbare periode en gedurende het onderzoeksseizoen bij goede weersomstandigheden. Bij het aantreffen van sporen of individuen, die duiden op de aanwezigheid van een belangrijke verblijfsfunctie voor vleermuizen (als bedoeld in § 2.4.3 SMP) dient het ontmoedigen niet plaats te vinden en dient een ecologisch maatwerkprotocol te worden opgesteld, dit ter goedkeuring door de ODBN. Ecologisch werkprotocol: 20. Bij alle werkzaamheden die (mogelijk) leiden tot permanente effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit werkprotocol bestaat uit de onderdelen zoals beschreven in § 2.3.3 van het SMP. 21. Een afschrift van een dergelijk werkprotocol dient per project, onder vermelding van het kenmerk van deze ontheffing, uiterlijk twee weken voor de start van de werkzaamheden opgestuurd te worden naar de ODBN. Dit geldt niet voor de eerste start van de werkzaamheden gedurende de maand april 2021. Hiervoor geldt dat een afschrift van het ecologisch werkprotocol uiterlijk binnen 2 weken na de start van de werkzaamheden opgestuurd dient te worden naar de ODBN. 22.

Alle betrokken partijen, met name ook de uitvoerenden op de projectlocatie, dienen van inhoud van het werkprotocol op de hoogte gesteld te zijn en dit aantoonbaar na te leven. 23. Eén van de randvoorwaarden voor het natuurvriendelijk werken is dat het ontmoedigen van gierzwaluwen (en huismussen in de broedtijd) nooit is toegestaan. 24. Voor minder ingrijpende werkzaamheden (genoemd in het SMP § 2.3.4, zoals schilderwerk, zonnepanelen, gevelreiniging, HWA/dakgoten) kan worden gewerkt met een standaard werkprotocol, doch uitsluitend indien hiermee permanente effecten op soorten worden voorkomen. 25. Een afschrift van dit standaard werkprotocol dient uiterlijk twee weken na datum afgifte van deze ontheffing aan de ODBN te worden toegezonden. Kwetsbare periode en natuurvrij maken: 26. Bij alle handelingen die mogelijk effecten hebben op de nest, rust- en voortplantingsplaatsen van de aangevraagde soorten dient rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige soorten en hun kwetsbare periodes. Hierbij verwijzen wij naar het gestelde in § 2.6 van dit besluit. 27. Woningen met gierzwaluwverblijven worden niet in het actieve seizoen gerenoveerd.

Indien er zich een bijzonder geval voordoet, waardoor dit bij hoge uitzondering wel in het broedseizoen zou moeten plaatsvinden, dan wordt dit vier weken voor de werkzaamheden ter goedkeuring aan de ODBN voorgelegd, voorzien van een alternatievenbespreking en ecologisch werkprotocol (BAG, 10). 28. Alle bebouwing geschikt voor de aangevraagde soorten dient ongeschikt gemaakt te worden in de minst kwetsbare periode. Dit natuurvrij maken geschiedt op basis van stappenplan, SMP, Hoofdstuk 2, onder begeleiding van een ecologisch deskundige1 en conform de soortspecifieke Kennisdocumenten van BIJ12. 29. In het geval van een bijzondere verblijfplaats of bij gebouwentypes met massa (zie voorschrift 19 b) dient na het ongeschikt maken een controleronde plaats te vinden. De controleronde dient te worden uitgevoerd onder de weerscondities zoals gesteld worden in het meest recente vleermuisprotocol en de betreffende Kennisdocumenten van BIJ12.

1

Zie de toelichting op het aanvraagformulier: https://www.brabant.nl/applicaties/producten/wet_natuurbescherming__ontheffing_beschermde_soorten_16411

ODBN, Kenmerk

Pagina 7 van 30 Z/119035-250079

30. Pas wanneer met voldoende zekerheid gesteld kan worden dat er geen beschermde soorten meer in de woningen aanwezig zijn, worden de woningen vrijgegeven door de ecologisch deskundige middels een natuurvrij-verklaring. Dit moment van vrijgave wordt op inzichtelijke wijze vastgelegd in een logboek, dat op eerste verzoek van de toezichthouder dient te kunnen worden ingezien. 31. Alleen bij woningen waarbij gedocumenteerd nesten, rust- en voortplantingsplaatsen tevoren kunnen worden uitgesloten mogen de activiteiten zonder natuurvrij maken uitgevoerd worden. Taakstelling: 32. Alle woningen dienen natuurinclusief gerenoveerd of verduurzaamd te worden indien daar handelingen aan plaats vinden die (mogelijk) leiden tot aantasting van de geschiktheid en kans op aanwezigheid van soorten en functies. Eventuele clustering van de aan te brengen voorzieningen dient te geschieden conform het SMP en de voorschriften in deze ontheffing. 33. Alle permanente voorzieningen dienen gerealiseerd te worden binnen het woningbestand van Helpt Elkander. 34. De taakstelling betreft de standaard taakstelling (tabel 13 SMP) voor gebouwen die zijn beoordeeld als laag/ongeschikt voor de betreffende soort, zoals getoond in Bijlage D van het SMP. De hoge taakstelling (‘extra’) geldt gebouwen die zijn beoordeeld als matig/hoog voor de betreffende soort.

Voor nieuwbouw geldt ten minste de standaard taakstelling. 35. Ten aanzien van vleermuizen geldt in alle gevallen de hoge taakstelling. 36. Voor de reguliere situaties (geen bijzondere verblijffunctie) geldt dat tijdens de werkzaamheden, de in Kennisdocumenten van BIJ12 genoemde afstanden en gewenningsperiode voldoende geschikte alternatieve nest-, rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig dienen te zijn voor de aanwezige soorten. 37. Clustering van de voorzieningen is mogelijk, indien rekening wordt gehouden met het gestelde hierover in § 2.6 van dit besluit. Een ecologisch deskundige dient goedkeuring te geven aan de te treffen maatregelen. 38. Voor de reguliere situaties (geen bijzondere verblijffunctie) geldt dat tijdens de werkzaamheden de in eventueel aanwezige Kennisdocumenten van BIJ12 genoemde afstanden en gewenningsperiode voldoende geschikte alternatieve nest-, rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig dienen te zijn. Clustering van de voorzieningen is mogelijk, maar enkel rekening houdend met voorgaande voorwaarde. Een ecologisch deskundige dient aanwezig te zijn bij of goedkeuring te geven aan de specifieke locatie van de te treffen maatregelen. Met betrekking tot het treffen van tijdelijke voorzieningen geldt een uitzondering: a.

Uitwijkmogelijkheden voor vleermuizen en gierzwaluw zijn geaccepteerd, mits: o tijdig (gewenningsperiode) voldoende permanente voorzieningen gerealiseerd zijn; of o vanuit het voorspellingsmodel binnen het de SMP-zones als weergegeven in bijlage G van het SMP, voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. b. Uitwijkmogelijkheden voor huismussen zijn geaccepteerd, mits: o tijdig (gewenningsperiode) voldoende permanente voorzieningen reeds gerealiseerd zijn; of o vanuit het voorspellingsmodel, dat gevalideerd en betrouwbaar is voor de soort, binnen de actieradius van het functioneel leefgebied van de huismus (maximaal 500 meter), voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. c. De uitwijkmogelijkheden dienen in een projectgerelateerd ecologisch werkprotocol aantoonbaar onderbouwd te worden op basis van geschikte alternatieven en draagkracht. Mede geldt als voorwaarde dat op enig moment maximaal 25% van een salderingsgebied in renovatie is (en tijdelijk ongeschikt zijn voor gebouwbewonende soorten). ODBN, Kenmerk

Pagina 8 van 30 Z/119035-250079

39. Permanente voorzieningen worden niet extern opgehangen aan gevels of aan bomen. Indien zich een bijzonder geval voordoet waarbij als tijdelijke noodoplossing toch voorzieningen moeten worden opgehangen, dan dient dit, voorzien van een motivatie, te worden gemeld aan de ODBN. 40. Alle maatregelen dienen opgenomen te worden in een logboek (voorschrift 30) en in de salderingsboekhouding. Een kopie hiervan dient op ieder moment beschikbaar te zijn en op eerste verzoek van de toezichthouder te worden overgelegd. 41. Bijstelling, aanvulling of wijziging van mitigatiemaatregelen en -taakstelling dient plaats te vinden op basis van: a. monitoring en evaluatie van functionaliteit van getroffen voorzieningen; b. kennisontwikkeling van mitigatie. De toe te passen faunavoorzieningen liggen vast in het SMP en de daarbij horende Mitigatiecatalogus. Bij wijzigingen van het type voorzieningen, opgenomen in deze Mitigatiecatalogus (door actuele kennis rondom de effectiviteit van deze voorzieningen) worden deze wijzigingen ter informatie opgestuurd naar de ODBN. 42. Wijziging in de taakstelling die voortvloeit uit de evaluatie van het SMP mag nooit leiden tot een lagere taakstelling. 43. De tijdelijke voorzieningen dienen in stand te blijven totdat de permanente voorzieningen zijn gerealiseerd en beschikbaar zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de gewenningsperiode.

Daarnaast mogen de tijdelijke voorzieningen pas verwijderd worden op het moment dat deze niet in gebruik zijn door beschermde soorten, dit buiten de meest kwetsbare periodes en de winterperiode. De tijdelijke voorzieningen mogen enkel verwijderd worden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Bijzondere verblijffuncties: 44. In het geval er effecten mogelijk zijn op een bijzondere soort of verblijffunctie dient een ecologisch maatwerk-protocol te worden opgesteld. Het gaat hierbij om de volgende verblijfplaatsen, soorten en aantallen (zie SMP Tabel 2): o Verblijfplaats van laatvlieger of gewone grootoorvleermuis vanaf 10 dieren; o Kraamkolonie of massawinterverblijf voor gewone dwergvleermuis vanaf 50 dieren; o Kolonies van gierzwaluw, huiszwaluw of huismus vanaf 20 nesten binnen een cirkel van 50 meter. Voor de huiszwaluwen gelden daarbij ook nestresten als actueel nest; o Essentieel leefgebied van de huismus, waaronder begrepen door mussen gebruikte groenvoorzieningen; o Verblijfplaats van steenmarter. 45. Indien een bijzondere verblijffunctie aan de orde is dient een bedoeld maatwerkwerkprotocol, ten minste 4 weken voordat de werkzaamheden of het natuurvrij maken starten, ter goedkeuring aan de ODBN te worden toegestuurd. 46.

Is afwachting van deze goedkeuring mogen reeds ontmoedigingsmaatregelen worden genomen, doch de werkzaamheden mogen pas worden uitgevoerd nadat een goedkeuringsbesluit is afgegeven. Een besluit in deze zal binnen vier weken worden genomen. 47. In het geval er effecten mogelijk zijn op een bijzondere verblijffunctie met kleinere aantallen dan dient het stappenplan uit het SMP, bijlage D te worden gevolgd. Het gaat hierbij om de volgende verblijfplaatsen, soorten en aantallen: o Elke kraamkolonie van minder dan 50 dieren van de gewone dwergvleermuis; o Elke verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis en laatvlieger van minder dan 10 dieren; o Elke kolonie van huismus of gierzwaluw van ten minste 5, doch minder dan 20 nesten binnen een cirkel met doorsnee van 50 meter. 48. Indien niet aan stap 1 van het stappenplan in Bijlage D voldaan kan worden (dus werken is niet mogelijk buiten de kwetsbare perioden) dan dient ook dit betreffende ecologisch werkprotocol ter goedkeuring aan de ODBN te worden aangeboden. ODBN, Kenmerk

Pagina 9 van 30 Z/119035-250079

Maatregelen, overig: 49. In die gevallen, anders dan de genoemde bijzondere functies in voorschrift 44, waarbij alternatieve faunavoorzieningen worden gerealiseerd die afwijken van de voorstellen opgenomen in het SMP/Mitigatiecatalogus dient bij een controle de afwijking onderbouwd te kunnen worden met een motivatie van de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. 50. Voor de uitgevoerde projecten in een kalenderjaar dient uiterlijk voor 1 maart van het jaar daaropvolgend een afschrift gestuurd te worden van de rapportage (logboek) met daarbij een overzicht van waar welke voorzieningen en maatregelen – zowel tijdelijk als permanent – zijn gerealiseerd. In de rapportage wordt, per complex als bedoeld in Bijlage G, minimaal opgenomen: a. Een onderzoeksverslag van de inspectie van de gebouwen (resultaten uitvloeisel voorschrift 19); b. beschrijving van of, en zo ja, hoe gebouwen ‘natuurvrij’ zijn gemaakt; c. beschrijving van de uitgevoerde duurzaamheids-, onderhouds- en renovatiewerkzaamheden; d. beschrijving van de gerealiseerde alternatieve verblijven, met de aantallen, typen en functie hiervan per soort. Voor deze onderdelen dienen, gericht op de verblijven van soorten, detailkaarten en foto’s toegevoegd te worden om een goed inzicht in de wijze van uitvoering te geven en toezicht mogelijk te maken. Monitoring: 51.

Jaarlijks dient, voor 1 maart van het daaropvolgend jaar, een rapportage overgelegd te worden van de monitoring die dat jaar heeft plaatsgevonden. Bij die uitwerking dient nader te worden ingegaan op: a. de onderzoeksfrequentie na verduurzaming en renovatie en de wijze van onderzoek naar de aanwezigheid van soorten vooraf (nulmeting -> kwantitatief onderzoek, kwalitatief vervolgonderzoek en visuele inspectie); b. een uitwerking en motivatie van de wijze waarop een gedegen vergelijking gemaakt kan worden tussen aantallen per soort (in relatie tot de staat van instandhouding) uit het onderzoek vooraf en het monitoringsonderzoek achteraf; c. de wijze van monitoring gericht op kennisontwikkeling over de effectiviteit van genomen maatregelen. 52. De monitoringsrapportage met betrekking tot het laatste volledige jaar (2025) van deze ontheffing dient tevens als evaluatie en bevat minimaal: a. beschrijving van de nulsituatie qua aantallen van soorten en aangetroffen functies in het plangebied; b. beschrijving van de beoogde situatie in relatie tot soorten en functies na uitvoering van de werkzaamheden; c. beschrijving van de ontwikkeling van de aantallen per soort per salderingsgebied; d. analyse en beoordeling van de verschillen tussen verwachte en het werkelijk aantal dieren en het gebruik van de voorzieningen; e.

analyse en aanbevelingen ten aanzien van de functionaliteit van de mitigerende en compenserende maatregelen; f. een analyse van de gerealiseerde meerwaarde voor de beschermde soorten ten aanzien van aantallen verblijven en de werkwijze op basis van het SMP (ten opzichte van afzonderlijke ontheffingen per project).

ODBN, Kenmerk

Pagina 10 van 30 Z/119035-250079

53. Voor de monitoring van de populatietrends geldt, in aanvulling op het SMP, het volgende: a. Voor de populatietrend dient jaarlijks een monitoring uitgevoerd te worden volgens de transecttellingenmethodiek van MUS (Sovon) en VleerMUS (Zoogdiervereniging) met vaste telroutes en representatieve controlemetingen. Dit om de trend binnen het gehele woningbezit van Helpt Elkander in beeld te brengen. b. Voor de huiszwaluw dienen, binnen de gebieden waarbinnen de woningen van Helpt Elkander gelegen zijn, jaarlijks kolonietellingen uitgevoerd te worden indien de soort binnen het gebied is aangetroffen. Deze tellingen dienen in 2021 opgestart te worden. c. De transecttellingen dienen jaarlijks gebiedsdekkend uitgevoerd worden, waarbij het eerste jaar van onderzoek als nulmeting van deze transecttellingen beschouwd kan worden; d. De MUS-telpunten dienen zich te bevinden in de gebieden waarbinnen de woningen van Helpt Elkander gelegen zijn. e. De vleermuistransecten dienen geprojecteerd te worden door gebieden waarbinnen de woningen van Helpt Elkander gelegen zijn. 54. Voor de monitoring van de bijzondere verblijfsfuncties geldt, ter vervanging en in aanvulling op het SMP, het volgende: a. In jaar 1 en 3 ná oplevering van de betreffende woningen dienen alle soortspecifieke maatregelen fysiek (visueel) geïnspecteerd te worden in de periode septembernovember van dat zelfde jaar; b.

voor de niet effectief bewezen en experimentele voorzieningen dient een fysieke inspectie van de mitigerende maatregelen (voorzieningen) uitgevoerd te worden in het eerste en derde jaar in de periode september-oktober. c. De verkregen inzichten en optimalisatiemogelijkheden dienen per direct ingezet worden in de maatwerk uitvoeringsplannen/werkprotocollen. 55. Voor de monitoring van de populaties en de effectiviteit van de voorzieningen geldt, in aanvulling op het SMP, het volgende: a. In jaar 1 en 3 na oplevering dient kwalitatief onderzoek uitgevoerd te worden naar de complexen met bijzondere verblijfsfuncties. Een kwalitatief onderzoeksgebied betreft een wijk of stadsdeel (projectgebied en omliggende bebouwing) van de aanwezige soortpopulaties; en b. Voor een herhaling van de kwantitatieve nulmeting dienen vijf representatieve projecten, gelegen binnen het gebied van de kwantitatieve nulmeting, het eerste, tweede en derde jaar van de ontheffingstermijn kwalitatief onderzocht te worden. Indien het minimum van 5 projecten onvoldoende blijkt om aan de representativiteitseisen te voldoen, dienen meerdere projecten gemonitord te worden.

Van belang is dat met name de kleinere vastgestelde verblijfplaatsen (zomeren paarverblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van broedvogels) gemonitord worden, door herhaling van de kwantitatieve nulmeting en representatief zijn om een goede vergelijking te maken met de nulmeting, en om een juiste trend vast te stellen. Een kwalitatief onderzoeksgebied betreft een wijk of stadsdeel (projectgebied en omliggende bebouwing) van de aanwezige soortpopulaties en dient het in beeld brengen van (bijzondere) verblijfsfuncties binnen en rondom het woningbezit van Helpt Elkander. c. De representativiteit van de onder b. genoemde projecten, dient te worden bepaald aan de hand van de volgende criteria: - Representatief voor de typologie van de woningen die binnen het SMP zal worden aangepakt (voor zover onderzocht bij de nulmeting); - Goede geografische spreiding van de representatieve typologieën wooneenheden; - Correcte verdeling en aanwezigheid van bijzondere verblijfplaatsen, soorten en/of kolonies, voor zover vastgesteld tijdens de nulmeting; ODBN, Kenmerk

Pagina 11 van 30 Z/119035-250079

-

Aanwezigheid van een meetbare populatie tijdens de nulmeting binnen de relevante soortgroepen (dus geen complexen waar tijdens de nulmeting niets is vastgesteld); 56. Herhaling kwantitatieve nulmeting: Alle bij de nulmeting kwantitatief onderzochte 9 deelgebieden (zoals genoemd in bijlage 1 van het rapport naar kwantitatief onderzoek van Staro BV) dienen het vierde jaar van de ontheffing (dus in 2025) opnieuw, en op dezelfde wijze als bij de nulmeting, te worden onderzocht op alle aangevraagde soorten. De resultaten hiervan dienen meegenomen te worden bij de onderbouwing van de populatietrend en de voorgenomen aanvraag voor verlenging van de ontheffing met 5 jaar. 57. Nieuwe waarnemingen van gebouwbewonende soorten dienen te worden toegevoegd aan de database en daarmee zal het actuele verspreidingsbeeld geactualiseerd en verfijnd worden. Op basis hiervan zal de status van individuele woningen en clusters aangepast moeten worden. 58. Indien uit de monitoring blijkt dat de populatietrend gelijkblijvend of negatief is, of niet kan worden aangetoond dat de voorzieningen voldoende effectief blijken te zijn, kunnen wij, krachtens artikel 5.4, eerste lid, Wnb, aanvullende voorschriften opleggen. 59.

De bij de nulmeting (kwantitatief en kwalitatief onderzoek vooraf aan de werkzaamheden) vastgestelde soorten, aantallen en functies dienen geborgd te zijn in de toekomstige situatie binnen het woningbestand in het bezit van Woningstichting Helpt Elkander. Dit zal moeten blijken uit de evaluatie rapportage. De bij de nulmeting (kwantitatief en kwalitatief onderzoek vooraf aan de werkzaamheden) vastgestelde soorten, aantallen en functies dienen geborgd te zijn in de toekomstige situatie binnen het woningbestand in het bezit van Helpt Elkander. Dit zal moeten blijken uit de rapportage van de evaluatie. Overige voorschriften: 60. De ontheffinghouder dient, met inachtneming van de hier genoemde voorschriften, de te nemen maatregelen en de onderzoeken uit te voeren zoals beschreven in de aanvraag en het Soortenmanagementplan Woningstichting Helpt Elkander (Arcadis, 19 januari 2021). 61. Deze ontheffing geldt voor een periode van 5 jaar, met optie tot verlenging (mede afhankelijk van de evaluatie). Bij gewenste verlenging dient minimaal 5 maanden voor het verstrijken van de looptijd van de ontheffing een onderbouwd verlengingsverzoek ingediend te worden. 62. Aanspreekpunt in het kader van dit besluit en de daaruit voortvloeiende voorschriften is de Omgevingsdienst Brabant Noord.

Het opsturen van genoemde uitwerkingen kan digitaal via info@odbn.nl of de Berichtenbox van de ODBN, met het begeleidingsformulier zoals opgenomen in Bijlage 3 bij dit besluit.

ODBN, Kenmerk

Pagina 12 van 30 Z/119035-250079

PROCEDURELE OVERWEGINGEN Aanvraag Op 9 april 2020 hebben wij van Woningstichting ‘Helpt Elkander’ (hierna: Helpt Elkander) een aanvraag voor een ontheffing ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid en artikel 3.10, tweede lid, juncto artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) ontvangen. De aanvraag is op 19 januari en 11 februari 2021 aangevuld. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag en het soortenmanagementplan (hierna: SMP). De eerder aangevraagde soorten torenvalk, steenuil en kerkuil zijn op verzoek van de aanvrager op 11 februari 2021 ingetrokken. De aanvraag is geregistreerd onder nummer Z/119035. Gedragscode Er wordt geen gebruik gemaakt van een gedragscode. Bevoegd gezag Omdat de activiteit wordt verricht in de provincie Noord-Brabant zijn Gedeputeerde Staten (verder: GS) op grond van artikel 1.3 van de Wnb bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Als dit aan de orde is betrekken wij tevens de gevolgen van de activiteit voor de soorten buiten onze provinciegrens bij ons besluit. Reguliere voorbereidingsprocedure In deze procedure wordt de reguliere voorbereidingsprocedure overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast.

Ontvankelijkheid Voor de aspecten van de aanvraag waarvoor een ontheffing vanuit de Wnb is vereist hebben wij beoordeeld of de aanvraag volledig is en voldoende gegevens bevat. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van die aspecten waarvoor een ontheffing is gevraagd. Overige regelgeving Bij de beoordeling van deze aanvraag zijn andere aspecten dan gerelateerd aan soortenbescherming op grond van de Wnb en de daarbij behorende regelgeving niet betrokken. Een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving kan daarom aan de orde zijn, onder andere voor ruimtelijke ordening of bouwen. Deze aanvraag is niet getoetst aan het onderdeel Natura 2000 van de Wnb. Mogelijk is hiervoor ook een vergunningplicht op grond van de Wnb aan de orde. Als dit het geval is dient de aanvrager ook deze bij de provincie aan te vragen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 13 van 30 Z/119035-250079

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming

1.1 Beschermingsregimes Op basis van de Wet natuurbescherming zijn er drie beschermingsregimes. Het eerste regime geldt voor vogels op grond van de Vogelrichtlijn. Artikelen 3.1, 3.2 en 3.4 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor vogelsoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. Artikelen 3.3 en 3.4 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van de ontheffing. Het tweede beschermingsregime geldt voor planten en dieren op basis van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Artikelen 3.5 en 3.6 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. De artikelen 3.8 en 3.9 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van een ontheffing. Het derde regime beschrijft de bepalingen voor andere (nationaal beschermde) soorten. Artikel 3.10 van de Wnb heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten en geeft de voorwaarden waaronder GS ontheffing kunnen verlenen. Voor alle soorten geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Het gaat dan zowel om beschermd als onbeschermde dier- en plantensoorten. De zorgplicht geldt ongeacht of er een vrijstelling geldt of een ontheffing is verleend.

Hierin wordt bepaald dat eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan deze soorten dient te voorkomen. In artikel 5.4 van de Wnb zijn gronden opgenomen waarop een verleende ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd. De ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken als blijkt dat de ontheffinghouder zich niet houdt aan de voorschriften. 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben ten aanzien van soortbescherming aanvullende kaders vastgesteld. Deze zijn neergelegd in paragraaf 2.6.1 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor bepaalde soorten en handelingen zijn vrijstellingen opgenomen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 14 van 30 Z/119035-250079

2. Toetsing effecten ruimtelijke ingrepen

2.1 Aangevraagde activiteiten Helpt Elkander heeft een vastgoedbezit van in totaal 1.386 bewoonde adressen. Daarnaast bezit de stichting ruim honderd niet-bewoonde vastgoedobjecten, zoals garages. Dit vastgoed bevindt zich in de woonkernen Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het plangebied omvat de gehele gemeente Nuenen. Helpt Elkander is voornemens om de komende jaren grootschalige renovaties en verduurzamingswerkzaamheden uit te voeren, alsmede beheer en onderhoud van de gebouwen aan haar woningbezit. Het gaat hierbij om een structurele aanpak, waarbij veel dezelfde soort werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en waarbij er een grote kans is dat deze werkzaamheden gevolgen zullen hebben voor beschermde soorten of hun verblijfplaatsen. Om te voorkomen dat voor elk los project een ontheffing aangevraagd moet worden, is ervoor gekozen om met behulp van een SMP een generieke ontheffing aan te vragen. De gebiedsontheffing wordt aangevraagd voor een periode van vijf jaar, met de intentie om deze te verlengen naar een periode van tien jaar. Met het SMP, gericht op het woningenbestand van Helpt Elkander, is het doel om op gebiedsniveau de staat van instandhouding van gebouwbewonende, en onder de Wnb beschermde, soorten te garanderen.

Een ander doel is om de werkprocessen te uniformeren, te ontzorgen en te versnellen bij onderhoud, renovatie, verduurzaming, alsmede sloop en nieuwbouw van vastgoed. Nevendoel is daarbij om een ecologische meerwaarde van het vastgoed te creëren door het treffen van extra maatregelen. De ontheffing is aangevraagd voor alle ruimtelijke ingrepen aan woningen en gebouwen, die van invloed kunnen zijn op beschermde soorten. Het gaat hierbij om de volgende typen werkzaamheden, zoals omschreven in het SMP in § 1.3.3: - Sloop en nieuwbouw ter plaatse; - Renovatie/transformatie, zoals een school naar woningen; - Verduurzamen, zoals door isolatie; - Beheer en onderhoud zoals schilderwerk, vervangen dakbedekking, kozijnen, hemelwaterafvoer; - Verwijderen van bomen en struiken in de tuin ten behoeve van de werkzaamheden; - Asbestsanering; - Plaatsing zonnepanelen en dakkapellen. Het verwijderen van groen en het bouwrijp maken en bebouwen van terreinen vraagt om een specifieke benadering en valt buiten de context van de generieke aanpak van het SMP en daarmee buiten de ontheffingsaanvraag. Bij de uitvoering zal rekening worden gehouden met het groen dat binnen de werksfeer valt. Slechts het groen in de directe omgeving (tuinen) wordt verwijderd ten behoeve van de werkzaamheden (bijvoorbeeld voor het plaatsen van steigerwerk maar ook sloop en nieuwbouw).

Het overige groen (groen in eigendom van Helpt Elkander plus het groen van de openbare ruimte, buiten het eigendom van Helpt Elkander), valt buiten de invloedsfeer van het SMP en dient via het regulier spoor beoordeeld te worden. Alle 3-laags appartementencomplexen en hoger van Helpt Elkander (391 woningen) vallen buiten de aanvraag. Deze woningen bestaan uit recente bebouwing en staan niet op de renovatieplanning voor de aangevraagde periode. Dit betreft de complexen 30, 51, 56, 58, 59, 60, 61 en 64 uit bijlage G. Een uitgebreide projectomschrijving van de activiteiten is opgenomen in de aanvraag en in het SMP van 19 januari 2021.

ODBN, Kenmerk

Pagina 15 van 30 Z/119035-250079

2.2 Onderzoek beschermde soorten Het onderzoek naar beschermde soorten is beschreven in hoofdstuk 3 van het SMP, het Beantwoordingsdocument aanvullende gegevens, d.d. 15 januari 2021 (verder: BAG) en de twee onderzoeksrapporten “Resultaten kwantitatief onderzoek” en “Resultaten kwalitatief onderzoek” van Staro, d.d. 20 november 2020. Het onderzoek is erop gericht om te bepalen welke beschermde soorten in woningen aanwezig kunnen zijn. Dit vindt op een andere wijze plaats dan de gebruikelijke methode, waarbij soorten worden uitgesloten. De verspreiding van soorten is en wordt in beeld gebracht met behulp van: - Bureauonderzoek: Met behulp van gegevens van de NDFF. Het bureauonderzoek inventariseert welke gegevens al bekend zijn over de specifieke locaties ten aanzien van beschermde soorten; - Modelmatig onderzoek: (‘digitale Quickscan’): Met de input vanuit een veldbezoek (habitatgeschiktheids-beoordeling) is voor het gehele woningenbestand modelmatig in beeld gebracht wat de kans is dat een soort in een woning aanwezig is. Het modelmatig onderzoek leidt tot een ‘Geschiktheidsmodel’ (SMP, § 3.3). Dit model voorspelt de potentie van een gebouw om als verblijfplaats te dienen voor soorten.

De criteria zijn bepaald op basis van ecologische veldkennis (expert judgement van de ecologen van Arcadis) en literatuurstudie en worden gevalideerd vanuit verschillende SMP’s, waaronder in Noord-Brabant. Uiteindelijk is deze stap vergelijkbaar met een reguliere Quickscan, maar dan op basis van een model. Het model is gevalideerd, zie hieronder. - Veldonderzoek: In 2020 is een gedeelte van het woningbezit (ruim 17 %) volledig en kwantitatief onderzocht volgens de betreffende Kennisdocumenten van BIJ12 of het Vleermuisprotocol 2017 (BAG). Deze woningen dienen als steekproef en liggen verspreid binnen de grootste twee woonkernen, Nuenen en Gerwen). De resultaten van het onderzoek zijn gebruikt ter validatie van het modelmatige onderzoek. Van het woningbezit is voorts 25% kwalitatief onderzocht op de belangrijkste verblijfsfuncties en kolonies. Als vervolgonderzoek is de inzet om gefaseerd de resterende deelgebieden (58 % van het woningbezit) waar grootschalige projecten worden uitgevoerd, kwalitatief te onderzoeken op bijzondere verblijven (SMP, § 3.4.2 en BAG). - Visuele inspectie gebouwen: Voorafgaand aan het ontmoedigen worden van woningen met belangrijke verblijfplaatsen en locaties waar geen veldonderzoek is gedaan (SMP, § 3.4.3 en BAG) een fysieke inspectie uitgevoerd met behulp van een zaklamp, endoscoop en zo nodig met een hoogwerker.

Mogelijke verblijfplaatsen kunnen eventueel voorzichtig worden geopend zonder destructieve handelingen. De inspectie is gericht op het opsporen van alle aanwezige bijzondere verblijfsfuncties, de ingangsopening(en) en de exacte plek en omstandigheden van de verblijfplaats. Validatie Geschiktheidsmodel: Dit is uitgewerkt in het rapport “Validatie Geschiktheidsmodel” d.d. 19 januari 2021). Aan de hand van de uitkomsten van het kwantitatieve onderzoek uitgevoerd in 2020 kan voor de gierzwaluw, huismus en gewone dwergvleermuis worden geconcludeerd dat het model de geschiktheid van de onderzochte woningen afdoende voorspelt. Er is geen aanleiding om het model nader te kalibreren of aan te passen, waarmee het model als een betrouwbare vervanger van de Quickscan naar deze drie genoemde soorten kan worden gezien. Voor de laatvlieger zijn te weinig waarnemingen gedaan om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen. In de praktijk blijkt dat als een gebouw toegang mogelijkheden biedt voor de gierzwaluw en gewone dwergvleermuis deze ook geschikt is voor de laatvlieger.

ODBN, Kenmerk

Pagina 16 van 30 Z/119035-250079

2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten Door het uitvoeren van verduurzamings-, onderhouds- en renovatiewerkzaamheden, alsmede sloop en nieuwbouw van het woningbestand van Helpt Elkander kunnen nesten, rust- en voortplantingsplaatsen (verblijfplaatsen) van de aangevraagde soorten worden beschadigd of vernield, en individuen van de aangevraagde soorten worden verstoord. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 3.1, tweede en vierde lid, artikel 3.5, tweede en vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb. De voorgenomen activiteiten hebben impact op de gevel, dakrand en het dak en het groen. De vogelsoorten huismus en gierzwaluw kunnen onder de daken/dakranden broeden en de huiszwaluwen maken nesten tegen de gevel onder de dakrand. Huismussen zijn mede afhankelijk van schuilmogelijkheden in het tuingroen. Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats hebben in de gevel, via gaten en kieren in (spouwmuur)ruimtes, onder daken of dakranden, onder dakpannen, zolders en achter als betimmeringen, boeiboorden en loodslabben. De steenmarter houdt zich binnen de woning graag op in de gevel, te bereiken via kieren of gaten in de buitenmuur. Deze soort heeft een voorkeur voor oude opstallen, muren en schuren. 2.4 Alternatievenafweging In § 5.1 van het SMP staat de alternatievenafweging beschreven.

Helpt Elkander zal op termijn aan alle woningen onderhoudswerkzaamheden uitvoeren, gelet op bouwtechnische en energetische doelstellingen. Intussen zal er dagelijks en planmatig beheer plaatsvinden. Dit kan niet op een andere plek worden uitgevoerd, omdat het werkzaamheden betreft aan bestaande woningen; vastgoed is uit der aard locatiegebonden. De technische staat van de woningen kan zodanig zijn dat onderhoud en of verduurzaming nodig is om de woningen te laten voldoen aan de technische en energetische eisen van deze tijd. De woningen zijn bijvoorbeeld onvoldoende geïsoleerd, waardoor er in de huidige situatie veel energieverlies optreedt. Bovendien is het klimaat in dergelijke woningen niet meer optimaal als gevolg van tocht en vocht. Indien er geen onderhoud aan deze woningen wordt uitgevoerd zullen de woningen op termijn onbewoonbaar worden of niet voldoen aan de huidige bouweisen. Uiteindelijk zal dit leiden tot sloop van de woningen. Sloop betekent het verlies van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Het alternatief van niets doen heeft ook als gevolg dat op termijn de gebouwen onbewoonbaar worden en gesloopt moeten worden; ook hierbij gaan vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, vogels en zoogdieren permanent verloren.

In dat geval zijn er op de locatie van de gesloopte woningen gedurende langere periode, soms gedurende jaren, geen vaste rust- en verblijfplaatsen voor soorten aanwezig. De gekozen werkwijze van het SMP, waarbij in het gehele woningbezit verblijfmogelijkheden voor gebouwbewonende soorten worden geplaatst, betekent dat de tijd dat er géén verblijfplaatsen in een gebouw aanwezig zijn tot het minimum wordt beperkt. Door de gekozen inrichting, werkwijze en de planning (buiten kwetsbare periodes) worden negatieve gevolgen voor de aanwezige beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen. De meerwaarde van deze aanpak zit daarin, dat er meer verblijfplaatsen voor de betreffende soorten aangebracht worden dan dat er vanuit de wetgeving noodzakelijk is. Hierbij wordt ook naar de omgeving van een gebouw gekeken, indien deze relevant is voor een soort. Om te zorgen dat binnen de actieradius van betreffende soort altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen zijn, is gekozen voor een indeling en aanpak per SMP-zone. Per zone wordt elk jaar de balans aan voorzieningen opgemaakt en in de planning verwerkt en gepland, middels een aparte boekhouding. Met deze aanpak wordt ook het tijdelijke verlies van nesten of verblijfplaatsen voor de betreffende soorten afdoende gemitigeerd.

Door de gekozen inrichting, werkwijze en de aangepaste planning (buiten kwetsbare periodes) wordt negatieve gevolgen voor de aanwezige beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 17 van 30 Z/119035-250079

Gelet op het bovenstaande is ons gebleken dat er geen redelijke alternatieven mogelijk zijn die zouden leiden tot een kwalitatief gelijkwaardig resultaat. De alternatievenafweging is daarmee dan ook voldoende onderbouwd. 2.5 Belang van de aanvraag De ontheffing is gevraagd op grond van onderstaande belangen. Voor de vogels gaat het om wettelijke belangen genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onder b, van de Wnb: - De volksgezondheid of openbare veiligheid; - De bescherming van flora of fauna. Voor de vleermuizen en de steenmarter gaat het om de wettelijke belangen genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, van de Wnb: - De bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats; - De volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. In § 5.3 van het SMP is de onderbouwing van de wettelijke belangen nader uitgewerkt en toegelicht. Samengevat komt dit op het volgende neer: De Volksgezondheid of openbare veiligheid De woningen zijn vaak slecht geïsoleerd; zonder kwalitatief luchtverversingssysteem en er is in veel gevallen sprake van vochtintreding via kozijnen, gevels en schoorstenen.

Door de grote temperatuurverschillen, beperkte isolatie en te veel vocht in de woningen ontstaat condensatie en schimmelvorming, wat het binnenklimaat voor bewoners verslechtert. Vocht bevordert de ontwikkeling van schimmels, bacteriën en huismijt, die een bedreiging vormen voor de gezondheid van de bewoners. Het project draagt bij aan de verbetering van de volksgezondheid door de woningen dusdanig te isoleren dat vocht en tocht in huis worden beperkt. De bescherming van wilde flora en fauna Bestaande en ook nieuwe woningen worden tijdens de renovatie voorzien van verblijfplaatsen voor de soorten die in de betreffende wijk voorkomen. Het realiseren van de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zorgt ervoor dat Helpt Elkander en particulieren actief een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Hierbij worden méér maatregelen getroffen dan noodzakelijk vanuit individuele plannen en projecten. Met deze strategie wordt een extra bijdrage geleverd aan de lokale en regionale instandhouding van populaties aan gebouwbewonende soorten. Dit resulteert in een plus voor de lokale populatie, waarmee de bescherming van de flora en fauna gediend is.

Dwingende redenen van groot openbaar belang Een belangrijk doel van de woningverbetering, het verduurzamen van bestaande bebouwing of het vervangen van oude woningen door energiezuiniger woningen, is het terugdringen van energieverbruik door het verhogen van de isolatie van bestaande woningen of bouw van energiezuiniger woningen en daarmee het verlagen van het energielabel. Door het verminderd energieverbruik wordt de uitstoot van CO2 gereduceerd, met gunstige effecten op het milieu en volksgezondheid. Deze afspraken zijn neergelegd in het Lente-akkoord, dat ook is ondertekend door Aedes, de landelijke branchevereniging van woningcorporaties. Een duurzamer woningbestand met energiezuinige woningen leidt tot minder gebruikt van fossiele brandstoffen, wat gepaard gaat met uitstoot van onder andere CO2. Deze uitstoot veroorzaakt klimaatverandering, hetgeen kan leiden tot belangrijke economische schade door van onder meer: - Zeespiegelstijging met risico op overstromingen verzilting; - Vergroting weersextremen (extreme regenval en langere droogteperiodes); - Bedreiging van de energievoorziening. ODBN, Kenmerk

Pagina 18 van 30 Z/119035-250079

Een reductie in de uitstoot van CO2 en daarmee het beperken van klimaatverandering is dan ook essentieel in het kader van klimaatmitigatie. CO2 reductie dient een groot maatschappelijk belang. Gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden zijn wij van oordeel dat de aangedragen wettelijke belangen voldoende onderbouwd zijn om de ontheffing te kunnen verlenen. 2.6 Werkwijze en maatregelen op basis van het soortenmanagementplan In het kader van de gebiedsontheffing is er een soortenmanagementplan (SMP, d.d. 19 januari 2021) opgesteld. Deze vormt de basis voor de ontheffingsaanvraag. In het SMP staat beschreven op welke wijze er binnen het plangebied een meerwaarde wordt gecreëerd voor de soorten en met welke maatregelen een positieve impuls wordt gegeven aan gunstige en duurzame staat van instandhouding van deze soorten. In hoofdstuk 2 van het SMP is uitgewerkt op basis van welke stappen de bescherming van de soorten tijdens en na de werkzaamheden is geborgd. Deze bestaan uit: • Het onderzoek naar de verspreiding van soorten, waaruit moet blijken of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. • Op basis van het type werkzaamheden (SMP, tabel 11) en de periode van uitvoering (natuurkalender met gevoelige perioden per soort, SMP, tabel 12) wordt bepaald of er effecten op de soorten kunnen zijn.

Indien dit het geval is wordt gebruik gemaakt van een op te stellen ecologisch werkprotocol (verder: EWP), waarin de randvoorwaarden voor het natuurvriendelijk werken zijn uitgewerkt, zodat er geen effecten zijn op individuele dieren. In het EWP staat ook het aantal benodigde voorzieningen en wordt uitgelegd hoe en waar deze dienen te worden geplaatst. Alle relevante (ecologische) handelingen worden per project in een ecologisch logboek bijgehouden. • Voor sommige ‘lichte’ beheer- en onderhoudswerkzaamheden, zoals onder meer schilderwerkzaamheden, plaatsen zonnepanelen of gevelreiniging, kan gewerkt worden met behulp van een standaard EWP. Hierbij worden permanente effecten op de verblijfplaatsen uitgesloten. Er vindt daarbij wel altijd afstemming met de betrokken ecoloog plaats. • Wanneer werkzaamheden (mogelijk) leiden tot permanente effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten wordt in alle gevallen per project het eerder bedoeld EWP opgesteld. Dit EWP omvat de onderdelen projectinformatie, randvoorwaarden voor natuurvriendelijk werken, mitigatietaakstelling en ecologisch logboek. • Natuurvrij maken/ontmoedigen is niet nodig als werkzaamheden in groene periode (minst kwetsbare periode) uitgevoerd worden en mogelijk wordt natuurvrij gemaakt in de oranje periode van de natuurkalender (SMP, tabel 12).

De ontmoediging vindt plaats middels 'exclusion' waardoor de eventueel aanwezige dieren eenmalig het gebouw kunnen verlaten, maar daarna niet terug kunnen keren. Natuurvrij maken wordt enkel toegepast bij werkzaamheden met permanente effecten, niet bij tijdelijke effecten. • Nest, rust- en voortplantingsplaatsen van aangevraagde soorten, waarvan ingrepen kunnen leiden tot overtreding van een verbodsbepaling, dienen tijdig en buiten de kwetsbare periode ontoegankelijk (natuurvrij) te worden gemaakt onder begeleiding van een ecologische deskundige2 conform de soort specifieke Kennisdocumenten van BIJ12 (op basis van de stappen genoemd in SMP, hoofdstuk 2). Dit om verstoring in de meest kwetsbare periode (SMP, § 2.3.2) te voorkomen. In de overgangsperiode (oranje periode) kan het enkel onder strikte voorwaarden en in overleg met een ecoloog. Indien ingrepen een negatief effect kunnen hebben op (potentieel) aanwezige soorten, en niet reeds natuurvrij gemaakt is in de minst kwetsbare periode, mogen handelingen in de rode periode van SMP (tabel 12) niet uitgevoerd worden, dus ook niet na raadplegen van een ecoloog. 2

Zie toelichting op het aanvraagformulier: https://www.brabant.nl/applicaties/producten/wet_natuurbescherming__ontheffing_beschermde_soorten_16411

ODBN, Kenmerk

Pagina 19 van 30 Z/119035-250079

•

Voor alle woningen wordt de taakstelling voor nieuwe alternatieve faunavoorzieningen (mitigatietaak) bepaald, waarbij voor alle gerenoveerde woningen minimaal de standaard taakstelling geldt (SMP, tabel 13, als onderstaand weergeven). Dat betekent dat ook woningen die eerder niet geschikt waren voor soorten, na verduurzaming en renovatie wel een diversiteit aan verblijfplaatsen bieden. Dit is één van de belangrijkste onderdelen die zorgen voor een substantiële meerwaarde voor de soorten (ten opzichte van de wettelijke eisen) op de lange termijn.

•

Vanuit het geschiktheidsonderzoek is gebleken dat voor alle woningen ten aanzien van vleermuizen de hoge (extra) taakstelling geldt, zoals weergegeven in tabel 14 van het SMP (BAG, antwoord 9e). Dit geldt q.q. daarmee ook voor alle sloopvervangende nieuwbouw. Indien woningen een bijzondere ecologische status hebben, bijvoorbeeld bij aanwezigheid van een massawinterverblijf, kraamverblijf of een kolonie van gebouwbewonende vogels, zoals gedefinieerd in voorschrift 44, dient de hoge, extra mitigatietaakstelling uitgevoerd te worden, zoals onderstaand weergegeven (i.e. tabel 14 van het SMP).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13992517/1