CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan onderwijs 2025-2040 - Rapportage IHP Onderwijs Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Gemeenteraad 10 april 2025, gemeente NuenenBij agendapunt: Integraal Huisvestingsplan onderwijs 2025-204018.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

07-7

Openbare Basisschool De Rietpluim

Beoordeling Ordeningsprincipes 1.

Samenwerking in Kindcentra

2.

Integrerend en inclusief

3.

Toekomstvast met een scope van 30 jaar

Huidig

Brainportschool De Rietpluim bereidt met uitdagend en betekenisvol onderwijs leerlingen voor op een snel veranderende wereld. De school ligt goed gepositioneerd in het voedingsgebied en 99% van de leerlingen is afkomstig uit de gemeente Nuenen ca (waarvan 72% uit de eigen postcode). Op de teldatum 1.10.2024 telde de school met 474 leerlingen een (klein) normatief ruimtetekort. De prognoses laten een stabilisatie zien van het aantal leerlingen, volgens de prognose van 2040 zullen er 442 leerlingen zijn.

DMS 23020142

27

De school focust op ondernemend, onderzoekend en ontwerpend leren in samenwerking met externe partners, met aandacht voor internationalisering en leren op maat. OBS De Rietpluim is met kindpartner ‘Kids society Erica’ in hetzelfde gebouw gehuisvest en ze werken goed samen: leerpleinen, BSO-ruimten en teamkamer worden gedeeld. Partijen streven naar verbetering op inhoudelijke doorgaande leer- en ontwikkellijnen. Dit wordt belemmerd door een ervaren ruimtetekort, waardoor beide partijen concurreren voor beschikbare ruimte. Dit belast de inhoudelijke samenwerking tussen de kindpartners en het onderwijs. Het gebouw werd opgericht in 2006 en heeft zijn technische levensduur pas in 2046 bereikt. Het schoolgebouw is gebouwd door woningstichting Helpt Elkander, waarbij onderwijsruimten zo zijn geplaatst dat ze eenvoudig geschikt zijn te maken voor ombouw tot appartementen. Door de groei van het aantal leerlingen is dit geen optie (meer). De woningstichting Helpt Elkander heeft het gebouw om niet overgedragen (zonder onderhoudsreserve) en de gemeente heeft 70% in eigendom gegeven aan onderwijsstichting PlatOO en de overige 30% verhuurd aan Kids Society Erica. Volgens de ordeningsprincipes voldoet de school op dit moment aan de gestelde vereisten.

07-8

Kindcentrum De Nieuwe Linde

Beoordeling Ordeningsprincipes 1.

Samenwerking in Kindcentra

2.

Integrerend en inclusief

3.

Toekomstvast met een scope van 30 jaar

Huidig

o.b.v. Kwaliteit gebouw

Op peildatum 1 oktober 2024 telde de school 129 leerlingen. De basisschool huisvest een substantieel aandeel van oorspronkelijk anderstalige kinderen uit de gemeente en de regio. De school ligt goed gepositioneerd in het voedingsgebied en 94% van de leerlingen is afkomstig uit Nuenen ca (waarvan 74% uit de eigen postcode). De prognose voor 2040 zijn 175 leerlingen en gezien de locatie en de leerlingenpopulatie wordt de school als een relevant onderdeel van het onderwijsaanbod in de gemeente gezien. Bij de capaciteitsbepaling voor primair onderwijs is de actuele leerlingenprognose voor De Nieuwe Linde als uitgangspunt gehanteerd.

DMS 23020142

28

In het gebouw zijn zowel onderwijs als kindpartner ‘Kids Society Erica’ aanwezig. De inhoudelijk samenwerking tussen onderwijs en kindpartners is beperkt. Er is een interculturele onderwijsassistent, die zich bezig houdt met de integratie van kinderen met een anderstalige achtergrond. De fietsroute en afstand naar de gymzaal wordt als onveilig ervaren. Daardoor hebben niet alle groepen altijd gymlessen. Het basisdeel van het gebouw dateert uit 1985 en was oorspronkelijk de hoofdlocatie van de Rietpluim. In 2009 zijn kinderopvang en peuteropvang er na een verbouwing gevestigd en in 2016 verhuisde ook De Nieuwe Linde vanuit een Helpt Elkandergebouw naar deze locatie. In 2017 zorgde een (interne) verbouwing ervoor dat kinderopvang en peuteropvang beter werden gepositioneerd en daarvoor zijn nieuwe (huur)overeenkomsten gesloten tussen gemeente, Eenbes en kindpartner. Een voormalig binnenterrein is overkapt en functioneert momenteel als aula. Aan twee zijden is een klein gebouwdeel toegevoegd als teamkamer en als uitbreiding voor buitenschoolse opvang. De teamkamer wordt momenteel door ruimtetekort gebruikt als extra onderwijsruimte. Het huidige gebouw is redelijk onderhouden maar zal zijn eindtermijn in 2025 bereiken. De uitbreiding zal omstreeks 2034 zijn eindtermijn bereiken. Uit de QuickScan blijkt dat de gebouwkwaliteit van de school matig is.

Daarbij leidt de indeling van het gebouw tot een ervaren ruimtetekort: er is in het gebouw geen teamkamer (meer) aanwezig en er zijn onvoldoende overlegplekken voor ambulante medewerkers. Zorgplicht is aan de orde op basis van de gebouwkwaliteit. Advies Voor De Nieuwe Linde is zorgplicht aan de orde vanwege de kwaliteit van het oorspronkelijke gebouw. Het ligt voor de hand om deze zorgplicht uit te stellen om desinvesteringen te vermijden. Dit geeft ook ruimte om in LEA-verband controle te zoeken over de leerlingenontwikkelingen. De school behoudt ondanks deze uitdagingen een cruciale positie in het primair onderwijs van Nuenen. In het uitvoeringsprogramma is voor deze school een voorziening af te spreken, waarbij de termijn afgestemd moet worden op de actuele leerlingenprognoses en de actuele ontwikkeling van de school. Daarbij dient een inhoudelijke keuze te worden gemaakt tussen levensduurverlengende renovatie of vervangende nieuwbouw. Daarbij is een samenhangende aanpak gewenst met de scholen in Nuenen.

DMS 23020142

29

07-9

Basisschool Heuvelrijk (Gerwen)

Beoordeling Ordeningsprincipes 1.

Samenwerking in Kindcentra

2.

Integrerend en inclusief

3.

Toekomstvast met een scope van 30 jaar

Huidig

Basisschool Heuvelrijk is de laatste jaren gedaald van 200 naar ca. 135-140 leerlingen. Op teldatum 1 oktober 2024 heeft de school 143 leerlingen en voor 2040 is een stijging naar 159 leerlingen geprognosticeerd. Een deel van het gebouw (404 m² bvo) verhuurt de gemeente aan kindpartner Kids Society Erica: BSO/KDV/POV zijn inpandig gevestigd. Alle functies ervaren een toenemende vraag. Het gebouw geeft uitstekend ruimte aan het onderwijsconcept van de school. De inhoudelijke samenwerking tussen school en kindpartners is beperkt, er is geen doorgaande leer- en ontwikkellijn. Basisschool Heuvelrijk heeft een plusklas voor hoogbegaafde leerlingen voor de lokale Eenbes scholen en biedt leerlingen de mogelijkheid bijzondere talenten te ontwikkelen. Er is een inpandige gymzaal van 368 m² en die wordt ook gebruikt als aula en voor dorpsactiviteiten, zoals een carnavalsviering. De gymzaal krijgt een buiteningang en wordt toegevoegd aan de MFA D’n Heuvel, zodat de exploitatie verbeterd kan worden. De relatie van de school met de dorpskern is goed en er wordt samengewerkt met verenigingen uit de dorpskern. Het gebouw dateert uit 1930 en is in 2012 volledig gerenoveerd, waarbij ook ruimte is toegevoegd. In 2017 is het gebouw door Helpt Elkander overgedragen aan de gemeente. Het gebouw voorziet kwalitatief en qua omvang in de behoeften als onderwijsvoorziening voor de kern Gerwen.

DMS 23020142

30

07-10 Basisschool Sint Jozef

Beoordeling Ordeningsprincipes 1.

Samenwerking in Kindcentra

2.

Integrerend en inclusief

3.

Toekomstvast met een scope van 30 jaar

Huidig

Op teldatum 1 oktober 2024 heeft Basisschool Sint Jozef 68 leerlingen (vier groepen) en voor 2040 is een stijging naar 74 leerlingen geprognosticeerd. De school valt onder de geldende opheffingsnorm van 110 leerlingen en is een aandachtschool. Aangezien de school een kleine dorpskern bedient blijft de school onderdeel uitmaken van het onderwijsaanbod. Er is een klein normatief ruimtetekort dat in de toekomst zal toenemen door leerlingengroei. Het gebouw, inclusief naastgelegen buurthuis, past goed bij het onderwijsconcept. School ervaart een ruimtetekort voor overleg. In de brede maatschappelijke voorziening zijn naast de school een dorpshuis, kindpartner ‘KDV Anne’ en de gymzaal gevestigd. Het gebouw is eigendom van ‘Helpt Elkander’. De school werkt goed samen met de kindpartner, er is een doorgaande leerlijn en een warme overdracht van opvang naar onderwijs. De school kan bij extra ruimtevraag gebruik maken van ruimten in het dorpshuis maar dit is niet structureel en niet gratis. De inpandige gymzaal is 577 m² groot en de kind partner beschikt over 223 m². Het gebouw dateert uit 2012 en valt daarmee nog ruim binnen de eindtermijn. Het gebouw is groot genoeg voor het huidige en toekomstige aantal leerlingen.

07-11 Nuenens College OMO biedt op Nuenens College vmbo aan. De leerlingen komen beperkt uit de eigen gemeente (17%) en daarnaast uit omliggende gemeenten (83%), met name uit Eindhoven. Op teldatum 1 oktober 2024 heeft de school 683 leerlingen en voor 2040 zijn 773 leerlingen geprognosticeerd. Gemeente en schoolbestuur hebben een overeenkomst voor doordecentralisatie (DDO): schoolbestuur is zelf verantwoordelijk voor (kwantiteit en kwaliteit) huisvesting. Voor vmbo is daarom in het huisvestingsplan geen maatregel aan de orde. Aandachtpunt is de actualiteit van de overeenkomst: het is verstandig om deze te toetsen aan nieuwe ontwikkelingen rondom duurzaamheid om te kunnen beoordelen of schoolbestuur daar voldoende invulling aan kan geven.

DMS 23020142

31

Uitbreiding van onderwijsaanbod Nuenens College Door de schaalsprong in de gemeente en de regio is de verwachting dat het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs in de regio rond 2040 toeneemt. Als prognoses daar op dat moment aanleiding toe geven wordt een uitbreiding van het Nuenens College met havo/ vwo mogelijk geacht. Een Nuenens College met havo en vwo past niet op de huidige locatie. Om kansrijk te zijn is het van belang om nu al rekening te houden met de volgende aandachtspunten: 1.

2.

DMS 23020142

Het is waardevol om in de verdere uitwerking van de IHP-planning rekening te houden met een locatie in Nuenen-West waar het Nuenens College toegevoegd kan worden, bijvoorbeeld op een onderwijscampus met primair onderwijs samen. Daarbij kunnen nu al voorbereidingen worden getroffen door in de businesscases (en in de financiële voorwaarden) rekening te houden met een latere aanvulling met voortgezet onderwijs; De uiteindelijke keuze voor uitbreiding van het Nuenens College is aan bevoegd gezag OMO. Samen volgen IHP-partners in regionaal verband (in overleg met omliggende gemeenten en schoolbesturen) permanent de kansen en bedreigingen, die daarbij aan de orde zijn.

32

08 Uitvoeringsagenda 2025 - 2028 Aan de basis van het IHP ligt een door alle partners gedragen en vastgestelde visie op onderwijs en opvang (hoofdstuk 5) in Nuenen ca. De uitvoeringsagenda 2025 – 2028 sluit aan bij de ordeningsprincipes (hoofdstuk 6), zoals ze zijn toegepast op de verschillende onderwijslocaties (hoofdstuk 7) en in dit hoofdstuk worden de businesscases beschreven, voorzien van prioritering en een tijdsfasering over de komende jaren. Betrokkenen hebben in goed overleg een afweging gemaakt. De businesscases zijn een concrete opdracht en zijn ook zo geformuleerd. De onderbouwende cijfers geven de stand van zaken in 2024. Het is gewenst deze in businesscases te actualiseren om recht te doen aan de laatste ontwikkelingen. De businesscases zijn in dat opzicht richtinggevend, ze zijn geen blauwdruk. Bij afwijking van het eindbeeld is altijd aandacht vereist voor een integrale benadering van de planuitvoering; investeringen op de ene locatie kunnen en zullen consequenties hebben voor de ontwikkeling van omliggende scholen. De businesscases zijn in bijlage 4 verder uitgewerkt. Uitgangspunt bij de uitvoering is dat investeringen primair getoetst worden aan de inhoudelijke keuzes uit het integrale huisvestingsplan en actuele maatschappelijke ontwikkelingen. Eventuele aanpassingen moeten primair gebaseerd zijn op inhoud in plaats van kosten.

Daartoe is het van belang dat de gemeente, de schoolbesturen en betrokken (kind)partners samen optrekken. Aandachtpunt Bij de gebiedsontwikkelingen in Nuenen West is de aanvulling van het dienstverleningsniveau in (vooral) primair onderwijs te laat opgepakt. Daardoor is op dit moment onvoldoende aanbod beschikbaar. De onderwijscapaciteit loopt structureel achter bij de toename van het aantal aanmeldingen door nieuwe inwoners. Het is belangrijk en vanuit de wet ook verplicht om deze nood voortvarend aan te pakken. Daartoe wordt in eerste instantie voorzien in tijdelijke huisvesting, gekoppeld aan de Dassenburcht. Ook een snelle realisatie van de uitbreidingsplannen van Het Mooiste Blauw kan de problematiek verlichten. De voorstellen in deze uitvoeringsagenda zullen ertoe leiden dat Nuenen ca de achterstand structureel ombuigt. IHP-partners (gemeente, schoolbesturen en kindpartners) willen samen komen tot een verbeteringsaanpak. Ten behoeve van het realiseren van voldoende snelheid zijn daadkrachtige en waar nodig onorthodoxe maatregelen nodig. Het kan daarbij relevant zijn om de strikte onderverdeling in afzonderlijke businesscases te overstijgen. Zo kan het efficiënt en kostenbesparend zijn om Businesscase A onmiddellijk in één operatie te realiseren. Ook kan het voor de synergie relevant zijn om de realisatieplanning van het Mooiste Blauw in het oog te houden.

Ook de timing van Businesscase B (De Crijnsschool) kan helpen bij een structurele capaciteitsplanning. Intentie moet steeds zijn om tot een afgewogen maatregelenpakket te komen, dat vanuit gemeentelijke zorgplicht leidt tot een stabiele situatie. Het is belangrijk om daarvoor permanent zakelijk in gesprek te blijven. Nb.: Daarbij geldt de kanttekening dat (tijdelijke) normatieve leegstand tot een aanvaardbaar niveau beperkt moet blijven. De afzonderlijke businesscases staan in bijlage 4 in detail beschreven.

DMS 23020142

33

09 Financiële vertaling 09-1

Aan de basis – de VNG-normstelling

Belangrijk onderdeel voor de voorzieningen van huisvesting voor onderwijs zijn de normbedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van scholen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) adviseert jaarlijks over deze normbedragen en de meeste gemeenten nemen deze daarna over in hun eigen lokale verordening. Gemeenten kunnen daar om moverende redenen van afwijken als de ambities hoger zijn. In een integraal huisvestingsplan kan een gemeente met schoolbesturen daarover aanvullende afspraken maken. De normbedragen voor nieuwbouw van de VNG zijn in hun basis in 2018 bepaald. Ze gaan uit van een sober en doelmatig gebouw dat aan de wettelijke minimumeisen (bouwbesluit) voldoet. Gasloos bouwen en Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) vallen sinds 2021 onder de wettelijke verplichtingen. Aanvullende duurzaamheids- en comfortdoelstellingen als Frisse Scholen2 klasse B en A zijn geen wettelijke verplichting en dus niet inbegrepen in de door de VNG geadviseerde normbedragen. Ook bijkomende kosten voor kwaliteit (denk aan verhoogde transparantie, flexibele wanden, tribunetrappen, etc.) zijn daar niet in opgenomen. De normbedragen zijn opgebouwd uit een startbedrag (Primair onderwijs: €1.681.505,- voor de eerste 350 m2) en een bedrag (€2.878 per m2 BVO) per vierkante meter bruto vloeroppervlakte (bvo).

Dit doet er recht aan dat nieuwbouw van een kleinere school in algemene zin ingewikkelder en relatief duurder is. Het normbedrag voor een basisschool van 200 leerlingen bedraagt € 3.252 /m² bvo en voor een school van 400 leerlingen zal dit € 3.011 /m² bvo (normbedragen prijspeil 2024) bedragen. Voor het voortgezet onderwijs is het normbedrag afhankelijk van de omvang en het aanbod van onderwijs. Bouwkosten kunnen variëren door locatie en regionale invloeden. De stichtingskosten en bovenstaande normbedragen van de VNG zijn inclusief btw, bijkomende kosten (honoraria, heffingen, aansluitkosten, verzekeringen, onvoorzien, etc.) en de kosten voor aanleg en inrichting van het schoolterrein. Aanvullende toeslagen ten laste van de gemeente zijn aan de orde voor verhuiskosten, paalfundering (bij VO), speellokaal (bij S(B)O) of liftinstallatie (bij (V)SO) en bij nieuwe scholen ook de zogenaamde “eerste inrichting”. De gemeente draagt het juridische eigendom van het bouwrijpe terrein over aan het schoolbestuur. Projecten laten in de praktijk zien dat meerwaarde mogelijk is door bouwopgaven in een bredere context te bekijken en in te zetten op multifunctioneel ruimtegebruik. Een compact gebouw kan dan resulteren in een ruimere beschikbaarheid van ruimten ten opzichte van de normatieve minimumoppervlakte.

Zo kan bijvoorbeeld extra buitenruimte tijdens schooluren voor onderwijs worden ingezet en daarna als speelplek voor kinderen uit te buurt. Geadviseerd wordt om per project de kansen te onderzoeken en specifieke budgetten vast te stellen. Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds middelen om te kunnen voldoen aan huisvestingsvragen voor onderwijs (zorgplicht). Deze rijksbijdrage is niet geoormerkt maar vrij te besteden. Ze is gebaseerd op algemene verdeelgrondslagen en heeft geen relatie met het aantal leerlingen noch met het aantal scholen of de leeftijd van de gebouwen in een gemeente. Uitzondering vormen de scholen voor VO waar de bijdrage voor gemeenten wel gestoeld is op leerlingaantallen omdat de scholen een regiofunctie hebben. De bijdrage loopt per definitie achter bij de bouwwetgeving omdat ze niet de investering maar gemiddelde jaarlijkse lasten financiert. 2

In het in 2021 aangepaste PvE Frisse Scholen geldt klasse C als minimale eis, dat overeenstemt met de bouwbesluiteisen. Op de thema’s lucht en energie heeft aanscherping plaatsgevonden.

DMS 23020142

34

Prijsontwikkelingen zijn moeilijk vast te stellen, met name door de fluctuerende en onzekere prijzen voor materialen. In de praktijk is er een tekort aan bouwmaterialen en ook aan personeel. De uiteindelijke kosten blijken pas tijdens het ontwerp- en bouwproces. Vanuit de wet wordt de gemeente geacht om voldoende middelen beschikbaar te stellen voor realisatie van voorzieningen op grond van zorgplicht. De VNG-normbedragen worden één keer per jaar aangepast aan ervaringscijfers uit voorgaande jaren. Ervaring leert dat deze daardoor in de praktijk enkele maanden en soms jaren achter liggen bij de werkelijkheid van de bouwmarkt.

09-2

Toekomstgerichte stichtingskosten

Het is belangrijk om bij voorzieningen in onderwijshuisvesting (nieuwbouw of renovatie) oog te hebben voor investeringen in toekomstvaste gebouwen en duurzaamheid. In een integraal huisvestingsplan kunnen daarvoor aanvullende ambities worden vastgesteld en passende middelen aanvullend beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is het Kwaliteitskader Huisvesting voor funderend onderwijs relevant, ontwikkeld door kenniscentrum Ruimte-OK. Dit kwaliteitskader biedt een set van richtinggevende voorwaarden waar een hoogwaardig en duurzaam schoolgebouw aan moet voldoen. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd om te kiezen voor volledig Energie Neutraal (ENG) en minimaal het ambitieprofiel uit het Kwaliteitskader van Frisse Scholen klasse A en B op onderdelen. Een financiële vertaling op basis van de BDB (Bouwkostendata) is onderdeel van dit Kwaliteitskader. De BDB gaat uit van een basisbedrag op bouwbesluitniveau, vermeerderd met aanvullende kosten voor kwaliteitsthema’s uit het Kwaliteitskader. Onderstaande tabel geeft de financiële investeringen weer. Ook hier geldt dat de werkelijke kosten kunnen afwijken. BDB hanteert indicatieve bandbreedten (van resp. -5/+10% en -15/+15%) vanwege project specifieke variabelen. Basisonderwijs Basisbedrag stichtingskosten op basis van actuele marktprijzen (bouwbesluit 2023) Aanvullende stichtingskosten TOTAAL

Voortgezet onderwijs Basisbedrag stichtingskosten op basis van actuele marktprijzen (bouwbesluit 2023) Aanvullende stichtingskosten TOTAAL

Schoolgebouw

Bandbreedte min.

Bandbreedte max.

€ 2.770 / m² bvo

€ 2.631 / m² bvo

€ 2.962 / m² bvo

€ 725 / m² bvo

€ 616 / m² bvo

€ 834 / m² bvo

€ 3.495 / m² bvo

€ 3.247 / m² bvo

€ 3.880 / m² bvo

Schoolgebouw

Bandbreedte min.

Bandbreedte max.

€ 2.4617/ m² bvo

€ 2.338 / m² bvo

€ 2.962 / m² bvo

€ 622 / m² bvo

€ 529 / m² bvo

€ 715 / m² bvo

€ 3.083 / m² bvo

€ 2.867 / m² bvo

€ 3.422 / m² bvo

Prijspeil april 2024. Bedragen (inclusief btw) zijn exclusief grond/ sanering (door gemeente aanvullend beschikbaar te stellen) en exclusief indexering

09-3

Tariefstelling in Nuenen, Gerwen en Nederwetten

De gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten en haar partners zetten voor (vervangende) nieuwbouw en voor levensduurverlengende renovatie in op de realisatie van sobere en doelmatige gebouwen volgens het niveau van bouwbesluit. In de financiële tabellen in het integrale huisvestingsplan wordt uitgegaan van de VNG-normbedragen 2024 (prijspeil oktober 2024). Daarbij geldt de kanttekening dat deze in de werkelijkheid kunnen afwijken door de wijze, waarop de VNG-tarieven berekend worden. De realisatiekosten kunnen daardoor significant hoger zijn (zie toelichting paragraaf 9.2).

DMS 23020142

35

Partijen realiseren zich ook dat de wettelijke ontwikkelingen rondom duurzaamheid en toenemende maatschappelijke verwachtingen het niveau van het bouwbesluit overschrijden. Het Kwaliteitskader (zie paragraaf 9.2) kan daarin als leidend worden beschouwd: een modern en toekomstvast gebouw voldoet in energiebeheer, binnenklimaat (Frisse Scholen Klasse B) en aanvullende vraagstukken rond exploitatie, ICT en buitenruimte aan hoge eisen. En om tot een maatschappelijk relevant en toekomstvast gebouw te komen is in de praktijk rekening te houden met hogere investeringslasten. Partners hebben daarom de afspraak gemaakt dat binnen de businesscases in een transparant uitvoeringstraject pragmatische keuzes worden gemaakt, die aansluiten op de dan geldende werkelijkheid. Eigen bijdrage schoolbestuur Vanuit wet- en regelgeving mogen schoolbesturen geen financiële bijdrage leveren aan de basiskwaliteit (lees: niveau bouwbesluit). Ze kunnen wel investeren in aanvullende kwaliteit (zoals flexibiliteit, duurzaamheid in gebruik, binnenklimaat, etc.). Deze eigen bijdrage is altijd gekoppeld aan een transparant terugverdienmodel: de extra’s moeten binnen een aanvaardbare tijd (kunnen) worden terugverdiend. Er is wetgeving in voorbereiding die de mogelijkheden om mee te investeren verruimt.

Deze eigen bijdrage door het schoolbestuur is steeds, in overleg met de gemeente, vast te stellen in het project.

09-4

Renovatie ten opzichte van nieuwbouw

De sectorplannen voor onderwijshuisvesting en maatschappelijk vastgoed gaan er vooralsnog van uit dat vervanging van een schoolgebouw vaak de beste keuze is. Toch kan het in voorkomende gevallen een juiste beslissing zijn om een bestaand gebouw te handhaven, bijvoorbeeld omdat circulariteit (en hergebruik) een belangrijker facet van verduurzaming wordt. Bij monumentale panden of locaties van grote maatschappelijke waarde kan handhaving en hergebruik zelfs de enige mogelijke keuze zijn. In de huidige praktijk blijkt levensduurverlengende renovatie in de hoogte van de investering in veel gevallen (bijna) net zo duur zijn als nieuwbouw. In jaarlijkse kosten is deze voor investeerder en gebruiker uiteindelijk vaak ongunstiger. Bij renovatie geldt immers een kortere afschrijvingstermijn van 25 jaar in tegenstelling tot de 40 jaren voor nieuwbouw. Ook de te bereiken energie-efficiëntie is meestal substantieel slechter. Voor de businesscases in voorliggend integrale huisvestingsplan wordt in de financiële berekeningen uitgegaan van (vervangende) nieuwbouw (normatief recht op ruimte vermenigvuldigd met afgesproken tarief). In de uitvoering van de projecten zal steeds een zakelijke afweging worden gemaakt, waarbij ook gekozen kan worden voor levensduurverlengende renovatie. In het geval van businesscase voor een bestaand gebouw (i.c.

de Crijnsschool en De Nieuwe Linde) is een technische beoordeling van het gebouw steeds onderdeel van het beslistraject.

09-5

Kindpartners

Voor de onderwijslocaties in Nuenen ca kiezen de partners voor de ontwikkeling van brede voorzieningen, waar kinddiensten in verschillende vormen onderdeel van kunnen zijn. Primair is de gezamenlijke aandacht, ook in LEA-verband, gericht op de ontwikkeling van doorgaande leerlijnen, waarbij bij voorkeur peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie op of dichtbij onderwijslocaties beschikbaar zijn en kindpartner op inhoud samenwerkt met de school. De wijze waarop op het gebied van kinderdagopvang en buitenschoolse opvang samenwerking wordt gerealiseerd kan pragmatisch per locatie verschillen. De vraag naar diensten, de beschikbaarheid van

DMS 23020142

36

voldoende ruimte en de aanwezigheid van alternatieve mogelijkheden in de omgeving spelen daarbij een rol. Ook de in de gemeente ontwikkelde praktijk laat zien dat deze aanpak leidt tot verschillende modellen per locatie, die de vraag van klanten goed invult. De wijze waarop de gemeente bijdraagt aan de huisvesting van kindpartners zal elke keer in maatwerkafspraken binnen het project vorm krijgen. Als de gemeente in voorkomende gevallen in de financiering bijdraagt geldt de wettelijke voorwaarde dat de kapitaallasten volledig gedekt zijn en er (dus) geen concurrentiebeïnvloeding aan de orde is. Andere modellen, die tot hetzelfde resultaat leiden, zijn bespreekbaar. Nb.: Een inschatting van de noodzakelijke investeringen voor aanvullende (kind) diensten zijn voor de volledigheid in de businesscases toegevoegd. Daarbij geldt dat uiteindelijk in het project de keuzes voor een passende invulling worden gemaakt.

09-6

Financiële consequenties uitvoeringsagenda 2025-2028

Voorliggend integraal huisvestingsplan voorziet in planmatige aanpassingen. De uitvoeringsagenda geeft inzicht in de maatregelen voor de komende uitvoeringsperiode. De financiële consequenties zijn normatief benaderd. Waar relevante onderwijsinhoudelijke en maatschappelijke gronden (zie ook strategische thema’s) aan de orde zijn, kan worden afgeweken van het normatieve uitgangspunt met betrekking tot huisvestingsvragen. Dit wordt uiteindelijk zichtbaar in de uitwerking door de bouwheer van de businesscases op locatieniveau (in samenspraak tussen gemeente, schoolbesturen en samenwerkende partners). In het IHP zijn maatregelen gedefinieerd waar overeenstemming met betrekking tot prioritering over is met de schoolbesturen. Dit leidt tot een verplichting voor de gemeente om maatregelen te financieren. Investeringen in onderwijshuisvesting vragen een beslag op schaarse middelen. De beschikbaarheid van de financiële middelen kan (mede) bepalend zijn voor het tempo waarmee investeringen gerealiseerd worden. Investering onderwijs Prognose Normatief 2039

m2 bvo

Uitbreiding Het Mooiste Blauw

Investeringen extra buurt- / kindvoorzieningen

Investering OWH

kindfuncties Maatscha

m2 bvo

Totaal

p. m2 bvo

Totaal

Investering

m2 bvo

IKC

PM

(al in besluitvorming)

Fase 1: Nieuwbouw 'nieuwe' school Nuenen-West (2028-2029) 200

1206

€ 4.144.678

PM

500

€

1.438.769

€ 4.144.678 Fase 2: Uitbreiding nieuwe School-West (2032-2034)

Nieuwbouw of renovatie Crijnsschool (2032-2034), vervroegen investering i.v.m. leerlingengroei Nuenen-West Vervangende nieuwbouw of renovatie De Nieuwe Linde (2034)

Totaal

-

-

€ 1.438.769

€ 5.583.447

€ 1.438.769

€ 5.583.447

€0

€ 4.144.678

200

1206

€ 4.144.678

-

280

1608

€ 5.302.599

400

€ 1.151.015,51

€ 1.151.016

€ 6.453.615

175

1080

€ 3.782.827

242

€ 696.364,38

€ 696.364

€ 4.479.192

€ 13.230.104

€ 1.847.380

€ 15.077.484

€ 17.374.782

€ 3.286.149

€ 20.660.931

Voorziening op de korte termijn (uitvoeringstermijn IHP) Budget voor volgende twee uitvoeringstermijnen

DMS 23020142

37

Toelichting bij de bedragen Onderwijshuisvesting:

Investering IKC:

-

-

-

De genoemde investeringsbedragen voor de onderwijsruimten zijn gebaseerd op normatief recht op vierkante meters vermenigvuldigd met nieuwbouwtarief uit het IHP. Het is verstandig om rekening te houden met een indexering om het nieuwbouwtarief tot realisatie actueel te houden. Het is wenselijk om bij de start van elk project nieuwe, toegespitste leerlingenprognoses te maken naar de dan wenselijke omvang, die voor de school normatief past. In de businesscases moet dan een geactualiseerde stichtingskostenraming worden opgesteld. Raming voor versterking en aanvullingen vanuit in het IHP afgesproken beleid van onderwijsplekken. Daarmee ontstaan kindvoorzieningen, die (voldoende) ruimte bieden aan (1) een zo compleet mogelijk aanbod van kinddiensten voor opvang en zorg en (2) voor maatschappelijke ontmoeting en welzijn, in aansluiting op de omgeving/wijk.

In de tabel is voor aanvullende investeringen in aanpalende kindvoorzieningen en/of gemeenschapsfuncties een indicatie gegeven. Deze zijn gebaseerd op bestaande situaties en/of opgaves van schoolbesturen en gemeente met betrekking tot samenwerkingskansen en -wensen. In de realisatiefase zal in een programma van eisen een nauwkeurige inventarisatie van de wensen en behoeften worden gemaakt. Voor onderwijs zijn de genormeerde vierkante meters leidend. Maatwerk is mogelijk en per locatie kunnen andere keuzes worden gemaakt. Bij realisatie van ruimte voor kinddiensten en andere professionele maatschappelijke partners zullen in veel gevallen passende huurcontracten worden afgesloten. Bij huurovereenkomsten met kindpartners en andere professionele instellingen kan de gemeente (of de exploitant van de voorziening) huurinkomsten verwachten, die de kosten dekken. Uitgangspunt is dat gedeeld ruimtegebruik met kind- en andere partners in de scholen zoveel mogelijk wordt bevorderd.

Aanvullende kosten De gemeente wordt vanuit de wet geacht om bouwrijpe grond beschikbaar te stellen. Waar panden of gronden moeten worden aangeschaft komen deze kosten aanvullend voor rekening van de gemeente. Bij de toekenning van voorzieningen moet aanvullend rekening worden gehouden met een aantal bijkomende kosten: • Sloopkosten zijn 'project specifieke kosten' en de bedragen in bovenstaande tabel zijn dan ook indicatief op basis van de huidige inzichten in de businesscases op basis van kentallen. De uiteindelijke sloopkosten kunnen variëren, afhankelijk van factoren zoals de aard van het gebouw, de complexiteit van de sloopwerkzaamheden en de eventuele aanwezigheid van asbest. Ze zijn op een later tijdstip, op projectbasis, nauwkeurig te bepalen. • Het beleid is erop gericht om, tijdens de businesscases, bestaande gebouwen zo lang mogelijk in te zetten. De noodzaak voor tijdelijke huisvesting is projectafhankelijk en dient steeds grondig te worden overwogen. In eerste instantie moet worden onderzocht of een tijdelijke verhuizing naar ander maatschappelijk vastgoed in de omgeving een haalbare optie is. Als het voortzetten van het gebruik van het huidige gebouw en tijdelijke huisvesting elders geen optie is, kan tijdelijke huisvesting in de vorm van tijdelijke huisvesting in overweging worden genomen.

• In de stichtingskosten zijn bijkomende kosten voor aanleg/aanpassing van de omgevingsinfrastructuur (waaronder parkeerterreinen) niet inbegrepen. Ook (bij nieuwe scholen) kosten voor eerste inrichting komen aanvullend voor rekening van de gemeente.

DMS 23020142

38

• •

Aanvullend dient rekening te worden gehouden met kosten van (gemeentelijk) projectmanagement. In een aantal businesscases is rekening te houden met resterende boekwaarden van gebouwen die versneld moeten worden afgeschreven.

09-7

Afschrijvingstermijnen

De gemeente Nuenen ca hanteert voor de economische afschrijving van onderwijsgebouwen voor zover ze voor kosten van de gemeente gerealiseerd zijn, een afschrijvingstermijn van 40 jaren. Dat is in overeenstemming met de afspraken in de routekaart voor onderwijshuisvesting (afgesloten tussen VNG, PO raad en VO raad), zie Hoofdstuk 4. Die gaat uit van een jaarlijkse vervanging van 2,5% van de onderwijsgebouwen en (dus) van een verkorte afschrijvingstermijn van 40 jaren. In het bepalen van de eindtermijnen van de gebouwen (paragraaf 8.5) is daar rekening mee gehouden.

DMS 23020142

39

Bijlagen Bijlage 1. Informatiefundament Nuenen, Gerwen en Nederwetten (schooljaar 2023-2024) Bijlage 2. Gebouwelijke QuickScans Bijlage 3. Wettelijk kader Bijlage 4. Businesscases

DMS 23020142

40

Bijlage 3. Uitgebreid wettelijk kader Bij het opstellen van het IHP is het essentieel om rekening te houden met algemene richtlijnen, uitgangspunten en relevante wet- en regelgeving. Deze bijlage geeft een meer uitgebreidere beschrijving van achtereenvolgens de gemeentelijke, maatschappelijke en wettelijke kaders. Ontwikkelingen binnen een bepaald kader worden ook toegelicht. De onderwerpen en vraagstukken zijn in willekeurige volgorde beschreven en geven geen mate van belangrijkheid aan. Gemeentelijk beleid Gemeentelijke taken De gemeente heeft enkele wettelijke taken op het gebied van onderwijs, zoals het handhaven van de Leerplichtwet, het inzetten van leerlingenvervoer, de zorgplicht voor onderwijshuisvesting in het funderend onderwijs en het uitvoeren van onderwijsachterstandenbeleid via bijvoorbeeld Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Daarnaast moet de gemeenteraad voldoende algemeen toegankelijk openbaar onderwijs borgen. De bevoegdheden zijn beperkt, terwijl de effecten en resultaten van het onderwijs van immense invloed zijn op de manier waarop de maatschappij en lokale gemeenschap worden vormgegeven en (onderling) acteren. Relatie met sociaal domein De gemeente kreeg met de decentralisaties in het sociaal domein in 2015 een taakverruiming; Wmo, Jeugdwet, Participatiewet. Het onderwijs valt formeel niet onder de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein.

Door de Wet Passend Onderwijs worden scholen echter via de samenwerkingsverbanden verplicht hun ondersteuningsplan af te stemmen op het beleidsplan jeugdhulp, met het doel dat alle kinderen een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden. Soms is het ook nodig dat onderwijs, jeugdhulp en gemeente afstemmen rondom individuele ondersteuning. Het onderwijs en de lokale overheid hebben elkaar als partners nodig om invulling te kunnen geven aan hun (gezamenlijke) opgaven in het belang van kinderen. Ontwikkelingen zijn te verwachten op het gebied van kinddiensten. Niet alleen VVE maar ook opvang kan daardoor de komen jaren meer binnen het gemeentelijke takenpakket terecht komen. Op welke wijze dit formeel invulling gaat krijgen en ook de termijn is niet helder maar de intentie is dat opvang vanaf 2025 voor werkenden en vanaf 2028 voor alle kinderen goedkoper wordt. Wat dit betekent voor het beschikbaar maken van ruimten in relatie tot onderwijshuisvesting is onduidelijk. Maar dat het consequenties zal hebben voor het IHP is evident. Samen werken aan duurzame samenleving Het onderwijs heeft een belangrijke functie in het creëren van kansen voor de kernen in de gemeente.

Door talenten te herkennen en te benutten én vroegtijdig zicht te krijgen op wat stimuleert, draagt onderwijs bij aan vitale participerende burgers en daarmee aan een sterke innovatieve gemeenschap. Het onderwijs moet blijven anticiperen op de veranderende behoeften in de maatschappij, van de kinderen en jongeren, van de ouders en ontwikkelingen in de omgeving. De komende jaren wordt van de gemeente als regisseur in het jeugddomein, en van de onderwijsinstellingen en andere partners eveneens inspanning gevraagd voor het vasthouden van een sterke, duurzame, inclusieve samenleving. Samenwerking biedt daarbij mogelijkheden om kinderen en jongeren kwalitatief hoogwaardige leer- en ontwikkellijnen te bieden in goede voorzieningen. Deze samenwerking vraagt een gezamenlijke visie op inhoud en vorm.

DMS 23020142

41

Wettelijk (wet- en regelgeving) Gedeelde verantwoordelijkheid Het wettelijk kader van onderwijshuisvesting kent een gedeelde verantwoordelijkheid tussen gemeenten en schoolbesturen. De gemeente heeft de zorgplicht om voldoende en adequate huisvesting beschikbaar te stellen voor het PO, (V)SO en VO. De gemeente is (ook financieel) verantwoordelijk voor nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. De verantwoordelijkheid van renovatie is in de huidige wetgeving nog niet vastgelegd, maar de verwachting is dat deze aan het gemeentelijke voorzieningenpakket van onderwijshuisvesting wordt toegevoegd. Het schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid de huisvesting goed te beheren en te exploiteren. Zij draagt de kosten voor de exploitatie van het gebouw (energie, water, en schoonmaak) en ook voor klein en groot onderhoud van het gebouw en de buitenruimte/ speelterrein gedurende de gebruikstermijn van het gebouw. Binnen die gedeelde verantwoordelijkheid in onderwijshuisvesting kunnen belangen tussen schoolbesturen en gemeente soms tegengesteld zijn. De gemeente kan er baat bij hebben investeringen laag te houden. De keuze om investeringen in nieuwbouw uit te stellen of te verwijzen naar leegstand is soms verleidelijk, ondanks dat onderhoudskosten of energiekosten (verantwoordelijkheid schoolbestuur) daardoor juist hoger kunnen zijn.

Schoolbesturen hebben tegelijkertijd behoefte aan een gebouw dat goed te exploiteren is: passend bij de omvang van de school, modern en efficiënt, toekomstgericht, en energievriendelijk. Zij kunnen er baat bij hebben om onderhoud te verminderen om sneller in aanmerking te komen voor een nieuw schoolgebouw. Het juridisch eigendom, en daarmee de juridische aansprakelijkheid, ligt in beginsel bij het schoolbestuur. Daardoor mag het schoolbestuur een gedeelte van het gebouw verhuren of in medegebruik geven, mits dit medegebruik is voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Bij verhuur dient het schoolbestuur aan het college van B&W toestemming te vragen voor het onttrekken van de onderwijsbestemming van het gebouwdeel. Omdat de gemeente het gebouw en de ondergrond bekostigt, heeft zij het economisch claimrecht als het schoolbestuur het gebouw, of een gebouwdeel niet langer gebruikt. In die situatie krijgt de gemeente ook het juridisch eigendom van het betreffende gebouw. Een gemeente of schoolbestuur kan ook het initiatief nemen om delen van het schoolgebouw aan de onderwijsbestemming te onttrekken. In dat geval gaat voor dit gebouwdeel het eigendom over naar de gemeente.

Gemeentelijke verordening als vangnet Gemeenten zijn op grond van de Wet op het Primair Onderwijs (Wpo), Wet op het voortgezet Onderwijs (Wvo) en Wet op Expertisecentra (WEC) verplicht om een Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs te ontwikkelen en vast te stellen. Gemeenten dienen de schoolbesturen te betrekken en ‘op overeenstemming gericht overleg’ (OOGO) te voeren. In de verordening zijn op basis van gemeentelijk onderwijshuisvestingsbeleid kaders, uitgangspunten en inhoudelijke voorwaarden geregeld. Ook worden de procedures voor het aanvragen van voorzieningen in de huisvesting, toegespitst op specifieke gemeentelijke voorwaarden, vastgelegd. Voorzieningen in de huisvesting zijn:

DMS 23020142

42

•

Voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen3;

•

Herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;

•

Herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;

•

Huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.

Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds bekostiging voor onderwijshuisvesting. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het aanvragen voor de voorziening in de huisvesting (binnen de vastgestelde procedures). Schoolbestuur is in principe bouwheer voor de realisatie. De gemeente stelt bouwrijpe grond en middelen beschikbaar, maar gaat in principe niet zelf aan de slag. Indien schoolbestuur het bouwheerschap niet wenst, dient er een andere partij te worden gezocht, of ligt dit bij de gemeente. De gemeente heeft ook de bekostigingsverantwoordelijkheid voor realisatie, instandhouding en exploitatie van gymnastiekvoorzieningen (lokaal bewegingsonderwijs). Wanneer een school gebruik maakt van een gemeentelijke sportvoorziening, dient de gemeente de accommodatie om niet in gebruik te geven voor het vastgestelde aantal klokuren. Het financieel risico van de exploitatie ligt bij de gemeente. Als de gymnastiekvoorziening, na realisatie door de gemeente, eigendom is van het schoolbestuur, ontvangt deze voor het genormeerde aantal klokuren een vastgestelde vergoeding. Resterende kosten voor exploitatie en instandhouding kunnen via medegebruik opgevangen worden. In het amendement dat in februari 2020 aangenomen is door de Tweede Kamer worden scholen in het primair onderwijs verplicht per groep minimaal twee lesuren van 0,75 uur (2x45 minuten) per week bewegingsonderwijs te geven.

De verplichte lestijd voor bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs varieert naar onderwijstype en leerjaar. De huidige afspraken c.q. bepalingen met betrekking tot de bekostiging en gemeentelijke facilitering van de accommodatie blijven gelden. Investeren in huisvesting ten behoeve van kinderopvang (kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang) valt niet onder de zorgplicht van de gemeente en is daarmee ook geen onderdeel van de verordening. Organisaties voor kinderopvang worden op andere wijze gefinancierd en dienen zelf te investeren in hun huisvesting of een passende huur te betalen voor de huisvesting waar zij gebruik van maken. Maatschappelijke vraagstukken Onderwijshuisvesting dient bij nieuwbouw te voldoen aan de wettelijke bouweisen (bouwbesluit). Aan bestaande onderwijsgebouwen stelt de wetgever slechts beperkte wettelijke eisen. Belangrijkste voorwaarde is dat gebruik als schoolgebouw vergunbaar is en dat dus aan minimale eisen met betrekking tot gezondheid en veiligheid wordt voldaan. Dat is te begrijpen, omdat gebouwen en mogelijk losmaakbare materialen/elementen een levens- en gebruiksduur hebben van vele jaren (minimaal 40 jaar, gebouwniveau). Inhoudelijke veranderingen in het onderwijs kunnen aanleiding zijn voor gemeente en schoolbestuur om deze accommodaties onder de loep te nemen.

3

(Vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, (gedeeltelijk) in gebruik nemen van bestaand gebouw, verplaatsing van bestaande tijdelijke huisvesting, terrein voor het realiseren van voorgaande voorzieningen. Inrichting met onderwijsleerpakket en/of meubilair (mits niet eerder bekostigd). Medegebruik ander onderwijsgebouw.

DMS 23020142

43

Tegelijkertijd vragen maatschappelijke ontwikkelingen als klimaat, circulariteit, energieneutraliteit, Frisse Scholen en duurzaamheid aandacht bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Deze ontwikkelingen vinden stap voor stap ook hun plek in bouwregelgeving. PO-Raad, VO-Raad, VNG en Rijk werken samen aan het verbeteren van het wettelijke kader. Momenteel ligt wetgeving voor die de schoolbesturen en gemeente meer gezamenlijke en gelijkwaardige verantwoordelijkheid geeft in de voorzieningen voor de huisvesting. Belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is een wettelijk kader rondom renovatie, waarbij renovatie als levensduurverlenging van tenminste 25 jaar een volwaardig alternatief wordt voor nieuwbouw. De uitdaging voor gemeenten is om intussen keuzes te maken die daar soms op vooruit lopen. Een beter gebouw leidt tot een hogere kwaliteit van het onderwijs (door betere verblijfscondities) en een efficiëntere exploitatie voor het schoolgebouw (waardoor meer geld beschikbaar blijft voor onderwijs). Maar grotere huisvestelijke ambities leiden ook tot een hogere investering. Elke aanscherping van kwaliteitsafspraken voor nieuwbouw kost geld; de bouwkosten worden immers hoger. Belangrijke maatschappelijk ontwikkelingen zijn: •

Energie en CO2-neutraliteit De wetgever ontwikkelt beleid op weg naar energie-efficiëntie. De eerste stap naar deze verduurzaming werd gezet in het Energieakkoord uit 2013. Daarna zijn op wereldschaal in Parijs afspraken gemaakt en deze worden via klimaattafels in publiek-private samenwerking tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers vertaald naar concrete doelstellingen en een praktische aanpak voor Nederland: het Klimaatakkoord. Dit heeft consequenties voor zowel nieuwbouw in de vorm van verscherpte bouweisen als een verplichte aanpak van bestaand vastgoed met als doel het bereiken van CO2-neutraliteit in 2050. Inmiddels is het verplicht om bij nieuwbouw gasloos en bijna energie neutraal (BENG) te bouwen. Vanaf 2030 worden de eisen voor nieuwe gebouwen opgeschroefd naar volledig emissievrij (ENG). Bestaande gebouwen moeten vanaf 2030 voldoen aan minimaal energielabel E. Dat geldt ook voor onderwijshuisvesting (utiliteitsbouw). Er is een routekaart PO en VO ontwikkeld met te nemen stappen voor verduurzaming van schoolgebouwen.

•

Frisse Scholen en Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting Kwaliteit van onderwijshuisvesting is van invloed op de prestaties van de leerlingen en het onderwijzend personeel. Het waarborgfonds & Kenniscentrum Ruimte-OK heeft in overleg met de PO-Raad en de VNG het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting ontwikkeld, waarin gebouwen worden beoordeeld op verschillende aspecten op de thema’s Beleving, Gebruik en Techniek. Het laat ook zien waar deze basiskwaliteit uitstijgt boven de wettelijke minimumeisen uit het Bouwbesluit. Het Waarborgfonds Kinderopvang heeft een soortgelijk kader opgesteld voor de kinderopvang: Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als onderdeel van het programma Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een Programma van Eisen opgesteld met minimale eisen voor een goed binnenmilieu en een lage energierekening; PvE Frisse Scholen. Frisse Scholen is een kwaliteitskader, waarmee wetgever, gemeenten en onderwijs streven naar verbetering van de kwaliteit van zowel nieuwbouw als ook bestaande scholen, gericht op de verbetering van de verblijfsaspecten Energie, Lucht, Temperatuur, Licht en Geluid.

DMS 23020142

44

Voor alle thema’s zijn prestatie-eisen voor drie kwaliteitsniveaus omschreven; C, B en A. Op de thema’s energie en lucht dient bij nieuwbouw minimaal voldaan te worden aan klasse B, om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. Gemeente, schoolbestuur en kindpartners zoeken samen op lokaal niveau een balans in de ambities en investeringen in gebouwkwaliteit. •

Duurzaamheid Onderwijshuisvesting moet de gebruiksfunctie duurzaam ondersteunen. Daarbij zijn neutraliteit in energiegebruik en ook kwaliteit en hergebruik van materialen voor de hand liggende thema’s. Maar daarnaast moet ook aandacht zijn voor de continuïteit van geschiktheid van een schoolgebouw. Goede, relevante schoolgebouwen kunnen het onderwijs, en vooral de te verwachten veranderingen daarin, op lange termijn faciliteren. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten ook vanuit dat inhoudelijke perspectief samen beoordelen of investeren in onderwijsgebouwen zinvol is met een blik, die verder gaat dan vandaag en morgen.

•

Circulaire economie Een transitie naar een circulaire economie is gaande, waarin hergebruik van materialen en grondstoffen en gebruik van hernieuwbare grondstoffen de uitgangspunten zijn. Door toekomstgericht relevante schoolgebouwen te realiseren wordt ingespeeld op de doelstellingen voor het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten beslissen of desbetreffende toekomstgerichte investeringen passen bij de onderwijs- gebouwen en visie.

Een eerlijke balans De taakverdeling tussen gemeente en schoolbesturen voor adequate huisvesting kan problemen opleveren. Partijen hebben immers niet altijd gelijke belangen. Gemeente heeft er baat bij als het schoolbestuur een gebouw goed exploiteert en lang actief onderhoudt tot bij voorkeur zelfs na het einde van de gebruiksduur. Schoolbestuur ziet graag dat een gemeente proactief (vroeg) investeert in nieuwbouw van een efficiënt te exploiteren gebouw. De eerder geschetste maatschappelijke ontwikkelingen maken het gecompliceerder om tot afspraken te komen binnen het bestaande wettelijk kader. Daarbij zijn verschillende thema’s relevant: •

De discussie over duurzaamheid heeft een nieuwe dimensie gekregen door de snel scherper wordende eisen met betrekking tot energiegebruik. Vanuit duurzaamheidseisen wordt het onderscheid tussen exploitatie/onderhoud en investering minder relevant. Om die reden wordt het voorstel gedaan om renovatie, naast nieuwbouw c.q. opwaardering tot nieuwbouwvoorwaarden van een bestaand gebouw, een onderdeel van het voorzieningenpakket te laten worden (met als uitgangspunt dat dit leidt tot een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar).

•

Het wordt relevanter dat vanuit Total Cost of Ownership een verband wordt gelegd tussen investeringen vanuit wettelijke zorgplicht en onderhoudsplannen van schoolbesturen op de middellange en lange termijn. Onderhoudsgelden kunnen dan immers samengevoegd worden met investeringsmiddelen om tot efficiënte maatregelen te komen.

•

Om dit te verbinden kan het helpen als schoolbesturen ruimte krijgen om mee te investeren in huisvesting vanuit hun materiële instandhoudingsvergoeding. Tot nu is dat ingewikkeld en slechts beperkt toegestaan voor het Voortgezet Onderwijs; enkel voor co-investeren in maatregelen, die in exploitatie terug verdiend kunnen worden. Voor het Primair Onderwijs en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs zijn de beperkingen stringenter en uitbreiding van de mogelijkheden behoort tot de aan het Rijk aangereikte voorstellen voor een wetsaanpassing van PO-Raad, VO-Raad en VNG.

•

Een heldere en bindende planning op de middellange en lange termijn (tot 20 jaar) is noodzakelijk. Het is daarom waarschijnlijk dat het instrument Integrale Huisvestingsplanning (IHP) een wettelijke verankering krijgt (in 2025) en voor elke gemeente een verplichting wordt. Ook de procedures ten aanzien van jaarlijkse aanvragen dienen daarbij aangepast te worden aan de nieuwe werkelijkheid.

DMS 23020142

45

Goede financiële randvoorwaarden Bouwprijzen veranderen over tijd en ook op dit moment vindt een sterke ontwikkeling plaats. Deze volgt op een eerdere correctie na de recessie van 2008. De huidige prijsstijgingen worden ingegeven door verschillende omstandigheden. De laatste jaren zijn capaciteitsproblemen ontstaan in bouwmaterialen. Ook nemen de kosten van energie sterk toe en ook door stijgende personeelskosten stijgen de bouwkosten met tientallen procenten. Dit wordt versterkt door de toenemende kwaliteitseisen voor duurzaamheidsvragen, soms vooruitlopend op wettelijke verankering. Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG) is een verplichting, vooruitlopend op ENG en (zelfs) klimaatneutraliteit. In het verlengde van COVID-19 is ook de aandacht voor binnenklimaat en luchtverversing sterk toegenomen. Gemeenten hanteren doorgaans normbedragen in hun verordening voor nieuwbouw en uitbreiding. De VNG stelt jaarlijks deze normbedragen vast als advies aan gemeenten. De normen gaan uit van ‘sober en doelmatig bouwen’ en zijn gebaseerd op het bouwbesluit. Gemeente kunnen dan in overleg met schoolbesturen, een balans zoeken op een hoger kwaliteitsniveau op basis van de beschikbare financiële ruimte. Daarbij zijn verschillende aandachtspunten relevant: •

Betaalbaarheid in relatie tot opgave: Toegekende bouwbudgetten in de uitvoeringsplanning moeten leiden tot uitvoerbare plannen. Dit vraagt van gemeente en schoolbesturen om in goed overleg een balans te zoeken tussen het toekennen van voorzieningen in het kader van zorgplicht en de soms beperkte financiële ruimte van de gemeente.

•

Kwaliteitsvoorwaarden: Hogere eisen vertalen zich in een hogere bouwprijs. De kwaliteitseisen zullen de komende jaren verder toenemen vanwege stappen in de richting van energieneutraliteit. Extra eisen leiden vaak tot grotere prijsstijgingen en later vlakken die dan af. Er moet daarom gestreefd worden naar een balans tussen kwaliteitseisen en het beschikbaar te stellen bouwbudget.

•

Eigen bijdrage van schoolbesturen: Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs mogen vanuit Total Cost of Ownership (TCO) benadering mee-investeren in nieuwbouw of renovatie van een school als deze extra investeringen (in duurzaamheid) binnen een aanvaardbare tijd kunnen worden terugverdiend. De verwachting is dat deze mogelijkheden worden uitgebreid naar het Primair en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs.

•

Lokale marktomstandigheden: De VNG baseert de normbedragen op een algemeen beeld van de prijsontwikkeling in de bouw. In verschillende delen van het land gelden vaak andere voorwaarden en het is aan een gemeente zelf om daar in IHP of verordening keuzes in te maken.

•

Continuïteit: Bouwprijzen kunnen binnen korte termijnen sterk fluctueren. Met het oog op de te verwachten veranderingen in eisen de komende tijd, lijkt het voor de hand te liggen om in IHP en verordening afspraken te maken over hoe met prijsstijgingen kan worden omgegaan. Dit met het oog op de langjarige realiseerbaarheid van een gedragen, vast te stellen uitvoeringsprogramma.

DMS 23020142

46

Bijlage 4 Businesscases Bijlage 4a. Businesscase A: Uitbreiding Onderwijshuisvesting Nuenen-West Programma

m2 BVO + 613 basisschool leerlingen in NuenenWest tot 2040 1. Nieuwbouw schoolgebouw ~ 2x 200 leerlingen in twee fase(n). 2. Mogelijkheden onderzoeken onderwijsvoorziening havo/vwo.

Onderwijshuisvesting Aandachtpunten: - Tijdelijke huisvesting basisschool de Dassenburcht - Uitgangspunt is realisatie van uitbreiding Het Mooiste Blauw (~ 125 leerlingen, 5 groepen)

2.412 m2 voor 400 leerlingen Primair onderwijs (excl. VO)

Kind diensten onderwijs

Extra voorzieningen voor Kindpartners BSO/KDV/PO (in fase 1 te realiseren).

500 m2

Maatschappelijk

Mogelijk nieuwe gymzaal / sporthal

n.t.b.

Totaal

Geplande oplevering

2.712 m2 Realisatie in meerdere fasen: 1a. Nieuwbouw fase 1, 200 leerlingen 1b. Nieuwbouw fase 2, 200 leerlingen 2. VO – havo/vwo n.t.b. leerlingen Realisatie fase 1: (School 200 leerlingen)

Fin. vertaling Businesscase

Realisatie fase 2 (volgende uitvoeringstermijn): (School 200 leerlingen)

2028 2032 n.t.b. € 5.583.447 (inclusief aanvullende voorzieningen) € 4.144.678

Nb. Exclusief beschikbaar maken van bouwrijpe grond

Achtergrond De geprognosticeerde leerlingengroei in Nuenen-West kan niet worden ondervangen vanuit de huidige schoollocaties. Daarom wordt onderwijscapaciteit toegevoegd en daarbij is gemeentelijke zorgplicht aan de orde. Uit de grafiek en tabel blijkt dat de groei beperkte impact heeft op de rest van de gemeente. In bijlage 1 is een aanvullende analyse opgenomen. Volgens de prognoses is er tot 2034 behoefte aan onderwijsvoorziening voor ongeveer 400 leerlingen in het voedingsgebied Nuenen-West (uitgaande van realisatie van de uitbreiding in 2026 van Het Mooiste Blauw. De sterkste groei wordt verwacht tussen 2027 en 2034.

DMS 23020142

47

Woningontwikkeling in Nuenen-West zal geleidelijk zijn: niet alle leerlingen zullen direct in NuenenWest aanwezig zijn, zo blijkt uit de prognoses. Het ligt voor de hand om te kiezen voor een ingroeiscenario. Per 2028/2029 is onderwijscapaciteit (en -huisvesting) toe te voegen voor 200 leerlingen en deze is later per 2032 - 2034 aan te vullen. De afgesproken uitbreiding van het Mooiste Blauw is als gegeven in onderstaande analyse meegewogen.

Cumulatieve groei Leerlingen Noord Zuid en Eeneind Oost Boord, Opwetten en West Gerwen Nederwetten

2023 0 0 0 0 0 0 0

2024 28 2 -15 57 3 -2 73

2025 50 2 -23 104 4 0 137

2026 58 -7 -28 164 4 -2 189

2027 43 -32 -36 237 9 -3 218

2028 49 -46 -37 301 7 -1 273

2029 47 -54 -51 358 8 0 308

2030 44 -59 -58 424 8 1 360

2031 40 -64 -60 483 11 -2 408

2032 29 -72 -61 527 12 0 435

2033 25 -78 -64 569 10 -1 461

2034 18 -82 -66 608 15 0 493

2035 22 -73 -59 613 20 1 524

2036 25 -66 -53 618 21 3 548

2037 28 -58 -48 619 21 2 564

2038 25 -53 -40 617 23 4 576

2039 29 -47 -39 613 21 4 581

Tabel 0-1 Ontwikkelingen wijken in Nuenen en toenemende aantal leerlingen in Nuenen-West (xxlnc, 2023)

Uit de analyse van de leerlingenprognoses blijkt dat in het gebied Nuenen-West een geleidelijk groeiende extra capaciteitsbehoefte in primair onderwijs voor 400 tot 450 leerlingen. Gemeente, schoolbesturen en kindpartners onderzoeken aanvullend de mogelijkheden om primair onderwijs te verbinden met kinddiensten, sporthal/ gymzaal en eventuele gemeenschapsvoorzieningen. Ook is er oog voor de mogelijke ontwikkeling van een brede ‘onderwijscampus’ met een aanvulling met voortgezet onderwijs voor havo/vwo. Door overleg kan een breed aanbod ontstaan, dat voortbouwt op bestaande initiatieven en samenwerkingsverbanden. Gezocht wordt naar oplossingen die maatschappelijke impact hebben. Kader Uitbreiding basisschool Het Mooiste Blauw: Voor deze school is vanwege leerlingengroei zorgplicht aan de orde. De eerdere plannen voor aanvulling van de school met vijf lokalen worden als voorzien gerealiseerd. Daarmee kan op de kortst mogelijke termijn antwoord gegeven op de groeiende vraag naar onderwijscapaciteit in het gebied. Daarmee is niet voldaan aan de geprognosticeerde onderwijsvraag. Het Mooiste Blauw kan echter op locatie niet verder worden uitgebreid. Tijdelijke huisvesting de Dassenburcht: Voor deze school is vanwege de leerlingengroei zorgplicht aan de orde.

Op korte termijn zal in afwachting van de definitieve oplossing tijdelijke huisvesting worden gerealiseerd om invulling te geven aan het acute ruimtegebrek: partijen onderzoeken samen de beste aanpak voor een snelle uitbreiding met 4 lokalen. Deze extra ruimte is tijdelijk en wordt na afronding van fase 1 van de Businesscase verwijderd. Vorm Ontwikkeling van een aanvullend onderwijsaanbod voor de kinderen in Nuenen–West. De locatie wordt in goed overleg tussen de gemeente, PlatOO en Eenbes bepaald. Deze ruimte zal binnen de stedenbouwkundige plannen in samenspraak met betrokken ontwikkelende partner aangewezen worden. De gemeente stelt volgens de wet bouwrijpe grond beschikbaar.

DMS 23020142

48

Realisatietermijn De businesscase wordt gestart met de intentie om in 2028 voor 200 leerlingen onderwijsaanbod toegevoegd te hebben. In de periode 2032-2034 zal voor een aanvullende 200 leerlingen onderwijsaanbod toegevoegd moeten worden. Uitwerking Bij de uitvoering van de businesscase werkt de gemeente samen met schoolbesturen Eenbes, PlatOO en OMO. Naast de ontwikkeling van een nieuwe locatie en het vrijmaken van voldoende (bouwrijpe) grond moet daarbij vooral de tijdige beschikbaarheid van voldoende onderwijscapaciteit worden gewogen. Daarbij is ook de relatie met en eventuele aanpassing van andere scholen mee te wegen, vooral de relatie met de Crijnsschool (Businesscase B) en de realisatie van de uitbreidingsplannen voor Het Mooiste Blauw. Deze bredere blik kan kansen bieden om voor een bredere visie op de capaciteitsuitbreiding. Voor de besluitvorming nu wordt een gefaseerde aanpak van de capaciteitsuitbreiding voorgesteld. Dat heeft financiële voordelen door de spreiding van de kapitaallasten, het minimaliseren van tijdelijke (normatieve) leegstand in gebouwen en het beperken (daardoor) van de exploitatielasten van de partners.

Daar staan echter duidelijke nadelen tegenover: er is een langere overlastperiode voor leerlingen, ouders en onderwijzend team door bouwactiviteiten, er zijn substantiële financiële risico’s door stijgende bouwkosten en de initiële investering is duurder omdat rekening moet worden gehouden met de latere uitbreiding (in fundamenten en installaties). In de Businesscase moet daarom waar mogelijk een zakelijke afweging worden gemaakt, waarbij de financiële voor- en de nadelen van het spreiden van de investeringen in verband worden gezien met de noodzaak (vanuit de wet) om steeds tijdig te voorzien in voldoende huisvesting. Uitgangspunt moet zijn dat steeds tijdig voldoende onderwijsruimte (-huisvesting) in het gebied is en dat er zicht blijft op de mogelijkheden om havo/vwo-onderwijs in Nuenen toe te voegen. Daarbij wordt tijdelijke huisvesting zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Vanuit de strategische thema’s ligt het voor de hand om partners toe te voegen voor maatschappelijke ontwikkeling rondom integratie en taal. Het gezamenlijk onderzoeken van subsidiemogelijkheden om aanvullende financiering te genereren, maakt onderdeel uit van de opdracht.

DMS 23020142

49

Bijlage 4b. Businesscase B: De Crijnsschool Programma

m2 BVO

Onderwijshuisvesting

280 leerlingen o.b.v. prognose 2040

1.608 m²

Kind diensten onderwijs

400 m2 KDV/BSO/POV – momenteel gelegen naast de school, in businesscase in gezamenlijkheid oppakken.

400 m²

Maatschappelijk

Niet van toepassing

0 m2

Totaal Geplande oplevering Fin. vertaling Businesscase

2.008 m² Timing in relatie tot Nuenen-West

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15267755/2