Herstelbesluit bp Eeneind 2018 - Bijlage Toelichting
Tekst van het document
4.3
Behoud herkenbaarheid ruimtelijke structuur
Door de organische structuren binnen de woonbebouwing in Eeneind is sprake van een herkenbare ruimtelijke structuur van de woonomgeving. In deze ruimtelijk structuur zijn de vrijstaande, halfvrijstaande en geschakelde woningen duidelijk herkenbaar afgewisseld door de aanwezige (open) ruimte tussen de woningen. Het is wenselijk dat deze ruimtelijke structuur behouden blijft om het hoogwaardige woonklimaat te blijven waarborgen. Derhalve zijn de bouwvlakken afgestemd op de bestaande ruimtelijke situatie. Wel is als uitzonderingssituatie onder voorwaarden de mogelijkheid geboden om het hoofdgebouw van de woningen in zijwaartse richting uit te breiden, zonder dat dit ten kosten gaat van de ruimtelijke structuur en het hoogwaardige woonklimaat.
bestemmingsplan Eeneind 2018
31
32
bestemmingsplan Eeneind 2018
Hoofdstuk 5 5.1
Functionele karakteristiek
Algemeen
In functioneel opzicht valt het plangebied in drie delen uiteen: Ten noorden van de spoorlijn de woonkern Eeneind. De woonfunctie domineert hier in de vorm van overwegende vrijstaande woningen. Alleen in de meest recente bebouwing aan de oostzijde komt in beperkte vorm aaneengesloten bebouwing voor. Het aantal woningen in Eeneind is beperkt, met als gevolg dat voorzieningen nagenoeg ontbreken. Tussen spoorlijn en Collseweg een menggebied van overwegend kleine bedrijven met (bedrijfs)woningen. Dit gebied heeft zich ontwikkeld vanuit het station langs de oude routes Kruisakker en Eeneind. Langs Eeneind ligt een kleine concentratie van halfvrijstaande woningen en een horecabedrijf. Voor het overige domineert het karakter van kleinschalig bedrijventerrein (maximaal milieucategorie 3). Bijzonder is de oude stationsomgeving, waar de karakteristieke gebouwen thans een woonfunctie hebben. Ten zuiden van de Collseweg en op delen van het gebied ten oosten van de Collse Hoefdijk bevinden zich grootschalige bedrijventerreinen, waar bedrijven tot categorie 4 voorkomen.
5.2
Woongebied
Zoals in 5.1 is beschreven betreft het woongebied vooral in het gebied ten noorden van de spoorlijn. Dit is een woonwijk voor circa 800 inwoners met enkele groenvoorzieningen. Ten zuiden van de spoorlijn en ten noorden van de Collseweg zijn ook woningen gelegen, dit zijn (voormalige) bedrijfswoningen in kleinere aantallen.
5.3
Voorzieningen
Qua voorzieningen ten noorden van de spoorlijn is alleen het gemeenschapshuis gevestigd aan de Spijkert, welke een maatschappelijk karakter heeft. Verder is er nog een horeca gelegenheid aanwezig in Eeneind, in de vorm van een bar met bijbehorende zaal (Schellens).
5.4
Bedrijven
Het grootste gedeelte van Eeneind bestaat uit bedrijven, door de aanwezigheid van de bedrijventerreinen Eeneind I en Eeneind II. Eeneind I is een kleinschalig bedrijventerrein met bedrijven van maximaal milieucategorie 3, waar Eeneind II een grootschalig bedrijventerrein betreft met bedrijven van maximaal milieucategorie 4.
5.5
Kantoren
Er zijn enkele kantoren gevestigd op het bedrijventerrein Eeneind I, in het gebied tussen de spoorlijn en de Collseweg. Verspreid over het bedrijventerrein Eeneind II zijn meerdere kantoren gevestigd.
bestemmingsplan Eeneind 2018
33
5.6
Groen en recreatie
In het openbare gebied is kenmerkend voor een dorp weinig openbaar of buurtgroen. De relatie met het landschap is belangrijker. Ten noorden van het spoor is een groen buffer gevormd tussen het woongebied en de Collse Hoefdijk en Geldropsedijk. Verder zijn er nog enkele groene pleinen verspreid door het gebied. Kenmerkend voor Eeneind is begeleiding van de oude structuur met zware laanbeplanting. Vlakbij Eeneind ligt het Laco strandbad en ook de relatie van Landgoed Gulbergen biedt in toenemende mate recreatieve uitloop mogelijkheden.
5.7
Functionele ontwikkelingen
5.7.1 Wonen in combinatie met bedrijvigheid Op Eeneind I wordt wonen naast bedrijvigheid toegestaan. Dit moet op zo'n wijze gebeuren dat de naastgelegen bedrijven zo min mogelijk belemmerd worden in het uitoefenen van hun bedrijf en bewoners geen hinder ondervinden. In dit gebied met functiemenging wordt daarbij uitgegaan van de gebruikelijke milieucategorie indeling (1, 2, 3.1, 3.2, 4.1, enz.). De in dit gebied toegelaten activiteiten uit de Bedrijvenlijst betreffen de milieucategorieën 2, 3.1 of 3.2. Dit betreft bedrijfsactiviteiten, die over het algemeen aanvaardbaar worden geacht in gebieden met een overwegend woonkarakter (milieucategorie 2) of in gemengde gebieden met burger- en bedrijfswoningen of op bedrijventerreinen met bedrijfswoningen (milieucategorieën 3.1 en 3.2). In hoofdzaak gaat het om: kleinschalige, meestal ambachtelijke bedrijvigheid; bedrijven waarbij de productie en/of laad- en los-werkzaamheden noodzakelijkerwijs alleen in de dagperiode plaatsvindt; activiteiten die hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden Zie hiervoor ook bijlage 1 bij de regels. 5.7.2 Bedrijvigheid op Eeneind II De laatst gerealiseerde uitbreiding van het bedrijventerrein Eeneind, zijnde Eeneind II Zuid, maakt geen onderdeel uit van het plangebied.
Bij de opstelling van het bestemmingsplan voor dit gebied is deenuit de VNG-publicatie gefilterd naar bedrijven die wenselijk zijn binnen de gemeente Nuenen. Deze filtering wordt doorgevoerd naar bedrijventerrein Eeneind II. Dit betekent dat naast bedrijven van categorie 3 of 4 ook beperkt bedrijven van categorie 2 worden toegestaan. Het betreft veelal bedrijven die in een reguliere woonomgeving minder wenselijk zijn en waarvoor een bedrijventerrein als de meest geschikte locatie wordt gezien (zie bijlage 1 van de regels). De toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein, zijnde Business Park Nuenen (Eeneind West), maakt eveneens geen deel uit van het plangebied.
Tevens worden bedrijven van een lichtere milieucategorie met een perceeloppervlak van meer dan 1.000 m2 en een bedrijfsoppervlakte van meer dan 300 m2 toegestaan indien er geen gevolgen zijn voor bedrijven in de omgeving (betreft bijvoorbeeld groothandel of verhuurbedrijf). Dergelijke 'lichtere' bedrijven worden bij voorkeur in het centrum of in een woonwijk gesitueerd, echter wanneer de omvang van deze bedrijven genoemde maten te boven gaat, is vestiging op het bedrijventerrein toegestaan.
Autohandel c.q. autoverkoop vestigt zich bij voorkeur op de perifere detailhandelslocatie in Nuenen-Zuidwest of op reeds bestaande locaties die hiervoor specifiek zijn bestemd. Op deze locaties hebben zich in het verleden verspreid over de bedrijventerreinen diverse autohandelsbedrijven gevestigd. Het is niet wenselijk dat dergelijke bedrijven zich zonder meer kunnen vestigen op de bedrijventerreinen. In veel gevallen levert dit
34
bestemmingsplan Eeneind 2018
namelijk problemen op zoals een te hoge parkeerbelasting. Nieuwvestiging wordt onder voorwaarden toegestaan zolang de omvang van het bedrijfsperceel meer dan 1.000 m2 bedraagt en voertuigen voor de verkoop bij voorkeur inpandig worden gestald en in ieder geval achter de voorgevelrooilijn. Op het voorterrein is dat ruimte voor parkeren van bezoekers en eventueel personeel. 5.7.3 Catering in combinatie met detailhandel Gezien het feit dat bij bedrijven op bedrijventerreinen ook steeds vaker gewerkt wordt volgens een 24-uurs economie groeit de behoefte om in de directe nabijheid ook (simpele) lunch- of diner-mogelijkheden te hebben. Gezien het feit dat Eeneind II op grotere afstand van centrumvoorzieningen bestaat hieraan behoefte zonder dat hierdoor het centrum wordt ontwricht. Het voorstel is om catering in combinatie met detailhandel in lunch of diner gerelateerde producten (bijvoorbeeld een broodjeszaak) toe te staan onder de voorwaarden dat sprake is van beperkte openingstijden (bijvoorbeeld van 10 tot 14 uur en van 16 tot 20 uur) en er geen gevolgen zijn voor bedrijven in de omgeving, het verkeer en het parkeren (vrijstelling). 5.7.4 Internethandel Internetdetailhandel kent allerlei (verschijnings)vormen met verschillende ruimtelijke consequenties.
De eerste vorm is de internetwinkel waar de consument niet fysiek naar toe gaat; transacties gaan online en de goederen worden per post bezorgd. Dit type internet - detailhandel past prima binnen bestaande bestemmingen en wordt op het bedrijventerrein zonder meer toegestaan. De tweede en derde vorm van internetdetailhandel zijn vormen waar bij de consument de winkel daadwerkelijk fysiek bezoekt. De ene gaat om zuivere afhaalpunten (pick-up points). De consument kan daar goederen afhalen en eventueel retourneren, maar er worden geen producten tentoongesteld. Deze afhaalpunten kunnen een winkelgebied versterken, wanneer ze in of bij bestaande centra gevestigd worden. Afhaalpunten op een bedrijventerrein zijn niet wenselijk, aangezien die locaties meestal niet berekend zijn op en/of niet ingericht zijn voor de bijbehorende verkeersstromen. Binnen Eeneind worden hiertoe dan ook geen mogelijkheden geboden. 5.7.5 Bedrijfswoningen In het eerste ontwerpbestemmingsplan zijn de percelen Collse Hoefdijk 21 en 23 evenals in het vigerende bestemmingsplan Eeneind uit 2008 bestemd als Bedrijventerrein, zonder aanduiding voor bedrijfswoning of woning. Ook in voorgaande bestemminsplannen, teruggaande tot 1975, hebben deze percelen steeds een bedrijfsbestemming gehad zonder de mogelijkheid van (bedrijfs)wonen. Het is niet mogelijk de percelen een woonbestemming te geven.
Gezien de bedrijven- en milieuzonering die conform het geldende bestemmingsplan moet worden gehanteerd voor het bedrijventerrein waarop de percelen liggen, zijn hier bedrijven in de categorie 4.2 toegestaan, kan een goed leefklimaat niet worden gegarandeerd en kunnen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. De provincie heeft daarom in het verleden aangegeven nieuwe (bedrijfs)woningen op bedrijventerreinen zo veel mogelijk te weren. Er is een inventarisatie uitgevoerd naar de milieucategorie van de bedrijven in de omgeving van de Collse Hoefdijk 21 en 23. Dat zijn allen bedrijven tot en met categorie 3.2. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 19 september 2018 no. 201709944/1/R1 is bepaald dat de afstand van bedrijven in categorie 3.2 tot bedrijfswoningen 30 meter mag zijn. Hierbij acht de Afdeling het van belang dat voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning. Hiermee wordt het mogelijk de woningen aan te duiden als 'bedrijfswoning' en wordt (deels) recht gedaan aan de huidige situatie en de ligging op het bedrijventerrein.
bestemmingsplan Eeneind 2018
35
Voor de panden Collse Hoefdijk 21 en 23 wordt om die reden op de verbeelding een aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Via het overgangsrecht kunnen deze gebruikt blijven worden als burgerwoning, maar tevens bestaat dan de mogelijkheid dat deze woningen te zijner tijd ook overeenkomstig de bedrijfsbestemming als bedrijfswoning gebruikt gaan worden. Op die manier zou er een einde komen aan de situatie waarin deze woningen steeds onder het overgangsrecht vallen.
Tevens wordt op de verbeelding de maximale toegestane bedrijfscategorie aangepast naar categorie 3.2 voor het gebied gelegen aan De Huufkes 7 tot en met 23 oneven en Collse Hoefdijk 21 tot en met 25.
36
bestemmingsplan Eeneind 2018
Hoofdstuk 6 6.1
Verkeersstructuur
Lokale ontsluitingsstructuur
De lokale ontsluitingsstructuur in de gemeente Nuenen c.a. wordt in hoofdzaak bepaald door de Europalaan, Smits van Oyenlaan en de A270, die elk ook een bovenlokale functie vervullen. De Europalaan fungeert als de belangrijkste verbindingsas met Eindhoven en in de richting van Tilburg en 's-Hertogenbosch. De A270 verbindt Nuenen met zowel Eindhoven als Helmond.
6.2
Duurzaam Veilig
Duurzaam Veilig of eigenlijk Duurzaam Veilig Verkeer is een initiatief van de verschillende Nederlandse overheden om de verkeersveiligheid van het wegverkeer te vergroten. In het kader van Duurzaam Veilig worden geleidelijk door het hele land een aantal maatregelen ingevoerd. Het eerste traject aan maatregelen houdt het volgende in: categorisering van wegen (zie hierna); uitbreiding van 30 km/uur gebieden en introductie van 60 km/uur gebieden; uniformering rotondes, zie CROW publicatie 126; voorrang fietser van rechts; bromfietser op de rijbaan. Vanuit het duurzaam veilig concept zijn alle wegen in Nederland opnieuw gecategoriseerd: Stroomwegen zijn bedoeld voor een continue, ongestoorde verkeersafwikkeling met een relatief hoge snelheid, de autosnelwegen en de autowegen; Gebiedsontsluitingwegen hebben als functie enerzijds stromen en anderzijds uitwisselen, voorbeeld zijn de wegen tussen plaatsen onderling; Erf toegangswegen is het toegankelijk maken van erven, binnen de bebouwde kom 30 km/uur, buiten de bebouwde kom 60 km/uur. Vanuit duurzaam veilig zijn de Geldropsedijk, Collse Hoefdijk en de Collseweg (gedeeltelijk) aan te merken als gebiedsontsluitingswegen. De Collseweg (gedeeltelijk), Kruisakker en Eeneind zijn erftoegangswegen type A. De overige wegen in het gebied zijn erf toegangswegen type B.
De volgende maatregelen vanuit het verkeersveiligheidsplan zijn van belang bij het opstellen van de nieuwe bestemmingsplannen: Het realiseren van de functionele indeling van het wegennet en bijbehorende categorisering zal leiden tot reconstructies Eventueel overnemen van indeling openbare ruimte in minimaal verkeersruimten en verblijfsgebieden. (Overigens globaal regelen.) De nieuwe situaties of toekomstige verkeerssituaties dienen op de juiste wijze in het bestemmingplan te worden opgenomen c.q. mogelijk gemaakt.
6.3
Langzaam verkeer
In de kern Eeneind vallen de langzaamverkeersroutes in 't algemeen samen met het stelsel van erftoegangswegen.
bestemmingsplan Eeneind 2018
37
6.4
Openbaar vervoer
Door het plan gebied lopen geen busroutes en er is geen treinstation.
6.5
Parkeervoorzieningen
Ten aanzien van parkeren is in de gemeente Nuenen c.a. geen gemeentelijk parkeerbeleid voorhanden.
6.6
Reclame-uitingen
Reclame-uitingen zijn uitsluitend toegestaan aan lichtmasten en bij abri's. In het gemeentelijk reclamebeleid is vastgelegd waar deze vormen van reclame zijn toegestaan. Andersoortige reclame-uitingen worden niet toegestaan.
6.7
Gedenktekens
Wegbeheerders worden meer en meer geconfronteerd met verzoeken van burgers om een gedenkteken langs een weg te plaatsen, zo ook de gemeente Nuenen c.a.. De gemeente heeft een beleidskader geformuleerd voor het plaatsen van gedenktekens in de berm van wegen op locaties waar een dodelijk ongeval heeft plaatsgevonden. De gemeente wil het plaatsen van gedenktekens langs de weg onder bepaalde voorwaarden toestaan. De gemeente houdt hierbij rekening met de veiligheid van de weggebruiker. De voorkeur gaat uit naar een gedenktegel. Gedenktekens worden gezien als ‘straatmeubilair’, waarvoor in beginsel geen vergunning noodzakelijk is.
38
bestemmingsplan Eeneind 2018
Hoofdstuk 7 7.1
Milieuaspecten
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen): ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. In de VNG brochure "Bedrijven en milieuhinder" staat voor diverse instellingen vermeld welke afstand tot hindergevoelige bestemmingen gehouden moet worden, teneinde een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Bedrijventerrein Eeneind is van oorsprong geen gezoneerd bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein ten zuiden van de Collseweg komen bedrijven voor tot en met categorie 4. In de zone tussen spoorbaan en de Collseweg, waar een sterke menging met (bedrijfs)woningen aanwezig is, komen bedrijven voor tot en met categorie 3. In het bestemmingsplan zal voor het bedrijventerrein wel een milieuzonering worden opgenomen tussen mogelijk overlast veroorzakende bedrijfsactiviteiten en woningen. Dit betekent dat nabij woonbebouwing uitsluitend bedrijven in de lichtere categorieën toegestaan zijn. Naarmate de afstand tot de woonbebouwing groter wordt, zijn zwaardere categorieën toegestaan (maximaal categorie 4).
7.2
Geluidhinder
De ten behoeve van voorliggend plan relevante normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Het betreft normen voor (spoor)wegverkeerslawaai en industrielawaai. In deze wetgeving wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een maximale hoogte mag worden afgeweken. Wegverkeerslawaai Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijden van een weg met een voorgeschreven snelheid van 50 km/uur of meer een onderzoekszone aanwezig.
Tabel: onderzoekszones conform artikel 74 Wet geluidhinder
Indien er in de onderzoekszone van een weg ontwikkelingen plaatsvinden waarbij zogenaamde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen, scholen en verpleegtehuizen) worden geprojecteerd, dient
bestemmingsplan Eeneind 2018
39
onderzocht te worden of de geluidsbelasting als gevolg van deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde kan verlenen. Het college mag maximaal een hogere grenswaarde verlenen van 63 dB bij gemeentelijke en provinciale wegen en 53 dB bij autowegen en autosnelwegen.
In beginsel heeft iedere weg een geluidszone, maar geldt dat niet voor de volgende wegen: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het overgrote deel van de lokale wegen is gelegen in een 30 km/zone of woonerf. Voor deze wegen geldt geen zonering. Daarnaast wordt het plangebied doorkruist door enkele 80 km/uur wegen en is de A270 niet ver van het plangebied gelegen.
Bij een vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst te worden (art. 76 lid 3 Wgh). Van een bestaande situatie is sprake als weg en woningen reeds bestaan (of mogelijk zijn gemaakt) op 1 maart 1986 (het tijdstip waarop het onderdeel 'bestaande situaties' in werking is getreden).
5-jaarlijks wordt voor Nuenen de gemiddelde geluidbelasting van de woningen in kaart gebracht op de EU-geluidkaarten. Uit de meest recente kaarten bij deze rapportage (peiljaar 2016) blijkt dat binnen Nuenen Zuidoost deze geluidsbelasting voldoet aan de daarvoor geldende normen. Enkel langs de doorgaande wegen en hoofdontsluitingswegen binnen de wijken vinden overschrijdingen plaats, deze reiken echter niet verder dan de groenvoorzieningen en de voortuinen bij de woningen langs deze wegen.
Het bepaalde in de Wet geluidhinder omtrent wegverkeerslawaai vormt dan ook geen randvoorwaarde ten aanzien van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Spoorwegverkeerslawaai De spoorlijn Eindhoven-Venlo doorkruist het plangebied. Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijden van verscheidene door de regeling geluidplafondkaart milieubeheer aangewezen spoorwegtrajecten een zone aanwezig. Een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg als aangegeven in onderstaande tabel, afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond op het betrokken referentiepunt:
40
bestemmingsplan Eeneind 2018
Tabel Geluidproductieplafond conform artikel 1.4a Besluithinder
Indien er in de zone een bestemmingsplanwijziging plaatsvindt waarbij zogenaamde geluidsgevoelige bestemmingen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting t.g.v. het spoorwegtraject de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschrijdt. Is dit het geval dan zal er een hogere grenswaarde procedure doorlopen moeten worden. Het college van B&W kan dan een hogere grenswaarde, tot maximaal 68 dB, verlenen.
Geluidskaart Spoor
De spoorlijn Eindhoven-Venlo doorsnijdt het plangebied. Conform het Geluidregister Spoor bedraagt het geluidsproductieplafond van deze spoorlijn ter hoogte van Nuenen ten hoogste 74,2 dB (referentiepunten 18616 t/m 18678). De onderzoekszone bedraagt derhalve 900 meter, waardoor deze zich over het plangebied uitstrekt. Onderhavig bestemmingsplan voorziet zoals eerder aangegeven verder ook niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige functies.
Industrielawaai Hoofdstuk 5 van de Wet geluidhinder bepaalt dat rondom industrieterreinen waarop bepaalde krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (de zogenaamde grote lawaaimakers) een geluidszone moet worden vastgesteld. Deze geluidszone beslaat een gebied rondom het bedrijventerrein waarbuiten door de op het terrein gevestigde inrichtingen gezamenlijk geen hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) op de in de buurt aanwezige gevoelige bestemmingen mogen veroorzaken. Binnen de gemeente Nuenen c.a. is geen sprake van een geluidszonering van de inrichtingen op het bedrijventerrein. Destijds is het bedrijventerrein in combinatie met het aanwezige woon- en leefklimaat gerealiseerd en dit wordt nu geactualiseerd. Het aspect industrielawaai is derhalve niet van toepassing.
7.3
Bodemkwaliteit
Voor nieuwe ontwikkelingen is het van belang te weten of de bodem al dan niet verontreinigd is. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe functies (bestemmingen) worden niet direct toegestaan. Binnen het plangebied zijn geen locaties bekend, waar sprake is van een bodemverontreiniging. Gezien het beheersmatige karakter, waarbij overwegend geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden worden toegelaten, is
bestemmingsplan Eeneind 2018
41
ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan geen bodemonderzoek noodzakelijk.
7.4
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. 7.4.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Strabrechtse Heide & Beuven, ligt op meer dan 4 kilometer. Op dit gebied is, gelet op de afstand en op het conserverend karakter van dit bestemmingsplan, geen externe werking te verwachten.
Natuurnetwerk Nederland
Ter behoud, versterking en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden moeten gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland beschermd worden. Voor deze gronden geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Daarmee worden werken en werkzaamheden, zoals het kappen van de bomen, het aanbrengen van verhardingen of het vergraven van de bodem, door middel van een omgevingsvergunning afhankelijk gesteld van het oordeel van burgemeester en
42
bestemmingsplan Eeneind 2018
wethouders.
Natuurbeheerplan Noord-Brabant
Uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant blijkt dat zowel ten oosten als ten westen van Eeneind natuurgebieden liggen. Dit Natuurnetwerk in Brabant (NNB) is gesplitst in een Rijks NNB en een provinciale NNB, welke verschillen op beleidsniveau. Gezien het conserverende karakter van dit actualisatie bestemmingsplan zullen deze gebieden geen uitwerkingen hebben op het planvoornemen. 7.4.2 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie.
Het plangebied omvat naast bebouwde gronden ook enkele groenstroken, met een eventuele ecologische en landschappelijke betekenis. Het bestemmingsplan heeft een beheersgericht karakter, waarbij slechts beperkt nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Daarbinnen zijn de nog te bouwen woningen al mogelijk gemaakt in de vigerende bestemmingsregeling. De mogelijk gemaakte gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen hebben nauwelijks of geen ruimtelijke consequenties. De vaststelling van het bestemmingsplan zal geen (negatieve) effecten hebben op eventueel in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied aanwezige waarden.
bestemmingsplan Eeneind 2018
43
Qua soortenbescherming geldt in ieder geval dat te allen tijde de algemene zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet van toepassing is. Dit houdt in dat alle handelingen, die nadelig zijn voor de flora en fauna en die niet nodig zijn om het beoogde doel te verwezenlijken, achterwege gelaten moeten worden. 7.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit de aspecten gebieds- en soortenbescherming geen overwegende belemmeringen bestaan ten aanzien van de vaststelling van voorliggend plan.
7.5
Leidingen en energie
Door het plangebied lopen de gebruikelijke nutsleidingen, zoals water, gas, elektriciteit en kabeltelevisie. Daarbij zijn verspreid over het plangebied of de directe omgeving de nodige bijbehorende gebouwen, zoals transformatorstations en trafokasten, aanwezig. Voor het overige zijn er binnen het plangebied geen leidingen gelegen die door middel van het bestemmingsplan beschermd moeten worden.
Door het Ministerie van Defensie is aangegeven dat het plangebied zich binnen het radarverstoringsgebied, behorende bij de radar die staat op de vliegbasis Volkel, bevindt. Ter plaatse gelden beperkingen ten aanzien van de maximale hoogte van windturbines. De maximale hoogte van de tippen van wieken bedraagt 114 meter ten opzichte van N.A.P. Binnen het bestemmingsplan wordt de bouw van windturbines niet mogelijk gemaakt en hoeft derhalve niet te worden voorzien in een nadere regeling.
7.6
Externe veiligheid
7.6.1 Risicocontouren rond inrichtingen Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Voor de eerste doelstelling is het begrip 'plaatsgebonden risico' (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6 , die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt.
Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.
Groepsrisico
44
bestemmingsplan Eeneind 2018
Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip 'groepsrisico' (GR) centraal. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, transportas waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en van een buisleiding waardoor die stoffen worden vervoerd, is op dat punt onderzoek nodig. Daaruit volgt een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden door het bevoegd gezag. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.
Door het ontbreken van nieuwe risicovolle inrichtingen en/of transporten en van nieuwe kwetsbare objecten vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
7.7
Luchtkwaliteit
Op basis van de Wet luchtkwaliteit, welke onderdeel uitmaakt van de Wet Milieubeheer, gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten stikstofdioxide (NO2 ), zwevende deeltjes (PM1 0 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2 ), lood (Pb), benzeen (C6 H6 ) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde wordt verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Jaarlijks wordt de luchtkwaliteit voor Nuenen in kaart gebracht via de nsl-monitor. Daarbij is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 berekend voor diverse punten langs de belangrijkste doorgaande en ontsluitingswegen. Voor het plangebied zijn dit de A270, Collse Hoefdijk en Geldropsedijk. Uit de kaarten bij deze monitoring blijkt dat binnen Eeneind de luchtkwaliteit in de berekende jaren 2015, 2020 en 2030 voldoet aan de daarvoor geldende normen. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Eeneind 2017. Het voorliggende plan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe ontwikkelingen die in betekenende mate bij kunnen dragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zijn slechts in zeer beperkt mate voorzien. De mogelijk gemaakte gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen, leiden niet tot een groter areaal aan bedrijfspercelen.
bestemmingsplan Eeneind 2018
45
7.8
Geurhinder en gezondheid
Voor nieuwe ontwikkelingen is het van belang te weten of al dan niet sprake is van geurhinder en effecten voor de gezondheid veroorzaakt door veehouderijen in de omgeving. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe ontwikkelingen betreffen enkel het mogelijk maken van gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen.
Indien in de toekomst toch de ontwikkeling van een geurgevoelige ontwikkeling en/of ontwikkelingen gevoelig op het punt gezondheid aan de orde komt, zal deze via een planherziening mogelijk gemaakt moeten worden, waarbij dan de aspecten geurhinder en gezondheid afgewogen dienen te worden. Overigens is het aantal bedrijven dat geurhinder veroorzaakt in en in de omgeving van het plangebied beperkt. Binnen het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijvigheid. Buiten het plangebied is op een afstand van circa 250 m aan de Collseweg een kleinschalige veehouderij gelegen. Gelet op de veebezetting van dit bedrijf en de aanwezige afstand is deze veehouderij niet relevant voor ontwikkelingen binnen het plangebied. Geurhinder en gezondheid zijn derhalve niet relevant voor de planvorming.
7.9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D. Er bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht.
Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden. De ontwikkelingen in het onderhavige bestemmingsplan vormen geen activiteit die voorkomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zodat geen m.e.r.-plicht geldt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt een stedelijke ontwikkeling van woningen vermeld onder D 11.2. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied betreft en 2000 of meer woningen omvat. Omdat in het onderhavige geval niet wordt voldaan aan deze criteria, is geen m.e.r.-beoordeling nodig. Wanneer toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, geldt de verplichting voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling ook voor activiteiten waarvan de drempelwaarde niet wordt overschreden. In deze gevallen moet gemotiveerd worden of een m.e.r.-beoordeling al dan niet nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling.
Voor deze toets gelden geen vormvereisten, daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De in de toelichting van dit bestemmingsplan beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de
46
bestemmingsplan Eeneind 2018
onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie van alle in de toelichting beschreven onderzoeksresultaten is dat nadelige milieugevolgen als gevolg van de plannen zijn uitgesloten.
bestemmingsplan Eeneind 2018
47
48
bestemmingsplan Eeneind 2018
Hoofdstuk 8 8.1
Waterhuishouding
Beleid
Het beleid ten aanzien van het aspect water komt in diverse beleidsdocumenten terug op verschillende schaalniveaus. Zo is er op zowel nationaal als provinciaal niveau een waterplan van kracht, dat uiteindelijk geland is in een waterbeheerplan van het verantwoordelijke waterschap, in dit geval De Dommel. Daarnaast beschikt het waterschap over andere relevante plannen met betrekking tot het aspect water. Deze plannen worden hieronder besproken. 8.1.1 Waterbeheerplan de Dommel Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol water - samen meer waarde geven aan water' en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het waterbeheerplan is een strategisch document, afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende:
Voldoende water voor landbouw en natuur: gestreefd wordt naar voldoende water voor alle functies. Niet te veel en niet te weinig. Verdroging is een probleem voor zowel landbouw als natuur. De focus lag al op de aanpak van verdroging van natuurgebieden, maar wordt nu verbreed omdat ook de landbouw in toenemende mate kampt met verdroging. Dit vraagt om een integrale aanpak. Juist door de samenhang binnen een gebied als uitgangspunt te nemen en met alle stakeholders naar oplossingen te zoeken. Kringloopdenken: het kringloopdenken wint steeds meer terrein in de maatschappij, ook op watergebied. Duurzaam ontwikkelen is van belang: voldoende en schoon water voor nu en later door op een andere manier met het water om te gaan. Van lineair naar circulair. Schoon regenwater niet meer op het riool, grondstoffen halen uit het afvalwater, slootmaaisel gebruiken als organische stof voor de aangrenzende landerijen en gezuiverd afvalwater van bedrijven als aanvulling van het grond- en oppervlakte water. Dit is een nieuwe manier van werken. Wateroverlast en hittestress: steeds vaker zien we foto's in de media van straten die blank staan na een hevige stortbui. Een direct gevolg van de klimatologische omstandigheden en steeds verder gaande verstening. Perioden van te veel (en te weinig) water doen zich steeds vaker voor.
In de stedelijke omgeving is er voor plotselinge wateroverlast alleen een uitweg via het riool. Zoveel water kan het riool niet aan, waardoor straten en pleinen onder water komen te staan en riolen overstorten op het oppervlaktewater. Tegelijkertijd hebben steden in toenemende mate te kampen met hittestress. Op zomerse dagen wordt het zo warm dat mensen hier last van krijgen in hun functioneren. De gemeente gaat over de riolering en de inrichting van de leefomgeving. Het waterschap over de zuivering van het rioolwater. Gemeente en waterschap moeten op zoek naar de beste oplossing voor de watervraagstukken in de bebouwde omgeving. De vraag is hoe stedelijke inrichting en water met elkaar verbonden kunnen worden. Dat biedt volop kansen; water als inspiratiebron voor stedelijke vernieuwingen een hoogwaardige leefomgeving. Steeds meer ongewenste stoffen in het water zoals medicijnen: van elk medicijn dat we inslikken komt een deel in het riool terecht. Omdat we steeds meer medicijnen tot ons nemen, is hierdoor een potentiële bedreiging voor de waterkwaliteit ontstaan. Het waterschap is belast met de zuivering van het rioolwater, maar het medicijnvrij maken van rioolwater vergt vergaande technische aanpassingen en miljoeneninvesteringen. Het probleem bij de bron aanpakken betekent dat ook partijen als de farmaceutische industrie, verzorgingstehuizen en apothekers aan zet zijn.
Dit is een voorbeeld van hoe
bestemmingsplan Eeneind 2018
49
het waterschap ook met andere partners zoekt naar duurzame oplossingen. Dit geldt ook voor andere ongewenste stoffen in het water, zoals gewas- en beschermingsmiddelen en nieuwe stoffen zoals microplastics en nanodeeltjes. Vergroten waterbewustzijn: het waterbewustzijn in Nederland is laag (volgens het OESO-rapport van maart 2014 'Water governance in the Netherlands: fit for the future'). Het is van belang dat gebruikers zich bewust zijn van de waarden van het water en de inspanningen die hiervoor nodig zijn. Dit begint in de eigen leefomgeving. 8.1.2 Keur 2015 Op 26 februari 2015 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel in zijn vergadering vastgesteld de 'Keur Waterschap De Dommel', de algemene regels behorende bij de 'Keur Waterschap De Dommel 2015', de beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit (inclusief hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater), de beleidsregel Agrarische beregening uit grondwater bij schaarste, de beleidsregel Actualiseren grondwatervergunningen, het model bedrijfswaterplan en de passende beoordeling beregeningsbeleid. De keur, de algemene regels en de beleidsregels zijn met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Binnen het plangebied zijn een aantal gebied aangewezen als beschermd gebied waterhuishouding of attentiegebied.
Uitsnede keurkaart met beschermde gebieden
In het oranje zijn de beschermde gebieden waterhuishouding zichtbaar op de uitsnede keurkaart. Daarnaast
50
bestemmingsplan Eeneind 2018
is in het blauw het attentie gebied weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn ook enkele A-watergangen gelegen.
De A-watergang, de beschermde gebieden en de attentiegebieden worden in het bestemmingsplan aangeduid en van een passende regeling voorzien met daaraan gekoppeld een vergunningenstelsel. Tevens wordt opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 8.1.3 Beleidsregel hydrologische uitgangspunten De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².
Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Vuilwater mag daarbij ook niet worden geloosd op de omliggende gronden.
Bij toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 en 10.000 m2 dienen compenserende maatregelen te zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening. Toename of afkoppelen van verhard oppervlak tot 10.000 m2 heeft een beperkte invloed op het waterhuishoudkundig systeem. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.
Het planvoornemen zorgt niet voor de toename van verhard oppervlak, dus de beleidsregel hydrologische uitgangspunten zal niet voor belemmeringen zorgen betreffende dit bestemmingsplan. 8.1.4 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan(vGRP) Per 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet verplicht de gemeente om naast haar al bekende taak van rioleringszorg (GRP) ook de zorg voor de afvoer van hemelwater en de zorg voor grondwater in stedelijk gebied op zich te nemen. Dit betekent een verbreding van haar takenpakket. Vóór 2013 moet de gemeente haar nieuwe zorgtaken, hemelwater en grondwater, in een GRP verwerkt hebben. Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is daarom vertaald in een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP).
bestemmingsplan Eeneind 2018
51
Op 23 juni 2011 is de gemeenteraad van Nuenen akkoord gegaan met het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2015 (vGRP). De doelen vastgelegd in het vGRP zijn: Een goede inzameling en transport van stedelijk afvalwater; Inzameling, transport en/of verwerking van afvloeiend hemelwater, voor zover dit redelijkerwijs niet kan door particulieren; Voorkomen van structureel nadelige gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden, voor zover dit onder de gemeentelijke zorgplicht valt.
8.2
Oppervlakte- en grondwater
Oppervlaktewater is binnen het plangebied beperkt aanwezig. In de directe omgeving is oppervlakte op grotere schaal aanwezig in de vorm van onder andere de Kleine Dommel. De binnen het plangebied aanwezige A-watergangen worden planologisch beschermd in dit plan. De meest zuidelijke punt van het plangebied grenst aan het Eindhovens Kanaal. Langs dit kanaal ligt een waterkering, waarop de Keur van het waterschap van toepassing is. De regelgeving in de Keur is erop gericht om alle ontwikkelingen op, in of nabij een kering, die de stabiliteit en/of het waterkerende vermogen kunnen aantasten tegen te gaan. In artikel 3.4 van de Keur staat de navolgende bepaling. Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone A en overige waterkeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. b. c. d. e.
bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen; beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen; ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; te boren of te sonderen; kabels en leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.
Het plangebied is op de Grondwaterkaart van Nederland gelegen binnen grondwatertrap V. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In grondwatertrap V ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op maximaal 40 centimeter, gemeten vanaf het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt hier dieper dan 120 centimeter. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterwingebied, bodembeschermingsgebied of boringsvrije zone. In het plangebied bevinden zich geen zuiveringstechnische voorzieningen van het Waterschap.
8.3
Riolering
Voor de riolering wordt gestreefd naar gescheiden stelsels. Bij het gescheiden stelsel wordt (relatief schoon) hemelwater niet geloosd op de rioolwaterzuivering. Dit heeft een aantal voordelen. Bij een gemengd stelsel zal bij grote neerslag overstort plaatsvinden van vervuild water op oppervlaktewater, bij een gescheiden stelsel zal dit minder vaak voorkomen. Ook kan het schone hemelwater worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen zullen de mogelijkheden voor een gescheiden stelsel onderzocht worden. Daartoe worden de groenzones in het gebied mede bestemd voor waterberging. Binnen het plangebied zijn twee gemengde overstorten aanwezig, gelegen aan de westkant ten noorden en ten zuiden van het spoor. In verband met de aanwezigheid van deze overstorten bestaat de mogelijkheid dat geurhinder optreedt. In verband daarmee wordt een stankcirkel gehanteerd rond de overstorten met een
52
bestemmingsplan Eeneind 2018
straal van 30 m. Binnen deze 'milieuzone - geurzone' mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten worden gebouwd, alsook moet herbouw en uitbreiding van bestaande geurgevoelige objecten hieraan getoetst worden.
bestemmingsplan Eeneind 2018
53
54
bestemmingsplan Eeneind 2018
Hoofdstuk 9 9.1
Juridische aspecten
Vormgeving juridisch plan
Het bestemmingsplan Eeneind 2018 betreft een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen. Teneinde een breed draagvlak te creëren voor met name de inhoud en vormgeving van het juridisch plan, zijn, alvorens het bestemmingsplan te ontwikkelen, door verschillende gemeentelijke afdelingen, uitgangspunten geformuleerd. De belangrijkste uitgangspunten voor de vormgeving van het juridisch plan luiden als volgt: De verbeelding wordt in kleur opgezet waarbij de kleuren worden ondersteund met een letteraanduiding (bijv. W- Wonen) een en ander afgestemd op de kleur en letteraanduiding in de SVBP2012; De schaal van de kaarten is bij voorkeur 1: 1000; Het aantal afwijkingsmogelijkheden wordt beperkt en de opgenomen afwijkingsbevoegdheden bevatten concrete criteria; Complete bestemmingen: per bestemming worden de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden en gebruiksbepalingen opgenomen in plaats van in de algemene bepalingen; Gebruikte termen in overeenstemming met SVBP en Wabo: in de regels wordt niet langer gesproken over een ontheffing, maar over een ‘omgevingsvergunning om af te wijken’. Zo ook is niet langer sprake van een aanlegvergunning, maar van een ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’. In het onderhavige bestemmingsplan zijn deze vormgevende uitgangspunten toegepast.
9.2
Inhoud juridisch plan
Ook over de inhoud van het juridisch plan zijn afspraken gemaakt. Als een belangrijk inhoudelijk uitgangspunt geldt de gedachte, dat het vigerend bestemmingsplan de basis vormt van de regeling. De inhoud van de vigerende bestemmingsplannen worden uitsluitend aangepast opgenomen in het beheerplan indien, of uit oogpunt van de harmonisatiegedachte of uit oogpunt van gedateerdheid/afwijking bestaande functie, een aanpassing noodzakelijk is. Over de inhoud van het bestemmingsplan zijn voorts de volgende uitgangspunten geformuleerd: De begripsbepalingen en wijze van meten, zoals opgenomen in het bestemmingsplan en in het standaardbestemmingsplan, vormen de standaard voor alle nieuw te ontwikkelen beheerplannen. De gemeente heeft zorg gedragen voor het opstellen van een standaardbegrippenlijst, die bij elk nieuw bestemmingsplan kan worden aangevuld met nieuwe begrippen; Bij de bestemmingstoekenning is gezocht naar waar mogelijk verzamelbestemmingen. Op deze wijze kunnen functionele wisselingen, voor zover gewenst, op een eenvoudige wijze plaatsvinden.
9.3
Doelstellingen en planopzet
Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels (voorheen: voorschriften) en de verbeelding (voorheen: plankaart) tezamen. De basis voor de verbeelding is een recente kadastrale ondergrond, aangevuld met de GBKN (Grootschalige Basiskaart Nederland). Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. De regels zijn opgebouwd als volgt: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de manier waarop de in het plan genoemde
bestemmingsplan Eeneind 2018
55
maten zijn bepaald; Hoofdstuk 2 bevat de regeling van de afzonderlijke bestemmingen; Hoofdstuk 3 bevat een aantal algemene en aanvullende bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het hele plan; Hoofdstuk 4 bevat de Overgangs- en slotregels.
9.4
Functies algemeen
De indeling in bestemmingen is gebaseerd op de gewenste hoofdfunctie van het gebied. Het grootste deel van Eeneind 2018 heeft een woonfunctie en is bestemd voor woondoeleinden. In het zuidwesten van het plangebied is het bedrijventerrein gelegen. Dit is ook als zodanig bestemd. De verspreid gelegen overige bedrijvigheid is bestemd als 'Gemengd'. Met deze bestemming wordt een ruimer gebruik toegestaan en uitwisseling van functies mogelijk. Incidenteel komen overige functies voor, zoals maatschappelijke doeleinden, en nutsvoorzieningen. Deze hebben elk hun eigen bestemmingsregeling gekregen. Naast bovengenoemde bebouwde functies kent het plangebied onbebouwde openbare ruimten, die onderscheiden zijn in de volgende bestemmingen: ‘Verkeer’, ‘Groen’ en ‘Water’.
9.5
Bebouwing algemeen
Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen gebouwen en andere bouwwerken. Voor de situering en maatvoering van gebouwen is het belangrijk dat er bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot:
Bouwwijze Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande situatie op een goede manier dient te worden gereguleerd. Doelstelling is dat woonwijken in hun karakter gehandhaafd blijven. De bestaande bebouwing is dan ook de basis geweest voor het vastleggen van bouwvlakken en aanduidingen ‘bijgebouwen’. De bouwvlakken zijn daarbij om de bestaande woningen heen gelegd, met zo mogelijk uitbreidingsruimte aan de achterzijde.
Goot- en bouwhoogte De maximale goot- en bouwhoogte zijn aangegeven op de verbeelding, daar waar deze afwijken van de algemene regel vastgelegd in de bestemmingsplanregels. In het kader van de harmonisering kunnen de maximale hoogten enigszins afwijken van de vigerende regeling. Daar waar vigerende regelingen onderling zeer verschillen waardoor niet te beargumenteren hoogteverschillen ontstaan, is gekozen voor hoogtematen die afgestemd zijn op de bestaande hoogten.
Dakhelling In het plan zijn een minimale en maximale dakhelling voorgeschreven. In zijn algemeenheid geldt voor woningen dat sprake is van een kap met een dakhelling tussen de 20 en 55 graden.
Situering gebouwen Teneinde de bestaande situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor woningen is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in tuin (onbebouwd), bouwvlak en een aanduiding ‘bijgebouwen’. Deze zonering biedt de belangrijkste vorm van rechtszekerheid tussen de eigenaren van bouwpercelen onderling. Uitgangspunt hierbij is de bestaande situering van de bebouwing. Dit is immers een aanvaarde situatie en een verkregen recht. Voor uitbreidingsmogelijkheden van of aan het hoofdgebouw zijn minimale afstanden tot de zijdelingse perceelsgrens opgenomen.
56
bestemmingsplan Eeneind 2018
Voor de regulering van de andere functies zijn bouwvlakken op de verbeelding aangeduid. Hierbinnen zijn gebouwen toegestaan. Omdat het onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen bij bedrijven of andere niet-woondoeleinden niet relevant is, is er slechts één bouwvlak opgenomen.
Maximaal bebouwd oppervlak Bij de regeling van andere dan woonfuncties, is zowel voor de situering van de gebouwen als voor het toegestane bebouwde oppervlak, uitgegaan van de vigerende regeling. Dit betekent dat daar waar op de verbeelding een maximaal bebouwd oppervlak is aangegeven, deze oppervlak doorgaans geldt voor het gehele bestemmingsvlak (zie formulering in betreffende bestemming), dus niet voor uitsluitend de gronden gelegen binnen het bouwvlak.
9.6
Toelichting afzonderlijke bestemmingen
In deze paragraaf worden de bestemmingen – voor zover noodzakelijk – afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd. 9.6.1 Bedrijf Binnen het plangebied is het verkooppunt motorbrandstoffen als 'Bedrijf' bestemd met de nadere aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. Het betreft het benzinestation in combinatie met een garagebedrijf aan de Collse Hoefdijk. Ter plaatse is tevens een bedrijfswoning toegestaan, die alleen bewoond mag worden door degene die het bijbehorende garagebedrijf met benzinestation exploiteert. 9.6.2 Bedrijf - Nutsvoorziening De binnen het plangebied aanwezige trafostations zijn bestemd voor nutsvoorzieningen. 9.6.3 Bedrijventerrein Voor de gewenste ontwikkelingsrichting van het bedrijventerrein is een gemeentelijke visie opgesteld. Deze visie is als bijlage 1 bijgevoegd. Hierin staan de uitgangspunten voor de bestemmingsplanregeling. Voor het gedeelte dat bestemd is als 'Bedrijventerrein' ligt de nadruk op de bedrijvigheid. Menging met wonen is niet gewenst. De bestaande bedrijfswoningen worden positief bestemd. Nieuwe bedrijfswoningen zijn uitgesloten. Op deze manier zit woningbouw de hinder gevende bedrijven niet in de weg. Dergelijke locaties zijn vaak grootschaliger en liggen met aan de rand van het bebouwd gebied.
Binnen de bestemming is zonering in bedrijfscategorieën van bedrijven van categorie 3 en 4 toegestaan. Grenzend aan de gemengde zone worden maximaal categorie 3.2 bedrijven toegestaan. Voor het overige deel geldt maximaal categorie 4.2. 9.6.4 Bedrijventerrein - Uit te werken Een klein gedeelte van het plangebied is onder de bestemming 'Bedrijventerrein - Uit te werken' gebracht. Op dit gedeelte van het plangebied is in het verleden de ontwikkeling van bedrijventerrein voorzien. In het geldende bestemmingsplan was daartoe de bestemming 'Uit te breiden bedrijfsdoeleinden' opgenomen. In tegenstelling tot de omliggende gronden is de ontwikkeling van bedrijventerrein hier nog niet tot stand gekomen, echter is die ontwikkeling nog steeds wel voorstelbaar. Op basis van de uit te werken bedrijventerreinbestemming blijft ontwikkeling in de toekomst mogelijk. In de regeling zijn de voorwaarden, zoals die in de geldende uit te werken regeling waren opgenomen, opnieuw opgenomen.
bestemmingsplan Eeneind 2018
57
9.6.5 Gemengd De bestemming ‘Gemengd’ is toegekend aan het gebied waar naast werken ook sprake is van wonen. Binnen deze bestemming kunnen diverse functies gecombineerd worden waaronder ook kleinschalige voorzieningen. Onder kleine bedrijven worden bedrijven verstaan zoals dienstverlening- en kleine ambachtelijke bedrijven. De ter plaatse toegestane functies worden verruimd waardoor ruimte is voor meer initiatieven. Dit zorgt er voor dat deze locatie langer aantrekkelijk blijft voor een bredere doelgroep. In de mate waarin andere functies worden toegestaan wordt gestuurd. Dit om te voorkomen dat het bedrijventerreinen te veel verkleurt. Bij het verruimen van de toegestane functies wordt het niet mogelijk de toegestane milieucategorieën te verhogen. Er zal dus geen extra hinder voor bewoners optreden. Daar waar wonen naast bedrijvigheid wordt toegestaan, moeten naastgelegen bedrijven zo min mogelijk belemmerd worden in het uitoefenen van hun bedrijf en moeten bewoners geen hinder ondervinden. In een gebied met functiemenging wordt wel uitgegaan van de gebruikelijke milieucategorie indeling (1, 2, 3.1, 3.2, 4.1, enz.). De toelaatbare bedrijfsactiviteiten zijn beperkt tot de categorieën 2, 3.1 en 3.2 uit de bijbehorende Bedrijvenlijst (bijlage bij de regels).
De regeling voor recreatieve voorzieningen, zoals deze is opgenomen in de bestemming ‘Wonen’, is ook binnen deze bestemming opgenomen. 9.6.6 Groen De bestemming betreft gronden waarop uitsluitend groenvoorzieningen, paden, sport- en spelvoorzieningen, water e.d. is toegestaan. Het onderscheid met de bestemming ‘Verkeer’ is gelegen in het feit dat groenvoorzieningen een daadwerkelijk structureel groen karakter hebben en behouden. 9.6.7 Maatschappelijk De bestemming is toegekend aan het gemeenschapshuis dat is gevestigd aan de Spijkert. Binnen deze bestemming worden geen woningen toegestaan. 9.6.8 Verkeer Deze bestemming richt zich op een groot deel van het openbaar gebied van Eeneind 2018. De bestemming is heel breed geformuleerd. De reden daartoe is dat de exacte ligging van de verschillende doeleinden, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen etcetera, in dit kader niet relevant blijkt. Het herinrichten van wegen kan daardoor op een eenvoudige manier geschieden, zonder dat een bestemmingsplan onwenselijke en ongefundeerde barrières oproept. Het uitgangspunt is echter niet dat alle binnen deze bestemming vallende groenstroken worden verhard. 9.6.9 Verkeer - Railverkeer De bestemming is toegekend aan de spoorlijn die dwars door het plangebied loopt en het woongedeelte scheidt van de bedrijvigheid binnen Eeneind. 9.6.10