CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Kerkakker 2023 - Bijlage 3 Archeologisch proefsleufonderzoek

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Kerkakkers15.977 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving langs de Kerkakkers te Gerwen, Gemeente Nuenen Luc Pasteels



Archeologisch proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving langs de Kerkakkers te Gerwen, Gemeente Nuenen LUC PASTEELS

Met bijdragen van: MARK GROENHUIJZEN JELLE VAN HEMERT ALLINE SINKE VALENTIJN VAN DEN BRINK

Zuidnederlandse Archeologische Notities

1180

Amsterdam 2023 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

COLOFON

Opdrachtgever: Project: Uitvoerder: Projectcode:

Autobedrijf Tonnie van der Heijden B.V. Gerwen-Kerkakkers VUhbs archeologie GER-KER-21

Centrum coördinaat:

167.390/388.526

Onderzoeksmelding:

5098451100

Status:

definitief

Uitvoering: voorbereiding veldwerk evaluatie uitwerking deponering

juli 2021-mei 2023 juli 2021 juli 2021 augustus 2021 april-augustus 2023

Auteur: Bijdragen: Autorisatie: Illustraties: Omslagontwerp:

Luc Pasteels V. van den Brink/M. Groenhuijzen/J. van Hemert/A. Sinke M. Bink L. Pasteels/M. Groenhuijzen M. Kriek

ISBN:

mei 2025

978-94-6457-170-7

©VUhbs archeologie, Amsterdam, augustus 2023 De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM 1

SAMENVATTING Van maandag 26 juli 2021 tot woensdag 28 juli 2021 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek gestart aan Kerkakkers te Gerwen in opdracht van Tonnie van der Heijden B.V. Het perceel bestaat uit twee delen waarvoor beide een dubbelbestemming voor archeologie bestaat. Eén deel ten oosten van de weg Kerkakkers (NNN00-B-4990) en één deel ten westen van de weg Kerkakkers (NNN00-B-5465). De opdrachtgever is voornemens verspreid over de twee deelgebieden nieuwbouwwoningen te realiseren in zes blokken van ca. 1000 m2. Dit zal gepaard gaan met een bodemverstoring dieper dan 50 cm -mv, waardoor de minimale waarden voor de archeologische onderzoeksplicht (vanaf 500 m2 en 50cm -mv) worden overschreden. De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt 8.495 m2. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is binnen het plangebied een vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureaustudie en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Op basis van het vooronderzoek is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor een vindplaats uit de perioden Paleolithicum tot Middeleeuwen. Om de aard, omvang en kwaliteit van de archeologische waarden vast te stellen is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd waar de te realiseren bouwplannen de bodem zullen verstoren.

Het IVO-P en de opgraving zijn uitgevoerd conform de eisen die zijn opgesteld in het PvE en de vigerende KNA (versie 4.1, protocollen 4003 en 4004). Ten tijde van het proefsleuvenonderzoek bleek al snel dat archeologische resten bewaard zijn gebleven in de bodem en sprake is van een vindplaats. Daarop is in samenspraak met de opdrachtgever en het bevoegd gezag besloten om over te gaan tot een doorstart waarbij de contouren van de geplande bouwwerken zijn opgraven. Het onderzoeksgebied is gelegen op een dekzandrug met enig reliëf. in het laagste deel (werkput 6) was een podzolprofiel nog geheel aanwezig, terwijl die elders in het onderzoeksgebied geheel ontbreekt. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het gebruik voor landbouw in het verleden, waarbij de hoogten geleidelijk zijn afgevlakt. Dat het terrein is gebruikt voor landbouw in het verleden blijkt tevens uit het voorkomen van twee akkerlagen, die gedateerd zijn in de IJzertijd en de Middeleeuwen. Een plaggendek is opgebracht door de toepassing van plaggenbemesting vanaf de Late Middeleeuwen. Inclusief de huidige bouwvoor heeft het een dikte van 52-110 cm. De meeste sporen die zijn aangetroffen dateren uit de prehistorie. Deze datering is gebaseerd op de stratigrafie – onder de middeleeuwse akkerlaag en onder/in de ijzertijdakkerlaag – en het vondstmateriaal, dat grotendeels handgevormd aardewerk is.

Met name in het westen van het plangebied is een grote cluster sporen aangetroffen welke vermoedelijk tot een structuur uit de Midden BronstijdVroege IJzertijd behoort. Hoewel hier geen duidelijke (gebouw)structuur is herkend zijn in de rapportage enkele aanknopingspunten aangedragen voor een of meerdere concrete structuren. Dit zijn een groep duidelijke en relatief diep ingegraven paalkuilen in werkput 8/5 en een rij paalkuilen in het oosten die tevens overtuigender waren dan de rest. Ook zijn verspreid over de sporencluster een drietal kuilen aangetroffen met houtskoolinclusie en relatief veel vondstmateriaal, die aandoen als haard- of afvalkuil en duiden op bewoningsactiviteit. In het oostelijke deel van de opgraving zijn sporen teruggevonden die vermoedelijk twee of drie kleinere structuren hebben gevormd. Verder oostelijk ligt een depressie en een perceleringsgreppel. Het lijkt er op dat meeste menselijke activiteit in de Midden-Bronstijd tot VroegeIJzertijd heeft plaatsgevonden. Hiertoe behoren dan ook de meeste archeologische grondsporen. Gedurende deze periode zullen één of meerdere kleine, houten gebouwstructuren op de beide deelgebieden hebben gestaan. In de Late IJzertijd/Vroeg Romeinse Tijd en ook in de Middeleeuwen is een akkerlaag gevormd, waarna gedurende de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd een esdek (plaggendek) is opgeworpen.

Het jongste aardewerk betreft onder andere roodbakkend aardewerk met spaarzaam aangebracht glazuur, Rijnlandse lichtgekleurde baksels met grof zand, kogelpotten en enkele scherven steengoed. Dit is afkomstig uit het esdek. Het oudste materiaal dateert hoogstwaarschijnlijk in de Midden Bronstijd en is afkomstig uit de grondsporen. Opvallend echter is de afwezigheid van typisch Midden IJzertijd 2

materiaal. Meest waarschijnlijk is dat het aardewerk daterend vanaf de Midden Bronstijd tot en met het eerste deel van de Vroege IJzertijd met het gebruik van het gebied geassocieerd kan worden. Verder zijn twee prehistorische spinsteentjes aangetroffen, evenals enkele fragmenten Romeinse tegulae en een brokje vermoedelijke rode oker. Op het terrein lijkt, zowel ten oosten als ten westen van de weg Kerkakkers, sprake te zijn van een archeologische vindplaats uit de Midden-Bronstijd tot Vroege IJzertijd. De sporen uit deze perioden worden afgedekt door een akkerlaag uit de IJzertijd, en plaatselijk ook door een akkerlaag uit de Middeleeuwen. Over het gehele plangebied is gedurende de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd een esdek opgebracht van 60-20cm dik. Het esdek zorgt ervoor dat de grondsporen relatief goed bewaard zijn gebleven, hoewel de oudere akkerlagen uit de IJzertijd en Middeleeuwen de grondsporen tot op zekere hoogte hebben verstoord. De vindplaats uit de Midden-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd met bewoningssporen lijkt zich over het gehele plangebied uit te strekken, met uitzondering van de natuurlijke depressie in het oosten. In het uiterste westen neemt de sporendichtheid af.

Op basis van de huidige onderzoeksresultaten kan voor de directe omgeving van het plangebied een voortzetting worden verwacht van sporen van bewoningsactiviteit uit de Late Prehistorie in de vorm van in ieder geval spiekers en huisplattegronden. Het belang van dergelijk onderzoek bij toekomstige bodemingrepen is groot, aangezien in de omgeving van Gerwen maar weinig definitief gravend onderzoek is uitgevoerd waarbij dergelijke sporen uit de Late Prehistorie aan het licht zijn gekomen.

3

INHOUD Inhoud ............................................................................................................................................4 1

Inleiding ......................................................................................................................................6

2

Vooronderzoek ...........................................................................................................................7 2.1

Inleiding ..............................................................................................................................7

2.2

Onderzoek binnen het plangebied ........................................................................................7

2.2

Onderzoek in de omgeving van het plangebied ....................................................................8

3

Doelstellingen............................................................................................................................ 10

4

Methode ................................................................................................................................... 12

5

6

7

4.1

Inleiding ............................................................................................................................ 12

4.2

Proefsleuvenonderzoek ...................................................................................................... 12

4.3

Opgraving ......................................................................................................................... 13

4.4

Algemene werkwijze.......................................................................................................... 14

Fysische geografie ...................................................................................................................... 16 5.1

Inleiding ............................................................................................................................ 16

5.2

Achtergrond ...................................................................................................................... 16

5.3

Stratigrafie en bodem ......................................................................................................... 19

5.4

Landschappelijke interpretatie............................................................................................. 22

Sporen en structuren.................................................................................................................. 23 6.1

Inleiding ............................................................................................................................ 23

6.2

Conservering en gaafheid van de grondsporen .................................................................... 23

6.3

Beschrijving van de resultaten ............................................................................................ 23

Vondsten ................................................................................................................................... 33 7.1

Inleiding ............................................................................................................................ 33

7.2

Aardewerk van Gerwen- kerkakkers................................................................................... 33

7.3

Overige keramiek en bouwmateriaal .................................................................................. 35

7.4

Natuursteen en vuursteen ................................................................................................... 37

7.5

Metaal ............................................................................................................................... 38

7.6

Macrobotanie..................................................................................................................... 39

7.7

Verbrand bot ..................................................................................................................... 39

7.8

Slakmateriaal ...................................................................................................................... 39

7.9

Rode oker ......................................................................................................................... 40

7.10

Conclusie........................................................................................................................... 40

8

Waardering / Conclusie............................................................................................................. 41

9

Literatuur .................................................................................................................................. 43 Bronnen ........................................................................................................................................ 43 4

Internetbronnen ............................................................................................................................ 44 Figuren en tabellen ............................................................................................................................ 45 Bijlagen ............................................................................................................................................. 47 Bijlage 1: overzicht archeologische perioden .................................................................................. 47 Bijlage 2: beantwoording onderzoeksvragen ................................................................................... 48 Bijlage 3. Kaartmateriaal ................................................................................................................ 51 Bijlage 4

Sporenlijst .................................................................................................................. 59

Bijlage 5

Vondstenlijst .............................................................................................................. 69

5

1

INLEIDING

Op maandag 26 juli 2021 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek gestart aan Kerkakkers te Gerwen in opdracht van Tonnie van der Heijden B.V. Vanwege de geplande bouwwerkzaamheden wordt de bodem tot in het archeologisch niveau verstoord. Het perceel bestaat uit twee delen waarvoor beide een dubbelbestemming voor archeologie geldt. Eén deel ten oosten van de weg Kerkakkers (NNN00-B4990) en één deel ten westen van de weg Kerkakkers (NNN00-B-5465). Beide terreinen zijn in gebruik als gras/weiland. De opdrachtgever is voornemens verspreid over de twee deelgebieden nieuwbouwwoningen te realiseren binnen zes blokken van ca. 1000 m2. Dit zal gepaard gaan met een bodemverstoring dieper dan 50 cm -mv. Hiermee worden de randvoorwaarden voor vrijgeven van het terrein overschreden. Om de archeologische waarden van de plangebieden te bepalen zijn proefsleuven aangelegd. Onderzoek is verplicht wanneer de verstoring groter en dieper gaat dan 500m2 en 50cm maaiveld. Ten tijde van het proefsleuvenonderzoek bleek al snel dat archeologische resten bewaard zijn gebleven in de bodem en een (behoudenswaardige) vindplaats vormen. Daarom is besloten in samenspraak met het bevoegd gezag en de opdrachtgever om het proefsleuvenonderzoek door te zetten en om op het westelijke terrein binnen de contouren van de geplande bouwwerken op te graven.

Het veldwerk heeft drie dagen in beslag genomen, waarbij een tiental werkputten proefsleuven zijn aangelegd van wisselende omvang. Het veldteam heeft bestaan uit Martijn Bink (Senior KNAarcheoloog en projectleider), Mette van de Merwe (KNA-Archeoloog BSc), Yannic Rabbou (archeoloog MA) en Luc Pasteels (archeoloog BSc). Het evaluatieverslag is geschreven door Mette van de Merwe. De rapportage is gedaan door Luc Pasteels. Het rapport is als volgt opgebouwd. Eerst wordt een beschrijving gegeven van het vooronderzoek, waarna achtereenvolgens de doel- en vraagstelling, de werkwijze, het landschap, sporen en structuren, vondsten en tot slot een conclusie worden behandeld. In de bijlagen is een beantwoording van de onderzoeksvragen opgenomen, evenals relevant kaartmateriaal en de sporen- en vondstenlijsten.

Figuur 1.1. Gerwen - Kerkakkers. De ligging van het Gerwen binnen Nederland met als inzet de ligging van het onderzoeksgebied in de directe omgeving.1 Bron: opentopo/van de Merwe 2021.

1

van de Merwe 2021, 4.

6

2

VOORONDERZOEK

2.1

INLEIDING

Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is binnen het plangebied een vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureaustudie en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.2 Deze twee onderzoeken zijn als één geheel uitgevoerd door Transect in 2018. De resultaten van dit onderzoek worden toegelicht in paragraaf 2.2. Binnen het plangebied heeft geen ander archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Wel zijn in de directe omgeving van Gerwen verschillende onderzoeksmeldingen en twee vondstmeldingen gedaan. Deze worden behandeld in paragraaf 2.3. 2.2

ONDERZOEK BINNEN HET PLANGEBIED

Het vooronderzoek bestond zoals benoemd uit een bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (zaakidentificatienummer 4646666100). Het bureauonderzoek wees uit dat het onderzoeksgebied op een relatief hoger gelegen gebied ligt in het Zuid-Nederlands dekzandlandschap. Dit betekent dat het terrein geschikt is geweest voor bewoning vanaf het Paleolithicum. Bovendien is het terrein gekarteerd als enkeerdgrond, waardoor eventuele archeologische resten beschermd kunnen zijn door dit opgebrachte pakket. Afhankelijk van de dikte van dit pakket zullen de archeologisch resten zich vanaf ca 50 cm onder het maaiveld kunnen bevinden. Historisch kaartmateriaal heeft geen indicatie van bebouwing gegeven na 1832.3 Het toponiem ‘Kerkakkers’, naam van de aangrenzende weg en op de kadastrale minuut aangegeven voor verzameling van omliggende percelen, doet dan ook vermoeden dat het terrein lang als landbouwgrond in gebruik is geweest, al dan niet in eigendom of nabijheid van de St. Clementskerk van Gerwen. Al in het veld was aan het maaiveld een hoger reliëf te herkennen op het westelijke perceel. In het uiterste Zuidoosten van het plangebied lag het maaiveld juist relatief laag. Binnen het plangebied bevindt zich dus een mooie overgang in reliëf van hoog- naar laaggelegen terrein over de west-oostelijke as. In de boringen bleek de bodem als volgt opgebouwd.

Onder de bouwvoor, dat de bovenste 30 cm beslaat, is een esdek waargenomen met een dikte van 70 tot 90 cm. Hieronder is in enkele boringen een bruingrijze cultuurlaag aangetroffen die is geïnterpreteerd als mogelijke akker- of cultuurlaag. De top van het dekzand bevindt zich tussen 100 en 130 cm onder het maaiveld. Enkel in boring 8, aan de rand van de eerder genoemde laagte, is een intacte podzolbodem waargenomen. Er zijn enkele boringen gezeefd waaruit houtskool, vuur- en/of natuursteen, enkele fragmenten vermoedelijk prehistorisch aardewerk en nieuwetijdse vondsten afkomstig zijn. Op basis van bovenstaande waarnemingen is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor een vindplaats uit de perioden Paleolithicum tot Middeleeuwen. Om de aard, omvang en kwaliteit van de archeologische waarden vast te stellen is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd waar de te realiseren bouwplannen de bodem zullen verstoren.4 De gemeente heeft met kennisneming van de bovenstaande resultaten het advies overgenomen en bepaald dat een proefsleuvenonderzoek nodig is bij een bodemverstoring dieper dan 50 cm.5

2

Lepage 2018.

3

idem, 12-22. idem, 23-27; bijlage 9.

4 5

Maas 2021, 4-5.

7

2.2

ONDERZOEK IN DE OMGEVING VAN HET PLANGEBIED

In de omgeving van het plangebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd en vondstmeldingen gedaan. Deze staan opgesomd in tabel 2.1. De topografische ligging ten opzichte van het onderhavige plangebied is weergeven in figuur 2.1. In het bureau- en booronderzoek van Transect zijn de onderzoeken reeds toegelicht en dat zal hier dan niet nogmaals beschreven worden.6 Wel wordt een kort resumé gegeven over de stand van zaken van het onderzoek in de omgeving en worden opvallende waarnemingen uitgelicht.

Tabel 2.1. Gerwen – Kerkakkers. Archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied (<500m).

Het onderzoek in de omgeving van het plangebied Gerwen-Kerkakkers beperkt zich tot dusver vooral tot archeologisch vooronderzoek en begeleidingen. Dit betekent dat er nog weinig definitief gravend onderzoek is gedaan rondom de plaats Gerwen. De booronderzoeken adviseren voor zover bekend geen vervolgonderzoek. Het gravend onderzoek heeft geen sporen van bewoning opgeleverd, behoudens de archeologische begeleiding door Transect in 2021 (zaakidentificatienummer 4931689100). Hier werden de resten van een erf of buitenplaats behorend tot de laatmiddeleeuwse fase van de St. Clemenskerk aangetroffen.7 Gezien de ligging van deze vindplaats in de kern van Gerwen lijkt deze weinig representatief voor onderhavig plangebied, behalve dat de akkers mogelijk tot de St. Clemenskerk hebben behoord. Hetzelfde geldt voor de vondsten behorende tot een mogelijke houten voorganger van de St. Clemenskerk (zaakidentificatienummer 2770073100), gedaan in 1977.8 Opvallend is verder nog de particuliere vondstmelding (zaakidentificatienummer 3244806100), ca. 375 m ten westen van het onderzoeksgebied, welke onder andere spreekt van besmeten handgevormd aardewerk uit de IJzertijd, een stuk slijp/wetsteen uit de Middeleeuwen/Nieuwe Tijd en wandfragmenten van een Romeinse dolium. Dit komt overeen met de vondsten van onderhavig onderzoek, zoals uit deze publicatie zal blijken.

6

Lepage 2018, p. 14-15.

7

van Bussel/Sonneveld/Rendering 2021.

8

Lepage 2018, p. 14.

8

Figuur 2.1. Gerwen – Kerkakkers. In de tekst behandelde archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied (<500m). Schaal 1:10.000. Bron: Archis2/openstreetmap. A: topografische situatie, B: archeologische onderzoeksmeldingen met zaakidentificatienummer, C: archeologische vondstmeldingen met zaakidentificatienummer, D: onderzoeksgebied.

9

3

DOELSTELLINGEN

De doelstelling van het archeologische proefsleufonderzoek is geformuleerd in het PvE en luidt als volgt:9

‘(...) het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek en het documenteren van gegevens en het veilig stellen van materiaal om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden.’ In het geval van een doorstart naar een opgraving wordt de doelstelling aangevuld met het ex-situ behouden van de aangetoonde archeologische vindplaats. Ter ondersteuning van bovenstaande doelstelling zijn de volgende onderzoeksvragen in het PvE opgenomen: ALGEMEEN

1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werkof weersomstandigheden? 3. Hoe sluit het onderzoek en de verkregen onderzoeksresultaten aan bij de resultaten van het vooronderzoek? GAAFHEID EN CONSERVERING VAN DE VINDPLAATSEN

4. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? PERIODEN EN SITES

6. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? 7. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? 8. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype / functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 9. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.?

9

Maas 2021, 7-9.

10

10. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 3 aan te geven? 11. Kunnen meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? 12. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? LANDSCHAP EN BODEM

13. Wat is de fysieklandschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 14. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden? 15. Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het esdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming/ontwikkeling van dit esdek? 16. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan? 17. Wat is de invloed van het gevormde esdek op de archeologische niveaus? Dekt het esdek alle sporen af of zijn er ook sporen gegraven vanuit of door het esdek? Bij een doorstart naar een opgraving worden zo nodig aanvullende onderzoeksvragen door middel van een oplegblad aan dit PvE toegevoegd.

11

4

METHODE

4.1

INLEIDING

Het onderzoek bestond uit twee onderzoeksfasen: het proefsleuvenonderzoek en de doorstart naar een opgraving. De werkwijze met betrekking tot de ligging van de werkputten zal in dit hoofdstuk dan ook afzonderlijk per onderzoeksfase worden behandeld. Daarna volgt een korte beschrijving van de algemeen gehanteerde methode die betrekking heeft op het gehele onderzoek. 4.2

PROEFSLEUVENONDERZOEK

Het IVO-P is uitgevoerd conform de eisen die zijn opgesteld in het PvE de vigerende KNA (versie 4.1, protocol 4003).10 In het PvE is een sleuvenplan opgenomen voor het te onderzoeken terrein. Het plan omvat acht proefsleuven van 4 bij 20 meter, wat uitkomt op een te onderzoeken oppervlakte van 640 m2. Dit komt neer op 7,5 % van het totale plangebied (8.495 m2). Daarnaast kon 160 m2 extra worden aangelegd indien dit noodzakelijk is om eventuele vindplaatsen voldoende te begrenzen of vraagstellingen te beantwoorden. De proefsleuven liggen gelijkmatig verspreid over het plangebied in stippellijnpatroon om zo een compleet mogelijk beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het gehele terrein. Ook worden met deze opstelling nutsleidingen in het zuiden van het plangebied vermeden.11 Gedurende het onderzoek in het westelijke deel van het plangebied is het puttenplan grotendeels aangehouden (fig. 4.1), behoudens enkele onregelmatigheden van het graafwerk. Uit deze vier sleuven werd al snel duidelijk dat hier sprake was van een archeologische vindplaats. Hierop is het bevoegd gezag geraadpleegd en is in overleg besproken om direct over te gaan tot een opgraving. De oostelijke vier proefsleuven zijn dan ook komen te vervallen en hier zijn direct de voorziene bouwkavels opgegraven.

Uiteindelijk is tijdens het proefsleuvenonderzoek 266,55 m2 opgegraven voordat de doorstart tot opgraving van start is gegaan.

Figuur 4.1. Gerwen - Kerkakkers. Het vooraf opgestelde puttenplan ten opzichte van de aangelegde proefsleuven en de topografische situatie. Schaal 1:2000. Bron: openstreetmap. A: topo/opgegraven, B: puttenplan, C: onderzoeksgebied.

10

SIKB 2018; Maas 2021, 9-12.

11

Maas 2021, 9.

12

4.3

OPGRAVING

Ook de opgraving is uitgevoerd conform de eisen die zijn opgesteld in het PvE en de vigerende KNA (versie 4.1, protocol 4004). Op basis van de vier proefsleuven is vastgesteld dat de vindplaats zich hoogstwaarschijnlijk over het gehele onderzoeksgebied uitstrekt, of minstens over het gehele westelijke gedeelte. Naar aanleiding van dit gegeven zijn, zoals bepaald in het PvE, de bouwblokken zoals aangegeven op het bouwplan (zie bijlage 3.8) vlakdekkend opgegraven. De vindplaats en de daarin aanwezigearcheologische resten, waar deze door de bouwwerkzaamheden verstoord zouden worden, zijn daarbij ex-situ bewaard. Hoewel het oostelijke gedeelte van het plangebied niet is onderzocht door middel van proefsleuven, zijn ook deze kavels direct opgegraven tijdens de doorstart. In overleg werd het namelijk niet bevorderlijk geacht voor de werkzaamheden om eerst de proefsleuven te graven en daarna opnieuw te bepalen of ook hier een opgraving nodig was. Dit heeft geresulteerd in het uiteindelijk opgraven areaal zoals te zien op figuur 4.2, wat een opgegraven oppervlakte van in totaal 1353 m2 beslaat. De stroken tussen de bouwkavels zijn niet opgegraven en worden op deze manier in situ behouden. Met uitzondering van een zone rond werkput 5/8 is volstaan met één archeologisch vlak, omdat de sporen overwegend goed afstaken ten opzichte van de ondergrond – hetzij C-horizont dan wel akkerlaag.

Nadat het eerste vlak was gedocumenteerd is plaatselijk ook een tweede vlak aangelegd omdat een akkerlaag uit de IJzertijd maakte dat sporen uit diezelfde periode plaatselijk slecht herkenbaar waren. Het tweede vlak diende dus ter controle om eventueel niet herkende sporen alsnog te kunnen documenteren en is aangelegd in de top van de onverstoorde C-horizont, net onder de IJzertijdakkerlaag, ca. 10-20 cm lager (16,50 m +NAP/1m -mv. De oppervlakte van het tweede vlak besloeg ca 336 m2.

Figuur 4.2. Gerwen - Kerkakkers. Het totale opgegraven areaal ten opzichte van het vooraf opgestelde proefsleuvenplan en de topografische situatie. Schaal 1:2000. Bron: openstreetmap. A: topo/werkput, B: puttenplan proefsleuven, C: onderzoeksgebied, D: vlak2.

13

4.4

ALGEMENE WERKWIJZE

De bodem is laagsgewijs verdiept tot op het archeologische vlak door een kraan met gladde bak. Hierbij is het eerste niveau waarop sporen zichtbaar waren aangehouden, wat over het algemeen de top van de IJzertijd-akkerlaag dan wel C-horizont betrof. De bovengrond na elke haal van de kraan zowel visueel als met een metaaldetector – zonder discriminatie op ferro – afgezocht op vondstmateriaal. Vondsten aangetroffen tijdens de aanleg zijn verzameld en ingemeten in vakken van 2x2. De hoogte van het eerste vlak varieerde van 15,45 m +NAP in het oosten tot 18,4 m +NAP in het midden van het plangebied (zie bijlage 3.6/7). De hoogte van het tweede vlak lag rond 16,50 m +NAP waarbij dezelfde werkwijze is gehanteerd. Indien zich archeologische sporen voordeden zijn deze handmatig opgeschaafd met de schep en door de projectleider ingekrast met een schep of kraspen. Het vlak is in zijn geheel gefotografeerd en daarna digitaal ingetekend met een GPS. Hierbij worden de ingekraste lijnen getekend evenals de putomtrek, vlak- en maaiveldhoogte. Alle grondsporen zijn op een veldlaptop individueel beschreven in de database. Daarop vormen als uitzondering recente verstoringen en plantbedden, welke telkens hetzelfde spoornummer hebben ontvangen. Tijdens het proefsleuven is een representatieve steekproef van de sporen gecoupeerd, maar tijdens de opgraving zijn alle sporen gecoupeerd.

De coupes zijn handmatig laagsgewijs verdiept met de schep waarbij aandacht geschonken is voor vondstmateriaal. Vondsten zijn per spoor per onderscheiden vulling verzameld en ingemeten op het vlak bij het desbetreffende spoor. Bijzondere vondsten zoals metaal zijn ingemeten als puntvondst (driedimensionaal). ingemeten. Iedere coupe is met de GPS ingemeten en voorzien van een P-nummer welke via de database gerelateerd is aan een foto en coupetekening. Iedere coupe is gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Uitzondering hierop vormen enkele ondiepe sporen (<10cm) en sporen die in het profiel natuurlijk of overblijfselen van de akkerlaag bleken te zijn. Per proefsleuf zijn twee profielen gedocumenteerd teneinde fysisch-geografisch onderzoek. Deze zijn eveneens vastgelegd middels foto en tekening op schaal 1:20. Hoogtes zijn bepaald relatief ten opzichte van één of twee met de GPS ingemeten meetpennen in het profiel. Omdat geacht werd dat middels deze profielen de fysische geografie van het onderzoeksgebied voldoende in kaart was gebracht zijn tijdens de opgraving geen aanvullende profielen meer gedocumenteerd. Wel zijn in het oostelijke deelgebied per werkput twee profielen gezet zoals dat bij proefsleuven zou zijn gedaan. Tijdens het onderzoek is één monster genomen ten behoeve van macrobotanische analyse en C-14 datering.

Het monster is afkomstig uit een kuil (S5.40) met relatief veel houtskool in de vulling. Alle sporen zijn naderhand – deels handmatig en deels machinaal - afgewerkt.

14

Figuur 4.3: Gerwen - Kerkakkers. Impressie van de werkzaamheden in het veld. A: het vlak wordt aangelegd, B: documentatie van de sporen, C: de sporen worden ingemeten.

15

5

FYSISCHE GEOGRAFIE

Mark Groenhuijzen/Luc Pasteels 5.1

INLEIDING

Tijdens het onderzoek is fysisch geografisch onderzoek verricht om de landschappelijke context van het plangebied nader te bepalen. In dit hoofdstuk wordt allereerst een overzicht gegeven van de bekende gegevens over de landschappelijke context en stratigrafie van het onderzoeksgebied. Vervolgens worden de resultaten van het huidige onderzoek gepresenteerd en geplaatst in de bestaande context.

5.2

ACHTERGROND

Het plangebied op de Kerkakkers te Gerwen ligt in het oostelijk deel van het Brabantse zandgebied. Het is gelegen in de Roerdalslenk, een tektonisch dalingsgebied tussen het Kempen Blok in het westen en de Peelhorst in het oosten. De Roerdalslenk is onderdeel van het Beneden-Rijnbekken en werd gevormd in het Laat-Oligoceen (ca. 23-28 miljoen jaar geleden) op reeds aanwezige tektonische structuren.12 Tijdens het daaropvolgende Mioceen en Plioceen werd de dalende slenk opgevuld met voornamelijk mariene afzettingen (Formaties van Breda en Oosterhout). Gedurende het Vroeg-Pleistoceen kwam de slenk onder invloed van de Rijn en Maas, en daardoor ontstond een opvulling van fluviatiel sediment (Formaties van Sterksel en Beegden); deze liggen in het plangebied tegenwoordig op circa 26 meter diepte.13 De daarboven gelegen sedimenten zijn afgezet tijdens het Pleistoceen door voornamelijk eolische processen, en worden gerekend tot de Formatie van Boxtel.14 De vorm van het huidige landschap is voornamelijk bepaald tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 116.000-11.700 jaar geleden). Richting het einde van het Weichselien, gedurende het Laat-Pleniglaciaal (ca. 28.000-14.500 jaar geleden), werden de zogenoemde dekzanden afgezet. Door de lage vegetatiedichtheid kon zand op grote schaal door de wind verplaatst worden en afgezet worden in vlakdekkende pakketten.

Deels is dit zand ook omgewerkt door smeltwater, waardoor ook wel gesproken wordt van fluvioeolische afzettingen. Tijdens twee later koude fases in het Weichselien, het Oude en Jonge Dryas, is het dekzand nogmaals door de wind omgewerkt, waardoor dekzandruggen zijn gevormd. Voorheen werd daarom ook wel het onderscheid gemaakt in het Oude Dekzand en Jonge Dekzand, maar vanwege de geringe lithologische verschillen kunnen beiden tegenwoordig gerekend worden tot het Laagpakket van Wierden in de Formatie van Boxtel.15 Binnen het dekzandlandschap liggen een aantal beekdalen die al grotendeels gevormd waren tijdens het Weichselien of zelfs eerder, waaronder het beekdal van de Hooidonkse Beek, die op 500 m ten zuiden van het onderzoeksgebied stroomt. Vanaf 350 m ten zuidoosten van het onderzoeksgebied stroomt ook een kleine zijbeek die richting het zuidwesten afwatert op de Hooidonkse Beek. Deze beekdalen kunnen gedurende het Holoceen (sinds 11.700 jaar geleden) opgevuld zijn met klei, leem, lemig zand en lokaal zelfs zeer fijn tot grof zand. Plaatselijk kon ook veenvorming plaatsvinden in een eutroof (voedselrijk) milieu. De beekdalopvullingen worden in zijn geheel gerekend tot het Laagpakket van Singraven in de Formatie van Boxtel.16

12

Geluk et al. 1994.

13

Gebaseerd op boring B51E0003, geplaatst nabij de kruising Kerkakkers/Heuvel op 230 m ten noorden van het

onderzoeksgebied (www.dinoloket.nl). 14

TNO-GDN 2021.

15

TNO-GDN 2021.

16

TNO-GDN 2021; Berendsen 2008, 286-87.

16

Op de geomorfologische kaart (figuur 5.1) is te zien dat het plangebied is gesitueerd in het dekzandlandschap, en wel op een dekzandrug die naar het oosten (bij werkput 6) overgaat naar dekzandwelvingen.17 Richting het zuiden, naar het dal van de Hooidonkse Beek, komt een dekzandvlakte voor. Het beeld dat naar voren komt uit de geomorfologische kaart wordt grotendeels bevestigd in het natuurlijke reliëf dat zichtbaar is in het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN, figuur 5.2).18 Het deel ten westen van de Kerkakkers is het hoogst gelegen, namelijk tussen 17.4-17.9 m NAP. De oostelijke helft van het onderzoeksgebied ligt aanvankelijk tussen 17.4-17.6 m NAP, maar dit loopt richting het oosten (naar werkput 6) verder af tot 16.6 m NAP. Dit is nog wel hoger gelegen dan de dekzandvlakte ten zuiden van het onderzoeksgebied, waar de maaiveldhoogtes aflopen tot beneden 16 m NAP.

Figuur 5.1. Gerwen-Kerkakkers. De ligging van de werkputten en het onderzoeksgebied ten opzichte van de geomorfologische situatie, naar Alterra 2008. Schaal 1:10.000. A: werkputten, B: onderzoeksgebied, C: dekzandrug, D: complex van dekzandwelvingen, E: dekzandvlakte, F: dalvormige laagte, G: water, H: afgraving, I: landduinen met bijbehorende vlakten en laagten, J: uitblazingskom, K: plaats Gerwen.

17

Alterra 2008.

18

Actueel Hoogtebestand Nederland 2019.

17

Figuur 5.2. Gerwen-Kerkakkers. De ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de hoogtekaart van de omgeving. Bron: AHN3. Schaal 1:10.000. A: werkputten, B: onderzoeksgebied, C: hoogte, bereik 15-18 m +NAP.

De opwarming tijdens het Holoceen (sinds 11.500 jaar geleden) en de uitbreiding van vegetatie zorgde voor een stabilisatie van het landschap, waardoor bodemvorming kon plaatsvinden. In de dekzandgronden ontstaan vanwege het neerslagoverschot en de goede doorlating van de bodem voornamelijk podzolbodems onder invloed van in- en uitspoelingsprocessen. Afhankelijk van het milieu kan er een moder- of humuspodzol ontstaan. In leemrijke milieus ontstaan voornamelijk holtpodzolgronden, in leemarme milieus ontstaan afhankelijk van het niveau van het grondwater voornamelijk haar- en veldpodzolgronden. In zeer natte milieus waar weinig inspoeling plaats kan vinden ontstaan ook wel beekeerd-, gooreerd- of vlakvaaggronden in plaats van veldpodzolgronden. In het Brabantse zandgebied zijn deze podzolgronden niet altijd aan het oppervlak terug te vinden: gedurende de Late Middeleeuwen leidde de introductie van het potstalsysteem, waarbij mest vermengd met plaggen werd opgebracht om het land vruchtbaarder te maken, tot de vorming van esdekken rond de dorpskernen. Door deze menselijke ingrepen kan (een deel van) de oorspronkelijke podzolbodem zijn opgenomen in het esdek en kan tevens het oorspronkelijke dekzandreliëf enigszins afgevlakt zijn.

De esdekken worden herkend in het bodemclassificatiesysteem als enkeerdgronden.19 Volgens de bodemkaartconcentreert het plangebied zich rondom een esdek, dat zich bodemkundig uitdrukt als een hoge zwarte enkeerdgrond in leemarm tot zwak lemig fijn zand (figuur 5.3).20 Voor het onderzoeksgebied is in oktober 2018 een verkennend booronderzoek uitgevoerd.21 Hierin is vastgesteld dat de stratigrafie bestaat uit een bouwvoor (soms met een dunne ophogingslaag) en een esdek op dekzand. De top van het dekzand bevindt zich op 100-130 cm onder maaiveld. Boven de 19

De Bakker/Schelling 1989.

20

Alterra 2006.

21

Lepage 2018.

18

dekzandafzettingen is in enkele boringen vastgesteld dat een bruingrijze cultuurlaag (oude akkerlaag of bewoningslaag) aanwezig is, gekenmerkt door een fosfaatverkleuring en houtskoolspikkels. De cultuurlaag is 10-20 cm dik en bevindt zich op 110-130 cm onder maaiveld. In één boring in het oostelijk deel, op de overgang van het hogere naar het lagere gebied, is in het dekzand nog (een restant van) een podzolprofiel waargenomen bestaande uit een E-, B- en C-horizont.22

Figuur 5.3. Gerwen-Kerkakkers. De ligging van de werkputten en het onderzoeksgebied ten opzichte van de bodemkundige situatie. Bron: Alterra 2006. Schaal 1:10.000. A: werkputten, B: onderzoeksgebied, C: hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand, D: hoge zwarte enkeerdgronden, lemig fijn zand, E: Lage enkeerdgronden; lemig fijn zand, F: Laardpodzolgronden; lemig fijn zand, G: Haarpodzolgronden; leemarmen zwak lemig fijn zand, H: Laardpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand, I: veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand, J: niet gekarteerd.

5.3

STRATIGRAFIE EN BODEM

De bodemopbouw in het onderzoeksgebied is onderzocht aan de hand van profielkolommen verspreid over alle werkputten. In totaal zijn dertien profielkolommen aangelegd van 1 m breed en ingegraven tot 30 cm onder het vlak. De bodemopbouw die hierin is aangetroffen komt goed overeen met dat van het voorgaande onderzoek. De stratigrafie in het onderzoeksgebied is inzichtelijk gemaakt aan de hand van een west-oost georiënteerd schematisch dwarsprofiel over de verschillende werkputten in figuur 5.4.

22

Lepage 2018, 24.

19

In het gehele onderzoeksgebied is allereerst een bouwvoor aanwezig aan de top van de stratigrafie (A in fig. 5.4). Deze bestaat uit donkergrijsbruin, zwak siltig zand en heeft een dikte van 20-62 cm. In werkput 9 is aan de top van de bouwvoor nog een ophogingslaag aanwezig van 20-34 cm dikte. Direct onder de bouwvoor komt een pakket voor van bruingrijs tot donkergrijsbruin, zwak siltig zand (B in fig. 5.4). Dit wordt geïnterpreteerd als een esdek (plaggendek). De basis van het esdek is gelegen op 52-110 cm onder maaiveld. Gezien de dikte van het plaggendek (>50cm) is er binnen het gehele plangebied sprake van een enkeerdgrond, hetgeen overeenkomt met de gekarteerde situatie in Figuur 5.3. Onder het plaggendek komen in een groot deel van het onderzoeksgebied, en met name in het westelijke deel, één en soms twee lagen voor die beschreven kunnen worden als akkerlagen. In figuur 5.5 is profiel 9 van werkput 5 opgenomen ter illustratie van deze stratigrafie. Op basis van vondstmateriaal en uiterlijke kernmerken kunnen deze respectievelijk in de IJzertijd en de Middeleeuwen gedateerd worden (zie paragraaf 6.3). Stratigrafisch gezien liggen deze dan ook onder het nieuwtijdse plaggendek en in de top van de C-horizont. De jongste laag is lichtgrijs tot lichtbruingrijs van kleur en opgebouwd uit zwak siltig zand (C in fig. 5.4).

Deze laag kan mogelijk ook verder vervolgd worden in het oostelijk deel, hier lijkt de oudere akkerlaag niet (meer) aanwezig te zijn. In deze laag is in profiel 9 van werkput 10 ook een groene verkleuring waargenomen, wat mogelijk het resultaat is van een fosfaatinspoeling. Deze laag heeft een dikte van 10-24 cm. De oudere laag is meer grijsbruin tot geelbruin van kleur, eveneens opgebouwd uit zwak siltig zand (D in fig. 5.4). Deze laag heeft een dikte van 10-26 cm.

Figuur. 5.4. Gerwen - Kerkakkers. West-oost georiënteerd schematisch dwarsprofiel over het onderzoeksgebied. A: bouwvoor; B: Plaggendek; C: Akkerlaag; Middeleeuwen; D: Akkerlaag IJzertijd; E: Dekzand, A-horizont; F: Dekzand. Ehorizont; G: Dekzand, B-horizont; H: Dekzand, C-horizont (of BC-horizont in P6.1 en P10.9).

Onder de akkerlagen, en waar deze ontbreken direct onder de bouwvoor, is in het gehele onderzoeksgebied de natuurlijke ondergrond aanwezig. Deze bestaat uit zwak siltig, matig fijn dekzand. Over het algemeen gaan de antropogene lagen direct over op de lichtbruine tot lichtbruingele C-horizont (H in fig. 5.4). Langs het west-oostprofiel van het plangebied is sprake van een dekzandrug/-welving die richting het oosten en westen afloopt. De top van deze dekzandrug ligt ter hoogte van de weg kerkakkers, 20

waar de podzolbodem en de akkerlagen zijn opgenomen in het plaggendek. Alleen in het oostelijke deel, namelijk het zuiden van werkput 9 en in werkput 6, is in het dekzand nog (een restant van) het oorspronkelijke podzolprofiel aanwezig (E-G in fig. 5.4). In werkput 6 was deze het minst verstoord, zoals is geïllustreerd in figuur 5.6. Het oorspronkelijke podzolprofiel bestaat hier nog uit een donkere Ahorizont, een bleekgrijze E-horizont, en een bruine B-horizont, met daaronder een geleidelijke overgang (BC-horizont) naar het oorspronkelijke moedermateriaal. Het gaat hier om een humuspodzol, maar gezien de dikte van het opgebrachte pakket kan dit nog altijd als enkeerdgrond worden gezien. In werkput 6 is de A-horizont reeds afgesneden, en in de overige werkputten ontbreekt een restant van een podzolprofiel geheel. Er zijn geen aanwijzingen voor oudere oppervlakteniveaus binnen het dekzandpakket aangetroffen.

Figuur. 5.5. Gerwen-Kerkakkers. Foto en interpretatie van profiel 9 uit werkput 5. Twee akkerlagen zijn zichtbaar onder het plaggendek, boven op het dekzand van de C-horizont. Hier is geen restant B(-C) horizont meer aanwezig.

Figuur. 5.6. Gerwen - Kerkakkers. Foto en interpretatie van profiel 1 uit werkput 6. Op de foto zijn de overgangen aangegeven in het rood.

21

5.4

LANDSCHAPPELIJKE INTERPRETATIE

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied is gelegen op een dekzandrug met enig reliëf. Oorspronkelijk zal het reliëf echter waarschijnlijk nog geprononceerder zijn geweest. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat in het laagste deel (werkput 6) een podzolprofiel nog geheel aanwezig is, terwijl die elders in het onderzoeksgebied geheel ontbreekt. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het gebruik voor landbouw in het verleden, waarbij de hoogten geleidelijk afgevlakt zijn (en het podzolprofiel is afgetopt) en tegelijk de laagten geleidelijk zijn opgevuld met materiaal (waardoor het podzolprofiel is afgedekt en bewaard is gebleven). In profiel 1 van werkput 6 is bijvoorbeeld ook boven de A-horizont in het dekzand een laag aangetroffen die enigszins afwijkt van de rest van het plaggendek, en daardoor eerder als een oude ophogingslaag kan worden getypeerd (zie fig. 5.6). Dat het terrein is gebruikt voor landbouw in het verleden blijkt tevens uit het voorkomen van twee akkerlagen, die gedateerd zijn in de IJzertijd en de Middeleeuwen. Ze zijn niet in alle werkputten waargenomen, maar dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat ze ook niet aanwezig zijn geweest. De oudste akkerlaag kan zijn verploegd gedurende het gebruik als landbouwgrond in de Middeleeuwen, en beide akkerlagen kunnen tevens zijn opgenomen in het bovenliggende plaggendek.

Dit plaggendek is gevormd door de toepassing van plaggenbemesting vanaf de Late Middeleeuwen. Inclusief de huidige bouwvoor heeft het een dikte van 52-110 cm. Wat betreft de gaafheid van het profiel kan geconcludeerd worden dat in een groot deel van het onderzoeksgebied (uitgezonderd werkput 6) een aanzienlijk deel van het oorspronkelijke bodemprofiel in het dekzand is afgetopt. Eventuele ondiepe sporen en resten uit de periode voorafgaand aan de Late Middeleeuwen kunnen daardoor verdwenen zijn. Diepere sporen kunnen onder het plaggendek evenwel juist goed bewaard zijn gebleven.

22

6

SPOREN EN STRUCTUREN

6.1

INLEIDING

Het archeologische onderzoek te Gerwen – Kerkakkers besloeg zowel een proefsleufonderzoek als directe doorstart naar opgraving. Omdat het onderzoek als één geheel kan worden beschouwd, is bij de uitwerking geen verder onderscheid gemaakt tussen de resultaten uit proefsleuven en de definitieve opgravingsputten. Het gerealiseerde puttenplan is opgenomen in figuur 6.1. Tijdens het onderzoek langs de kerkakkers in Gerwen zijn in totaal 385 spoornummers uitgedeeld. In tabel 6.1 zijn deze aantallen per spoordefinitie uiteengezet. Het overgrote deel is bestaat uit antropogene paalkuilen en kuilen. Deze zijn grotendeels prehistorisch. De kuilen hebben een diepte tussen de 12 en 56 cm met een gemiddelde diepte van 25 cm. Paalkuilen hebben een diepte tussen 2 en 50 cm met een gemiddelde diepte van 14 cm. Ter controle is gedeeltelijk een tweede vlak aangelegd waarbij nog enkele sporen aan het licht kwamen. Eerst zal kort de conservering van de sporen worden besproken, waarna per deelgebied wordt ingegaan op de resultaten. In bijlage 3 zijn Tabel 6.1. Gerwen – Kerkakkers. De geïnterpreteerde en geperiodiseerde allesporenkaarten (ASK’s) aangetroffen sporen per spoordefinitie opgenomen. 6.2

CONSERVERING EN GAAFHEID VAN DE GRONDSPOREN

De conservering van de archeologische sporen varieert van slecht tot goed. Over het algemeen waren de grondsporen van een vlekkerig karakter. In combinatie met de vaak geringe diepte maakte het soms lastig om de sporen juist de interpreteren of te onderscheiden van natuurlijke of agrarische bodemverstoringen. Hierop is het vlak dan ook gedeeltelijk enkele centimeters dieper aangelegd, waardoor ondiepe sporen mogelijk niet zijn herkend. Over een groot deel van plangebied was een esdek aanwezig, wat de gaafheid van de sporen ten goede komt. Een uitzondering hierop vormt de zone aan weerszijde van de weg Kerkakkers en hier zijn de sporen dan ook minder goed bewaard. In verschillende profielen is zowel een akkerlaag uit de IJzertijd als de Middeleeuwen aangetroffen. Door deze agrarische activiteiten zijn archeologische resten van vóór deze perioden gedeeltelijk vergraven of verploegd.

6.3

BESCHRIJVING VAN DE RESULTATEN

INLEIDING

De meeste sporen die zijn aangetroffen dateren uit de prehistorie. Deze datering is gebaseerd op de stratigrafie– onder de middeleeuwse akkerlaag en onder/in de IJzertijd akkerlaag – en het vondstmateriaal, dat grotendeels handgevormd is (par. 7.2). Met name in het westen van het plangebied is een grote cluster sporen aangetroffen welke vermoedelijk tot een structuur uit de IJzertijd behoort, al dan niet meerdere (fig. 6.1, c). In het oostelijke deel van de opgraving zijn sporen teruggevonden die vermoedelijk tot twee of drie kleinere structuren hebben toebehoord (fig. 6.1, d). Omdat hier slechts een klein gedeelte van is opgegraven, is de precieze structuur echter moeilijk te duiden. Verder oostelijk zijn een depressie en een perceleringsgreppel aangesneden (fig. 6.1, e). De jongste sporen betreffen plantbedden, welke gezien worden als (sub-)recente bodemverstoringen als gevolg van het diep ploegen of omzetten van de grond. De aangetroffen sporen worden in de volgende paragrafen per deelgebied uitgelicht, beginnend met een paragraaf over de twee akkerlagen die het sporenniveau afdekken. 23

Figuur 6.1. Gerwen – Kerkakkers. Allesporenkaart van de opgraving met de in de tekst besproken archeologische zones aangegeven ten opzichte van de topografische situatie. Werkputten en proefsleuven zijn genummerd. A: topo/opgegraven, B: grondsporen, C: westelijke sporencluster, D: oostelijke sporencluster en (bij)gebouw, E: depressie en perceleringsgreppel. Schaal 1:1500. Bron achtergrond: openstreetmap. TWEE AKKER/CULTUURLAGEN

Verspreid over het plangebied zijn twee akkerlagen aangetroffen. Deze zijn met name goed bewaard gebleven in werkput 5 (goed te zien in profiel 5.9, fig. 5.5), maar komen ook voor in werkputten 1, 2, 3, 4 en 8, alleen in het westelijke deelgebied dus. Het is belangrijk om deze akker/cultuurlagen te duiden, omdat ze kunnen helpen bij de datering van de vindplaats op basis van het vondstmateriaal dat hierin is aangetroffen. Ook heeft met name de oudste akkerlaag invloed gehad op de gaafheid van de onderliggende sporen. Respectievelijk gaat het om een lichtgrijs tot bruingrijze akkerlaag uit de Middeleeuwen en een grijsbruin tot lichtgrijsbruine laag gedateerd in de Late IJzertijd/Romeinse Tijd. De datering is gebaseerd op uiterlijke kenmerken en vondstmateriaal en wordt voorts toegelicht. De oudste akker/cultuurlaag bevat veel vondsmateriaal met uiteenlopende dateringen. Hoewel de laag vondsten uit de Middeleeuwen bevat, nijgt het zwaartepunt van de dateringen naar de Late Prehistorie/Romeinse Tijd (tabel 6.2). Het aandeel middeleeuws aardewerk blijft echter groot. Dit lijkt een gevolg te zijn van de verzamelmethode in het veld. Tijdens de aanleg waren de twee akkerlagen namelijk moeilijk van elkaar te onderscheiden. Dit onderscheid kon vaak pas in het profiel worden gemaakt en bovendien is de overgang tussen de twee lagen relatief diffuus.

Hierdoor kan het vondstmateriaal uit lagen van de verschillende periodes vermengd zijn geraakt. Bovendien is het materiaal uit de Middeleeuwse akkerlaag zeer beperkt, vermoedelijk omdat een deel van dit materiaal bij de vondsten van de IJzertijd-akkerlaag terecht is gekomen. Gelet op het zwaartepunt van het aardewerk en onderlinge stratigrafische positie wordt de bovengenoemde fasering en datering aangehouden. 24

De afwezigheid van aardewerk uit de Midden-IJzertijd (zie paragraaf 7.2) doet vermoeden het aandeel Brons-/IJzertijd aardewerk oorspronkelijk niet bij de akkerlaag hoort. Vermoedelijk is het voorkomen van dit materiaal in de oudste akkerlaag een gevolg is van vermenging van de akkerlaag met de bovenkant van het oorspronkelijke sporenniveau, welke in de Late Bronstijd/Vroege IJzertijd dateert. In Tabel 6.2 is gepoogd het vondstmateriaal uit beide akkerlagen per periode uiteen te zetten.

Tabel 6.2. Gerwen-Kerkakkers. Datering van het vondstmateriaal afkomstig uit de twee akkerlagen. DE WESTELIJKE SPORENCLUSTER

In het westen van het plangebied is een grote sporencluster blootgelegd (fig. 6.1, c). Hier zorgde de eerder genoemde akkerlaag uit de IJzertijd er voor dat de sporen moeilijk herkenbaar waren. Daardoor is een groot aantal twijfelachtige sporen gedocumenteerd, wat het interpreteren van de structuur niet gemakkelijker maakt. Daar komt bij dat de cluster niet in zijn geheel is vrijgelegd omdat bij de aanleg van werkputten de bouwcontouren zijn aangehouden. Gezien de omvang van de cluster is hier vermoedelijk sprake van verschillende overlappende (woon)gebouwen of een spiekercluster, daterend uit de IJzertijd. In deze zone zijn een totaal van 154 sporen aangeduid als (paal-)kuil welke onderdeel uitgemaakt kunnen hebben van een structuur. Een groot deel van deze sporen (ca. 60) bleken in het profiel slechts een geringe diepte te hebben (<10 cm). Bij benadering kunnen dan ook vraagtekens gezet worden bij de betrouwbaarheid van deze ondiepe sporen, die vaak ook vlekkerig aandoen. Vermoedelijk zijn een deel van de sporen die in het veld werden aangezien als paalkuil, in werkelijkheid overblijfselen van de IJzertijd akkerlaag die plaatselijk dieper tot in de C-horizont is doorgedrongen. Hoewel een structuur moeilijk te duiden is, kunnen hier wel enkele aanknopingspunten voor worden aangedragen. De meest opvallende sporen zijn toch wel de relatief diepe paalkuilen in werkput 8 (fig.

6.2/6.3). Deze hebben een diepte varierend van 36 tot 56 cm onder het vlak. Bij twee sporen (S8.25/19, fig. 6.3 A/B) kon in het profiel een duidelijke kern, insteek en nazakking worden herkend. Andere sporen hadden een duidelijk gelaagde vulling (bijvoorbeed S8.21/14, fig. 6.3 C/D). Bovendien is in deze sporen een relatief grote hoeveelheid aardewerk aangetroffen, daterend in de Midden Brons- tot Vroege IJzertijd. Ook aan de ‘overkant’ - in werput 5 - zijn tegen de westelijke putrand een tweetal diepere kuilen aangetroffen met daarin vergelijkbaar daterend aardewerk (S5.152 en S5.151). Door het ontbreken van een vlak tussen werkput 8 en 5 is het echter moeilijk te bepalen hoe deze sporen zich tot elkaar verhouden. Mogelijk is er sprake van een twee- of driebeukige constructie, afhankelijk van of de omliggende sporen ook tot het gebouw behoren. Vooralsnog lijkt de structuur ca. 10 bij 4 m te meten en is westnoordwest/oostzuidoost georienteerd. Vanwege bovengenoemde problematiek blijft het interpreteren van de structuur echter lastig. Mogelijk gaat het dan ook om twee afzonderlijke spiekers, daar de gesuggereerde constructie niet erg overtuigend is. Al met al is dit wel de meest duidelijke structuur die binnen de cluster is aangetroffen.

25

Figuur 6.2. Gerwen – Kerkakkers. Sporenkaart van de westelijke sporencluster met de in de tekst genoemde sporen gearceerd. A: wel/niet opgegraven, B: archeologische sporen, C: diepe sporen mogelijke structuur, D: houtskoolrijke kuilen, E: plantbedden, F: reconstructie vermoedelijke structuur.

26

Figuur 6.3. Gerwen – Kerkakkers. Impressie van de diepe sporen in werkput 5 en 7 die vermoedelijk een structuur vormen. A: spoor met duidelijke kern, insteek en nazakking, B: idem, C: gelaagd spoor, D: idem.

Figuur 6.4. Gerwen – Kerkakkers. Drie houtskoolrijke kuilen in de westelijke sporencluster. A: S5.40, B: S5.142, C: S5.144.

27

Naast de relatief vondstrijke sporen uit de vorige paragraaf inhoud aantal gewicht (g) zijn in werkput 5 een drietal kuilen aangetroffen met opvallend veel houtskoolinclusies (fig. 6.2, D; fig. 6.4). Dit zijn S5.40, 5.29 en 5.144. Met name spoor S5.40 is uiterst 5 29 aardewerk 8 26 houtskoolrijk en deze kuil is dan ook bemonsterd voor 5 40 aardewerk 7 47 macrobotanisch onderzoek (par. 7.6). Dit spoor, maar ook 37 de twee andere kuilen bevatten veel vondstmateriaal zoals 5 40 keramisch object 2 1 keramiek, slakmateriaal en natuursteen (tabel 6.3). Het 5 40 monster aardewerk dateert overwegend uit de Midden Bronstijd tot 5 144 aardewerk 4 19 de IJzertijd. De sporen geven, gezien de houtskoolinclusie 5 144 natuursteen 1 35 en het vondstmateriaal, de indruk haard- of afvalkuilen 5 144 slak 1 98 geweest te zijn. Ze bevinden zich over het algemeen aan de rand van de sporencluster - voor zover deze begrensd kan worden - en lijken niet binnen een eventueel Tabel 6.3. Gerwen - Kerkakkers. Vondstaantallen aanwezige (woon-)structuur te liggen. Hierbij moet wel uit houtskoolrijke kuilen in de westelijke worden opgemerkt dat met name sporen S5.40 en S5.144 sporencluster aan de rand van het opgegraven areaal zijn gelegen, of omgeven worden door recente verstoringen.

Op zoek naar een gebouwstructuur valt ook een noord-zuid georiënteerde rij sporen in het oosten van de sporencluster in het oog (fig. 6.5). De sporen steken af omdat ze dieper (>20 cm) zijn dan de meeste sporen die binnen de cluster zijn gedocumenteerd en vormen mogelijk een (oostelijke) wand van een noord-zuid georiënteerde structuur. Bovendien zijn de sporen in het profiel overtuigend (fig. 6.6), gezien het feit dat in het profiel vaak een kern en insteek kon worden herkend. Wel moet rekening gehouden worden met het feit dat het vlak hier enkele centimeters hoger is aangelegd dan bijvoorbeeld 10 meter westelijker, waar vrijwel geen sporen tot dieper dan 20 centimeter onder het vlakniveau zijn ingegraven. Daardoor kan de spoordiepte een vertekend beeld geven, maar ook verklaren waarom een eventuele tegenhanger niet meer is teruggevonden. De sporen herbergen weinig dateerbaar vondstmateriaal. Concluderend kan worden gesteld dat de sporencluster met name werkput 8, de westelijke helft van werkput 5 en vermoedelijk een deel van de werkputten 3 en 4 beslaat. Richting het noorden lijkt de cluster ter hoogte van de daar gelegen plantbedden op zijn eind te lopen. Ook richting het oosten, vanaf het voorkomen van plantbedden wordt de spoordichtheid snel dunner, wat ook een gevolg kan zijn van desbetreffende plantbedden.

Als gevolg van deze bodemingrepen zal een diepere verstoring van de bodem hebben Figuur 6.5. Gerwen - Kerkakkers. De relatief diepe/overtuigende sporen in het oostelijke deel van de sporencluster. Schaal 1:200. A: wel/niet opgegraven, B: grondsporen, C: diepe grondsporen, D: plantbedden, E: reconstructie verm. structuur.

28

plaatsgevonden. In de proefsleuf werkput 3 lijkt de spoordichtheid af te nemen. Hier ligt ook het vlakniveau aanmerkelijk lager dan in werkput 5/8. Hoewel in totaal een groot aantal sporen is gedocumenteerd heeft dit geen duidelijke gebouwstructuren heeft opgeleverd. De groep relatief diepe sporen in werkput 5 en 8 kan worden beschouwd als de meest overtuigende aanwijzing van een gebouw. Zeker omdat het vlakniveau in werkput 8 ca. 20 cm lager ligt dan het gemiddelde in werkput 5. De vondstrijke kuilen met houtskoolinclusie, evenals de rij dieper ingegraven sporen in het oosten van de cluster zijn duidelijke indicaties voor activiteiten in deze zone van het onderzoek. Afgaande op het vondstmateriaal uit de meer overtuigende sporen lijken de grondsporen te dateren in de Midden Bronstijd tot de Vroege IJzertijd. Het jongere materiaal is voornamelijk afkomstig uit de cultuur/akkerlaag of ondiepere/onduidelijke sporen en lijkt dus eerder verband te houden met de latere periode, toen het terrein voor agrarische doeleinden is gebruikt en de akkerlaag is gevormd.

Figuur 6.6. Gerwen - Kerkakkers. Overtuigende en diepe (> 20 cm) sporen van de rij in het oosten van de westelijke sporencluster. OVERIGE SPOREN IN HET WESTELIJKE DEEL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14454080/1