Kerkakker 2023 - Bijlage 3 Archeologisch proefsleufonderzoek
Tekst van het document
Ook in het overige deel van dit deelgebied, ter hoogte van werkput 5 (oost) en 7 zijn archeologische sporen aangetroffen. Het vlak kon hier ca. 20 cm hoger worden aangelegd dan in de naastgelegen werkput, omdat er minder sprake was van bodemverstoring. Hoewel enkele sporen dieper dan 10 cm reikten, waren ook deze niet erg overtuigend. De sporen waren erg vlekkerig en onregelmatig, waardoor deze vermoedelijk ook geïnterpreteerd mogen worden als het doorschemeren van de ijzertijdse akkerlaag in de C-horizont. Uit de sporen in het vlak valt dan ook geen structuur op te maken. Figuur 6.7 geeft een indicatie van de grillige sporen die in deze zone zijn gedocumenteerd.
Figuur 6.7. Gerwen - Kerkakkers. Impressie van de (grillige) sporen in werkput 7 en in het oosten van werkput 5.
29
DE OOSTELIJKE SPOREN: EEN CLUSTER, BIJGEBOUW EN DEPRESSIE
Ten oosten van de weg Kerkakkers doen zich ook archeologische sporen voor (fig. 6.8). In werkput 9 gaat het opnieuw om een cluster sporen waar geen duidelijke structuur kon worden herkend. Hoewel de akkerlaag uit de IJzertijd hier in het profiel niet was aangetroffen speelde dezelfde factoren de interpretatie parten. Een deel van de sporen in het vlak bleken toch overblijfselen van de akkerlaag die plaatselijk in het vlak doorschemerde. Een beperkt aantal sporen (S9.4/8/13/14/24/25) is wel overtuigend, maar ook hier kon een duidelijke structuur niet worden onderscheiden. De weinige scherven aardewerk afkomstig uit deze zone dateren uit de Brons- tot Romeinse tijd.
Figuur 6.8. Gerwen - Kerkakkers. ASK van de werkputten 9 en 10 met sporen in de tekst benoemd genummerd en de gesuggereerde structuur aangeduid. Schaal 1:200. A: wel/niet opgegraven, B: grondsporen, C: sporen in de tekst benoemd, D: plantbedden. E: reconstructie (bij)gebouw.
Anders is dat in werkput 10, waar de sporen wel een duidelijke structuur vormen. Hier werden twee parallel gelegen rijen sporen aangetroffen, waarvan respectievelijk twee en vier sporen in de werkput gelegen zijn (fig. 6.8E/6.9). De onderlinge afstand tussen de rijen bedraagt vier meter en de structuur is oost/west georiënteerd met een lengte van 5 m. Mogelijk loopt de structuur aan weerszijden verder door en valt het dus niet uit te sluiten dat deze langer of brede is geweest. Het lijkt te gaan om een bijgebouw, daar de paalsporen relatief klein zijn en dus geen sprake lijkt van een zware (kern)constructie. Een nadere beschrijving van constructie en typologie kan niet worden gegeven, omdat de structuur niet in zijn geheel in het vlak is vrijgelegd en maar een beperkt aantal sporen tot de beschikking is. Hier is ook niet verder uitgebreid, omdat was besloten het op te graven areaal te beperken tot de voorziene bouwkavels (zie hoofdstuk 4). De sporen van het gebouw hadden een diepte van 15, 20, 8, 14, 14 en 20 cm (respectievelijk S10.4/5/6/7/11/9) en doen vergelijkbaar aan als de sporen in het westelijke deel en de naastgelegen werkput. Door het ontbreken van aardewerk uit gesloten context wordt afgegaan op spooraard om tot een datering van de structuur te komen. Deze ligt waarschijnlijk in de Late Prehistorie, gezien de gelijkenis met de overige sporenassemblage.
De afwezigheid van een IJzertijd-akkerlaag zoals in het westen is aangetroffen geeft aan dat de bodem hier verder is afgetopt of vergraven in latere perioden, waardoor ook eventuele ondiepere sporen uit deze periode zijn verdwenen. Het kan echter ook dat de akkerlaag hier nooit is gevormd, waardoor de sporen juist beter bewaard zijn gebleven. Twee omliggende 30
sporen (S10.3/10.8), welke niet noodzakelijk deel uitmaken van de (kern)constructie, hadden een diepte van respectievelijk 0 en 10 cm. De sporen van de zuidelijke palenrij worden in het oosten oversneden door een rij plantbedden en vermoedelijk zal dit deel van het gebouw dan ook zijn vernietigd. In het zuiden van werkput 10 loopt het vlakniveau naar beneden, vanwege de depressie die is aangesneden in het uiterste oosten van het plangebied, met name in werkput 6. Dit uit zich als een donkerbruin/grijs gevlekt vlak in werkput 10 en donkerbruine laag B-horizont (S6.6) die in het vlak van werkput 6 de overhand heeft. Verder is een greppel aangesneden welke herleid kan worden aan een percelering op de kadastrale kaart uit 1832 (fig. 6.10). Opvallend genoeg is dit de enige perceelsgrens die in de archeologische sporen terugkomt. De twee paalkuilen (S6.2/6.3) die in het vlak zijn aangekrast bleken in de coupe weinig betekenisvol. Figuur 6.9. Gerwen - Kerkakkers. Overzichtsfoto van de wandstructuur in het noorden van werkput 10.
Figuur 6.10. Gerwen - Kerkakkers. ASK van werkput 6 geprojecteerd op de kadastrale minuut uit 1832. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: depressie, C: archeologische sporen, D: bandensporen.
31
CONCLUSIE
De opgraving te Gerwen-Kerkakkers heeft een groot aantal grondsporen opgeleverd, overwegend paalsporen maar ook enkele (haard)kuilen en een depressie. Bij een aanzienlijk deel van de gedocumenteerde sporen kan echter een vraagteken worden gezet, daar het ook kan gaan om een akkerlaag uit de ijzertijd die plaatselijk in de C-horizont is doorgedrongen, wat paalkuil-achtige fenomenen voort heeft gebracht. Concrete aanwijzingen voor een archeologische vindplaats zijn een verzameling diep ingegraven paalkuilen in het zuidwesten van de sporencluster in werkput 5/8, verschillende kuilen met houtskoolinclusie en aardewerk in werkput 5 en de plattegrond van een (bij)gebouw in werkput 10. Daarnaast geeft de omvangrijke sporencluster die zich uitspreidt over de werkputten 4, 5 en 8 aan dat het terrein intensief is gebruikt, ondanks dat duidelijke structuren moeilijk te herkennen zijn. Hetzelfde geldt voor de wat kleinere sporencluster in werkput 9. Gezien de datering van het aardewerk kan worden gesteld dat de vroegst aantoonbare fase van menselijke activiteit in de Midden-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd heeft plaatsgevonden. Hiertoe behoren de eerder genoemde concrete aanwijzingen voor een archeologische vindplaats. Gedurende deze periode zullen één of meerdere kleine, houten gebouwstructuren op de beide deelgebieden hebben gestaan.
In de Late IJzertijd/Vroeg Romeinse Tijd en Middeleeuwen is een akkerlaag gevormd, waarna gedurende de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd een esdek is opgeworpen. Dit geeft aan dat het terrein vanaf en gedurende deze perioden met name is gebruikt voor agrarische doeleinden.
32
7
VONDSTEN
7.1
INLEIDING
Verdeeld over de werkputten zijn tijdens het veldonderzoek 140 vondstnummers uitgedeeld. Het aantal objecten per materiaalsoort is uiteengezet in tabel 7.1. Het overgrote deel van het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk of overig keramisch vondstmateriaal. In de volgende paragrafen zal het vondstmateriaal per materiaalcategorie worden besproken, met een nadruk op het aardewerk.
Tabel 7.1. Gerwen - Kerkakkers. Aantallen en gewichten per vondstcategorie.
7.2
AARDEWERK VAN GERWEN- KERKAKKERS
Alline Sinke Tijdens het proefsleuven onderzoek de opgraving in Gerwen-Kerkakkers zijn 458 fragmenten aardewerk verzameld, inclusief keramische objecten en leemfragmenten. Het gewicht is 2 577 g. Het geanalyseerde aardewerk telt 370 scherven met een totaalgewicht van 2 141 g. Deze zijn gedetermineerd ten behoeve van de rapportage, en zijn per vondstnummer in een specialistische database ingevoerd. Genoteerd zijn, voor de analyse relevante kenmerken en een ruime datering van het materiaal zelf. Het vondstmateriaal heeft over het algemeen een gemengd karakter. Opvallend is de grote reikwijdte waarbinnen de dateringen van het aardewerk valt. Uit één spoor, maar zelfs per vondstnummer zijn scherven uit ver uiteenlopende perioden verzameld. In cultuurvondstlaag S5.62 is bijvoorbeeld materiaal verzameld dat in de Midden Bronstijd dateert, maar ook Romeinse en Middeleeuwse scherven. De aardewerkassemblage bestrijkt daarmee een grote tijdspanne die gewoonlijk door verschillende aardewerkspecialisten per chronologische periode geanalyseerd wordt. Hier is gekozen om alles door één specialist te laten determineren. Het grootste aandeel bestaat immers uit handgevormd aardewerk dat voornamelijk in de Bronstijd of de IJzertijd- vroeg Romeinse tijd dateert (265 fragmenten, 72%). 33
Tabel 7.2. Gerwen - Kerkakkers. Overzicht van het geanalyseerde aardewerk, aantal en gewicht, ingedeeld aan de hand van, met aardewerk vertegenwoordigde periodes.
In bovenstaande tabel zijn het aantal scherven per chronologisch relevante periode gekwantificeerd. De meest recente, waaronder de Middeleeuwse en Romeinse scherven zijn vrijwel allemaal in cultuurlagen, vondstlagen, akkerlagen of de bouwvoor aangetroffen. Uit de sporen komt vooral het prehistorische/ handgevormde materiaal. De assemblage is over het algemeen verweerd, de scherven hebben afgeronde hoeken, zijn in kleine stukken gebroken en representeren stukken van relatief veel afzonderlijke exemplaren. Het jongste aardewerk beslaat 17% van de aardewerkassemblage en is vertegenwoordigd door bijvoorbeeld roodgedraaid aardewerk met spaarzaam aangebracht glazuur, Rijnlandse lichtgekleurde baksels met grof zand, kogelpotten en enkele scherven steengoed. Zevenenveertig scherven (13% van het aardewerk) zijn gedraaid en dateren in de Romeinse periode. Het zijn voornamelijk ruwwandig oxiderend gebakken kookpotten23, dolium-baksels24 en fragmentjes van gladwandig vaatwerk. Het aandeel Romeins aardewerk is in werkelijkheid groter omdat een deel van het handgevormde aardewerk ook in de Romeinse tijd gedateerd kan worden.25 Onder het gedraaide Romeinse aardewerk zijn slechts twee determineerbare randscherven.
Een randscherf is van een ruwwandige (kook)pot Niederbieber 89.26 Een tweede randscherf is van een gladwandig gesmookte beker Vanvinckenroye 87.27 De oudste 153 handgevormde scherven (42%) zijn over het hele plangebied aangetroffen. Het ijzertijd-aardewerk kan aan de hand van de baksels en typische stijlkenmerken enerzijds in de Late IJzertijd tot en met de Vroeg Romeinse tijd gedateerd worden.28 Kenmerkende aspecten zijn de variatie in gebruikte verschralingsmaterialen, zoals organisch materiaal, al dan niet met potgruis, of juist een combinatie van zand, steengruis en potgruis; randen met meervoudige facet, redelijk dunwandige potjes met uitstaand halsje van bescheiden formaat, de uniforme wanddikte en het harde compacte baksel. Opvallend echter is de afwezigheid van typisch Midden IJzertijd materiaal. Aan de andere kant dateert een component van het handgevormde materiaal in de Vroege IJzertijd. Maar past ruim genomen ook in de Late Bronstijd (ca. 1050-550 voor Chr.). Voorbeelden van Laat Bronstijd-vroege IJzertijd aardewerk zijn, onder andere, een bekertje met verticaal oor (V8.72 S44), enkele schaaltjes met ofwel heel rechte, ofwel sterk gekromde wand, met korte rechte halsjes op bolle buik en vaak schuin afgestreken randen met nagel of vingertopindrukken aan de binnenkant van de rand.29 De magering bestaat vooral uit grof tot fijn gebroken wit kwarts met potgruis.
Typische applicaties 23
V5.38, S62
24
V1.3 S10; V4.16 S10
25
Bijvoorbeeld V2.9 S998; V3.13 S9; V5.48 S62.
26
Oelmann 1914, 72.
27
Vanvinckenroye 1967, 48.
28
Gebaseerd op Van den Broeke 2012.
29
V8.72 S44
34
zijn een knobbeloor en drie fragmenten met een stafband op de schouder.30 Twee van de drie stafbanden zijn versierd met vingertopindrukken die tot ongeveer 1 cm uit elkaar zijn geplaatst.31 Een klein deel van de wanden is besmeten maar ze zijn voornamelijk geglad of onafgewerkt gelaten. Het oudste materiaal tenslotte, dateert hoogstwaarschijnlijk in de Vroege of Midden Bronstijd (ca. 2000-1050 voor Chr.), en komt uit kuilen in WP5, maar ook uit een cultuurlaag S5.62 (V5.39). Deze periode wordt gerepresenteerd door enkele fragmenten met wikkeldraadversiering (bijvoorbeeld V5.105 S40), scherven met uitsluitend grof gebroken wit kwarts als magering en vlakdekkend versierde wanden met vingertopindrukken, spatel indrukken of een grof deukpatroon.32 Concluderend kan er voorzichtig gesteld worden dat meest waarschijnlijk is, dat het aardewerk daterend vanaf de Vroege Bronstijd tot en met het eerste deel van de Vroege IJzertijd (ca.1800-550 voor Chr.) met het gebruik van het gebied geassocieerd kan worden. Het jongere aardewerk is slechts in beperkte mate geassocieerd met sporen. Het kan dus evengoed worden verklaard als mestaardewerk, of als aanwijzing voor een nabijgelegen vindplaats.
Figuur 7.1. Gerwen - Kerkakkers. Randfragmenten van handgevormd aardewerk. Aanlegvondsten uit cultuur-vondstlaag S62 (fig. 5.5). Boven randscherf uit de Bronstijd, midden en onder scherven uit de Late Bronstijd/Vroege IJzertijd. Schaal 1:1.
7.3
OVERIGE KERAMIEK EN BOUWMATERIAAL
Luc Pasteels/Alline Sinke Onder de keramische objecten en bouwmateriaal worden voor deze publicatie gerekend: spinsklos/steen, kleipijpen, baksteen/dakpan en tegels.
30
Van den Broeke 2012, 1001-10; 122.
31
Van den Broeke 2012, 123-125.
32
Vergelijkbaar materiaal uit de Midden Bronstijd is te vinden in Bloo/Schouten 2002, p252, fig.4.15e.
35
SPINKLOSJES
Het onderzoek heeft vijf objecten opgeleverd die onder de noemer spinklos of spinsteen geschaard kunnen worden. Er is sprake van een tweedeling in datering en baksel, twee exemplaren zijn namelijk gedraaid, en twee handgevormd. Geprobeerd is het de gedraaide spinstenen op basis van vergelijkbare exemplaren tot een globale datering van de objecten te komen. Hiervoor zijn de databases Deventer Systeem alsmede de catalogus van ‘Below the Surface’ gebruikt. Gelet is op vergelijkbare eigenschappen als baksel, engobe/glazuur, vorm en afmeting. De handgevormde spinklos is bekeken door specialist prehistorisch aardewerk Alline Sinke. De gedraaide spinklosjes betreffen een ronde en conische spinsteen van steengoed (fig 7.2). De ronde spinsteen is van een donkergrijs baksel met donkerbruine ijzerengobe en zoutglazuur, aangebracht aan binnen- en buitenzijde. Daarmee heeft het de karaktereigenschappen van Aken/Raeren steengoed en vergelijkbare exemplaren worden in de 14de tot 16de eeuw gedateerd.33 De spinsteen heeft twee horizontale groeven en meet 18 mm hoog bij ca 30 mm breed. Het tweede gedraaide exemplaar betreft een lage conische spinsteen met weer twee horizontale groeven en is vergelijkbaar gedateerd. De spinsteen is voorzien van een dikke laag glazuur, waardoor zelfs een groenige druppel glazuur op het oppervlak is ingehard. Deze spinsteen meet 8 mm hoog bij 20 mm breed.
Gezien het feit dat de gedraaide spinstenen uit de bouwvoor afkomstig zijn zal het hier om stadafval gaan dat met het esdek is meegekomen. Van de, in de prehistorie daterende, keramische objecten zijn er twee aangetroffen in kuil S5.40 en één fragmentje is verzameld uit de bouwvoor. Het keramisch object V5.95 is te ver versleten om goed te determineren. De vraag is of het wel een object is, of dat het eerder een stuk verbrande leem betreft dat in de kuil is achter gebleven. Het andere object is een complete spinklos (V5.105). Het model is afgeplat cilindrisch. Het baksel is gemagerd met potgruis. De kleur is licht oxiderend. De structuur is poederig en de kleur is lichter geworden door de secundaire brand waaraan het spinklosje is blootgesteld. Ook kunnen er nagelindrukken op het oppervlak worden herkend (fig. 7.2). In de bouwvoor is iets minder dan een kwart van een conische spinklos met vlakke kant aangetroffen. Het baksel is ongeveer hetzelfde als de complete spinklos uit kuil S40. Daarom is het aannemelijk dat de datering van de spinklosjes en de verbrande leem dezelfde zijn. Deze is aan de hand van het aardewerk in de Bronstijd tot en met de Vroege IJzertijd te plaatsen. Spinklossen werden gebruikt bij het spinnen van draden van wol of vlas. Het vervaardigen van netten of textiel was een ambacht dat zich doorgaans in en rond het erf afspeelde.
Spinklossen worden vooral in nederzettingscontexten aangetroffen.
Fig. 7.2. Gerwen - Kerkakkers. Spinklosjes. Twee gedraaide van steengoed en één handgevormd. Schaal 1:1.
33
https://belowthesurface.amsterdam/nl/vondst/NZD1.00060CER017; https://www.deventersysteem.nl/items/7049
36
KLEIPIJP
Tijdens het onderzoek is één kleipijpje aangetroffen, afkomstig uit het plaggendek van werkput 10. Gezien de beperkte waarde van deze vondst voor het onderzoek zal enkel een beknopte beschrijving van de uiterlijke kenmerken worden gegeven. Het betreft een steeltje met de aanzet tot een pijpenkopje. De kleipijp weerzijden van de steel afgebroken en komt uit op een totale lengte van 5.5 cm. De diameter is 8 mm. Een hielmerk is niet (meer) aanwezig en ook de aanzet tot de kop is niet bewerkt.
BAKSTEEN/DAKPAN
In totaal zijn vier fragmenten Romeinse dakpan aangetroffen. Drie hiervan zijn afkomstig uit de akkerlaag uit de IJzertijd, en één uit het bovenliggende plaggendek. Omdat het maar om enkele (kleine) fragmenten gaat, is gekozen om dit materiaal enkel van een beknopte beschrijving te voorzien. Waar mogelijk wordt gesteld of het om een tegulae of imbrex gaat. Respectievelijk zijn dit vlakke of ronde dakpannen die samen een waterdichte constructie vormen.34 Gelet wordt dan ook op indicaties voor welvingen of een plat oppervlak. Alle fragmenten zijn verzameld tijdens de aanleg van de werkputten en concentreren zich rond de westelijke sporencluster, waar de akkerlaag ook goed bewaard was gebleven. De fragmenten zijn sterk verweerd, waardoor niet goed kan worden bepaald of het gaat om een imbrices of tegulae. Eén fragment, VN9, toonde wel een duidelijke ronding en had als enige een vrij gladde bovenkant. Hier gaat het vermoedelijk om een fragment van een imbrex. Het grootste fragment weegt 129 gram en lijkt een platte - maar sterk verweerde - onderkant te hebben, hetgeen duidt op een tegula. Fig. 7.3. Gerwen - Kerkakkers. Twee Romeinse dakpannen. Schaal 1:2. Vermoedelijke imbrex V9 vertoont een duidelijke ronding. Tegula V63 heeft juist een plat oppervlak. TEGEL
Er is één tegeltje verzameld afkomstig uit de bouwvoor van 8 gram, metende 25 bij 28 mm. De bovenkant is wit geglazuurd. Gezien de beperkte waarde voor het onderzoek zal niet verder op deze vondst worden ingegaan.
7.4
NATUURSTEEN EN VUURSTEEN
Het onderzoek te Gerwen-Kerkakkers heeft twaalf stukken natuursteen opgeleverd, waarvan vijf exemplaren vuursteen betreffen. In de onderstaande sub-paragrafen wordt ingegaan op de aard van het materiaal waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen vuursteen en overig natuursteen. Het vuursteen is gedetermineerd en gerapporteerd door Valentijn van den Brink, waarbij de NAR publicatie Vuursteen Verzameld is gebruikt als typologisch referentiekader.35 Het natuursteen is beoordeeld door Mark Groenhuijzen.
34 35
Vanderhoeven/Kars/van Os 2018, 37. Amkreutz et al. 2016.
37
Tijdens het onderzoek zijn vijf stukken vuursteen verzameld. De eerste twee, vondstnummer V22 uit de bouwvoor van werkput 5, komen uit de natuurlijke ondergrond. De sterke, lichtbruine patinering, een vorstscheur en het ontbreken van doelmatige vormgeving maken dat ze niet geïnterpreteerd kunnen worden als artefacten. Dit in tegenstelling tot de eindschrabber V59 uit het plaggendek in werkput 8. Het is een vrij klein, plomp exemplaar. Het artefact is vervaardigd uit regionale vuursteen. In principe maakt de maatverhouding het geen kling, het distale uiteinde is echter gemodificeerd. Op basis van de dorsale ribben en het algemene uiterlijk moet uitgegaan worden van een klinggebaseerde technologie. Eindschrabbers komen voor van het Laat-Paleolithicum tot in het Neolithicum. Een datering in het Mesolithicum lijkt echter het meest op zijn plaats. Vondstnummer V81, uit cultuur-/vondstlaag spoor 62 in werkput 5, bestaat uit een schrabber uit een zeer lage kwaliteit, lokale vuursteen. Het is een lompe, hoge schrabber. Duidelijk is te zien dat er geen aandacht is besteed aan de vormgeving van het uiteindelijke stuk gereedschap. Zodra er iets van een werkbare rand beschikbaar was is die rand geretoucheerd. Dit wijst op een datering in de Bronstijd. Bij het afwerken van paalkuil spoor 152 in werkput 5 is onder vondstnummer V111 het laatste stuk geregistreerd.
Het is het proximale deel van een kling in Haspengouwse vuursteen. De kling is gebroken, waarschijnlijk om er een werktuig uit te vervaardigen. Mogelijk gaat het hierbij om een trapezium, de breuk staat schuin ten opzichte van de kling. Op de ventrale zijde van het klinkrestant is aan een zijde een fijne retouche te zien. Waarschijnlijk gaat het om gebruiksretouche die is ontstaan bij het bewerken van een harde grondstof. Het is dus niet afgedankt maar verder gebruikt. De kling op zichzelf past zowel in een laatpaleolithische als in een mesolithische traditie. Als uit het ontbrekende deel een trapezium gemaakt is dateert het stuk waarschijnlijk in het Laat Mesolithicum. Laatpaleolithische en vroegmesolithische trapezia werden eerder uit onregelmatige klingen vervaardigt.36 Het vuursteen is uitsluitend afkomstig uit het plaggendek of het archeologisch vlak en niet uit archeologische grondsporen. Afgezien van een indicatie voor menselijke activiteit gedurende de bovengenoemde perioden in de omgeving van het plangebied kan hier dan ook geen aanvullende informatie uit worden gewonnen. Zeven fragmenten natuursteen zijn aangetroffen, in totaal goed voor 60 gram. Het gaat om uiteenlopende soorten gesteenten van over het algemeen een klein formaat. Hoewel al het natuursteen uit archeologische grondsporen afkomstig is toont geen van de fragmenten gebruiks- of bewerkingssporen.
Vanwege de beperkte informatiewaarde van dit natuursteen zal hier niet verder op in worden gegaan.
7.5
METAAL
Jelle van Hemert Het onderzoek heeft een vijftal metaalvondsten opgeleverd. De objecten zijn alle vervaardigd van een koperlegering en bestaan uit vier munten en één kledinghaak. Onder de munten is één oord van Hollandia (V20, fig. 7.4). Op de voorzijde staat het gekroonde wapenschild met leeuw naar links, omgeven door een (nu onleesbare) Fig. 7.4. Gerwen - Kerkakkers. Fig. 7.5. Gerwen - Kerkakkers. Kledinghaak versierd met floraal motief. Schaal Oord van Hollandia. Schaal 1:1. 1:1. 36
Deeben/Niekus 2016, 133.
38
tekst. De keerzijde toont de Hollandse maagd, zittend in een gesloten tuin. Ze wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel, wat een verwijzing is naar het vertrouwen op de Heer. De munt behoort tot een van de varianten die in de periode 1574-1579 geslagen zijn. De overige munten zijn niet meer goed determineerbaar. Eén munt is wel in een complete staat, maar is volledig onleesbaar (V29). Het formaat doet vermoeden dat het een duit is (16de-19de eeuw). De twee andere munten zijn gefragmenteerd en in een slechte staat, waardoor ze niet meer determineerbaar zijn (V19 en V28). De kledinghaak is helemaal compleet en is versierd met een floraal motief (V30, fig. 7.5). Het is voorzien van een trapeziumvormig oog. Kledinghaken zijn vanaf de tweede helft van de 16de eeuw tot in de eerste helft van de 17de eeuw in gebruik geweest. Ze werden waarschijnlijk door vrouwen gedragen en diende om de schoudercape aan de jurk te kunnen bevestigen.37
7.6
MACROBOTANIE
Teneinde macrobotanisch onderzoek is één grondspoor bemonsterd op zaden. Dit betreft een van de houtskoolrijke kuilen die zijn aangetroffen aan de rand de westelijke sporencluster. Het monster is gezeefd over een serie zeven met maaswijdten van 2, 1, 0 , 0.5 en 1.25 mm. Daarna is het monster gewaardeerd op verkoolde macroresten. Het monster bleek goed geconserveerde verkoolde macroresten te bevatten in de vorm van graankorrels van bedekte gerst en enkele zaden van akkeronkruiden. Vanwege de droge omstandigheden waar de vindplaats zich in bevindt zijn onverkoolde macroresten niet aangetroffen. 38 Hoewel het monster goed geconserveerde macroresten bevatte, werd analyse niet noodzakelijk geacht omdat hierbij naar alle waarschijnlijkheid geen aanvullende of nieuwe informatie zou worden verkregen.
7.7
VERBRAND BOT
Het onderzoek heeft één klein fragment verbrand bot opgeleverd, afkomstig uit de IJzertijd-akkerlaag. Het fragment is beoordeeld door specialist dierlijk botmateriaal Marijn van Haasteren. Dit minuscule stukje bot is te klein om te determineren en komt bovendien niet uit gesloten context, waardoor dit fragment niet verder is geanalyseerd.
7.8
SLAKMATERIAAL
Tabel 7.3. Gerwen - Kerkakkers. Overzicht van het geanalyseerde slakmateriaal
Twee slakfragmenten zijn opgestuurd naar en beoordeeld door specialist natuursteen en metaalslak Gerard Boreel. Hoewel het materiaal dat tijdens het onderzoek te Gerwen is verzameld aandoet als zijnde slak en als zodanig is verzameld, blijkt het geanalyseerde materiaal dit niet te zijn. Eerder gaat het om Limoniet, hetgeen eigenlijk ook onder het natuursteen geschaard mag worden als zijnde ijzererts. Specifiek gaat het 37
van Hemert 2021.
38
Assië/van Haaster 2021.
39
om moerasijzererts en het materiaal zal dus een natuurlijke oorsprong hebben gehad. De vier overige (niet geanalyseerde) fragmenten zullen waarschijnlijk van eenzelfde aard zijn.
7.9
RODE OKER
Tijdens het onderzoek is een klein brokje (vermoedelijke) rode oker verzameld van 6 gram. Rode oker is een pigment dat gebruikt kan worden als kleurstof en vervaardigd kan worden tot een pasta of verf. Vermoed wordt dat het hier om oker gaat omdat de brok zich met name door de roodbruine kleur onderscheidt van de gebruikelijke ijzerconcreties. Vaak is het moeilijk te bepalen of rode oker natuurlijk of antropogeen is van oorsprong en dus wordt gekeken of antropogeniciteit kan worden uitgesloten, ten opzichte van vastgesteld.39 Antropogeniciteit kan in dit geval niet worden uitgesloten, omdat het brokje afkomstig is uit een archeologisch spoor waar tevens veel aardewerk uit afkomstig is (S8.21). Bovendien maakt dit spoor onderdeel uit van de meest duidelijke gebouwstructuur in de westelijke sporencluster.
7.10
CONCLUSIE
Het onderzoek Gerwen-Kerkakkers heeft een breed spectrum aan vondstcategorieën opgeleverd, maar het merendeel betreft aardewerk uit de Late Prehistorie en Romeinse Tijd. Het aardewerk geeft dan ook het meeste inzicht in de periodisering van de site. Het oudste aardewerk dateert in de Late Brons- tot Vroege IJzertijd en is voor een groot deel afkomstig uit de archeologische grondsporen. Materiaal uit de Midden-IJzertijd ontbreekt, maar materiaal uit de Late IJzertijd tot Vroeg-Romeinse tijd is wel goed gerepresenteerd. Dit materiaal is overwegend afkomstig uit de oudste akkerlaag (S5.62), hoewel hier ook het oudere materiaal in aangetroffen is. Waarschijnlijk is dit een gevold van vermenging van de top van het oorspronkelijke sporenniveau. Jonger vondstmateriaal is afkomstig uit de jongste akkerlaag en het bovengelegen plaggendek. Enkele fragmenten Romeinse dakpan geven aan dat oudste akkerlaag tot dieper in de Romeinse Tijd kan zijn gevormd.
39
Seinen/de Jong 2014.
40
8
WAARDERING / CONCLUSIE
Het archeologische onderzoek te Gerwen-Kerkakkers heeft verschillende resultaten opgeleverd. Omdat tijdens de proefsleuven al duidelijk werd dat er sprake was van een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats is besloten direct over te gaan op een doorstart tot definitief gravend onderzoek. Teneinde de bodem zo min mogelijk te verstoren zijn hierbij de geplande bouwkavels aangehouden als op te graven areaal. Aangezien in het evaluatierapport reeds een waardering van de vindplaatsen is opgenomen, zal de conclusie van deze rapportage zicht enkel richten op de resultaten van de doorstart tot opgraving.40 Op het terrein lijkt, zowel ten oosten als ten westen van de weg Kerkakkers, sprake te zijn van een archeologische vindplaats uit de Midden-Bronstijd tot Vroege IJzertijd. De sporen uit deze perioden worden afgedekt door een cultuur/akkerlaag uit de IJzertijd, en plaatselijk ook door een akkerlaag uit de Middeleeuwen. Over het gehele plangebied is gedurende de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd een esdek opgebracht van 60-20cm dik. Het esdek zorgt ervoor dat de grondsporen relatief goed bewaard zijn gebleven, hoewel de oudere akkerlagen uit de IJzertijd en Middeleeuwen de grondsporen wel tot op zekere hoogte hebben verstoord. Met name de akkerlaag uit de IJzertijd zorgde ervoor dat grondsporen uit die periode en ouder moeilijk herkenbaar waren.
Dientengevolge moest het vlak plaatselijk ook dieper aangelegd worden, of zijn sporen in het vlak gedocumenteerd die in het profiel twijfelachtig bleven. Ten westen van de weg Kerkakkers is een grote sporencluster aangetroffen die in deze rapportage wordt geïnterpreteerd als spiekerwaaier, daar geen duidelijke (gebouw)structuur kon worden herkend. Wel zijn in de rapportage enkele aanknopingspunten aangedragen voor een of meerdere concrete structuren. Dit zijn een groep duidelijke en relatief diep ingegraven paalkuilen in werkput 8/5 en een rij paalkuilen in het oosten die tevens overtuigender waren dan de rest. Ook zijn verspreid over de sporencluster een drietal kuilen aangetroffen met houtskoolinclusie en relatief veel vondstmateriaal, die aandoen als haard- of afvalkuil en duiden op bewoningsactiviteit. Waarschijnlijk hebben binnen de sporencluster verschillende kleine gebouwstructuren of spiekers elkaar opgevolgd, behorende tot een of meerdere woonerven die binnen of dicht het onderzochte perceel hebben gelegen. Gelet op de welvingen van het landschap kan dit vermoedelijk onder de weg Kerkakkers hebben gelegen, omdat hier het dekzandoppervlak het hoogst is geweest. Wel is dit juist het gedeelte dat in het recentere verleden het meeste is afgetopt, waardoor de sporen hier grotendeels zijn vernietigd, zo bleek uit het oostelijke vlak van werkput 5.
Ten oosten van de weg Kerkakkers is opnieuw een sporencluster aangetroffen, maar ook een concrete (gebouw)structuur bestaande uit twee parallel lopende rijen paalkuilen. In het uiterste westen is een depressie aangesneden waar een perceleringsgreppel is ingegraven die teruggaat tot minimaal het begin van de 19de eeuw. Het vondstmateriaal geeft inzicht in de datering van de gebruiks- bewoningsactiviteit van het plangebied, ondanks de grote reikwijdte waarbinnen de datering valt. Het aardewerk uit de sporen dateert overwegend uit de Midden Bronstijd tot Vroege IJzertijd. Uit deze periode is zowel versierd als geglad of onafgewerkt aardewerk aangetroffen, onder andere uit de haard- of afvalkuilen van werkput 5 (die ook sporen van verkoolde gerst en akkeronkruid herbergden) en paalkuilen van de structuur in werkput 8/5. Het midden bronstijd en vroege ijzertijd aardewerk komt ook uit de prehistorische akkerlaag, hetgeen verklaard kan worden doordat de akkerlaag met de top van de sporen vermengd zal zijn geraakt. De hiaat in de datering van het aardewerk rond de Midden IJzertijd geeft mogelijk aan dat het terrein gedurende de Midden-IJzertijd in onbruik is geraakt, waarna het in de Late IJzertijd/Romeinse Tijd als akker in gebruik is genomen.
Deze situatie blijft eigenlijk onveranderd, getuige de middeleeuwse akkerlaag en het esdek, ondanks dat deze perioden in mindere mate gerepresenteerd zijn in het materiaal. Vondsten zoals het tweetal spinsteentjes uit de prehistorie en mogelijke rode oker geven aan dat binnen het plangebied op kleine schaal ambachtelijke activiteit heeft plaatsgevonden in de vorm van het spinnen van wol of vlas en mogelijk verven van materialen. Vondsten van vuurstenen klingen en een schrabber zijn aanwijzingen voor antropogene activiteit in de Vroege Prehistorie in de ruime omgeving van het 40
van de Merwe 2021, 14-15.
41
plangebied. Door processen in latere perioden zullen eventuele verdere aanwijzingen zich beperken tot dergelijke losse vondsten en is van een bewaarde vindplaats uit de steentijden geen sprake. De vindplaats uit de Midden Bronstijd tot Vroege IJzertijd met bewoningssporen lijkt zich over het gehele plangebied uit te strekken, met uitzondering van de natuurlijke depressie in het oosten. In het uiterste westen neemt de sporendichtheid af, maar een voortzetting van de vindplaats buiten de hier gelegen proefsleuf valt niet uit te sluiten. In het centrum van het plangebied, ter hoogte van de weg Kerkakkers kijkt de vindplaats te zijn afgetopt en verstoord. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten kan voor de directe omgeving van het plangebied een voortzetting worden verwacht van sporen van bewoningsactiviteit uit de Late Prehistorie in de vorm van in ieder geval spiekers en huisplattegronden. De maximale dieptebewerking waarbij geen archeologische resten worden aangetast in feite afhankelijk van de dikte van het plaggendek. Op basis van de profielen kan worden gesteld dat deze maximale verstoringsdiepte 50 cm onder maaiveld is. Een advieskaart voor het plangebied is weergeven in figuur 8.1. Wanneer de maximale dieptebewerking binnen de voor behoud aangegeven zones wordt overschreden, wordt geadviseerd om archeologisch onderzoek te doen.
Voor de verstoorde delen en de depressie wordt geadviseerd werkzaamheden te laten plaatsvinden zonder dat hier archeologisch onderzoek aan te pas hoeft te komen. De kans op intacte archeologische resten is hier laag. Het belang van archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied blijft groot, aangezien in de omgeving van Gerwen slechts weinig definitief gravend onderzoek is uitgevoerd waarbij sporen uit de Late Prehistorie aan het licht zijn gekomen. Een particuliere vondstmelding op een akkerperceel ca. 400m van de kern van het plangebied (zaakidentificatienummer 3244806100) geeft aan dat in de omgeving zeker meer van dit soort vindplaatsen te vinden zijn. Wel is de kans op archeologische resten sterk afhankelijk van de mate waarin het plangebied is afgetopt en blijft goed vooronderzoek belangrijk.
Figuur 8.1. Gerwen - Kerkakkers. Advieskaart voor de resterende delen van het plangebied. Schaal 1:2000. A: topo/opgegraven, B: intact – advies behoud. C: verstoord – advies vervallen, D: depressie – advies vervallen, E: begrenzing plangebied.
42
9
LITERATUUR
BRONNEN
Actueel Hoogtebestand Nederland, 2019: AHN3, Amersfoort. Alterra, 2006: Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Wageningen. Alterra, 2008: Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen. Amkreutz, L./F. Brounen/J. Deeben/R. Machiels/M.F. van Oorsouw/B. Smit. 2016: Vuursteen verzameld. Over het zoeken en onderzoeken van steentijdvondsten en -vindplaatsen, Amersfoort (NAR050). Bakker, H. de/J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland; de hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie (5de herziene druk), Assen. Bloo, S.B.C./ W. Schouten 2002: Aardewerk in, P.F.B. Jongste/ G.J. van Wijngaarden (red.), Het
erfgoed van Eigenblok. Nederzettingsterreinen uit de Bronstijd te Rumpt (gemeente Geldermalsen) RAM 86, Utrecht, 217-278. Broeke, P.W. van den, 2012: Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen. Studies naar typochronologie, technologie en herkomst, Leiden. Bussel, A.T.L.E. van/M. Sonneveld/B. Rendering 2021: Een Archeologisch Inventariserend
Veldonderzoek door middel van proefsleuven en een aanvullend proefsleuvenonderzoek, karterende en waarderende fase, Nieuwegein (Transect-rapport 2870). Deeben J./ E. Drenth/ M van Oorsouw/ L. Verhart (eds.) 2005 (2e druk) : De Steentijd van Nederland, Archeologie 11/12, Meppel. Deeben, J./M. Niekus, 2016: Mesolithicum, in L. Amkreutz/F. Brounen/J. Deeben/R. Machiels/M.F. van Oorsouw/B. Smit (eds), Vuursteen verzameld. Over het zoeken en onderzoeken van steentijdvondsten en -vindplaatsen, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 50), 123-135. Geluk, M.C./E.J.T. Duin/M. Dusar/R.H.B. Rijkers/M.W. van den Berg/P. van Rooijen, 1994: “Stratigraphy and Tectonics of the Roer Valley Graben.” Geologie en Mijnbouw 73, 129–41. Hemert, J. van, 2021: Op zoek naar kledinghaken in kunstwerken. Wat Bruegel en andere meesters ons kunnen vertellen over het gebruik van een kledingaccessoire, Artefactueel 1, 67-80. Lepage, H.A.S., 2018: Nuenen, Kerkakkers. Gemeente Nuenen c.a. (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Nieuwegein (Transect-rapport 1914). Maas, E., 2021: Programma van Eisen, Gerwen-Kerkakkers, Amsterdam. 43
Merwe, M. van de, 2021: Gerwen Kerkakkers, proefsleuven en opgraving. Evaluatieverslag, Beesd. Oelmann, F., 1914: Die Keramik des Kastells Niederbieber, Frankfurt am Main (Materialiën zur Römisch-Germanische Keramik, 1). Seinen, P.A./T. de Jong, 2014: Oker, een vaak vergeten en soms lastige vonsstgroep, Westerheem 64, 55-59. SIKB, 2018: KNA Protocol 4004 Opgraven, Gouda. TNO-GDN, 2021: Formatie van Boxtel (Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNOGeologische Dienst Nederland), http://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/formatievan-boxtel. Vanderhoeven, T./E.A.K. Kars/B.J.H van Os, 2018: Keramisch bouwmateriaal thermen Heerlen Gemeente Heerlen. Onderzoek naar keramisch bouwmateriaal, Amersfoort (EARTH Integrated Archaeology rapport 2016-022). Vinckenroye, W. van, 1967: Gallo-Romeins aardewerk van Tongeren, Tongeren (Publicaties van het Gallo-Romeins Museum, 7).
INTERNETBRONNEN
Archis2 https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/ (geraadpleegd 24-4-2023 tot 26-4-2023) Below the Surface https://belowthesurface.amsterdam/nl/vondst/NZD1.00060CER017 (geraadpleegd op 25-4-2023). Deventer systeem https://www.deventersysteem.nl/items/7049 (geraadpleegd op 25-4-2023). Openstreetmap https://tile.openstreetmap.org/{z}/{x}/{y}.png (geraadpleegd 24-4-2023 tot 26-4-2023)
44
FIGUREN EN TABELLEN
45
46
BIJLAGEN BIJLAGE 1: OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE PERIODEN
47
BIJLAGE 2: BEANTWOORDING ONDERZOEKSVRAGEN ALGEMEEN
1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden?
In het plangebied zijn archeologische resten aanwezig uit verschillende perioden en dan met name grondsporen en vondsten uit de Midden Bronstijd tot Vroeg Romeinse Tijd. 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werkof weersomstandigheden?
In bepaalde zones van het plangebied zijn beperkte archeologische resten teruggevonden ten opzichte van de rest van het terrein. Dit geldt met name voor het centrale deel tussen de twee deelgebieden en het uiterste oosten en westen van het plangebied. In het centrum geldt dat hier de oorspronkelijke dekzandtop is diep verstoord, waardoor archeologische grondsporen en vondsten zijn vergaan. In het westen wordt de spoordichtheid in de proefsleuf lager en lijkt de vindplaats op zijn eind te lopen. In het oosten is een depressie aangetroffen wat minder geschikt is geweest voor bewoning. 3. Hoe sluit het onderzoek en de verkregen onderzoeksresultaten aan bij de resultaten van het vooronderzoek?
De bodemopbouw komt goed overeen met hetgeen dat tijdens het vooronderzoek was vastgesteld. Er is sprake van een esdek met daaronder op verschillende plaatsen een akker- of cultuurlaag. Ook werden in de boringen al houtskool, vuur- en/of natuursteen en fragmenten van (vermoedelijk) prehistorisch aardewerk aangetroffen. Dit is een goede representatie van wat ook tijdens de opgraving is vastgesteld. De hoge verwachting die op basis van het vooronderzoek is vastgesteld kan op basis van dit onderzoek dus zeker worden gehandhaafd, met name voor archeologische resten uit de Late Prehistorie. GAAFHEID EN CONSERVERING VAN DE VINDPLAATSEN
4. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten?
Met name in het westelijke deelgebied rondom werkput 8 en het westelijke deel van werkput 5 bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten. Ook in het oostelijke deelgebied, ter hoogte van werkput 9 en 10 zijn de sporen goed geconserveerd. Rondom deze werkputten zal de vindplaats zich nog enkele meters voortzetten. 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten?
De archeologische resten zijn goed tot slecht geconserveerd. Dit komt doordat de mate waarin de archeologische resten zijn afgedekt door een en esdek of zijn vermengd door de ijzertijdakkerlaag sterk varieert. In het centrum van het plangebied is weinig esdek overgebleven, waardoor de top van het dekzand – en daarmee de archeologische resten - vermoedelijk is verstoord. Daar waar wel een dik pakket esdek aanwezig is, zoals de in vraag 4 genoemde zones, zijn de archeologische resten goed geconserveerd, hoewel de akkerlaag uit de IJzertijd de herkenbaarheid van de sporen bemoeilijkt.
48
PERIODEN EN SITES
6. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden?
Er lijkt sprake te zijn van één vindplaats die zich over een groot deel van het plangebied strekt; vanaf werkput 8 in het westen tot werkput 10 in het oosten. Omdat de bodem in het midden sterk is verstoord kan moeilijk worden bepaald in welke mate er sprake is van twee afzonderlijke sites. Aangezien het vondstmateriaal evenals de sporen vrij goed overeenkomen tussen deze twee vondstlocaties kan dit als één vindplaats worden beschouwd. 7. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang?
Zie vraag 6, de resten (vondsten en grondsporen) van de vindplaats(en) bevinden zich vanaf de onderkant van het opgebrachte esdek. Hier komen achtereenvolgens een akkerlaag uit de Vroege tot Volle Middeleeuwen en vondsten geassocieerd met de akkerlaag uit de IJzertijd voor. Daaronder, in de top van de ongeroerde C-horizont bevinden zich archeologische grondsporen. 8. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing
De vindplaats uit de Midden Bronstijd-Vroege IJzertijd spreidt zich uit tussen werkput 3 en 10. Rondom de weg Kerkakkers is de vindplaats verstoord. De diepteligging is vanaf 16.20m-16.90m +NAP. De ijzertijd-akkerlaag ligt hier stratigrafisch boven en komt voor tussen 16.20m en 16.80m +NAP. b. de geologische en/of bodemkundige eenheid
De akkerlaag uit de ijzertijd bevindt zich in de top van de C-horizont. De leesbare grondsporen bevinden zich daaronder. c. de omvang (inclusief verticale dimensies)
De ijzertijd-akkerlaag is tot 20cm dik. De grondsporen reiken tot een diepte van 56cm onder het vlakniveau. d. aard /complextype / functie
De vindplaats uit de Midden Bronstijd-Vroege IJzertijd betreft bewoningssporen en uit de Late IJzertijd is een akkerlaag teruggevonden. e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)
De grondsporen betreffen voornamelijk paalkuilen behorend tot meerdere gebouwstructuren, en enkele haard-/afvalkuilen. Het vondstmateriaal betreft voornamelijk aardewerk en enkele spinsteentjes. Uit de IJzertijd-akkerlaag is voornamelijk aardewerk, maar ook Romeinse dakpan afkomstig. f.
de vondst- en spoordichtheid
De spoordichtheid is hoog. De vondstdichtheid is gemiddeld. g. de stratigrafie
De ijzertijd-akkerlaag ligt boven de leesbare grondsporen en is vermoedelijk met de top van het sporenniveau vermengd geraakt. h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie
De bewoningssporen dateren uit de Midden Bronstijd tot Vroege IJzertijd. De akkerlaag dateert vanaf de Late IJzertijd tot Vroeg Romeinse tijd. 9. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.?
In de Late IJzertijd tot Vroeg Romeinse tijd is in het plangebied een akkerlaag gevormd. Dit geldt ook voor de Vroege tot Volle Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen is een esdek opgeworpen. Uit de nieuwe tijd is een perceleringsgreppel aangetroffen. 49
10. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 3 aan te geven?
Vanaf de Late IJzertijd heeft agrarische activiteit plaatsgevonden, getuige de aangetroffen akkerlaag. Vondsten van spinsteentjes duiden op spinnen van wol en de brok mogelijk antropogene rode oker duidt op het verven van objecten/materiaal. 11. Kunnen meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend?
Er lijkt sprake te zijn van één bewoningsfase uit de Midden Bronstijd en Vroege IJzertijd, hoewel geen duidelijk woongebouw is aangetroffen. Dit bevindt zich vermoedelijk aan de rand van het opgegraven areaal. 12. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?
Rond de Midden IJzertijd is het terrein kort in onbruik geraakt, getuige een hiaat in datering van het aardewerk, waarna het gedurende de Late IJzertijd als akker in gebruik is genomen. Dit heeft voortgeduurd tot in de Nieuwe tijd, al dan niet in wisselende mate van intensiteit. LANDSCHAP EN BODEM
13. Wat is de fysieklandschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)?
De vindplaats is gelegen op een dekzandrug aan de rand van een depressie. Oorspronkelijk zal het reliëf geprononceerder zijn geweest dan in de profielen is vastgelegd. 14. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden?
Hoewel er een depressie is aangetroffen in het oosten is alleen de podzolbodem aangetroffen en dus geen pakket geschikt voor bemonstering. 15. Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het esdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming/ontwikkeling van dit esdek?
Het esdek herbergt een beperkt aantal vondsten. Daarom kan weinig uitspraak gedaan worden over de ouderdom en vorming. Vondsten als een pijpenkopje, en steengoed spinsteentjes duiden op een datering in de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Wel is een middeleeuwse akkerlaag aangetroffen, welke dateert tussen ca. 700 en 1250 na Chr. Het esdek is daarna opgeworpen, wat deze datering bevestigd. 16. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan?
Een groot deel van de oorspronkelijke bodem is afgetopt door landbouwactiviteiten in het verleden, waardoor het oorspronkelijke reliëf is afgevlakt en sporen en vondsten als gevolg daarvan zijn verdwenen of verplaatst. 17. Wat is de invloed van het gevormde esdek op de archeologische niveaus? Dekt het esdek alle sporen af of zijn er ook sporen gegraven vanuit of door het esdek?
Het esdek zorgt tot op zekere hoogte voor bescherming van het archeologische niveau, hoewel dit niet overal even dik is. De agrarische activiteit in de Late IJzertijd en Vroege/Volle Middeleeuwen heeft de top van de C-horizont aangetast vóórdat het plaggendek is opgeworpen. Ook hebben agrarische werkzaamheden in het recentere verleden de bodem verstoord, getuige de plantbedden die plaatselijk onder het esdek uitkwamen. Bij een doorstart naar een opgraving worden zo nodig aanvullende onderzoeksvragen door middel van een oplegblad aan dit PvE toegevoegd.
50
BIJLAGE 3. KAARTMATERIAAL
Bijlage 3.1 Gerwen - Kerkakkers. Geinterpreteerde allesporenkaart (ASK) van het westelijke deel van de opgraving. Werkputnummers aangeduid. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: paalkuil, C: kuil, D: wandgreppel, E: natuurlijke verstoring, F: ploegspoor/plantbed.
51
Bijlage 3.2. Gerwen - Kerkakkers. Geïnterpreteerde allesporenkaart (ASK) van het oostelijke deel van de opgraving. Werkputnummers aangeduid. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: (paal)kuil, C: B-horizont, D: B/C-horizont, E: plantbed, F: perceelsgreppel.
52
Bijlage 3.3. Gerwen - Kerkakkers. Periodekaart van het oostelijke deel van de opgraving met genummerde sporen. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: Late Bronstijd-Vroege IJzertijd, C: Nieuwe Tijd, D: modern/natuurlijk.
53
Bijlage 3.4. Gerwen - Kerkakkers. Periodekaart van het oostelijke deel van de opgraving met genummerde sporen. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: Late Bronstijd-Vroege IJzertijd, C: Nieuwe Tijd, D: modern/natuurlijk.
54
Bijlage 3.5. Gerwen - Kerkakkers. Genummerde allesporenkaart (ASK) van vlak 2 in het westelijke deel van de opgraving. Schaal 1:250. A: wel/niet opgegraven, B: archeologische sporen, C: plantbedden, D: contouren vlak 1.
55
Bijlage 3.6. Gerwen - Kerkakkers. Allesporenkaart (ASK) van het oostelijke deel van de opgraving geprojecteerd op de vlakhoogtekaart. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: vlakhoogte 16,7045 - 16,2284, C: archeologisch spoor, D: plantbed.
56
Bijlage 3.7. Gerwen - Kerkakkers. Allesporenkaart (ASK) van het oostelijke deel van de opgraving geprojecteerd op de vlakhoogtekaart. Schaal 1:500. A: wel/niet opgegraven, B: vlakhoogte 16,7045 - 16,2284, C: archeologisch spoor, D: plantbed.
57
Bijlage 3.8. Gerwen - Kerkakkers. Geplande bouwwerkzaamheden in het plangebied ten opzichte vande gerealiseerde werkputten. A: onderzoeksgebied, B: werkputten.
58
BIJLAGE 4
SPORENLIJST
60
61
62
63
64
65
66
67
68
BIJLAGE 5
VONDSTENLIJST
69
70
71
72