RV Herstelbesluit Bp Buitengebied Rullen 7 - Bijlage 1 Toelichting en regels
Tekst van het document
42
BUREAU VERKUYLEN
9. Een nieuwe Ruimte voor Ruimte-woning is altijd onderdeel van een bestaande bebouwingsconcentratie en dient ook 'mee te doen' in die bebouwingsconcentratie. Dat wil zeggen dat een woning niet wordt weggestopt achter beplanting of bebouwing. Toelichting plan: Onderhavig Ruimte voor Ruimte-initiatief is onderdeel van en doet mee in de bebouwingsconcentratie. Om de kwaliteitswinst van de sanering van de bedrijfsbebouwing te bewerkstelligen worden twee woningen teruggebouwd. Vanwege de karakteristieke ligging van de aangrenzende bestaande langgevelboerderijen aan Rullen 5 en Rullen 7, is het niet wenselijk om een nieuwe (langgevel)woning tussen Rullen 5 en 7 te situeren omdat dat afbreuk zou doen aan de historische karakteristiek. In plaats daarvan is gekozen om de twee nieuwe woningen als een soort bijgebouwen op het erf te situeren behorend bij de langgevelboerderij aan Rullen 7. De entree naar dit erf wordt landschappelijk begeleid zodat het directe zicht op deze 'bijgebouwen' enigszins wordt ontnomen, maar daardoor de langgevelboerderijen juist op de voorgrond blijven staan. Daarmee doen de woningen mee in de bebouwingsconcentratie zonder helemaal op de voorgrond te staan. Er is hier dus sprake van gewenst maatwerk ten opzichte van het uitgangspunt. 10. Ruimte voor Ruimte gaat over bouwen in leegtes.
VAB-locaties vallen daarmee buiten de Ruimte voor Ruimte-regeling in deze visie. De kwaliteitsprincipes voor het Nuenens landschap in deze Ruimte voor Ruimte-visie zijn echter ook van toepassing op (toekomstige) VAB-locaties. Toelichting plan: Projecten waarover ten tijden van de visie al een positief collegebesluit was genomen, zijn opgenomen als 'Ruimte voor Ruimte-initiatieven in procedure'. Deze staan niet meer ter discussie in het kader van de afwegingscriteria in deze visie. Voor de volledigheid wordt voorliggend initiatief wel aan de visie getoetst. Algemene Ontwerprichtlijnen 1. Zorg voor verwevenheid tussen de bebouwingsconcentratie en het landschap door open zichten en landschappelijke elementen die de bebouwde eenheid binnendringen (zoals akkers, weiden, boomgaarden en bosjes) te sparen en te versterken. Toelichting plan: Planologisch lag er een bestemmingsvlak van een agrarisch bedrijf dat volledig bebouwd kan worden en diep het landschap in reikt. In de nieuwe situatie dringt het landschap juist dieper de bebouwingsconcentratie in. Dit gebeurt door het westelijke deel in te richten met gebiedseigen bomen, vrije te laten van bebouwing, en het overgangsdeel van de perceelstuinen als landschapstuin in te richten. 2.
Open percelen bij kruisingen van wegen in een bebouwingsconcentratie zijn vaak waardevol voor de relatie tussen de bebouwingsconcentratie en het landschap. Houd deze in beginsel open en vrij van bebouwing. Toelichting plan: Er is geen sprake van een open perceel nabij een kruising van
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
43
wegen. Deze voorwaarde is niet van toepassing. 3. Maak gebruik van bestaande landschappelijke elementen om nieuwe bebouwing achter schuil te doen laten gaan; van een cluster achter een bolle akker zijn alleen de daken zichtbaar waardoor de nadruk op het reliëf gelegd wordt in plaats van op de bebouwing. Toelichting plan: Een bestaand landschapselement is de perceelbeplanting aan de noordwestzijde. Deze naaldbomenrij zal worden vervangen door gebiedseigen bomen (zwarte populieren). Daarmee blijft het landschapselement behouden en blijft de bebouwing er achter schuil gaan. 4. Pas ook de notitie 'Ruimte voor Ruimte-woningen in Nuenen – leidraad voor initiatiefnemers' (Team Ruimtelijke Kwaliteit Nuenen, april 2021) toe. Toelichting plan: De toetsingscriteria zijn verwerkt in het door het Team Ruimtelijke Kwaliteit goed gekeurd beeldkwaliteitplan dat als bijlage bij dit bestemmingsplan zit en afzonderlijk wordt vastgesteld door de gemeenteraad waardoor het een verplichte leidraad voor de welstandstoetsing is. 5. Pas inspringende rooilijnen toe door voortuinen van verschillende diepte toe te laten, maar ook wisselende goot- en nokhoogten en nokrichtingen. Toelichting plan: Het initiatief voorziet in een door het Team Ruimtelijke Kwaliteit goed gekeurd beeldkwaliteitplan dat er op gericht is om een divers landelijk beeld te krijgen.
Vanwege de kleinschaligheid van het erf zijn er geen heel grote verschillen in rooilijnen en bouwhoogtes vastgelegd, maar zijn er wel verschillende opties mogelijk zodat er vanzelfsprekend diversiteit ontstaat. 6. Pas enkelvoudige en eenvoudige bouwmassa's toe en gebruik traditionele materialen en ingetogen kleuren: bouw pretentieloos. Toelichting plan: Het initiatief voorziet in een door het Team Ruimtelijke Kwaliteit goed gekeurd beeldkwaliteitplan dat gericht is op het toepassen van enkelvoudige en eenvoudige bouwmassa's met gebruik van traditionele materialen en ingetogen kleuren. 7. Voorkom gebiedsvreemde 'tweedelijns bebouwing' en hofjes. Op VAB-locaties is een boerenhof denkbaar, maar nieuwe bebouwing op vrije percelen is georiënteerd op de openbare weg. Toelichting plan: Het initiatief betreft een VAB-locatie, hier is een boerenhof denkbaar. De grote bestaande bebouwingsmassa's worden hier vervangen door een bescheiden boerenhof (erfje) met twee woningen. De twee nieuwe woningen presenteren zich als een soort bijgebouw behorend bij de naastgelegen langgevelboerderij aan Rullen 7 dat het ''hoofdgebouw'' van het boerenhof is. 8. Voorkom lange rechte grenzen met schuttingen en schuurtjes op de perceelgrens, maar maak vriendelijke rafelranden.
44
BUREAU VERKUYLEN
Toelichting plan: De opzet van het erf is dat de woningen een losse relatie met het landschap krijgen en dat het ensemble opgaat in de rand van het buurtschap. Rondom de gebruikstuin komt eenzelfde soort haag (maximaal 50% hoger dan 1 m) mogelijk afgewisseld met landelijke houten hekwerken of poortjes. Voor het gras in de landschapstuin is het streven om een bloem- en kruidenrijk grasland te realiseren met waarden voor bijen, libellen, insecten en vogels. Deze landschapstuin grenst aan de perceelsgrenzen, waardoor het open landschap behouden blijft. 9. Door meerdere gebouwen in de knik van een weg te plaatsen ontstaat een entreegevoel. Toelichting plan: Het initiatief betreft een bescheiden erfje met twee woningen die zich presenteren zich als een soort erfgebouw behorend bij de naastgelegen langgevelboerderij aan Rullen 7. Van een entree gevoel naar het bebouwingscluster Rullen is hier geen sprake. Wel is er sprake van een bescheiden entree naar het erfje tussen de twee langgevelboerderijen. 10. Laat de bebouwingsrichting van de bebouwing afwijken van de wegrichting, waardoor speelse en intieme ruimtes op het erf ontstaan. Toelichting plan: Vanaf Rullen gezien wijken de bebouwingsrichtingen van de twee woningen af. Ook ten opzichte van het erfje is er geen parallelle oriëntatie aan de weginrichting. Er is daarmee sprake van een speelse en intieme ruimte. 11.
Agrarische bebouwing is altijd op het land georiënteerd geweest. Wat nu de openbare weg is, was vroeger een eenvoudige verbinding tussen de verschillende boerderijen. Daarom liggen de boerderijen in de richting van de kavel en niet in de richting van de weg. Dat levert vanaf de weg een gevarieerd beeld op. Spaar of creëer kleine overhoeken tussen de weg en een bebouwd erf; dit zijn waardevolle groenstructuren en deze creëren een eigen wereldje waaraan een bijzondere invulling kan worden gegeven, zoals een terras. Toelichting plan: Tussen de weg Rullen en het nieuw bebouwde erf is sprake van zo'n overhoek. Deze overhoek wordt ingericht als fruitboomgaard en blijft vrij van bebouwing. 12. Wees zorgvuldig met het situeren van nieuwe bebouwing aan de dorpsrand en voorkom dat deze waardevolle zichtlijnen vanuit het landschap op een kerk of ander landmerk belemmert. Toelichting plan: Er is hier geen sprake van een dorpsrand of belangrijke zichtlijnen vanuit het landschap naar een landmerk. Deze voorwaarde is niet van toepassing. 13. In het buitengebied liggen veel driehoekige ruimtes – groot en klein – die kenmerkend zijn voor het kampen- en hoevenlandschap. Deze brinken, restruimten en velden zijn landschappelijk waardevol. Voorkom het realiseren van nieuwe bebouwing in zulke driehoeken, maar richt ze juist landschappelijk in, of recreatief met een picknicktafel.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
45
Toelichting plan: Rullen is opgezet rondom zo'n dergelijke driehoekige ruimte. Het initiatief doet hier geen afbreuk aan. Deze voorwaarde is niet van toepassing. 14. Gebruik het 'boerenerfprincipe' als uitgangspunt voor de compositie van nieuwe erven. Toelichting plan: In de nieuwe situatie blijven de twee direct aangrenzende bestaande langgevelboerderijen aan Rullen 5 en Rullen 7 herkenbaar als historische volumes aan Rullen. Op de planlocatie is niet geprobeerd om een nieuwe langgevelwoning tussen Rullen 5 en 7 te situeren omdat dat afbreuk zou doen aan de historische karakteristiek. In plaats daarvan is gekozen om de twee nieuwe woningen als een soort bijgebouwen op het erf te situeren behorend bij de langgevelboerderij aan Rullen 7. Landschappelijke waarden en uitgangspunten Rullen
Behouden van de landschappelijke karakteristieken zoals de driehoekige plaetse, de zandpaden en het kronkelige wegenpatroon (deels voorzien van laanbeplanting), de onregelmatige verkaveling en de bebouwing met doorzichten op het agrarische landschap Toelichting plan: Het plan tast de driehoekige plaetse, de zandpaden en het kronkelige wegenpatroon niet aan. Op dit moment is sprake van grootschalige agrarische bebouwing, die afbreuk doet aan de karakteristiek van het buurtschap. De bebouwing steekt ver het buitengebied in. Het vigerende bestemmingsplan laat toe dat op het bestaande agrarisch bouwvlak nog meer agrarische bebouwing wordt opgericht. Rondom de bestaande bebouwing is veel gebiedsvreemde en uitheemse beplanting aanwezig in de vorm van hoge naaldbomen. Het plan voorziet in de sloop van de agrarische opstallen, het verwijderen van de uitheemse beplanting en een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het onregelmatige verkavelingspatroon blijft behouden. Het slopen van bestaande bebouwing komt ten goede aan de compactheid van het buurtschap. In combinatie met het vervangen van de uitheemse beplanting worden zichtlijnen van buiten naar binnen het cluster en van binnen naar buiten het cluster versterkt.
Respecteren en beschermen van cultuurhistorische relicten zoals kleine essen en steilranden Toelichting plan: Onderhavig plan voorziet in een zachte afronding van buurtschap Rullen. De landschappelijke inpassing houdt rekening met een geeft meer ruimte aan het (oude) landschap. Daarmee doet het plan geen afbreuk aan het oude essencomplex. Er zijn geen steilranden aanwezig die worden aangetast.
Behoud van de open ruimten en de waardevolle zichten op het landschap om het compacte groene karakter van het cluster te bewaken Toelichting plan: Planologisch lag er een bestemmingsvlak van een agrarisch bedrijf dat volledig bebouwd kan worden. Met de sanering van het agrarische bedrijf verdwijnt
46
BUREAU VERKUYLEN
er een groot oppervlak aan bebouwing dat de relatie met het landschap belemmerde. Met dit plan wordt de toegestane bebouwing beperkt. Er komen twee woningen die passen bij de schaal van Rullen. Aan de straatzijde wordt de entree landschappelijk ingepast. Door middel van de sanering en de groene landschappelijke inpassing, is het landschap dichterbij het cluster gekomen en ontstaan rondom het buurtschap waardevolle doorzichten op het landschap en naar het cluster toe. Hiermee is er juist sprake van een compacter en groen karakter.
Uitsluiten van nieuwe bebouwing in het oude beekdal van de Beek door 't Spekt Toelichting plan: De bebouwingsmogelijkheden worden sterk teruggebracht van de zijde aan het beekdal naar het cluster toe. Hiermee is niet alleen nieuwe bebouwing in het oude beekdal uitgesloten maar zijn de mogelijkheden ook verder beperkt.
Uitsluiten van nieuwe bebouwing achter bestaande bebouwing (tweedelijns bebouwing) Toelichting plan: Hoewel de twee nieuwe woningen achter de naastgelegen langgevelboerderijen staan, betreft het hier vervangende nieuwbouw. Onderhavig bestemmingsplan voorziet dus in het terugbrengen van twee woningen in plaats van de ruime agrarische bebouwing(smogelijkheden). Daarnaast is deze nieuwe bebouwingsgrens hard vastgelegd in voorliggend bestemmingsplan zodat er geen sprake kan zijn van eventuele toekomstige uitbreiding of bebouwingsmogelijkheden.
Voorkomen dat de omvang (omlijning) van het huidige bebouwingscluster groter wordt Toelichting plan: De bebouwingsmogelijkheden worden sterk teruggebracht van de zijde aan het beekdal naar het cluster toe. De nieuwe bebouwing komt tussen bestaande bebouwing in een bestaand bebouwingscluster te staan. De begrenzing van het bebouwingscluster wordt hiermee niet opgerekt/uitgebreid, maar is juist compacter geworden. Onderhavig bestemmingsplan beperkt daarnaast eventuele toekomstige verdere uitbreiding dan de twee woningen.
Behouden van de waardevolle bebouwing inclusief bijbehorende erven als ensemblewaarde Toelichting plan: In de nieuwe situatie blijven de twee direct aangrenzende bestaande langgevelboerderijen aan Rullen 5 en Rullen 7 herkenbaar als historische volumes aan Rullen. Op de planlocatie is niet geprobeerd om een nieuwe langgevelwoning tussen Rullen 5 en 7 te situeren omdat dat afbreuk zou doen aan de historische karakteristiek. In plaats daarvan is gekozen om de twee nieuwe woningen als een soort bijgebouwen op het erf te situeren behorend bij de langgevelboerderij aan Rullen 7.
Herstellen van de houtsingelstructuur met een afwisseling van open ruimten ten westen van het cluster (broeklandschap) Toelichting plan: De gronden ten westen van het nieuwe erf worden ingericht als weide. De huidige naaldbomen langs de bestaande perceelsgrenzen zullen worden
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
47
vervangen door gebiedseigen bomen (zwarte populieren). De westelijke perceelgrens, gelegen aan de watergang, blijft vrij van beplanting om zichtlijnen op het buitengebied te houden. Met het voorgenomen beplantingsplan wordt een houtsingelstructuur aangeplant die aansluit bij het broeklandschap. Conclusie Het plan voldoet aan de richtlijnen uit de visie “Ruimte voor Ruimte - Bouwen in het buitengebied van Nuenen”.
4.3.6
Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap
De kwaliteitsverbetering van het landschap dient conform de 'Landschapsinvesteringsregeling Nuenen c.a. 2015' van de gemeente Nuenen plaats te vinden. Voor het bepalen van de benodigde kwaliteitsverbetering is de categorie-indeling van de ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing:
categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap, tezamen tenminste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragende.
Voorliggend initiatief valt onder een categorie 1-ontwikkeling: 1. De realisatie van de Ruimte voor Ruimte-woningen, waarbij de Ruimte voor Ruimte-titels zijn ingebracht door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. 2. En de omzetting van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Voor beide ontwikkelingen is derhalve geen tegenprestatie vereist en volstaat een landschappelijke inpassing. In paragraaf 3.2 staat de landschappelijke inpassing voor de woning beschreven. Voor de zekerstelling van de landschappelijke inpassing is een beplantingsplan opgesteld dat als voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsregels is opgenomen. Het beplantingsplan is als bijlage 3 bij de regels toegevoegd.
48
BUREAU VERKUYLEN
Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding.
5.1
Milieu
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
5.1.1
Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
5.1.1.2 Analyse Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Tritium een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek Rullen 7 te Nuenen'' (23 april 2021, 2003/016/KB-01). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. Tritium concludeert dat er op de locatie sprake is van meerdere gevallen van zowel ernstige als niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging. Er op diverse plaatse sterke bijmengingen met puin in de bodem aangetroffen en er is sprake van een asbestverontreiniging. Geadviseerd wordt om de sterke grondverontreinigingen met koper, lood en zink voorafgaand aan de herontwikkeling van de locatie te saneren. Hiertoe dient een BUS-melding of saneringsplan te worden opgesteld, welke goedgekeurd moet worden door het bevoegd gezag. De sanering dient uitgevoerd te worden onder milieukundige begeleiding door een gecertificeerde aannemer. Voor het bepalen van de formele asbestconcentratie en de eventuele omvang van een asbestverontreiniging (in de grond en het met puin verharde toegangspad) is een nader asbestonderzoek noodzakelijk.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
49
Hierop heeft Tritium een nader bodemonderzoek asbest uitgevoerd: rapport "Nader bodemonderzoek asbest Rullen 7 te Nuenen'' (23 april 2021, 2003/111/KB-01). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5. Tritium concludeert dat er sprake is van een met asbest verontreinigde toegangsweg. Tevens dient bij herontwikkeling van de locatie de met asbest verontreinigde grond (ter plaatse van deellocatie B) te worden gesaneerd. Hiervoor dient voorafgaand aan werkzaamheden een saneringsplan te worden opgesteld of een BUS-melding te worden verricht. Dit dient vooraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. De verontreiniging dient onder milieukundige begeleiding te worden gesaneerd. Om deze onderzoeksplicht geborgen te hebben, is er een voorwaardelijke verplichting onder de bestemming Wonen opgenomen.
5.1.1.3 Conclusie Indien de bovenstaande bodem- en puinsaneringen uitgevoerd kunnen worden dan is de locatie geschikt te maken voor de toekomstige functie.
5.1.2
Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
5.1.2.2 Analyse Omgevingstype In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk/buitengebied en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht. Het omgevingstype van voorliggend plangebied is te typeren als rustig buitengebied.
50
BUREAU VERKUYLEN
Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
bedrijf
SBI-code categorie
Rullen 11a: Het Rullen
8130
3.1
richtafstand werkelijke afstand 50 m
70 m
Hoveniers Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
5.1.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.3
Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
5.1.3.2 Analyse Het plan omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes).
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
51
UITSNEDE RISICOKAART
Op de Risicokaart is te zien dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.
5.1.3.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
52
BUREAU VERKUYLEN
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. De gemeente Nuenen heeft geen afwijkende geurnormen vastgesteld. Voor dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld gelden vaste afstanden. Voor het buitengebied geldt dat er sprake is van een vaste afstand van 50 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Voor plannen in de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 100 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object.
5.1.4.2 Analyse Om het aspect 'geur' inzichtelijk te maken heeft Amitec uit Uden een geuronderzoek uitgevoerd: rapport "Geuronderzoek; Project: Rullen 7 te Gerwen" (30 maart 2021, 20.906-GEUR.01b). Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 6. Amitec concludeert dat:
ten westen van het plangebied zich ter plaatse van de Laar 80, de dichtstbijzijnde veehouderij bevindt. De afstand tussen de grens van het dichtstbijzijnde kavel en het bouwblok van deze veehouderij bedraagt 215 m. Geconcludeerd kan worden dat de omliggende veehouderijen met deze ontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.
de veehouderij aan Rullen 15 de meeste geurbelasting op het plangebied veroorzaakt. De maximale voorgrondbelasting van deze veehouderij op de Ruimte voor Ruimte-kavels bedraagt 5,6 ouE/m³.
de maximale cumulatieve geurhinder uit de stallen van de omliggende veehouderijen (achtergrondbelasting) op de Ruimte voor Ruimte-kavels 7,2 ouE/m³ bedraagt.
Het woon- en verblijfsklimaat voldoet aan de provinciale regelgeving. Op basis van het onderzoek zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
53
veehouderijen’ geen belemmeringen voor het ruimtelijk initiatief.
5.1.4.3 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
5.1.5.2 Analyse Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten in de vorm van de twee Ruimte voor Ruimte-woningen. Verkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van Rullen en De Huikert. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Cauberg Huygen uit Best een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeer Rullen 7 te Gerwen" (30 maart 2021, 06356-52574-04). Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd. Cauberg Huygen concludeert dat uit het onderzoek is gebleken dat zowel ten gevolge van het wegverkeer op Rullen als op de Huikert de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Deze wegen vormen geen belemmering voor het bouwplan. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
54
BUREAU VERKUYLEN
5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat twee nieuwe woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'L N615 - Lieshoutseweg, 15858225'.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
55
categorie
grenswaarde
2018
2020
2030
jaargemiddelde concentratie NO2
40 µg/m³
20,6
18,2
10,9
jaargemiddelde concentratie PM10
40 µg/m³
19,4
18,1
14,5
jaargemiddelde concentratie PM2.5
25 µg/m³
12,2
11,1
8,1
35
7,1
6,3
6,0
overschrijdingsdagen per jaargemiddelde concentratie PM10
Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Om het aspect 'Volksgezondheid - Veehouderijen' inzichtelijk te maken heeft Amitec uit Uden een stappenplan opgesteld: notitie "Volksgezondheid Veehouderijen; Project: Rullen 7 te Gerwen" (30 maart 2021, 20.906-001b (stappenplan). Dit stappenplan is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het stappenplan. Het stappenplan is bijgevoegd als bijlage 7. Uit het stappenplan volgt dat een advies van de GGD niet geadviseerd wordt.
56
BUREAU VERKUYLEN
Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn twee (intensieve) veehouderijen actief. Er heeft derhalve een nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaatsgevonden. Uit het stappenplan volgt dat er geen overschrijding van de adviesnorm van 30 EU/m³ optreedt ter plaatse van het plangebied. Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
5.1.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
57
Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van twee woningen waar personen gedurende langere tijd verblijven. Binnen 50 meter rondom het plangebied zijn geen kwekerijen aanwezig of kunnen kwekerijen worden ontwikkeld. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van twee woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1.500 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Daarnaast zijn er tussen de hoogspanningsverbinding en het plangebied meerdere woningen aanwezig. Er is geen nader onderzoek nodig.
5.1.7.5 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.1.8.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
5.1.8.2 Analyse De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-plicht. Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde
58
BUREAU VERKUYLEN
milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk. Het definitieve m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nog plaatsvinden en dient gemaakt te zijn voor het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat.
5.1.8.3 Conclusie Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
5.2
Waarden
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
5.2.1.2 Analyse De gemeente Nuenen heeft een beleidskaart ten behoeve van het behoud van archeologische waarden opgesteld. Het plangebied is op de Archeologische beleidskaart gedeeltelijk aangeduid als 'Categorie 2: archeologische waarde' (paars) en voor het overige deel als 'Gebied 4a: Gebied met middelhoge verwachting' (geel).
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
59
PLANGEBIED OP DE GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART
Om het aspect 'archeologie' inzichtelijk te maken heeft Vestigia uit Amersfoort een Ruimtelijk advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd: rapport "Vooronderzoek in het kader van een herinrichting aan Rullen 7 te Gerwen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten" (29 maart 2021, V20-4342 V1932, versie 2.0). Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 9.
60
BUREAU VERKUYLEN
Vestigia concludeert dat op basis van de aardwetenschappelijke waarden en op basis van de aangetroffen archeologische resten in de directe omgeving het plangebied een hoge archeologische waarde heeft; deze hoge verwachting geldt vanaf het maaiveld. Door sub-recente activiteiten zal de ondergrond in delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert de archeologische verwachting te toetsen door middel van een verkennend en karterend booronderzoek. Op basis het vooronderzoek adviseert de omgevingsdienst om het vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren en zegt daarover het volgende: ''Op grond van de resultaten van dit vervolgonderzoek zal het bevoegd gezag (de gemeente Nuenen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het bestemmingsplan, zodat mogelijk aanwezige archeologische waarden goed geborgd kunnen worden in het plan door behoud in situ en een passende dubbelbestemming dan wel door een opgraving indien behoud in de bodem niet mogelijk is.'' Om deze onderzoeksplicht geborgen te hebben, blijven de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 4a gehandhaafd en is er een voorwaardelijke verplichting onder de bestemming Wonen opgenomen.
5.2.1.3 Conclusie De archeologische verwachting wordt getoetst door middel van een verkennend en karterend booronderzoekpoefsleuvenonderzoek.
5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.2.2.2 Analyse Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven: onder andere regio Meijerij, cultuurhistorisch vlak Broekgebied tussen Breugel en Nuenen en cultuurhistorisch landschap Groene Woud.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
61
Het plangebied is gelegen in de regio Meijerij. De natuurlijke terreingesteldheid heeft in de Meijerij voor een groot deel de culturele inrichting gevormd. Deze indeling van het terrein is op plekken nog steeds goed herkenbaar in het landschap en heeft in grote mate de bewoningsgeschiedenis bepaald. Om die reden is dit gebied dan ook aan te merken als cultuurhistorisch waardevol. Het cultuurhistorisch vlak, het broekgebied tussen Breugel en Nuenen, is een kleinschalig landschap met graslanden, broekbossen en geïsoleerde oude akkers. Het gebied bestaat uit laaggelegen broekgebieden met graslanden en loofbossen, geflankeerd door hogere gronden met kleine oude akkercomplexen. Ook is het onderzoeksgebied gelegen in Cultuurhistorisch landschap 'Groene Woud', dit betreft een Nationaal Landschap. Het gebied laat zich kenmerken door beekdalen en dekzandplateaus, in de kleinschalige middeleeuwse ontginningen wisselen bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen af. De beoogde ontwikkeling is dermate kleinschalig dat deze geen invloed zal hebben op voorgenoemde cultuurhistorische waarden. Daarnaast gelden binnen het onderzoeksgebied meer lokale waarden, middels het vigerende bestemmingsplan, de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie akkerbouwcomplex' en 'Waarde - Cultuurhistorie historische verkaveling'.
Om het aspect 'cultuurhistorie' inzichtelijk te maken heeft Vestigia uit Amersfoort een Ruimtelijk advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd: rapport "Vooronderzoek in het kader van een herinrichting aan Rullen 7 te Gerwen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten" (29 maart 2021, V20-4342 V1932, versie 2.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 9. Het onderzoeksgebied heeft zich gericht op het deel van de ontwikkeling waar de nieuwe woningen komen. Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Het open veld waar nagenoeg niets veranderd, maakt geen wezenlijk onderdeel uit van de conclusies. Vestigia constateert dat de in het bestemmingplan genoemde 'Waarden Cultuurhistorie historische verkaveling' en 'Cultuurhistorie historische akkerbouwcomplex' in het onderzoeksgebied niet intact aanwezig zijn. De oorspronkelijke historische kleinschaligheid, zoals nog zichtbaar op 19e-eeuwse kaarten, gekenmerkt door de oude verkavelingsstructuur en kleinschalige boerenerven, is veelal verdwenen. De perceelsrandbegroeiing is op veel plaatsen gerooid en grote agrarische bedrijven kenmerken het landschap.
Het landschap heeft daardoor een veel opener karakter dan in de 19de eeuw. Wat betreft de bebouwing in en rondom het onderzoeksgebied is er dus geen sprake meer van kleinschaligheid.
62
BUREAU VERKUYLEN
Binnen het onderzoeksgebied is er sprake van twee cultuurhistorische waarden die hieronder staan beschreven en weergegeven. Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. 1. Twee boerderijen van het Langgeveltype uit de jaren '50 van de 20e eeuw en uit het midden van de 19e eeuw. Advies: In de plannen dient rekening worden gehouden met het behoud van deze boerderijen. 2. Delen van historische verkavelingsstructuur op en rond het onderzoeksgebied zijn nog aanwezig in de vorm van enkele resterende karakteristieke perceelsgrenzen, fragmenten van de oorspronkelijke kleinschaligheid in deze omgeving. Advies: In de plannen dient rekening te worden gehouden met (het behoud van de samenhang van) de nog bestaande historische percelering.
NOG AANWEZIGE OORSPRONKELIJKE CULTUURHISTORISCHE ELEMENTEN
ad 1 De resterende cultuurhistorische waarde, vooral gelegen in de contouren van de bebouwing, wordt niet geschaad omdat de boerderijen en hun erven niet betrokken
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
63
worden bij deze ontwikkeling. Het deel van de langgevelboerderij Rullen 7 blijft als woning met achtererf behouden. ad 2 In het stedenbouwkundig plan blijft de nog beperkt zichtbare historische percelering behouden. Ook wordt er gestreefd naar het terugbrengen van de vroegere kleinschaligheid door middel van de aanplant van gebiedseigen perceelbeplanting en het behoud van de perceelsloten. Onderhavig plan voorziet in een zachte afronding van buurtschap Rullen. De landschappelijke inpassing houdt rekening met het (oude) landschap en draagt bij aan het herstel van het oude essencomplex. De inpassing, volumes en de beeldkwaliteit zijn afgestemd op de bestaande landelijke stijl binnen Rullen. Op basis van voorgaande onderzoek en conclusies wordt de aanwezigheid van een historisch akkerbouwcomplex binnen het onderzoeksgebied betwijfeld, vanwege de verstoringen ervan in de wijde omgeving, de zo karakteristieke kleinschaligheid is niet meer aanwezig. De doelmatigheid van het behouden van de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie akkerbouwcomplex' ontbreekt hierdoor en is derhalve voor dit deel niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Op het westelijke deel van het plangebied, daar waar de Agrarische bestemming blijft, wordt de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie akkerbouwcomplex' nog wel overgenomen.
Omdat delen van de historische verkavelingsstructuur op en rond het plangebied nog wel aanwezig zijn en deze als karakteristieke perceelsgrenzen worden hersteld binnen dit plan, blijft dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie historische verkaveling' wel van kracht voor het hele plagebied.
5.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.2.3
Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
gebiedsbescherming;
soortenbescherming;
bescherming van houtopstanden.
64
BUREAU VERKUYLEN
5.2.3.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (18 augustus 2020, revisie 18 januari 2021) is als bijlage 10 bijgevoegd. Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Daarnaast geldt gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat de verstoring door licht, geluid en optische verstoringen die voortvloeien uit het plan niet voor significante gevolgen zorgen.
Soortenbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Blom Ecologie uit Waardenburg heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen: rapport "Quickscan Wet natuurbescherming Rullen 7 Gerwen" (1 mei 2020, BE/2020/075/r - revisie 14 januari 2021). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 11. Dit onderzoek is uitgevoerd toen er nog sprake was van het toevoegen van vier woningen in plaats van twee woningen zoals in onderhavig plan. Deze wijziging is niet van invloed op de conclusies uit het onderzoeksrapport. Blom Ecologie concludeert dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
65
Bescherming van houtopstanden Conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming geldt een herplantplicht indien een plan het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen omvat. De huidige perceelbeplanting van het plangebied bestaat uit naaldbomen waarvan circa de helft reeds is afgestorven. In het kader van het herstellen van het essencomplex wordt in de landschappelijk inpassing gezorgd voor gebiedseigen soorten in plaats van de naaldbomen als markering van de perceelgrens. De huidige bomenrij aan de entree past niet in de beoogde opzet van het plan. Daarvoor in de plaats komt een kleine fruitboomgaard die de entree van het nieuwe plan markeert.
BESTAANDE BOMEN - LINKS ENTREE, RECHTS PERCEELGRENS WEIDE
5.2.3.3 Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Inleiding
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
66
BUREAU VERKUYLEN
5.3.2
Beleid
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
5.3.2.1 Nationaal niveau
Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap De Dommel Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
Het Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
67
waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
De notitie Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Tevens zijn de navolgende toetsaspecten opgenomen: 1. afvoer uit het gebied; 2. oppervlaktewaterstanden; 3. overlast/schade; 4. grondwateraanvulling; 5. grondwaterstanden.
5.3.3
Watersysteem
5.3.3.1 Bodem Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Gebaseerd op het verkennend bodemonderzoek is sprake van een zandbodem (zeer fijn tot zeer grof zand, lokaal kleiig, grindig of humeus). De waterdoorlatendheid is matig.
5.3.3.2 Oppervlaktewater Direct ten westen van het plangebied ligt A-watergang DL123. Hier sluiten diverse B-watergangen in de omgeving op aan. Binnen het plangebied liggen een aantal C-watergangen op de perceelgrens. Deze maken feitelijk geen onderdeel uit van het watersysteem.
68
BUREAU VERKUYLEN
UITSNEDE LEGGER WATERSCHAP DE DOMMEL
5.3.3.3 Grondwater Het plangebied ligt op de grens van twee grondwatertrappen. Het deel aan Rullen, daar waar de woningen komen, ligt in grondwatertrap Vb, hiervoor geldt een GHG van 25-40 cm onder maaiveld en een GLG van >120 cm onder maaiveld. Het westelijke deel van het plangebied ligt binnen grondwatertrap III, hiervoor geldt een GHG van <40 cm onder maaiveld en een GLG van 80-120 cm onder maaiveld (bron: bodemdata).
5.3.3.4 Waterschapsbelangen Het plangebied ligt nabij een A-watergang. De beschermingszone zal worden gerespecteerd bij de aanplant van de nieuwe bomen. Verder ligt het plangebied niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
69
5.3.4
Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie. In de eerste kolom staat het type verharding. In de tweede kolom staat het verhard oppervlak van de bestaande situatie. De derde kolom geeft de het nieuwe verhard oppervlak weer. De toe- en af name van verhard oppervlak staat in de laatste kolom. De bestaande woning Rullen 7 is voor de volledigheid ook meegenomen. omschrijving
bestaand
nieuw
afname
bebouwing
1.680 m2
470 m2
1.210 m2
bestrating
1.270 m2
240 m2
1.030 m2
100 m2
250 m2
-150 m²
2
2
1.990 m2
erf (gemiddeld) totaal
2.950 m
960 m
De totale afname van de verharding is 2.950 - 960 = 1.990 m2.
5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit Hoewel er het waterschap geen eisen stelt aan de verwerking van het hemelwater, moet dit wel goed gebeuren. Uitgaande van de door het waterschap gehanteerde rekenregel uit de Keur (gevoeligheidsfactor = 1) bedraagt de benodigde bergingscapaciteit voor het project 58 m³ (= 960 x 0,06).
5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd: 1. hergebruik; 2. infiltratie; 3. buffering; 4. afvoer. Onderhavig plan voorziet in ruime kavels met voldoende ruimte in de tuin voor infiltratie in de bodem. Derhalve wordt voor het hemelwater de volgorde “vasthouden-bergen-afvoeren” aangehouden. Het regenwater wordt opgevangen in een
70
BUREAU VERKUYLEN
een bergingsvoorziening die boven de GHG ligt, zoals een wadi of een zaksloot (een sloot die niet direct is verbonden met afvoerende watergangen). Hier kan het regenwater wegzakken in de grond en zo het grondwater aanvullen. Bij hevige buien dient er geen wateroverlast vanuit de voorzieningen te ontstaan bij de woningen. Indien het water niet snel genoeg wegzakt in de grond kan er gebruik worden gemaakt van de perceelssloot die ten zuiden van de woningen op de perceelgrens ligt, of naar lager gelegen delen van het plangebied waar het water geen kwaad kan. Er is voldoende ruimte in het plan om de 58 m³ te bergen.
5.3.5
Afvalwater
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in Rullen geloosd worden.
5.3.6
Waterkwaliteit
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
71
72
BUREAU VERKUYLEN
Hoofdstuk 6 Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure- en planschadeverhaals)overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Ook voor het verhalen van de kosten voor planschade is met de initiatiefnemer bovenvermelde overeenkomst afgesloten Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
6.2
Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
6.3
Maatschappelijk
6.3.1
Omgevingsdialoog
Ten einde direct omwonenden en belanghebbenden te informeren over de ontwikkeling van de ruimte voor ruimte kavels, heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden.
Bestemmingsplan buitengebied, herziening Rullen 7 | vastgesteld
73
Door de beperkingen ten gevolge van het corona-virus, bleek het organiseren van een fysieke bijeenkomst niet mogelijk. In plaats daarvan is ervoor gekozen om 12 direct omwonenden middels een brief met inrichtingsschets over de ontwikkeling te informeren. In de brief was een toelichting op het plan opgenomen. Tevens werd in de brief gewezen op het bestaan van een beeldkwaliteitsplan, dat desgewenst per email nagestuurd zou kunnen worden. In de brief is gevraagd om voor een genoemde datum per email te reageren op het plan. Tijdens deze periode is door 4 omwonenden verzocht om het beeldkwaliteitsplan per email na te sturen. Op basis van dit beeldkwaliteitsplan zijn door 2 omwonenden aanvullende vragen per email gesteld. Met 1 omwonende is telefonisch over het plan gesproken. Hieronder een beknopte samenvatting van de reacties. Verschillende omwonende hebben gereageerd op het plan. Naast een aantal algemene vragen over de te doorlopen procedure en het geplande bouwjaar, waren er vragen over het ontwerp. Zo worden er vragen gesteld over het aantal woningen en de bouwhoogte en of dit niet te massaal is waardoor het de cultuurhistorische waarden zou schaden. De opzet van 4 woningen in een hofje is niet veranderd, maar naar aanleiding van deze opmerking zijn de bouwhoogtes verlaagd van 10 naar 7 meter.
Hierdoor is de massaliteit van het plan verkleind en de impact op het buurtschap verkleind. Ook hadden reacties betrekking op zichtlijnen op het landschap en de nieuwe woningen. Hierop zijn extra bomen in het plan opgenomen en zijn de bouwhoogtes verlaagd. Tot slot worden vraagtekens bij de capaciteit van het bestaande drukriool gezet. Deze is inderdaad onvoldoende om de VWA van 4 woningen op aan te sluiten. De capaciteit van het bestaande drukriool wordt daarom vergroot.
6.3.2
Ter inzage legging
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage heeft gelegen. Tijdens deze periode zijn verschillende inspraakreacties op het plan gegeven. Zowel de inhoud van de inspraakreacties als de invloed daarvan op het plan is opgenomen in de nota van inspraak (bijlage 12). Als gevolg van de inspraakreacties is besloten het plan te verkleinen van 4 naar 2 woningen.
74
BUREAU VERKUYLEN
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten 7.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:
de toelichting;
de planregels;
de verbeelding.
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, SVBP 2012 en IMRO2012.