RV Bp Kapperdoes - Bijlage 6 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
[
Postadres Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen T 085 7737676 Web info@regelink.nl | www.regelink.nl KvK 14081365 BTW NL822004379.B01 Triodosbank NL84TRIO 0390980458
Colofon
Tekst, foto's en samenstelling
Wessel de Jong, Elle van Dijk
In opdracht van
Rezidenz Development
Naam opdrachtgever
Anco Teurlings
Rapportnummer
RA21245-01
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
25 november 2021
Aantal pagina's
46
Collegiale toets
Manon Mulder
Wijze van citeren
Wessel de Jong en Elle van Dijk, 2021 Ecologische quickscan
Dubbestraat-Boord, Nuenen Rapport RA21245-01 , Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.
Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl
Lid Netwerk Groene Bureaus
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
2
Inhoudsopgave Aanleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 5
Aanleiding Doel Wet natuurbescherming
Werkwijze
8
Plangebied en ingreep
9
3.1 3.2 3.3 3.4
9 9 10 10
Ligging plangebied Beschrijving plangebied Ecotopen Ingreep
Resultaten
11
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15
11 12 12 13 14 15 15 16 18 18 20 21 21 22 23
Beschermde gebieden Natura 2000 en NNN Bescherming van houtopstanden Vogels Planten Vleermuizen Knaagdieren Muizen Marterachtigen Overige zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Vlinders en libellen Overige ongewervelden Samenvatting resultaten
Effectbeoordeling en toetsing Wet natuurbescherming
25
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
25 25 25 26 26 27 27 27
Natura 2000 gebieden Natuur Netwerk Nederland Houtopstanden Vogels Vleermuizen Marterachtigen Overige soortgroepen Samenvatting effectbeoordeling en toetsing
Conclusies en vervolgstappen
29
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
29 29 29 30 30
Natura 2000 gebieden Houtopstanden Vogels Marterachtigen Vleermuizen
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
3
6.6
Samenvatting
30
Literatuur en bronnen
31
7.1
31
Soortengroepen
Bijlage 1.
Wet natuurbescherming
33
Bijlage 2.
Foto-impressie plangebied
37
Bijlage 3.
Jaarrond beschermde nesten
40
Bijlage 4.
Vrijgestelde soorten per provincie
44
Bijlage 5.
Stappenplan gebiedsbescherming
45
Bijlage 6.
Stappenplan soortenbescherming
46
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
4
Aanleiding 1.1 Aanleiding Rezidenz Development is van plan om de woning en de bijbehorende stallen en schuur aan de Dubbestraat 1 in Nuenen te slopen, tevens worden enkele bomen verwijderd en de bestemming van het terrein aangepast. Op deze locatie worden 11 vrijstaande woningen gerealiseerd. Het is volgens de Wet Natuurbescherming en nationale en internationale regelgeving verplicht om voorafgaand aan een ruimtelijke ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN). In bepaalde gevallen is het ook verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. In §1.3 wordt de voor natuur relevante wetgeving kort toegelicht. Deze rapportage geeft een inschatting van het effect van de ingreep op beschermde gebieden en geeft aan welke beschermde soorten flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn en of deze effecten strijdig zijn met de Wet natuurbescherming. Indien blijkt dat er negatieve effecten op beschermde gebieden en/of (mogelijk) aanwezige beschermde soorten zijn of die effecten zijn niet op voorhand zijn uit te sluiten, dan is aanvullend onderzoek nodig en kan bekeken worden of de werkwijze kan worden aangepast.
1.2 Doel Met deze quickscan worden de volgende vragen beantwoord: •
Wat is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN)?
•
Heeft de ingreep betrekking op houtopstanden die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn?
•
Welke beschermde soorten flora en fauna zijn waargenomen of kunnen worden verwacht in het plangebied?
•
Heeft de ingreep (mogelijk) een negatief effect op beschermde gebieden? Verdere toetsing hiervan maakt geen onderdeel uit van deze quickscan.
•
Heeft de ingreep (mogelijk) een effect op de potentieel aanwezige beschermde flora en fauna?
•
Leidt het uitvoeren van de ingreep mogelijk tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming?
•
Is er voor de effecten op beschermde gebieden een nadere toetsing nodig?
•
Naar welke soorten en voor deze soorten belangrijke functies is aanvullend onderzoek nodig?
•
Zijn er mitigerende maatregelen mogelijk om overtredingen van de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming te voorkomen? (Het opstellen van een mitigatieplan maakt geen deel uit van de quickscan)
1.3 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wn) is per 1 januari 2017 van kracht en bevat Europese en nationale natuurbeschermingsregels voor Natura-2000 gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
5
Hieronder staan kort de belangrijkste punten, in Bijlage 1 wordt de wet- en regelgeving uitgebreider beschreven. Bescherming van gebieden Natura 2000-gebieden zijn aangewezen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor ieder gebied zijn doelstellingen vastgesteld om habitats en/of soorten te beschermen. Ingrepen en activiteiten in en nabij deze gebieden moeten worden getoetst op hun effect op de beschermde natuurwaarden. Daarnaast zijn gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) planologisch beschermd. Ook voor activiteiten in (en soms rond) het NNN moet worden getoetst of ze negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van het NNN. In de provincie Noord-Brabant wordt het deel wat binnen de provincie ligt Natuurnetwerk Brabant (NNB) genoemd. Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming geldt voor bos en andere 'houtopstanden' zoals houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen. De Wet natuurbescherming is van toepassing als: •
de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt;
•
de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (voor uitzonderingen zie Bijlage 1).
Bescherming van soorten Voor de verschillende beschermingsregimes van soorten van de Wet natuurbescherming gelden een aantal verbodsartikelen en vrijstellingsmogelijkheden. De beschermingsregimes zijn: •
Beschermingsregime Vogelrichtlijn: Europees beschermde vogels
•
Beschermingsregime Habitatrichtlijn: Europees beschermde flora en fauna behalve vogels
•
Beschermingsregime Andere soorten: Nationaal beschermde soorten
De verbodsbepalingen betekenen globaal dat het is verboden om: •
te doden,
•
te vangen, plukken en uitsteken,
•
opzettelijk te verstoren,
•
nestplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of standplaatsen te vernielen of te beschadigen.
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht (art 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, en voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd. De zorgplicht geldt dus ook voor nationaal beschermde soorten die voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
6
Vrijstellingen en regionale lijsten Per provincie kunnen verschillende soorten zijn vrijgesteld (zie Bijlage 4). In Bijlage 1 wordt de wet- en regelgeving uitgebreider beschreven. Rode lijsten Voor diverse soortgroepen zijn Rode Lijsten beschikbaar, deze hebben geen juridische status. Daarnaast hebben diverse provincies en steden een eigen lijst met soorten, die lokaal extra aandacht en prioriteit krijgen.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
7
Werkwijze Bij het onderzoek is de volgende werkwijze gevolgd: Bureauonderzoek Met bronnen en literatuur is onderzocht welke beschermde soorten flora en fauna in de afgelopen 5 jaar binnen 5 km van het plangebied zijn waargenomen. Hierbij zijn gegevens uit recente verspreidingsatlassen en actuele websites gebruikt en zijn waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geselecteerd. De gegevens in de NDFF zijn slechts een indicatie, aangezien het vaak toevallige waarnemingen betreft en geen systematisch onderzoek naar het voorkomen van soorten. Indien er geen gegevens van soorten of soortgroepen in de NDFF staan sluit dat niet op voorhand uit dat deze soorten niet voorkomen in het plangebied. Voor het bepalen van de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) is gebruik gemaakt van provinciale kaartgegevens. Onderzoek naar eventuele negatieve effecten op Natura 2000 gebieden door stikstofdepositie is uitgevoerd door Tritium Advies en voor de conclusies wordt verwezen naar de rapportage van Tritium Advies. Veldonderzoek Op 11 mei 2021 heeft ecoloog Wessel de Jong het plangebied bezocht. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd waarbij verrekijker, zaklamp, endoscoop en fotocamera zijn gebruikt.
Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. Effectbeoordeling en toetsing Op basis van de verspreidingsgegevens en habitateisen van beschermde soorten en de biotoopkenmerken van het plangebied is ingeschat of beschermde soorten (potentieel) in het plangebied voorkomen en welke mogelijke functies het plangebied heeft voor beschermde soorten. Op basis van de informatie die de opdrachtgever heeft aangeleverd is de ingreep in kaart gebracht . Op grond van de beschreven ingreep is bepaald: 1.
of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor nog een aanvullende toetsing noodzakelijk is;
2.
of de bescherming van houtopstanden aan de orde is;
3.
of er negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en essentiële functies te verwachten zijn.
4.
of en zo ja naar welke beschermde soorten nader onderzoek moet worden uitgevoerd;
5.
of de ingreep een overtreding van de Wet natuurbescherming kan inhouden en zo ja welke stappen nodig zijn om de ingreep conform deze wet uit te voeren.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
8
Plangebied en ingreep 3.1 Ligging plangebied Het plangebied betreft een woning en drie stallen aan de Dubbestraat 1 inclusief het aangrenzend terrein gelegen tussen Boord en de Kapperdoesweg in de gemeente Nuenen, provincie Noord-Brabant. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door een bomensingel met verschillende soorten met daarachter een verharde parkeerplaats van het naastgelegen tuincentrum en een deel weiland. Aan de westzijde ligt de Dubbestraat, een smalle asfaltweg met daarachter een grasveld omringd door hoge smalle eikenbomen (Quercus spec.). De noordgrens ligt aan de Boord, een verharde weg, op de grens van de bebouwde kom. Aan de oostzijde ligt de Kapperdoesweg, een verharde weg met daarlangs een voetpad. Ten oosten van deze weg ligt een grote vijver. In totaal heeft het plangebied een oppervlakte van ongeveer 1 hectare. In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied met rood aangegeven.
Figuur 1. Ligging van het plangebied met begrenzing in rood aangegeven. © Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2021
3.2 Beschrijving plangebied Het plangebied is voor een deel verhard met tegels. In dat deel staan een woonhuis en drie oude stallen. De muur aan de zuidkant van de woning is begroeid met klimop. Langs de grens van het plangebied groeien rijen bomen zoals eik en populier (Populus spec.). Ten zuiden van het woonhuis liggen twee schuren met een bakstenen muur en golfplaten op het dak. De derde schuur heeft stalen wanden met golfplaten op het dak. Er loopt een zandweg van het zuidelijke deel naar het noordelijke deel van het plangebied. Rondom de gebouwen is lage struikbegroeiing aanwezig. In het noord-oostelijke deel is een open terrein begroeid met ongemaaid gras. Hier zijn ook planten te vinden zoals paardenbloem
(Taraxacum officinale) en winterpostelein (Claytonia perfoliata). In het plangebied ligt aan de noordwestzijde een smalle sloot die op het moment van het veldbezoek helemaal droog stond. Voor een impressie van het plangebied zie Bijlage 2. Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
9
3.3 Ecotopen Binnen het plangebied zijn de volgende ecotopen aanwezig: •
Een bakstenen woning zonder spouwmuur met ruimte onder de dakrand;
•
Twee stallen met een bakstenen muur zonder spouwmuur met golfplaten als dakbedekking, met ruimte tussen beplating aan kopgevels;
•
Smalle, ondiepe droge sloot (<2 meter breed, < 1 meter diep) met steile oevers en veel begroeiing.
•
Dunne boomsoorten als zwarte els (diameter borsthoogte < 25 cm);
•
Dikke bomensoorten als wilg (Salix spec.) en populier, zonder holtes (diameter borsthoogte > 25 cm);
•
Lage, opgaande begroeiing als braam (Rubus fruticosus) onder de bomen en naast de stallen.
3.4 Ingreep De initiatiefnemer is van plan om in plangebied Dubbestraat-Boord nabij Nuenen nieuwbouw te realiseren. Hiervoor dienen eerst sloopwerkzaamheden plaats te vinden. Ingrepen die daartoe in het plangebied plaatsvinden bestaan uit: •
Het slopen van de bestaande bebouwing en het saneren van asbest;
•
Het verwijderen van enkele bomen;
•
Het verwijderen van groen;
•
Het bouwrijp maken van het plangebied;
•
Het realiseren van 11 grondgebonden woningen.
De start van de werkzaamheden is gepland in 2022.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
10
Resultaten 4.1 Beschermde gebieden Natura 2000 en NNN Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Dit gebied ligt op een afstand van meer dan 7,2 kilometer van het plangebied, zie Figuur 2.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (begrenzing in rood aangegeven). De ligging van het NNN = groen. De ligging van Natura 2000-gebied = geel. © Provinciale kaartenbank www.kaartbankbrabant.nl (versie 12-52021). Het plangebied ligt op 0,58 kilometer afstand van het NNN (Figuur 3). Dit deel valt onder beheer type N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting). Provincie Noord-Brabant hanteert voor het NNN een externe werking: ingrepen in de omgeving van het NNN mogen geen negatief effect hierop hebben. Door de afstand, een tussenliggende weg en meerdere agrarische akkers/weilanden wordt een negatief effect op het NNN niet verwacht. Onderstaande de definitie van de beheertypen conform het Natuurbeheerplan (www.kaartbankbrabant.nl). N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting) Gronden met een intensief agrarisch verleden die een natuurbestemming krijgen, hebben meestal niet van de ene op de andere dag natuurwaarden. Hiervoor is eerst een omvormingsbeheer (verschraling) nodig of inrichting, zoals het afvoeren van de voedselrijke bouwvoor of bosaanplant. Dit kan vaak niet meteen. Vaak is er wel al aangepast beheer nodig. Om deze gronden met een natuurbestemming toch op
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
11
de kaart te kunnen zetten is er het beheertype ‘nog om te vormen naar natuur’. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden. Afbakening • Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (begrenzing in rood aangegeven). De ligging van het NNN = groen.
4.2 Bescherming van houtopstanden De te kappen bomen maken geen deel uit van een houtopstand van meer dan 10 are en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen die uit andere soorten bestaan dan populieren en wilgen. De ingreep valt niet onder houtopstanden in de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming'. In §1.3 is de bescherming van houtopstanden toegelicht.
4.3 Vogels Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) In het plangebied zijn gebouwen aanwezig met een pannendak, en de ruimte onder de pannen is voor vogels niet bereikbaar via kantpannen en de dakgoot, doordat er te weinig ruimte/geen ruimte aanwezig is. Bij de woning tegenover het plangebied, langs de Dubbestraat, zijn tijdens het veldbezoek wel nestlocaties van huismus (Passer domesticus ) waargenomen. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied als foerageergebied wordt gebruikt door huismus.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
12
Binnen het plangebied zijn waarnemingen gedaan van een steenuil (Athene noctua) die regelmatig in de schoorsteen van de woning ter plaatse was. De steenuil komt voor in kleinschalig cultuurlandschap bestaand uit landschapselementen zoals knotbomen, hoogstamboomgaarden of notengaarden, ruigtestroken, delen met kort gras, uitkijkposten en nestgelegenheid (bijv. holle bomen, nestkasten, open ruimten in gebouwen), liefst in een omgeving met relatief weinig verkeer. Boerenerven zijn vaak zeer geschikt. Het is niet uit te sluiten dat de steenuil het plangebied gebruikt als nestlocatie en foerageergebied. In het plangebied zijn enkele grotere bomen aanwezig. Hier zijn geen nesten of holtes in aangetroffen tijdens het veldbezoek. Vogelsoorten met beschermde nesten (categorie 5) In het plangebied zijn een aantal gebouwen, enkele bomen, boomsingels en struikgewas aanwezig. In de bomen zijn geen holtes aangetroffen die toegankelijk zijn voor holtebroeders. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen in bomen of gebouwen. Nestlocaties van broedvogels uit categorie 5 worden hierdoor niet verwacht. Wel kan het plangebied dienen als foerageergebied voor vogels zoals koolmees (Parus major) en bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca).
Overige vogelsoorten In met name de ruigere randen langs de sloten en greppels kunnen grondbroeders, zoals graspieper (Anthus pratensis) en fitis (Phylloscopus trochilus) worden verwacht. Ook heggenmus (Prunella
modularis) en roodborst (Erithacus rubecula) kunnen in het plangebied aanwezig zijn.
4.4 Planten De plantensoorten die in de Wet natuurbescherming worden beschermd hebben veelal specifieke standplaatseisen of een beperkt verspreidingsgebied. Op basis van de geografische ligging en biotoopkenmerken van het plangebied is bepaald welke beschermde soorten op voorhand zijn uit te sluiten en welke mogelijk of zeker voor kunnen komen. Water-, oever- en moerasplanten In het plangebied is geen open water of moeras aanwezig. De aanwezigheid van beschermde water -, oever- en moerasplanten kan daarom worden uitgesloten. Terrestrische planten De volgende vier soorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Liggende raket (Sisymbrium supinum) en zomerschroeforchis (Spiranthes aestivalis ) zijn verdwenen uit Nederland. Tonghaarmuts (Orthotrichum rogeri) is een zeldzame pionierssoort van jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Het verspreidingsgebied in Nederland is beperkt tot een aantal locaties. Groenknolorchis (Liparis loeselii) is een soort van natte, vrij voedselarme grond, en komt voornamelijk voor in natte duinvalleien en trilvenen, maar ook in beekdal- en blauwgraslanden. Het verspreidingsgebied in Nederland is beperkt tot een aantal locaties (Waddeneilanden, Hollandse en Zeeuwse duinen, laagveengebieden en Zeeland).
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
13
Het plangebied valt buiten het huidige verspreidingsgebied van tonghaarmuts en groenknolorchis. Bovendien is er geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig in het plangebied. Zodoende kan de aanwezigheid van al deze soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Binnen het beschermingsregime Andere Soorten vallen vooral planten van akkers, akkerranden, graslanden, bossen, moerassen en verstoringszones. Er zijn ook enkele muurplanten beschermd. Muurplanten die binnen dit beschermingsregime vallen zijn niet waargenomen en de grond is zeer voedselrijk. De aanwezigheid van de overige soorten kan door het ontbreken van geschikt leefgebied stand redelijkerwijs worden uitgesloten.
4.5 Vleermuizen Het plangebied bestaat uit één gebouw met een pannendak en drie schuren met golfplaten. De gebouwen hebben geen spouwmuur en er is ook geen toegang naar binnen via kantpannen mogelijk. Aan de zuidzijde van de woning is de gevel helemaal begroeid met klimop, hier wordt niet verwacht dat vleermuizen via aanwezige kieren naar binnen kunnen vliegen. Wel zijn er langs de gevel aan de noordkant van de woning een rubberen afsluitingen over de bakstenen gevel waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. Zodoende heeft de woning potentie als zomer- en of paarverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis ( Pipistrelllus pipistrellus ), ruige dwergvleermuis (Pipistrelllus nathusii ), kleine dwergvleermuis ( Pipistrellus pygmaeus ) en laatvlieger (Eptesicus serotinus ). In het plangebied zijn bomen aanwezig, maar deze bevatten geen holtes of diepe scheuren waardoor ze ongeschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen zoals rosse vleermuis (Nyctalus
noctula), watervleermuis (Myotis daubentoni ) en gewone grootoorvleermuis ( Plecotus auritus). De bomen en de strook bosschage in het plangebied kunnen geschikt zijn als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus ), ruige dwergvleermuis ( Pipistrelllus nathusii ), kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus ), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus). Op grond van de geringe omvang van het plangebied alsmede de aanwezigheid van vergelijkbare biotopen in de omgeving is de kans klein dat het een essentieel foerageergebied betreft. Rondom het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bomenrijen zodat vliegroutes van vleermuizen niet kunnen worden uitgesloten. In het plangebied kunnen op basis van verspreiding van vleermuissoorten en aanwezige biotopen verschillende soorten vleermuizen worden verwacht. In Tabel 1 is weergegeven welke soorten en welke functies van deze soorten mogelijk voorkomen.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
14
Tabel 1 De potentieel aanwezige soorten vleermuizen en functies (aangegeven met X). Verblijfplaats functie Zomer
Kraam
Paar
gewone dwergvleermuis
X
X
ruige dwergvleermuis
X
kleine dwergvleermuis
X
Andere functie Winter
Vliegroute
Foerageergebied
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
rosse vleermuis
X
laatvlieger
X
X
X
X
X
gewone grootoorvleermuis
X
X
X
X
X
4.6 Knaagdieren Bever Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van bever ( Castor fiber). De bever komt voor in de overgangszones tussen land en water van rivieren, meren en broekbossen. Bomen op de oever en voldoende rust zijn vereisten voor de aanwezigheid van bever. Het verspreidingsgebied heeft zich in de afgelopen decennia uitgebreid. Uit de omgeving zijn wel waarnemingen van bevers bekend. In het plangebied zelf is geen geschikt habitat voor de bever. In het plangebied zijn geen sporen van bever aangetroffen, zoals knaagsporen en prenten. De aanwezigheid van deze soort kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. Hamster Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus ) is beperkt tot Zuid-Limburg. De soort komt daarom niet in het plangebied voor. Eekhoorn Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de eekhoorn ( Sciurus vulgaris). In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van eekhoorn. Er is geen geschikt biotoop voor eekhoorn in het plangebied of de directe omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn zowel binnen als direct buiten het plangebied, geen nesten van de eekhoorn of knaagsporen aangetroffen. De aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied is daarmee niet aannemelijk.
4.7 Muizen Grote bosmuis Het verspreidingsgebied van grote bosmuis ( Apodemus flavicollis ) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt dus buiten het plangebied. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Noordse woelmuis De verspreiding van de noordse woelmuis ( Microtus oeconomus ) is beperkt tot vijf gebieden in Nederland met natte biotopen: het Friese merengebied, Texel, Noord-Holland zuid, het Utrechts/ZuidHollands veenweidegebied en het deltagebied. De soort komt voornamelijk voor in zeer natte,
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
15
kruidenrijke vegetatie, rietland, moeras, zeer extensief gebruikt nat weiland en periodiek overstroomde terreinen. Het plangebied ligt binnen/buiten het verspreidingsgebied van de noordse woelmuis. Er is geen geschikt habitat in het plangebied voor de soort aanwezig doordat het plangebied droog en bebouwd is. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook uit te sluiten. Hazelmuis Het verspreidingsgebied van hazelmuis ( Muscardinus avellanarius ) is beperkt tot Zuid-Limburg. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Molmuis De verspreiding van de molmuis ( Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis (Neomys fodiens ) komt in het grootste deel van Nederland voor, maar met het zwaartepunt in waterrijke gebieden van Friesland, Overijssel en Noord-Holland. Deze soort is gebonden aan schone wateren met een ontwikkelde watervegetatie en een rijke oevervegetatie. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis. Echter is in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Veldspitsmuis Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) omvat Twente en ZeeuwsVlaanderen.
Het plangebied ligt niet in het verspreidingsgebied waarmee de aanwezigheid van deze soort dan ook redelijkerwijs is uit te sluiten. Eikelmuis Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus ) beperkt zich tot specifieke gebieden in Zuid-Limburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten. Overige muizen Voor aardmuis (Microtus agrestis ), bosmuis (Apodemus sylvaticus ), dwergmuis (Micromys minutus ), dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huisspitsmuis (Crocidura
russula), ondergrondse woelmuis ( Microtus subterraneus), rosse woelmuis (Myodes glareolus ), tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus), veldmuis (Microtus arvalis) en woelrat (Arvicola amphibius ) geldt dat zij door de Provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
4.8 Marterachtigen Otter De otter is de enige marterachtige in Nederland in het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Het plangebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van otter (Lutra lutra). In het plangebied zijn ook geen sporen van otter aangetroffen. De aanwezigheid van deze soort kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
16
Bunzing, wezel, hermelijn Het verspreidingsgebied van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en hermelijn (Mustela
erminea) beslaat vrijwel geheel Nederland. Alle drie soorten hebben een voorkeur voor half open, structuurrijke gebieden, en zijn daarbij afhankelijk van voldoende dekking. De kleine marterachtigen hebben hun verblijf in holen, zoals oude holen van konijnen, dassen en vossen (bunzing) en oude mollen- en muizenholletjes (wezel, hermelijn), maar verblijven overdag ook wel in rustige, begroeide delen. Van alleen de bunzing zijn enkele waarnemingen bekend in de wijde omgeving van het plangebied, voornamelijk in bosgebied. In het plangebied zijn geen sporen van hermelijn, wezel en bunzing gevonden zoals uitwerpselen, wissels, prooiresten en krabsporen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (aanwijzingen voor) holen van das, konijn en vos aangetroffen, maar muizenholletjes kunnen niet worden uitgesloten in het plangebied. De lage begroeide delen van het plangebied zijn geschikt als rust- en foerageergebied voor bunzing, hermelijn en wezel vanwege de dekking en het verwachte aanbod aan voedsel (met name muizen). Voor wezel en hermelijn kunnen verblijfplaatsen en/of voortplantingslocaties in het plangebied niet worden uitgesloten. De aanwezigheid van bunzing, wezel en hermelijn is hiermee niet uit te sluiten. Steenmarter Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van steenmarter ( Martes foina).
Steenmarters hebben een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefbosjes. In gebouwen dienen beschutte plekken als zolders, kruipruimtes, spouwmuren en ruimten onder dakpannen en schuren als verblijven. Binnen het territorium gebruiken ze echter ook tientallen schuilplekken in boomholtes, takkenhopen en struweel om te rusten of tijdelijk te verblijven. De omgeving van het plangebied is zeer geschikt voor de steenmarter door de aanwezigheid van struweel en houtwallen. Uit de omgeving zijn waarnemingen bekend van steenmarter. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van steenmarter gevonden, zoals vraatsporen, uitwerpselen, wissels en krabsporen. Er is geen toegang tot zolders, kruipruimtes en spouwmuren. Hierdoor is het plangebied ongeschikt als voortplantingslocatie. Het plangebied voldoet wel aan de eisen van foerageergebied en tijdelijke rust- en verblijfplaats van deze soort en daarom is niet uit te sluiten dat steenmarter aanwezig kan zijn. Boommarter Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van boommarter ( Martes martes ). Boommarters zijn echte bosbewoners die voorkomen in allerlei typen en leeftijden bos. Ze verblijven in allerlei holten, zoals boomholten, konijnen-, vossen- en dassenholen, maar het verblijf waar de jongen opgroeien is bijna altijd een boomholte.
In de aanwezige bomen zijn geen holtes aanwezig die gebruikt kunnen worden door boommarter. Uit de omgeving zijn geen waarnemingen bekend van boommarter, daarmee is de aanwezigheid van boommarter uit te sluiten. Das Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van das ( Meles meles). Uit de wijde omgeving zijn waarnemingen bekend in de beboste gebieden van de Lage Heide bij Eindhoven. In het plangebied is geen burcht aanwezig en er zijn geen sporen van das aangetroffen, zoals Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
17
wissels, loopsporen, uitwerpselen of krabsporen. De aanwezigheid van de das kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
4.9 Overige zoogdieren Wilde kat, lynx en wolf Roofdieren die onder de Habitatrichtlijn vallen betreffen slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten zoals wilde kat ( Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx). Het verspreidingsgebied van wolf ( Canis lupus) beperkt zich tot een vestiging op de Veluwe, Zuid-Oost Brabant en Drenthe en wordt verder in Nederland slechts incidenteel zwervend aangetroffen. Daarom kan worden gesteld dat binnen het plangebied deze soorten niet voorkomen. Zeezoogdieren Er zijn 21 soorten walvisachtigen beschermd binnen de habitatrichtlijn. Dit zijn zeezoogdieren die logischerwijs niet in het plangebied voorkomen. Vos Vos (Vulpes vulpes) is door de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Haas, konijn en egel Haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus ) en egel (Erinaceus europaeus ) zijn door de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Grote hoefdieren Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van wild zwijn ( Sus scrofa), damhert (Dama dama) en edelhert (Cervus elaphus). Deze soorten worden ook zwervend en/of niet-wild aangetroffen in o.a. NoordBrabant. Voor edelhert geldt een nul-stand-beheer; dieren buiten de aangewezen gebieden Veluwe, Oostvaardersplassen en Weerterbos worden niet geduld en afgeschoten.
Het plangebied en de omgeving zijn niet geschikt voor wild zwijn vanwege het ontbreken van grote opstanden eiken- en beukenbos. Gezien het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving, wordt de aanwezigheid van damhert niet verwacht. Door de aanwezigheid van grasland en bosranden kan ree ( Capreolus capreolus ) in het plangebied voorkomen. Deze soort is door de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
4.10 Reptielen In Nederland zijn drie soorten reptielen beschermd binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn, dat zijn de gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De overige reptielen vallen binnen het beschermingsregime ‘Andere soorten’. Gladde slang De gladde slang (Coronella austriaca) komt met name voor in heide en de hogere droge delen in hoogveenvegetaties. Deze habitats komen in het plangebied niet voor. Aanwezigheid van de soort is daarom uit te sluiten. Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
18
Muurhagedis De muurhagedis (Podarcis muralis ) komt van nature uitsluitend in Maastricht voor. Er zijn populaties op de oude stadsmuren en langs een spoorlijn. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort, waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten Zandhagedis De zandhagedis (Lacerta agilis ) is een soort van droge warme gebieden in de duinen en de zandgronden. De soort vereist een afwisseling van structuurrijke vegetatie, afgewisseld met zandige plekken voor de eiafzet. In het plangebied is geen geschikt habitat voor deze soort aanwezig, waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten. Adder De adder (Vipera berus) is een soort van de pleistocene zandgronden en heeft een voorkeur voor natte heide en hoogveen. Binnen het verspreidingsgebied wordt de soort ook in open bossen aangetroffen. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort en in het plangebied is geen geschikt habitat voor deze soort aanwezig, waardoor de aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. Hazelworm De hazelworm (Anguis fragilis ) leeft voornamelijk in vochtige bos en heidegebieden met een dichte vegetatiestructuur. Daarnaast komt de soort ook voor langs houtwallen, struweel en diverse stenige, ruderale habitats. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige gebieden.
Het plangebied ligt op de grens van het verspreidingsgebied. De dichtstbijzijnde waarneming (NDFF) is 15 kilometer verwijderd van het plangebied. Het is onwaarschijnlijk dat hazelwormen meer dan een kilometer afstand per jaar afleggen. In combinatie met het ontbreken van vochtige delen in het plangebied is het niet waarschijnlijk dat deze soort voorkomt binnen het plangebied. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) heeft een breed spectrum aan geschikt leefgebied. De soort komt voornamelijk voor in heide en hoogveen, maar ook in open bos, langs wegbermen en andere zonnige plekken in de buurt van water. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die veel wordt waargenomen op oevers en vochtige terreindelen. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van deze soort en in de wijde omgeving zijn waarnemingen gedaan van deze soort. Echter vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort worden uitgesloten. Ringslang De ringslang (Natrix natrix) komt voor in waterrijke gebieden op zandgronden of op overgangen van zandgronden naar veen- en kleigebieden, waarbij droge habitats voor overwintering en beschutting en natte habitats voor de voortplanting en voedsel op korten afstand van elkaar beschikbaar moeten zijn.
Het plangebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van de ringslang (Natrix natrix) en vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort worden uitgesloten.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
19
4.11 Amfibieën In Nederland zijn de volgende amfibieën soorten beschermd binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn: Knoflookpad, boomkikker, rugstreeppad, poelkikker, heikikker, geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en de kamsalamander. De overige amfibieën vallen binnen het beschermingsregime ‘Andere soorten’. Knoflookpad De knoflookpad (Pleobates fuscus ) komt voor op de zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland. Voortplanting vindt vaak plaats in verrijkte vennen aan de randen van beek- en rivierdalen en in extensief beheerde, zandige agrarische gebieden. De soort overwintert op plekken waar hij zich diep kan ingraven. Het plangebied valt buiten het verspreidingsgebied van deze soort en binnen het plangebied zijn dergelijke habitats niet aanwezig. Daarom kan deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten. Boomkikker Het huidige verspreidingsgebied van de boomkikker (Hyla arborea) is beperkt tot de zuidelijk punt van Zeeuws-Vlaanderen, enkele locaties op de zandgronden in Noord-Brabant, Limburg, oost Nederland, Groningen en Drenthe. De biotoop kenmerkt zich door bos- en struweel en kleinschalige cultuurlandschappen. Op basis van de ontbreken van geschikt biotoop is het uit te sluiten dat boomkikker in het plangebied voorkomt.
Rugstreeppad De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een pionierssoort die voornamelijk voorkomt op zandgronden en is afhankelijk van natuurlijke duinpoelen en door regenwater gevulde ondiepe, snel opwarmende wateren. Dergelijke habitats komen in het plangebied niet voor. Poelkikker Poelkikker (Pelophylax lessonae) heeft een voorkeur voor onbeschaduwde, voedselarme en schone wateren en houdt zich bij voorkeur op in een goed begroeide oever. De poelkikker komt in de omgeving van het plangebied voor, maar omdat geschikt habitat ontbreekt wordt de soort niet binnen het plangebied verwacht. Heikikker Geschikt leefgebied voor de heikikker ( Rana arvalis) bestaat uit heide, hoog- en laagveen, halfnatuurlijk grasland, bos en struweel. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor de heikikker aanwezig; de soort wordt daarom niet in het plangebied verwacht. Geelbuikvuurpad en vroedmeesterpad De geelbuikvuurpad (Bombina variegata) en vroedmeesterpad ( Alytes obstetricans ) hebben uitsluitend in Zuid- Limburg een natuurlijke populatie. Hun leefgebied bestaat uit dynamische, stenige habitats met veel zoninstraling, waaronder groeves. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soorten, waardoor hun aanwezigheid kan worden uitgesloten.
Kamsalamander De kamsalamander (Triturus cristatus ) komt vooral voor op landgoederen en de overgangen van kleinschalig cultuurlandschap en rivier- en beekdalen. Voortplanting vindt plaats in niet verzuurde wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Landhabitat bestaat uit struweel en houtwallen Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
20
op korte afstand van het voortplantingswater. In het plangebied is geen geschikt habitat voor deze soort aanwezig, waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten. Vuursalamander De vuursalamander (Salamandra salamandra) komt in Nederland uitsluitend voor in (vochtige) hellingbossen in Zuid-Limburg. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort, waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten. Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander ( Ichthyosaura alpestris ) komt vooral voor in Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast zijn er ook populaties in Gelderland (Rijk van Nijmegen), Zeeland en Drenthe. De soort is weinig kritisch en komt voor in allerlei typen wateren. In de wijde omgeving zijn waarnemingen gedaan van deze soort. In en nabij het plangebied zijn geen geschikte voortplantingswateren aanwezig. De nabijgelegen vijver ten oosten van het plangebied is vrijwel zeker vishoudend waardoor de aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Vinpootsalamander De vinpootsalamander (Lissotriton helveticus ) komt uitsluitend voor in Noord-Brabant en Limburg. In Noord-Brabant vormen bos en heidegebieden het leefgebied van de soort. In Zuid-Limburg komt de soort daarnaast ook voor in hellingbossen. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten.
Overige amfibieën-soorten De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris ), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana
temporaria), bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus ) en meerkikker (Pelophylax ridibundus ) zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
4.12 Vissen In het plangebied is geen open water aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen is dan ook uitgesloten.
4.13 Vlinders en libellen Onder het Beschermingsregime Habitatrichtlijn komen vlinder- en libellensoorten voor die zeer specifieke habitats vereisen. Het leefgebied van deze soorten betreft voedselarme wateren of vegetaties. De volgende soorten vlinders en libellen vallen in het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Apollovlinder (Parnassius apollo), boszandoog (Lopinga achine), tijmblauwtje (Maculinea arion), zilverstreephooibeestje (Coenonympha hero) komen niet of nauwelijks meer in Nederland voor. Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous ) komt sinds 2001 alleen voor in de omgeving van Posterholt in Limburg. Het pimpernelblauwtje ( Maculinea teleius) is in 1990 geherintroduceerd in de Moerputten in Noord-Brabant en komt uitsluitend daar voor als uiterst zeldzame standvlinder. Grote vuurvlinder (Lycaena dispar ssp. batava) is uiterst zeldzaam en komt uitsluitend voor in drie laagveengebieden in Noordwest-Overijssel en Zuidoost-Friesland: De Weerribben, De Wieden en de Rottige Meente. Teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) komt voor op open plekken in vochtige bossen, langs bosranden en op warme open plaatsen. De soort breidt zich vanuit Zuid-Limburg uit naar het noorden Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
21
met waarnemingen in Noord-Brabant (bijvoorbeeld in de wijde omgeving ten zuiden van het plangebied) en Gelderland. In het plangebied bevindt zich geen geschikte biotoop voor bovengenoemde soorten waardoor onder dit beschermingsregime vallende vlinders redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Van de libellen is bronslibel ( Oxygastra curtisii) uit Nederland verdwenen. Gaffellibel ( Ophiogomphus
cecilia) komt alleen voor in en langs nauwelijks begroeide rivieren en grote beken met een bodemsubstraat van kiezels of grof zand in Noord-Limburg en Midden-Limburg en op enkele plekken in Noord-Brabant. Oostelijke witsnuitlibel ( Leucorrhinia albifrons ) komt alleen voor in de Dellebuursterheide in Friesland komt voor langs de grote rivieren met uitzondering van de Maas, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. Gevlekte witsnuitlibel ( Leucorrhinia pectoralis ) en noordse winterjuffer ( Sympecma
annulata ssp. braueri ) komen voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. De habitat van de sierlijke witsnuitlibel ( Leucorrhinia caudalis ) bestaat uit schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen. Groene glazenmaker ( Aeshna viridis) is gebonden aan krabbenscheerrijke wateren. Binnen het plangebied zijn geen geschikte habitats voor onder dit beschermingsregime vallende libellen, deze kunnen dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Vlinder- en libellen soorten binnen het beschermingsregime Andere soorten komen niet voor, omdat de specifieke biotopen in het plangebied ontbreken of het plangebied ver buiten het bekende verspreidingsgebied van deze soorten ligt.
4.14 Overige ongewervelden Van de overige ongewervelden vallen zeven soorten binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn en twee binnen het beschermingsregime Andere soorten. De volgende soorten zijn beschermd binnen het Beschermingsregime Habitatrichtlijn. Oeveraas (Palingenia longicauda), juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio
crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Brede geelrandwaterroofkever (Dytiscus latissimus ) en gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus ) zijn zeldzame soorten met een zeer beperkte verspreiding. De brede geelrandwaterroofkever werd tot voor kort als uitgestorven beschouwd en is recent herontdekt in Drenthe. De gestreepte waterroofkever komt voor in veensloten in laagveengebieden, Nieuwkoopse plassen, Noordwest Overijssel en bij Oisterwijk. Beide soorten zijn afhankelijk van grote stilstaande wateren met schoon water, zoals meren, vennen en groeves met een minimale diepte van 1 meter en een minimale oppervlakte van 1 hectare en goed ontwikkelde oever - en watervegetatie. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever. In het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. De aanwezigheid van deze soorten kan redelijkerwijs worden uitgesloten. De vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus ) komt sinds 2012 voor in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland. De larven leven achter de schors van dode bomen in vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van vermiljoenkever. Uit de ruime omgeving zijn waarnemingen bekend. In het plangebied zijn bomen aanwezig, maar geen dood hout. Het plangebied voldoet daarmee niet aan de eisen van vermiljoenkever.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
22
De platte schijfhoren (Anisus vorticulus) komt in de meeste provincies lokaal voor. De soort komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing, vaak in draadalg-vegetaties, maar ook in bijvoorbeeld wateren met krabbenscheer. De soort vertoont een voorkeur voor wateren met veenbodems. In wateren met klei- of zandbodems komt de soort slechts zeer incidenteel voor. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. In het plangebied is geen water en dus dan deze soort worden uitgesloten. De Europese rivierkreeft (Astacus astacus) valt binnen het regime ‘Andere Soorten’ en komt nog op een plek voor in Nederland, namelijk in de schaatsvijver op landgoed Warnsborn nabij Arnhem. Het plangebied bevindt zich buiten het verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft. De aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. Het vliegend hert (Lucanus cervus ) valt binnen het regime ‘Andere Soorten’ is afhankelijk van rottend eikenhout dat in Nederland vooral voorkomt in oude eikenbossen, hakhout, houtwallen, lanen en parken met oude eikenbomen. De aanwezigheid van het vliegend hert is beperkt tot de Veluwe, Midden- en ZuidLimburg, de stuwwal bij Nijmegen, de Utrechtse Heuvelrug en Twente. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied plus mist geschikt habitat. Hierdoor kan het vliegend hert redelijkerwijs worden uitgesloten.
4.15 Samenvatting resultaten Van de onderstaande resultaten worden in hoofdstuk 0 getoetst of de ingreep negatieve effecten heeft en of deze effecten in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Beschermde gebieden Het plangebied ligt op een afstand van 7,2 km van het dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 0,58 km van het NNN en in de provincie Noord-Brabant geldt er een externe werking. Houtopstanden Bescherming van houtopstanden is hier niet van toepassing. Beschermde soorten In Tabel 2 zijn de soorten of soortgroepen weergegeven die in het plangebied aanwezig zijn of hun aanwezigheid kan niet worden uitgesloten.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
23
Tabel 2 Soort(groepen) (potentieel) aanwezig (X) met functie en beschermingsregime: VR= Vogelrichtlijn, HR= Habitatrichtlijn, AS= Andere Soorten Soort/soortgroep
Functie
Aanwezig
Mogelijk Beschermingsaanwezig regime
Huismus
Foerageergebied
Steenuil
Nestlocatie, leefgebied
Algemene broedvogels
Nestlocatie, leefgebied
Vleermuizen, zie
Verblijfplaats, vliegroute, foerageergebied
X
VR
X
VR
X
VR
X
HR
Tabel 3 X
Hermelijn
Leefgebied, voortplantingslocatie
Wezel
Leefgebied, voortplantingslocatie
Bunzing
Tijdelijke rust- en verblijfplaats, foerageergebied
Steenmarter
AS
X
AS
X
AS
X
Tijdelijke rust- en verblijfplaats, foerageergebied
AS
Tabel 3 Potentieel aanwezige (X) vleermuissoorten en functies in het plangebied. Soort
Verblijfplaats functies Zomer
Kraam
Paar
Gewone dwergvleermuis
X
X
Ruige dwergvleermuis
X
Kleine dwergvleermuis
X
Andere functies Winter
Vliegroute
Foerageergebied
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Rosse vleermuis
X
Laatvlieger
X
X
X
X
X
Gewone grootoorvleermuis
X
X
X
X
X
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
24
Effectbeoordeling en toetsing Wet natuurbescherming Op grond van de resultaten van het veldbezoek en het literatuuronderzoek wordt in dit hoofdstuk beoordeeld wat de verwachtte effecten van de ingreep zijn op beschermde gebieden, houtopstanden en soorten. Negatieve effecten worden vervolgens getoetst aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Afrondend geeft de toetsing aan of een aangepaste werkwijze, aanvullend onderzoek dan wel een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is vereist.
5.1 Natura 2000 gebieden Effecten Effecten op Natura 2000-gebieden bestaan uit verlies aan habitat, negatieve effecten op soorten en verstorende effecten. In de effectenindicator (https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12) worden 19 verschillende storende factoren onderscheiden, waaronder effecten door geluid, trilling, visuele verstoring, verdroging en vermesting. Onder vermesting valt ook stikstofdepositie. De ingreep vindt plaats op een afstand van 7,2 km van Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide en Beuven. Door de aard en omvang van de ingreep is het uitgesloten dat negatieve effecten door trilling, geluid of visuele verstoring zullen optreden. Dit als gevolg van de grote afstand en aanwezigheid van tussenliggend stedelijk gebied met grote wegen. Vanwege de uitspraak van de Raad van State (mei 2019) is het stikstofbeleid (PAS) waarbij een drempelwaarde voor depositie van 0,05 mol/ha gold, niet meer geldig. Werkzaamheden mogen daarom op dit moment geheel geen stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Hierbij is zowel de realisatiefase als de gebruiksfase van belang. Tritium Advies heeft de Aeriusberekening uitgevoerd. Voor de conclusie wordt verwezen naar de rapportage van Tritium Advies.
5.2 Natuur Netwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN echter in de provincie Noord-Brabant geldt dat de externe werking van ingrepen getoetst moet worden. Aangezien NNN op voldoende afstand ligt van het plangebied met tussenliggende bebouwing, wegen en agrarische landschap en de ingreep geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN kan veroorzaken is verdere toetsing aan het NNN niet van toepassing.
5.3 Houtopstanden Omdat de te kappen bomen geen deel uitmaken van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen die uit andere soorten bestaan dan populieren en wilgen is de Wet natuurbescherming niet van toepassing voor de houtopstanden. Een melding van de kapwerkzaamheden in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mogelijk zijn voor het kappen van de bomen nog wel gemeentelijke en/of provinciale verordeningen van toepassing, bijvoorbeeld ter bescherming van monumentale bomen. Uw gemeente kan u kan u hier verder over inlichten.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
25
5.4 Vogels Beschermingsregime Vogelrichtlijn: vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) Binnen het plangebied is potentie voor jaarrond beschermde nestgelegenheid en leefgebied van steenuil (Athene nuctua). Door de sloopwerkzaamheden gaat deze nestlocatie verloren en wordt zodanige verstoring veroorzaakt wat in strijd is met de Wet natuurbescherming. Mogelijk maken huismussen gebruik van het plangebied om te foerageren maar gezien de vele uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving is er geen sprake van essentieel foerageergebied. Derhalve is bij het uitvoeren van de ingreep op dit punt geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Beschermingsregime Vogelrichtlijn: vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Er worden geen jaarrond beschermde nesten verwacht (categorie 5). Het plangebied kan wel dienen als foerageergebied voor enkele soorten binnen dit beschermingsregime. Gezien er voldoende gelijkwaardig foerageergebied aanwezig is rondom het plangebied leidt de verstoring die wordt veroorzaakt door de ingreep niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Beschermingsregime Vogelrichtlijn: overige vogels De ruige begroeiing in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor een aantal van de soorten die vallen onder dit beschermingsregime.
Wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van artikel 3.1 lid 1 en 2 Wet natuurbescherming. Werken buiten het broedseizoen voorkomt overtreding. Het broedseizoen loopt in stedelijk gebied globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden en de soorten.
5.5 Vleermuizen Uit de resultaten blijkt dat enkele soorten vleermuizen binnen het plangebied kunnen voorkomen. In Tabel 4 is weergegeven op welke potentieel voorkomende combinatie van soorten en functies binnen het plangebied mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn.
Tabel 4 De potentieel voorkomende soorten vleermuizen en functies (aangeduid met x). Groen X = geen effect te verwachten, rood X = negatief effect niet uitgesloten. - = functie niet verwacht. Soorten
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Rosse vleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis
Verblijfplaats functies
Andere functies
Zomer
Kraam
Paar
Winter
X
X
X
-
X
X
X
X
X
-
X
X
X
X
X
-
X
X
-
-
-
-
-
X
X
X
X
-
X
X
X
X
X
-
X
X
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
Vliegroute
Foerageergebied
RA21245-01
26
Omdat door de ingreep meerdere potentiële verblijfsplaatsen verdwijnen, leidt de ingreep mogelijk tot een overtreding van artikel 3.5, lid 4. Aantasting van foerageergebieden en vliegroutes leiden indirect tot een afname van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen en zijn daarmee ook een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wet natuurbescherming.
5.6 Marterachtigen Voor wezel en hermelijn kan de functie als leefgebied onder andere door de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen en voortplantingslocaties in het plangebied niet worden uitgesloten. Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied en tijdelijke rust- en verblijfplaats voor bunzing en steenmarter. Het is verboden de soorten opzettelijk te vangen of te doden en om opzettelijk leefgebied en rustplaatsen te beschadigen of vernielen. Deze verblijfplaatsen kunnen tijdens sloopwerkzaamheden worden beschadigd of vernield. Ook kunnen hierbij jongen van wezel, hermelijn worden gedood. Dit is een overtreding van artikel 3.10 Wet natuurbescherming. De ingreep leidt tot verstoring en het verdwijnen van leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen, daarmee vindt er een overtreding van de Wet natuurbescherming plaats
5.7 Overige soortgroepen Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten uit de soortgroepen overige zoogdieren, planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.
5.8 Samenvatting effectbeoordeling en toetsing Uit de effectbeoordeling volgt voor welke gebieden/houtopstanden en/of soorten/soortgroepen de ingreep wel of geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten. In onderstaande Tabel 5 en Tabel 6 is aangegeven of er negatieve effecten zijn en of de effecten en daarmee de overtredingen zijn te voorkomen door middel van aangepaste werkwijze (met Ja aangegeven).
Tabel 5 effectbeoordeling en overtreding gebiedsbescherming Gebieds-bescherming
Effecten tgv ingreep
Overtreding Wn
Vervolgstappen
Natura 2000
Mogelijk (Zie rapport Tritium
HR, VR
nee
Advies) Natuurnetwerk Nederland nee Houtopstanden
nee
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
nee AS
nee
RA21245-01
27
Tabel 6 Samenvatting effectbeoordeling en overtreding van Wet natuurbescherming (Wn). VR= Vogelrichtlijn, HR= Habitatrichtlijn, AS= Andere Soorten. Soort/
Functie
soortgroep
Effecten tgv Overtreding Wn Vervolgstappen ingreep
Steenuil
Nestlocatie, leefgebied
ja
VR
ja, nader onderzoek
Huismus
Foerageergebied
nee
VR
nee
Algemene
Leefgebied, nesten
ja
VR
werkzaamheden buiten
broedvogels Vleermuizen
broedseizoen Verblijfplaats, vliegroute,
ja
HR
ja, nader onderzoek
foerageergebied Hermelijn
Leefgebied
ja
AS
ja, nader onderzoek
Wezel
Leefgebied
ja
AS
ja, nader onderzoek
Bunzing
Tijdelijke rust- en verblijfplaats,
ja
AS
ja, nader onderzoek
ja
HR
ja, nader onderzoek
foerageergebied Steenmarter
Tijdelijke rust- en verblijfplaats, foerageergebied
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
28
Conclusies en vervolgstappen 6.1 Natura 2000 gebieden Natura 2000 De mogelijke negatieve effecten van de ingreep op Natura 2000 gebieden in nabijheid van het plangebied zijn door Tritium Advies onderzocht. NNN De ingreep vindt niet plaats binnen het NNN. Aangezien het plangebied op voldoende afstand ligt met bebouwing, wegen en agrarisch landschap ertussen is er geen nadere toetsing aan het NNN nodig.
6.2 Houtopstanden Omdat de te kappen bomen geen deel uitmaken van een houtopstand van meer dan 1000m 2 en ook geen onderdeel zijn van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen die uit andere soorten bestaan dan populieren en wilgen is de Wet natuurbescherming niet van toepassing voor de houtopstanden. Een melding van de kapwerkzaamheden in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mogelijk zijn voor het kappen van de bomen nog wel gemeentelijke en/of provinciale verordeningen van toepassing. Uw gemeente kan u hier verder over inlichten.
6.3 Vogels Vogels zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. In het plangebied is steenuil te verwachten. Van deze vogelsoort is het nest jaarrond beschermd. Nader onderzoek volgens de richtlijnen van de betreffende kennisdocumenten (BIJ12, 2017) geeft inzicht in het voorkomen van deze soorten en de functie van het leefgebied voor deze soort. Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van nesten, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden) van de steenuil bevinden. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen.
Ook is het dan aan te raden het aanwezige snoeiafval en de vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels.
Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen
RA21245-01
29
6.4 Marterachtigen De genoemde soorten marterachtigen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied. In de beplanting rondom de gebouwen zijn mogelijk tijdelijke rust- en verblijfplaatsen of leefgebied met voortplantingsplaatsen aanwezig. Bij de ingreep kunnen deze vernield worden en de daarin aanwezige jongen worden gedood. Door buiten de kwetsbare periode van wezel en hermelijn te werken is het vernielen van voortplantingsplaatsen en het doden van jongen te voorkomen. Deze kwetsbare periode loopt volgens de Handreiking kleine marters (Bouwens, 2017) van 15 maart tot 1 september. Het vernielen van tijdelijke rust- en verblijfplaatsen wordt daarmee echter niet voorkomen. Om na te gaan of deze aanwezig zijn moet er onderzoek naar het mogelijk voorkomen van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek kan het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.