CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Vaststelling Bp Nuenen-NW, herziening Johan Frisostraat ong - Bijlage 1 Toelichting en bijlagen

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ong.22.119 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

noodzakelijk

geacht.

De

vigerende

dubbelbestemming

voor

archeologische

verwachtingswaarde blijft niettemin bestemmingsplanmatig behouden, waarmee ook in de toekomst eventuele archeologische waarden beschermd blijven.

4.5 Cultuurhistorie Op

de

Cultuurhistorische

Waardenkaart

van

de

provincie

zijn

de

cultuurhistorische

(landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is niet gelegen in een gebied

met

cultuurhistorische

landschapswaarden.

Op

navolgende

afbeelding

is

de

cultuurhistorische waardenkaart (CHW) afgebeeld met het plangebied aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Figuur 13: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant

De bestaande, te slopen bebouwing binnen het plangebied is niet cultuurhistorisch waardevol. Ook de bestaande landschapselementen zijn niet cultuurhistorisch waardevol. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

4.6 Bedrijven en milieuzonering De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Het plangebied bevindt zich te midden van een woonwijk. In de directe omgeving bevinden zich geen bedrijven. Ten noorden van het plangebied is een nutsvoorziening gevestigd op een afstand van circa 60 meter. Voor een nutsvoorziening (stroom) geldt een richtafstand van 10 meter. Hiermee voldoet het plangebied aan de richtafstand zoals omschreven in de lijst van VNG. Daarnaast bevindt zich een tuincentrum ten westen van het plangebied. De afstand tussen het bestemmingsvlak van het tuincentrum en het plangebied bedraagt circa 170 meter. Een tuincentra wordt gecategoriseerd in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter met geluid als grootste invloedsfactor. Deze richtafstand wordt ruimschoots behaald.

Andersom wordt binnen het plangebied ook geen bedrijf gevestigd waarmee in het kader van Bedrijven en Milieuzonering rekening dient te worden gehouden. Het aspect Bedrijven en milieuzonering is dan ook voor de beoogde herontwikkeling geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

4.7 Geurhinder 4.7.1 Inleiding De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor dieren waar geen emissiefactoren voor zijn vastgesteld gelden vaste afstanden. Voor het buitengebied geldt dat er sprake is van een vaste afstand van 50 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Voor plannen in de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 100 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. De gemeente Nuenen heeft geen afwijkende geurnormen vastgesteld. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder.

Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.7.2 Veehouderijen in de omgeving Op navolgende kaart zijn de veehouderijen in de omgeving van het plangebied afgebeeld.

Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Helsestraat 7a Helsestraat 7

Plangebied

Boord 12-14 Dubbestraat 1a Figuur 14: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied (Bron: Odzob)

Navolgende dieraantallen zijn vergund op deze veehouderijen:

Figuur 15: Vergunde dieraantallen Helsestraat 7 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 16: Vergunde dieraantallen Helsestraat 7a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Figuur 17: Vergunde dieraantallen Dubbestraat 1 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 18: Vergunde dieraantallen Boord 12 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

4.7.3 Woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Voor de veehouderijen in de zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld en geldt een vaste afstand. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 320 meter (Dubbestraat 1a), hierbij gaat het om een melkveehouderij. Voor melkveehouderijen zijn geen emissiefactoren vastgesteld en geldt dus een vaste afstand van 100 meter tot een geurgevoelig object in stedelijk gebied. Gesteld kan worden dat deze afstand ruimschoots wordt behaald. In de nabije omgeving (binnen 500 meter) van het plangebied zijn verder alleen veehouderijen waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld. Hiervoor geldt een vaste afstand van 100 meter binnen stedelijk gebied. Daarmee kan worden gesteld dat de voorgrondbelasting in dit kader niet bepalend is voor het woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting zal bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan.

Op de kaart van omgevingsdienst zuidoost-Brabant (odzob) wordt de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied weergegeven.

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Plangebied

Figuur 19: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied (Bron: Odzob)

De achtergrondbelasting van het plangebied is 0-3 oue/m³. Gesteld kan worden dat sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

4.7.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Een

ruimtelijke

ontwikkeling

mag

de

bedrijfsvoering

dan

wel

de

toekomstige

ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. De omliggende veehouderijen worden echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van burgerwoningen die gelegen zijn tussen het plangebied en de betreffende veehouderijen. Ontwikkeling van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer dan thans het geval is.

4.7.5 Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden ook geen veehouderijbedrijven belemmerd in de

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

ontwikkelingsmogelijkheden. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.

4.8 Gezondheid 4.8.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine.

Deze

notitie

haakt

in

op

de

lopende

ontwikkeling

van

het

landelijke

endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de ruimtelijke ordening wordt dit berekeningsmodel geaccepteerd als richtlijn. In de wijde omgeving van het plangebied bevinden zich geen intensieve veehouderijbedrijven. De beoogde ontwikkeling is in het kader van endotoxinen geen bezwaar.

4.8.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen een straal van 2 kilometer vanuit het plangebied zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

4.8.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

via

drift.

Met

de

term

drift

wordt

de

hoeveelheid

gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van

luchtverontreiniging,

waardoor

mens

en

dier

in

contact

kunnen

komen

met

gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gronden gelegen waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, in een woonwijk. Het is niet aannemelijk dat buurtbewoners gewasbeschermingsmiddelen gebruiken in de woonwijk. Binnen een afstand van 50 meter ligt geen agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, noch is er sprake van agrarische bestemmingen. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Geluid Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Het plangebied ligt aan een weg waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. De Wgh geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Ook ter plaatse van de aanliggende wegen geldt een 30 km/h regime (Boordseweg, Sophiastraat, Mauritsgaarde, Voirt). De wegen die wel een zone hebben volgens de Wgh in de omgeving liggen op een redelijke afstand tot de Johan Frisostraat. De Europalaan ligt op een afstand van 280 meter tot het plangebied, de Boord op een afstand van circa 200 meter. De Johan Frisostraat wordt in principe enkel gebruikt voor bestemmingsverkeer. Ter plaatse is sprake van een lage verkeersintensiteit. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal naar alle waarschijnlijkheid niet worden overschreden. Bovendien is door Atlas leefomgeving een kaart

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

gepubliceerd genaamd ‘Geluid in Nederland’ met daarin wegverkeer gemeten in decibel. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven.

Figuur 20: Kaart Geluid in Nederland van wegverkeer (Bron: Atlasleefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied wordt geschat dat de geluidswaarde tussen de 46-50 dB wordt geschat. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt naar alle waarschijnlijkheid niet overschreden. De beoogde woning bevindt zich bovendien tussen ander woningen, waardoor geluidsgolven al verhinderd worden. Hiermee is het zeer aannemelijk dat de grensvoorkeurswaarde niet wordt overschreden. Met deze ontwikkeling is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van wegverkeerslawaai. Hierom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeer niet noodzakelijk.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

4.10.2 Regeling Niet in betekenende mate In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien onderhavig plan slechts de realisatie van één woning mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

4.10.3 Blootstelling en verontreiniging Fijn stof (PM10 en PM2,5) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is dus een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden:

-

De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM 10 is maximaal 40 µg/m³; De daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden;

-

De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM2,5 is maximaal 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: 

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is hierbij weergegeven met de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Figuur 21: Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10 (2020) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10 ter plaatse van het plangebied bedraagt 16-17 µg/m³. De grenswaarde van 40 µg/m³ wordt hiermee dan ook niet overschreden.

Figuur 22: Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2,5 (2020) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentratie fijn stof PM 2,5 ter plaatse van het plangebied bedraagt 8-9 µg/m³. De grenswaarde van 25 µg/m³ wordt hiermee dan ook niet overschreden.

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Figuur 23: Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide NO2 (2020) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied bedraagt 1214 µg/m³. De grenswaarde van 40 µg/m ³ wordt hiermee dan ook niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde herontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

4.10.4 Conclusie Luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Bodemkwaliteit 4.11.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het beoogde gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet.

4.11.2 Toets Door CSI is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ten behoeve van inventarisatie conform de sloop van de serre met zwembad en bijgebouw. Ter plaatse van de beoogde woning is de bodem al verhard door onder andere de plaatsing van het zwembad, de serre en het bijgebouw. De bodem is hierdoor aannemelijk te gebruiken en bovendien is er een asbestonderzoek verricht. De beoogde woning bevindt zich in een woonwijk waarin de bodem al gedurende lange tijd wordt gebruikt. Een bodemonderzoek wordt door het gebruik en de verwachting niet noodzakelijke geacht voor onderhavige ontwikkeling. Het asbestonderzoek is terug te vinden in de bijlage van dit bestemmingsplan.

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Door Bodeminzicht is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op basis van de NEN 5725 normen. Het onderzoek is opgeleverd op 6 september 2022. In de bijlage staat het volledige bodemonderzoek uitgewerkt. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek geciteerd. Uit het verrichte vooronderzoek zijn geen (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de omgeving worden zware metalen in het grondwater

aangetroffen (natuurlijke

achtergrondwaarde). De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op voorhand niet als asbestverdacht beschouwd. Er is geen sprake van bodemvreemde lagen. Op basis van het vooronderzoek wordt uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL, tabel 3.1).

4.11.3 Conclusie Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bouw van een woning. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

4.12 Externe veiligheid 4.12.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: -

Bedrijven;

-

Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water en via buisleidingen);

-

Hoogspanningslijnen.

Op navolgende afbeelding wordt de veiligheidskaart van Atlasleefomgeving afgebeeld. Hierop is het plangebied aangeduid met een cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

Figuur 24: Veiligheidskaart omgeving van het plangebied (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

4.12.2 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Het meest dicht bij het plangebied gelegen risico-object is gelegen aan Sportlaan 4 te Nuenen, op een afstand van circa 925 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft hierbij een opslagtank voor chloorbleekloog. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding niet plaatsvinden.

4.12.3 Transport 4.12.3.1 Vervoer over het spoor In de omgeving van het plangebied is geen spoortracé gelegen. De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde spoortracé bedraagt circa 2,3 kilometer. Interactie zal normliter niet plaatsvinden. 4.12.3.2 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de autosnelweg A2. Het plangebied ligt op een zodanige afstand (6 kilometer) van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats kan vinden.

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

4.12.3.3 Vervoer over het water Binnen de gemeente Nuenen vindt geen transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing. 4.12.3.4 Vervoer via buisleidingen Op een afstand van circa 2,6 kilometer ten zuidoosten zijn buisleidingen gelegen waardoor aardgas vervoerd wordt. Deze gasleidingen liggen op een dermate grote afstand dat geen interactie plaats kan vinden met het plangebied. 4.12.3.5 Hoogspanningslijnen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen.

4.12.4 Conclusie Externe veiligheid vormt voor de beoogde herontwikkeling geen belemmering.

4.13 Bezonningsstudie 4.13.1 Beleidskader Om te onderzoeken of sprake is van een aanvaardbare situatie voor omliggende objecten in nabijheid van plangebied, is een schaduwstudie uitgevoerd. Aan de hand van het onderzoek is bepaald wat de effecten zijn van de nieuwe woning op de omliggende bebouwing door middel van 3D-studies (schaduwsimulatie). Getoetst wordt aan de ‘lichte TNO-norm (ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam). Door Aelmans advies is een onderzoek uitgevoerd op 27 juni 2023. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn hierna geciteerd, het volledige onderzoek wordt als bijlage toegevoegd bij het bestemmingsplan.

4.13.2 Toets Algemeen kan vastgesteld worden dat er een toename ontstaat van schaduwwerking door de stijging van de bouwhoogte als gevolg van de beoogde ontwikkeling aan de Johan Frisostraat ong. te Nuenen. Het grootste visueel waarneembare effect met betrekking tot beschaduwing treedt op bij laagstaande zon. Deze situatie doet zich voor tijdens de, volgens de lichte TNO-norm buiten beschouwing te laten, wintermaanden november, december en januari, maar met name ook tijdens zonsopkomst en zonsondergang in de overige maanden. Impressies van de bovenaanzichten (bijlage 1 en 2) geven aan dat gevels, tuinen en openbare gebieden welke onderhevig zijn aan schaduwval, allen beschikken over een verminderd aantal bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. Specifiek is er gekeken naar de gevolgen ter hoogte van de linker zijgevel van het object aan de Johan Frisostraat 2 in de maand februari (equivalent; oktober). De bovenaanzichten van deze maand gaven onvoldoende informatie om met zekerheid vast te kunnen stellen of er sprake zou zijn van de aanwezigheid van minimaal twee bezonningsuren per etmaal.

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

De gevel in kwestie betreft echter een blinde gevel, waarbij geen transparante delen aanwezig zijn. Verdere studie naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op deze gevel zijn derhalve niet relevant. De overige aangrenzende objecten aan de Frederikstraat 21 en 24, Mauritsgaarde 2, 2a, 4 en 4a behouden allemaal ruimschoots de beschikking over minimaal 2 uur bezonning per etmaal. Alle niet specifiek genoemde objecten vormen geen risico aangaande schaduwval als gevolg van de

nieuwe

ontwikkeling

met

betrekking

tot

de

lichte

TNO-norm.

Zie

hiervoor

de

bezonningsdiagrammen in bijlage 1. Er zijn geen gevels die minder dan 2 uur direct zonlicht ontvangen in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober als gevolg van een toename in bouwmassa waarnaar dit rapport onderzoek doet. Deze uitsluiting is het gevolg van de afstand tot de nieuwe ontwikkeling, zoals blijkt uit de bovenaanzichten in de bezonningsdiagrammen. Voor wat betreft het gebruik van de onderzochte objecten/gronden in de directe omgeving van onderhavig initiatief, kan vastgesteld worden dat deze voldoen aan de geldende norm. Er is geen sprake van een nadelig effect wat leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het minimale aantal bezonningsuren is middels dit onderzoek gewaarborgd. Verder onderzoek aangaande de omliggende adressen naar zonlichttoetreding op het midden van de vensterbank, aan de binnenzijde van het raam, is hiervoor niet noodzakelijk.

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

5.

UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid In de Grondexploitatiewet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Nuenen zal in het kader van het bepaalde in de Grondexploitatiewet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Hiervoor wordt met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt, waarna het plan of onderdelen van dit plan kunnen worden heroverwogen.

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

6.

PROCEDURE

6.1

Wettelijke procedure

De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

o

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

6.2 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft in het verleden het omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden. De bouwplannen van het initiatief zijn op dit moment zeer globaal, en ter plaatse is op dit moment nog bebouwing aanwezig. Initiatiefnemer is circa vijf jaar geleden met een plan gekomen om een bungalow te realiseren ter plaatse van het plangebied. Hierover zijn de buren destijds ingelicht (Johan Frisostraat 2). zij vonden een woning akkoord op die locatie. Na het gesprek werd duidelijk dat de locatie geen bouwvlak meer aanwezig is. Door de huidige trends en ontwikkelingen (hoge bouwkosten en leeftijd initiatiefnemer) is besloten om de bouwgrond te verkopen. In het koopcontract wordt als voorwaarde vastgelegd dat het bouwplan besproken dient te worden met de bewoners van Johan Frisostraat 2, Frederikstraat 21 en 29, Mauritsgaarde 2, 2A en 4A. Dit zijn alle direct aangrenzende buren. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning (wanneer de bouwplannen zijn uitgewerkt) wordt een omgevingsdialoog als bijlage toegevoegd. Een samenvatting van het omgevingsdialoog met de buurman aan de Johan Frisostraat 2 wordt toegevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan

6.3

Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten,

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd’

met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan wordt aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Dit plan wordt voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel.

6.4

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor de zienswijzentermijn. Gedurende deze inzagetermijn is één zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Een samenvatting van de zienswijze en de beantwoording hiervan is opgenomen in de nota van zienswijzen welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Naar aanleiding van de zienswijze heeft overleg plaatsgevonden. De gespreksverslagen worden als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.

Crijns Rentmeesters bv

47

Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Inhoudsopgave

Toelichting bijlagen bij toelichting

3 5

Bijlage 1

verkennend asbestonderzoek

6

Bijlage 2

verkennend bodemonderzoek

7

Bijlage 3

ecologische quickscan

Bijlage 4

aerius berekening

Bijlage 5

omgevingsdialoog

Regels

8 9 10

11

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

12 12 17

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie middelhoog

18 18 22

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Algemene regels Antidubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

25 25 26 27 28 29 30

Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

31 31 32

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

2

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Toelichting

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

4

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Bijlage 1

verkennend asbestonderzoek

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

6

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Bijlage 2

verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Bijlage 3

ecologische quickscan

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

8

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Bijlage 4

aerius berekening

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Bijlage 5

omgevingsdialoog

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

10

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Regels

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd met IMRO idn. code NL.IMRO.0820.BPNuenNWherzJFriso- van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. 1.2 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.3 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Voorbeelden van aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, mits passend binnen de hiervoor genoemde omschrijving en voorwaarden zijn: advocatenkantoor, notariskantoor, accountantskantoor, timmerwerkplaats, meubelmakerij, meubelstoffeerderij, vervaardiging van hekwerken, pottenbakkerij, vervaardiging van kantoormachines, vervaardiging van muziekinstrumenten. Deze opsomming is niet limitatief. 1.5 aan- of uitbouw: een ruimte die voldoet aan alle volgende kenmerken: a.

aan een hoofdgebouw gebouwd; b. vanuit dat hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk; c. deel uitmakend van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt; d. maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap; met dien verstande dat: 1. een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw; 2. een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is. 1.6 afhankelijke woonruimte: een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.7 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8 bebouwingspercentage: een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogst mag worden bebouwd. 1.9 begane grond: de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau. 1.10

bestaand:

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

12

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mits geen sprake is van een illegale situatie. 1.11 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.12 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wabo. 1.14 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.15 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). 1.18 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.19 bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel.

1.20 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.21 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22 dak: een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk.

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd 1.23 dienstverlening: dienstverlening met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksaantrekkende functie, zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, hypotheekverstrekker, postkantoor, telefoon-/ telegraaf-/ telexdienst, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, en door naar aard en uitstraling overeenkomstige activiteiten. 1.24 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.25 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 gelijke hoogte: een hoogteverschil per vloer of balklaag van maximaal 2,00 m (gemeten op het laagste punt van de betreffende vloer of balklaag). 1.27 gevellijn: de bouwgrens die nagenoeg gelijk loopt aan de as van de weg waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg(en) grenzende perceelsgrens.

1.28 grondgebonden woning: een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen. 1.29 hoofdgebouw: een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.30 huishouden: huisvesting van meerdere personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, een psychiatrisch ziektebeeld of psychosociale problemen dan wel de huisvesting van maximaal 8 personen die tijdelijke opvang behoeven, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht, dit alles gericht op zelfstandige bewoning. 1.31 lichtkoepel: een ondergeschikte, transparante dakopbouw bij platte of flauw hellende daken, waarvan de oppervlakte maximaal 5 m2 en de hoogte ten opzichte van het dakvlak maximaal 0,5 m bedraagt en de dakopbouw op minimaal 0,5 m van de betreffende dakranden is gesitueerd. 1.32 maaiveld: de gemiddelde hoogte van het terrein ter plaatse van een gebouw/bouwwerk.

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

14

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd 1.33 maatvoeringsvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten. 1.34 mantelzorg: het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.35 natuurinclusief bouwen: maatregelen om natuur te integreren bij de bouw van gebouwen. 1.36 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo. 1.37 ondergeschikte bouwdelen: bouwdelen die qua aard en omvang ondergeschikt zijn aan het bijbehorende gebouw, zoals bijvoorbeeld schoorstenen, lichtkoepels en balkonhekken. 1.38 overkapping: een bouwwerk zonder eigen wanden dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent. 1.39 peil: a. voor gebouwen: waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein. 1.40 pergola: een open constructie van latten op palen in de tuin, waarlangs planten kunnen groeien.

Een pergola mag niet steunen op of worden voorzien van schotten of wanden. 1.41 permanente bewoning: bewoning van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen. 1.42 praktijkruimte: een ruimte in een woning, waarin een al dan niet publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt uitgeoefend. 1.43 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam)prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.44 verdieping: een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag op de begane grond.

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd 1.45 voorgevel: de gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt. 1.46 voorgevelrooilijn: de denkbeeldige lijn die ligt in de voorgevel en het verlengde daarvan; 1.47 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, en de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. 1.48 woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

16

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens: de kortste afstand tussen de zijdelingse perceelsgrens(zen) van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

2.8 de ondergronde bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1.00 m.

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Wonen

Bestemmingsomschrijving

3.1.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met daaraan ondergeschikt: 1. 2. 3. 4. 5.

aan huis verbonden beroepen of bedrijven, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.4.1; tuinen, erven en paden; groenvoorzieningen; parkeervoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

3.1.2 Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 10.2. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. één woning; b. de daarbij behorende bijgebouwen; c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. 3.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: a. binnen het bouwvlak mag zowel het hoofdgebouw als bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor maximaal 100% worden bebouwd; c. per bouwvlak is één woning toegestaan; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ tezamen mag maximaal 120 m 2 bedragen; e. de voorgevels van de woning worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; f. de goothoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 6,50 meter bedragen, de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,30 meter bedragen; g. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 10,00 meter bedragen, de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 6.50 meter bedragen; h. de dakhelling mag minimaal 20° en maximaal 55° bedragen, met dien verstande dat dit vereiste niet geldt voor maximaal 40% van de oppervlakte van het hoofdgebouw. 3.2.3 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden de volgende regels: a.

ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd;

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

18

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd b. zwembaden (en daarmee vergelijkbare voorzieningen) mogen enkel worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' op een afstand van minimaal 1,00 meter van de zijdelingse perceelsgrens en tot de achtergrens; c. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ tezamen mag maximaal 60 m2 bedragen, indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m², mag de genoemde oppervlakte van 60 m² worden vermeerderd met 10% van de overmaat tot een maximum van in totaal 120 m²; d. de grond voor maximaal 50% mag worden bebouwd; e. de goothoogte maximaal 3,30 meter mag bedragen; f. de bouwhoogte maximaal 6,50 meter mag bedragen; g. bijgebouwen plat of met een kap van maximaal 55° worden afgedekt. 3.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: a. buiten de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 2,00 meter bedragen, met dien verstande dat: 1.

de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter mag bedragen; 2. de bouwhoogte van pergola's maximaal 3,00 meter mag bedragen. d. het hoofdgebouw of bijgebouw dient te worden voorzien van een nestgelegenheid, verblijfplaats en/of foerageergelegenheid ten behoeve van natuurinclusief bouwen. 3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Bouwen anders dan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen;' Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 voor het bouwen van bijgebouwen op een kortere afstand tot de voorgevelrooilijn, mits: a. de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; b. de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 3.3.2 Grotere bouw- c.q. goothoogte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 teneinde een grotere bouw- c.q. goothoogte van de bijgebouwen toe te kunnen staan, mits: a. de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; b. de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 3.3.3 Dakopbouwen op schuine daken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 teneinde een grotere bouw- c.q. goothoogte van hoofdgebouwen voor dakopbouwen op schuine daken toe te kunnen staan, mits: a. de dakopbouw geheel is gelegen op een van de weg af gekeerd dakvlak; b.

de zijkanten van de dakopbouw zich op minimaal 0,50 meter van de zijkanten van het dakvlak van de betreffende woning bevinden; c. het oppervlak van de dakopbouw verticaal gemeten niet meer dan 75% van het oppervlak van het onderliggende dakvlak bedraagt; d. de afstand tussen de voet van de dakopbouw en de goot van het onderliggende dakvlak verticaal gemeten minimaal 0,50 en maximaal 1,00 meter bedraagt; bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd e. de afstand tussen de voet van de dakopbouw en de goot van de dakopbouw maximaal 1,50 meter bedraagt; f. de dakhelling van de dakvlakken van de dakopbouw gelijk is aan die van de dakvlakken van het onderliggende dak; g. de bouwhoogte van de dakopbouw op niet meer dan 1,50 meter boven de bouwhoogte van het onderliggende dak ligt; h. de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; i. de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 3.3.4 Aan- of uitbouw voor de voorgevel Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde sub 3.2.2 ten behoeve van aan- en uitbouwen voor de voorgevel van het hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de diepte van de aan- of uitbouw mag niet meer bedragen dan 1,50 meter; b. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. de goothoogte van de aan- of uitbouw mag niet meer bedragen dan 3,30 meter; d. de bouwhoogte van de aan- of uitbouw mag niet meer bedragen dan 6,50 meter; e. de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; f.

de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 3.3.5 Bouwhoogte bij platte daken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 teneinde een grotere bouwhoogte bij platafgedekte woningen in één bouwlaag te kunnen toestaan, mits: a. niet meer dan 40% van de oppervlakte van het dak wordt verhoogd; b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4,00 meter; c. de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; d. maximaal 40% van het hoofdgebouw plat afgedekt mag worden; e. de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Aan huis verbonden beroepen en bedrijven Een niet-publiekaantrekkend aan huis verbonden beroep of bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; b. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; d. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving; e. de activiteit mag niet vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; f. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit. 3.4.2 Verboden gebruik Onder gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik: a. van vrijstaande bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte;

bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (vastgesteld)

20

bestemmingsplan Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd b. van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor de uitoefening van een publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; c. als seksinrichting. d. voor recreatie; e. voor ondergronds bouwen buiten het bouwvlak; f. van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit. 3.5

Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1 Recreatieve voorzieningen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2 voor de aanleg van recreatieve voorzieningen, mits: a. de recreatieve voorziening wordt aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'; b. de recreatieve voorziening onderdeel uitmaakt van de tuin naar verschijningsvorm, oppervlakte en gebruiksmogelijkheden; c. verlichtingsmasten niet worden toegestaan; d. de kortste afstand van de recreatieve voorziening tot de zijdelingse perceelsgrens en achtergrens minimaal 5,00 meter bedraagt. 3.5.2 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2 , voor het toestaan dat een vrijstaand bijgebouw wordt gebruikt als een afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²; d. gewaarborgd is dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

3.5.3 Publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2, voor het binnen een woning en/of bijgebouwen toestaan van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; b. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; d. de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving; e. de activiteit niet vergunningplichtig mag zijn ingevolge de Wet milieubeheer; f. er geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240108/1