CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Erfgoedbeleid - Bouwstenen voor de toekomst 2023 -2029

Beeldvormende raadsbijeenkomst 7 september 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Erfgoedbeleid29.711 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

grotere ingrepen hier meer kennisrendement geven. Hierdoor wordt de belasting voor betrokkenen beperkt, aangezien een groot deel van de aanvragen onder deze grens vallen. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De grens van 30 cm is gekozen, omdat onder deze diepte gemiddeld genomen nog volop informatie aanwezig is en omdat het bodemarchief in de regio door velerlei verstoringen al veel geleden heeft. Een diepere vrijstellingsgrens kan in kwetsbare gebieden tot onherstelbare schade leiden. Categorie 5. Gebieden met een hoge archeologische verwachting (donker oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied, verruimd tot 500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd, om dezelfde reden als bij categorie 3. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie 6.

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, waaronder ook de beekdalen met een specifieke archeologische verwachting (licht oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 2500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie 7. Gebieden met een lage archeologische verwachting (geel op de kaart) In gebieden van deze categorie gelden geen beperkingen voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen in het kader van de omgevingsvergunning. Voor een wijziging van het bestemmingsplan geldt dat, wanneer het plangebied groter is dan 25.000 m2 middels een quickscan of een bureauonderzoek een onderzoek naar de risico’s voor het bodemarchief moet worden ingesteld.

Indien hieruit blijkt dat er binnen het plangebied risico’s zijn voor het bodemarchief, kan alsnog een rapport naar de waarde van het te verstoren terrein of een deel daarvan worden verlangd. Ingrepen als gevolg van een omgevingsvergunning (tbv projectbesluit) die ondieper zijn dan 40 cm onder het maaiveld gelden niet als een risico. Categorie 8. Gebieden zonder archeologische verwachting (wit op de kaart) Hier geldt geen onderzoeksverplichting. Burgemeester en Wethouders kunnen van de verplichting tot het laten uitvoeren van inventariserend onderzoek en het overhandigen van een rapport over de waarde van het terrein, vrijstelling verlenen indien een onafhankelijke deskundige het initiatief in kwestie heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat geen archeologisch relevante waarden in het geding zijn.

55

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Nuenen van 2023.

56

4.5 4.5.1

Nadere beleidsafwegingen archeologie Plangebied versus bodemverstorende ingreep30

Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is. Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakteondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied). Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 510 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen.

Op plangebieden waarvoor een bepaalde archeologische waarde geldt, maar die qua bodemingreep beneden de vrijstellingsdrempel voor onderzoek vallen, blijft de dubbelbestemming onverminderd van kracht. Indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de functietoekenning Waarde-Archeologie uit het omgevingsplan verwijderd worden. 4.5.2

Bodemingrepen met een geleidelijk effect

Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide of het verschralen van bemeste landbouwgronden in het kader van natuurbeheer en ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten. Door het afgraven van de bovengrond kunnen archeologische resten, die net onder het nieuwe oppervlak aanwezig zijn, binnen enkele jaren door natuurlijke processen worden vernietigd, omdat de bodem als beschermde deken boven deze archeologisch vindplaatsen is afgegraven. Bij natuurbouw (terreinen met bosploeg en/of plantgaten omvormen tot bos) geldt dat de mogelijke gevolgen voor de archeologische verwachtingswaarden eerst in beeld moeten worden gebracht t.b.v. afweging van belangen.

Dit geldt voor terreinen met archeologische waarden en een hoge tot middelhoge archeologische verwachting, De aanplant mag niet leiden tot onevenredige schade aan het archeologisch bodemarchief. In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een omgevingsvergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om 30 Van de Water 2016.

57

historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes. In het kader van de vergunningaanvraag of omgevingsplanwijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek is om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen en te waarderen, pas daarna kan de keuze worden gemaakt om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven, dan wel de plannen zodanig aan te passen dat archeologisch erfgoed in situ bewaard blijft. 4.5.3

Plangebied met verschillende archeologische waarden

Indien binnen een plangebied waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting. Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied.

Gaaf bewaard bronzen zegelstempel dat afkomstig is van de voormalige priorij van Hooidonk bij Nederwetten, het oudste vrouwenklooster in de Meierij van ’s-Hertogenbosch. De zegelstempel werd in 1989 gevonden op een ontgronde akker bij het gehucht Genoenhuis te Geldrop. Het moet een kostbare bezitting zijn geweest want de echtheid van documenten werd ermee gegarandeerd (bron: Noord-Brabants Museum).31

4.5.4

Doorschuiven van de archeologische onderzoeksplicht

Wanneer een bestemmingsplan toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt, zal veelal een waarderend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld proefsleuven) plaats moeten vinden om zeker te zijn dat de bestemmingen concreet haalbaar en wenselijk zijn. Dit om financiële lasten voor de gebruiker zoveel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar te maken. Voordat concrete bestemmingen aan een locatie toegewezen kunnen worden zal moeten blijken of deze, ook vanuit archeologisch oogpunt, haalbaar zijn. Hierdoor worden financiële lasten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorzien en vermeden. Ook maakt dit het mogelijk om door middel van een vergunningenstelsel voorwaarden in het plan op te nemen die de bescherming van archeologische waarden kunnen waarborgen, wat soms een verzwaring van de ondergrens in oppervlakte en diepte betekent. In de praktijk komt het echter vaak voor dat het 31 Zie verder https://www.heemkundekring-hlz.nl/heemkronijken/item/595/een-middeleeuws-zegelstempel-vande-priorij-van-hooidonk.

58

waarderende proefsleuvenonderzoek pas plaats vindt na vaststelling van het bestemmingsplan, wat gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld omdat het plangebied nog niet toegankelijk is voor een proefsleuvenonderzoek. Als er dan bij het waarderende proefsleuvenonderzoek een waardevolle vindplaats wordt aangetroffen en de oppervlaktegrens blijft bijvoorbeeld staan op de eerder van de gemeentelijke verwachtingen- en waardenkaart overgenomen 250 m2, dan kan er vervolgens bij de aanvraag van de bouwvergunning geen archeologisch onderzoek meer worden afgedwongen omdat de bouw van een huis meestal niet boven de 250 m2 komt. Als er dan archeologische waarden tevoorschijn komen, is niet de vergunning vrager verantwoordelijk, maar is de gemeente aan zet en draait op voor de kosten van archeologisch onderzoek. Om dit te voorkomen zal bij het doorschuiven van het waarderend archeologisch onderzoek naar de aanvraag van een bouw- of aanlegvergunning, in het vast te stellen nieuwe bestemmingsplan altijd de stringentere oppervlaktemaat van 100 m2 als ondergrens voor archeologisch onderzoek aangehouden moeten worden, ongeacht de ondergrens zoals aangeduid op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart.

In het Dommeldal onder Nederwetten zijn de afgelopen honderd jaar vele Romeinse muntvondsten gedaan, die wijzen op de aanwezigheid van een heiligdom of cultusplaats (foto D. Vlasblom, Erfgoedhuis gemeente Eindhoven).

59

4.5.5

Toevalsvondsten32

In plangebieden die niet onderzoeksplichtig zijn of waar de initiatiefnemer heeft voldaan aan de onderzoeksverplichting, hetzij van alleen inventariserend onderzoek, hetzij ook van een opgraving of begeleiding, kan de gemeente vergunning verlenen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks kunnen bij graafwerkzaamheden ‘toevalsvondsten’ worden gedaan, zoals crematie- of inhumatiegraven die door hun beperkte omvang en diepteligging meestal niet voorspelbaar zijn. In zo’n geval kan de initiatiefnemer niet gehouden worden aan het veroorzakersprincipe. Op basis van een selectiebesluit van de gemeente mocht het initiatief immers zonder (verdere) archeologische verplichtingen worden gerealiseerd. Dergelijke vondsten dienen op grond van art. 19.8 Omgevingswet bij het college van burgemeester en wethouders gemeld te worden. Het college stelt vervolgens de minister van OCW op de hoogte (in de praktijk de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Het niet melden is een strafbaar feit. Soms kunnen dergelijke vondsten van groot belang zijn. De Omgevingswet regelt in dat geval dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.

Ook komt het voor dat onder druk van de publieke opinie alsnog na overleg tussen betrokkenen een onderzoek ingesteld wordt, ook al kan de gemeente niet meer terugkomen op de verleende vergunning. Bij het stilleggen van werk door de gemeente of het Rijk komen de kosten niet ten laste van de verstoorder, maar ‘in redelijkheid’ van de gemeente dan wel de Minister, waarbij van de gemeente verwacht mag worden, dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming evident is. Onder druk van de publieke opinie ontstaat meestal tussen alle betrokkenen een onderhandelingssituatie met hoge tijdsdruk, waarbij kosten voor de gemeente te verwachten zijn.

In 2011 werd bij rioleringswerkzaamheden bij toeval deze overkluisde waterput aangetroffen op de Berg. De waterput dateert uit de 19e eeuw en hangt samen met de hier aanwezige dorpspomp (foto R. Berkvens). 32 Toevalsvondsten zijn onder de Omgevingswet ondergebracht in hoofdstuk 19: bevoegdheden in bijzondere omstandigheden.

60

4.6

Cultuurhistorische waarden

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn de in de gemeente Nuenen aanwezige cultuurhistorische waarden van lokaal, regionaal en bovenregionaal belang aangegeven. Onder cultuurhistorische waarden vallen het historisch landschap en het gebouwd en aangelegd erfgoed. Voor de gemeente Nuenen onderscheiden we vijf verschillende waarden: 1.

Beschermd rijksmonument, waaronder dorpsgezicht en buitenplaats;

2.

Beschermd gemeentelijk monument, waaronder dorpsgezichten;

3.

Cultuurhistorische vlakken en complexen van provinciaal belang;

4.

Gemeentelijke cultuurhistorische ensembles;

5.

Object of gebied met zeer hoge, hoge en redelijk hoge cultuurhistorische waarde, waaronder beeldbepalende panden en cultuurlandschappen.

De gemeente Nuenen telt maar liefst 46 beschermde rijksmonumenten, 68 gemeentelijke monumenten, 6 beschermde dorpsgezichten (waarvan één rijksbeschermd) en één rijksbeschermde buitenplaats (Soeterbeek).

De dienstwoning bij landhuis Soeterbeek waar tuinman Willem Hikspoors woonde, met op de achtergrond het landhuis van de familie Smits van Oyen (foto beeldbank heemkundekring De Drijehornick, jaartal onbekend). 61

De cultuurhistorische waardenkaart van Nuenen van 2023. 62

De cultuurhistorische waarden kunnen worden getypeerd naar verschillende typen objecten of gebieden welke veelal een specifieke omschrijving in de planregels van het bestemmingsplan / omgevingsplan vragen. Het gaat om: -

Cultuurhistorische ensembles

-

Historische bouwkunst

-

Historische stedenbouw

-

Historische geografie (lijn en vlak)

-

Historisch groen

-

Historische zichtrelaties

-

Aardkundige waarden

Een beschrijving van de afzonderlijke gebouwen, objecten en (historisch waardevolle) gebieden is te vinden in de toelichting op de erfgoedkaart (hfd. 5) en de bijbehorende bijlagen 1 en 2. 4.6.1

Cultuurhistorische ensembles

De waardering van het historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed gaat uit van losse elementen en van ensembles. Ensembles zijn groepen van historische landschappelijke elementen die een nauwe samenhang hebben. Een aantal voorbeelden van ensembles zijn: -

religieuze ensembles: kerk met pastorie en klooster, tuin en begraafplaats

-

industriële ensembles: kantoorgebouwen, werkplaatsen, schoorsteen, infrastructuur en arbeidersen directeurswoning

-

agrarische ensembles: boerderij als hoofdgebouw, erfinrichting met diverse bijgebouwen en groen

-

landschappelijk ensemble zoals een landgoed: een centraal huis met siertuin, moestuin, vijver, park, boerderijen, lanen en dreven, een stuk bos en misschien enkele “follies”: verrassende sierelementen.

Het ensemble van dat landgoed vat dat alles weer samen zoals het ook bedoeld is en functioneerde. Ensembles kunnen zowel bestaan uit meerdere gebouwen, die tot een geheel horen zoals een klooster of landgoed, maar het kan ook gaan om één element. Zo'n "element" is dan een ensemble op zich, terwijl elders een ensemble uit een rij apart genoemde elementen is opgebouwd. Uniek_nr. 12.001 12.002 12.003 12.004 12.005 12.006 12.007 12.008 12.009 12.010 12.011 12.012 12.013

Naam Hooidonk Nederwetten-dorp Akkercomplex Nederwetten Soeterbeek Aabroek Beekdal van de Kleine Dommel Broekgebied tussen Breugel en Nuenen Nederwettense Straat Nuenen-dorp Gerwen-dorp Eeneind Gulbergen Vaarle

Typering watermolen dorpskom oude akkers klooster-landgoed Beekdal Beekdal ontgonnen Broek oud straatgehucht grote dorpskom mini-dorpskom Stationsbuurt nog heide enclave in hei

Opp. (ha) 7 30 60,5 23 56,5 75 >800 45 45 4 10,5 7 73

Tabel met een overzicht van de 13 cultuurhistorisch waardevolle ensembles in Nuenen. In Nuenen gaat het met name om de 13 (landschappelijke) ensembles, waaronder akkercomplex Nederwetten, Landgoed Soeterbeek, watermolen-kloostercomplex Hooidonk, Gulbergen en Het Broek tussen Nuenen en Breugel. In de ensembles zijn de cultuurhistorische vlakken en complexen van provinciaal belang geïntegreerd. Voor de cultuurhistorische ensembles zal in het bestemmings-

63

/omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden, rekening houdend met de instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening.

Ensemble Akkercomplex Nederwetten op de topografische kaart van 2020. In de beschrijving van de ensembles (zie bijlage 2 van de toelichting op de erfgoedkaart) wordt ingegaan op de samenhang van de losse punten, lijnen en vlakken. Ze bestaan steeds uit een aantal naar type verschillende onderdelen die elkaar aanvullen en tot een boeiend geheel maken. Samen 64

hebben ze een geschiedenis, vertellen ze een verhaal en zijn ze dus ook makkelijker te beschermen. Deze ensembles vragen bijzondere zorg. Hun kracht kan achteruitgaan door het vernietigen van één of meer onderdelen. Zorgvuldige planning en aanvulling van "gaten" in het ensemble kan de kracht er juist van vergroten. Onderhoud maar zeker ook ontwikkeling zal de ensembles in de toekomst moeten behouden. Ensembles lenen zich ook voor een educatief element: een plaquette met uitleg en opname in fiets- of wandelroutes-met-uitleg. Geïsoleerde elementen hebben een lagere waarde dan elementen die met andere elementen relevante relaties hebben of daarmee zelfs een uitgesproken ensemble vormen. Wanneer elementen uit een ensemble aangetast worden, daalt daarmee de waarde van het hele ensemble en van de andere onderdelen daarvan.

De Kleine Dommel bij de Collse watermolen (bron: beeldbank heemkundekring De Drijehornick). 4.6.2

Historische bouwkunst

Voor de (voorbeschermde) rijks- en gemeentelijke monumenten en de waardevolle historische bouwkunst zullen in het bestemmings-/omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. De instandhouding van de hoofdvorm kan met een omgevingsvergunning voor het slopen worden beschermd. Ook kunnen andere voor het gebied of voor het gebouw specifieke karakteristieke kenmerken zoals nokrichting, ligging, bebouwingsstructuren en maatvoering worden beschermd. Dit is mogelijk door het stellen van regels in het omgevingsplan. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 13.6 Bal.

65

Gemeentelijk monument Wettenseind 11 in Nuenen in 1998 (bron: Beeldbank heemkundekring De Drijehornick). 4.6.3

Historische stedenbouw

Ook voor de historische stedenbouw met cultuurhistorische waarde zullen in het omgevingsplan maatwerkregels opgenomen moeten worden. In bepaalde gebieden is sprake van een bebouwingsstructuur die sinds jaar en dag op een bepaalde manier is opgebouwd. Per gebied zijn hierin verschillende kenmerken en karakteristieken te onderscheiden. Het is belangrijk om de ruimtelijke opbouw van het gebied te behouden. Er kan sprake zijn van verspreide of dichte tot half open bebouwingsstructuren. Een bebouwingsstructuur kan worden vastgelegd door middel van het vastleggen van de plaats van de bebouwing in bouwvlakken en het werken met gevellijnen. Op open plekken in de structuur wordt dan geen bouwvlak gelegd of krijgen de gronden een bestemming waarbinnen bebouwing niet is toegestaan.

Beschermd dorpsgezicht Berg in Nuenen met monumentaal groen, waaronder de oude gerechtslinde (foto gemeente Nuenen). 4.6.4

Historische geografie

Onder historische geografie met een cultuurhistorische waarde vallen verschillende thema’s, zoals: infrastructuur, akkers en landgoederen. Belangrijke historische lijnen zijn de unieke kasseienwegen, zoals die van de Stationsweg op Eeneind en de Soeterbeekseweg. Afhankelijk van de aanwezige kwaliteiten kunnen bepaalde beschermende maatwerkregels worden opgelegd. Een functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - open gebied’ behoort ook tot de mogelijkheden. Om de openheid van het gebied te beschermen kunnen beperkende bouwregels worden opgenomen waarin bebouwing wordt tegengegaan. Daarnaast kan een vergunningplicht worden gekoppeld aan het aanbrengen van opgaande beplanting.

66

Uitzicht over het bolle akkercomplex Heuvelakkers onder Nederwetten in december 2022 (foto R. Berkvens).

Historisch groene laanbeplanting naast de historisch waardevolle Stationsweg op Eeneind in november 2022 (foto R. Berkvens). 4.6.5

Historisch groen

Voor het historisch groen met cultuurhistorische waarde zullen in het omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. Historische beplanting, zoals parken, laanbeplanting, waardevolle bomen, zullen 67

specifiek bestemd dienen te worden als ‘Historisch groen’. Waardevolle bomen kunnen ook worden aangeduid met de functieaanduiding ‘monumentale boom’. Bebouwing kan binnen deze groenstructuren worden tegengegaan in de bouwregels. Voor verschillende werken en werkzaamheden, zoals voor het aanleggen van verharding en het verwijderen van beplanting, kan het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanleggen worden opgenomen.

Amerikaanse eik in Park Houtrijk met op de achtergrond het "Van Gogh Kerkje". Dit kerkje werd door Vincent van Gogh in 1884/85 geschilderd. In diezelfde periode werd dus 100 meter verder deze Amerikaanse eik gepland (foto N. Kaandorp via https://www.monumentaltrees.com/). 4.6.6

Cultuurhistorische zichtrelaties

Onder historische zichtrelaties vallen in Nuenen zowel de zichtlijnen over diverse landschappen als de (water)molenbiotopen. Molenbiotopen betreffen cirkelvormige zones rond windmolens, die van belang zijn voor de windvang en voor de landschappelijke uitstraling. Op de kaart is rond elke traditionele windmolen een dergelijke biotoop weergegeven, met een straal van 400 meter, onafhankelijk van de huidige staat van de molen en van de mate van verstoring van de windvang. De molenbiotopen dienen zorgvuldig te worden ingericht (toetreding van wind), en in geval van grondzeilers zelfs grotendeels te worden vrijgehouden van bebouwing. Bij watermolens gaat het om de molenkolk, benedenstrooms van de molen, die onderdeel uitmaakt van de molenbiotoop. Aan de hand van de beschreven natuur- en cultuurwaarden die rond de molens aanwezig zijn, kunnen betere keuzes worden gemaakt op het gebied van bijvoorbeeld landschapsontwikkeling en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De cultuurhistorische waarde van de zichtlijnen bij de dorpen wordt bepaald door hun onderlinge visuele relatie of de visuele relatie met de omgeving. Het gaat dan om bijvoorbeeld de zichtrelatie tussen een dorpslint en het omliggende landschap. Zo’n zichtrelatie is op de cultuurhistorische waardenkaart met een pijl aangegeven.

68

Zichtlijn vanuit Nederwetten op de Oude Toren van Nederwetten, zoals deze op de cultuurhistorische waardenkaart is opgenomen. 4.6.7

Aardkundige waarden

De provincie Noord-Brabant heeft in Nuenen één aardkundig waardevol gebied aangewezen. Het gaat om de Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenens Broek; een erg groot gebied dat zich ver buiten de gemeentegrenzen uitstrekt. Het gaat hier om een waardevol klein rivierdal in dekzandlandschap, met verscheidenheid aan fluviatiele landvormen, en bijhorende aardkundige (en cultuurhistorische) landschapselementen in de directe omgeving. Het Breugels Broek en het Nuenens Broek zijn vlakke, laaggelegen komvormige gebieden waar de slecht doorlatende Brabantse Leem dichtbij de oppervlakte voorkomt. Dit bemoeilijkt de waterhuishouding en maakt deze gebieden erg vochtig. Voor de aardkundige waarden zal in het bestemmings-/omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden. Het gaat om instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening. Dit houdt in dat in dit gebied de reliëfverschillen niet mogen worden ver- of afgegraven of anderszins aangetast (ontgrondingen / ophogingen), met name de natuurlijke overgang rivierdaldekzandlandschap moet beschermd worden (steilranden, dalglooiing, etc.). Ook de natuurlijke meandering van de Dommel mag niet verder worden aangetast. Bij hermeandering mag alleen zeer nauwkeurig het historische tracé gevolgd worden. Verder mag uitbreiding van bebouwing en 69

infrastructuur (met name op de hogere delen) niet ten koste gaan van de kenmerkende landschapsstructuren en zichtrelaties. De historische bolle akkers en historische beemdenpercelering mogen ook niet worden aangetast (door o.a. bebouwing).

Het Dommeldal tussen Nederwetten (zie de Oude Toren bij Kerkhoef midden op de foto) en Eindhoven, onderdeel van het aardkundige waardevolle gebied Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenens Broek (foto R. Otter, Eindhovens Dagblad).

4.7

Onderzoeksverplichtingen cultuurhistorische waarden

De gemeente Nuenen is gebonden aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de zorg voor cultuurhistorische waarden (historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed). Zo heeft zij een verplichting ten opzichte van de instandhouding van rijksmonumenten en moet er bij grote en kleine ruimtelijke ontwikkelingen getoetst worden hoe is omgegaan met het behoud van historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan (omgevingsplan) heeft de gemeente zelf ook de verplichting dit in beeld te brengen. De Cultuurhistorische Waardenkaart vormt hiervoor de basis. Daarnaast kan de gemeente vastleggen dat een advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit (zie 5.1) benodigd is. Om de cultuurhistorische waarden te kunnen beschermen en mee te kunnen wegen, zal in veel gevallen net als bij archeologie een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Hierbij wordt onder andere getoetst op basis van wat er in de erfgoedverordening staat en vanaf in werking treding van de Omgevingswet in de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Door zo vroeg mogelijk in het proces rekening te houden met het eventueel aanwezige erfgoed en de omgang ermee, wordt de afweging transparant voor initiatiefnemers, in plaats van dat het een frustratie is aan het einde van het proces.

Daarbij kan door vroeg in het proces deel te nemen aan de ruimtelijke afweging, tijdig nagedacht worden over hoe erfgoed ontwikkelingen kan versterken en onmogelijkheden worden omgevormd tot kansen.

70

Voor het afgeven van een omgevingsvergunning is een zorgvuldige afweging nodig tussen de aangevraagde wijziging of geplande ontwikkeling en de consequenties die deze wijziging of ontwikkeling heeft op de monumentale- en cultuurhistorische waarden van het pand of gebied. Wat betekent het bouwen van nieuwe woningen voor de cultuurhistorische waarde zoals aangeduid op de erfgoedkaart? Bij wijzigingen in monumenten en cultuurhistorische ensembles is er specifieke aandacht nodig om het historische beeld en structuur te behouden en te versterken. Dit geldt ook voor de instandhouding van cultuurhistorisch waardevolle objecten. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de cultuurhistorische waarden niet onherstelbaar worden geschaad en bij de activiteit monumenten/slopen alleen als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. In het geval van aanwezige cultuurhistorische waarden kan aan initiatiefnemers van ingrijpende ontwikkelingen om aanvullend onderzoek worden gevraagd. Dit kan afhankelijk van de werkzaamheden cultuur-, architectuur- of bouwhistorisch onderzoek betreffen. De kennis uit het onderzoek kan vervolgens worden ingezet voor kaderstelling bij ontwikkelingen of om de ontwikkeling in harmonie met de aanwezige cultuurhistorische waarden uit te voeren.

Voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van de aanvraag voor het wijzigen van erfgoed zijn met name details van belang. Deze details komen in een aantal momenten in de vergunningprocedure tot uiting. Daarbij is de intake van de aanvraag een belangrijk moment. Bij de intake en de ontvankelijkheidtoets moet worden gecheckt of alle relevante details van de te wijzigen onderdelen zijn toegevoegd.

Het tot woningen getransformeerde parochiehuis De Vank in Nuenen (bron: https://rezidenz.nl/project/de-vank-nuenen/). Veel van de stijlelementen uit het monumentale pand uit 1939 zijn behouden, zoals de klokkentoren, de klassieke boogramen en imposante trappartijen.

4.8 4.8.1

Nadere beleidsafwegingen cultuurhistorie Onevenredige aantasting

Beschermen van erfgoed betekent niet dat er niks meer mag veranderen aan een beschermd of waardevol object; integendeel. Als de cultuurhistorische of monumentale waarden van een object of pand worden gerespecteerd is het geen probleem om wijzigingen aan te brengen. In het licht van de Omgevingswet moet voor de gebruiker (burgers / bedrijven) ook duidelijk zijn wáár die informatie te vinden is. De gemeente zal dus moeten voorzien in adequate informatieverstrekking. Bij een vergunningaanvraag wordt getoetst of deze waarden niet onevenredig worden aangetast. Als dat wel

71

het geval is, vind een belangenafweging plaats, waarbij wordt gekeken of de andere belangen dermate zwaarwegend zijn dat zij aantasting van de cultuurhistorische waarden rechtvaardigen. De vergunningplicht geldt niet alleen voor de buitenzijde (gevels en daken), maar ook voor het interieur. Het betekent echter niet dat alles aan of in een monument historische waarde heeft. De gemeente kan vragen om een bouwhistorisch onderzoek om te zien welke delen van het monument wegens hun historische waarde bescherming behoeven. Bij de vergunning kunnen dan voorschriften worden opgenomen om die monumentale delen te beschermen. 4.8.2

Vergunningsplichtig of Vergunningsvrij

De bepalingen over vergunningsvrije bouwwerken zijn opgenomen in art 2.15d en 2.15f van het Bbl.33 Met de bruidsschat wordt aan het omgevingsplan van rechtswege een algemeen verbod toegevoegd op het’ zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken’. Deze artikelen wijzen categorieën van (bouw)activiteiten aan waarvoor dit verbod niet geldt. De overige regels van het omgevingsplan blijven echter onverminderd op deze bouwwerken van toepassing. Bij deze vrijstelling gelden wel randvoorwaarden over maatvoering, plaatsing etc. In artikel 2.15g zijn specifieke randvoorwaarden opgenomen met betrekking tot (voor)beschermde monumenten en door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten. Voor gewoon onderhoud, gericht op het behouden van wat er is, en minder omvangrijke activiteiten aan monumenten is geen omgevingsvergunning nodig. Dit betreft normaal onderhoud waarbij materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. Bijvoorbeeld: •

het schilderen in dezelfde kleur/verfsysteem

•

het vervangen van kapotte ruiten of kozijnen door hetzelfde type/materiaalsoort

•

het opstoppen van rieten daken

•

het vervangen van enkele dakpannen.

Verder is het bouwen in, aan of op een monument (rijks of gemeentelijk) niet vergunningsplichtig mits het om onderdelen gaat die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben. Ook voor het bouwen in rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en voor inpandige veranderingen en bepaalde activiteiten op achtererven is geen vergunning meer nodig. Waar precies de grenzen liggen, is te vinden op de op de website van de RCE.34 Als de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder vergunning, geldt nog steeds dat een beschermd monument niet beschadigd of te vernield mag worden: “vergunningsvrij is dus niet vogelvrij”. Dit valt onder de instandhoudingsplicht beschermd cultureel erfgoed (Omgevingsbesluit art 1.3 en meer specifiek voor rijksmonumenten Bal art 13.11).

4.9

Implementatie cultureel erfgoed in omgevingsplan

Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook objecten of gebieden met archeologische of cultuurhistorische waarden, waaronder de aardkundige waarden en ensembles, zullen via instructie- en maatwerkregels in het omgevingsplan moeten worden opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt voorgesteld om voor de Rijks- en gemeentelijke monumenten ook een functieaanduiding op te nemen in het omgevingsplan.

33 In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. 34 Zie https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2018/01/01/vergunningvrij.

72

In bijlage 4 zijn de basisregels voor cultureel erfgoed opgenomen, die bij het opstellen van het omgevingsplan binnen de gemeente Nuenen als uitgangspunt kunnen worden gebruikt.35 Het gaat hier om voorbeeldregels zoals ze in de pilot van het omgevingsplan Breda zijn toegepast. De regels zijn afgestemd op de verschillende categorieën archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werkt nog aan landelijke voorbeeldregels voor gemeenten, om op te nemen in hun omgevingsplan voor de diverse erfgoedwaarden. In de toelichting van het omgevingsplan zal op basis van de erfgoedkaart een archeologische en cultuurhistorische paragraaf moeten worden opgenomen. Hierin wordt het volgende beschreven en/of weergegeven: •

de ondergrond in het plangebied voor zover relevant voor de historische situatie;

•

de bewoningsgeschiedenis en/of de stedenbouwkundige geschiedenis van het gebied;

•

de aanwezige monumenten en andere karakteristieke bebouwing of relicten;

•

het archeologische/cultuurhistorisch onderzoek naar de waarden;

•

de (relicten van) historische terreininrichting en het landschap (verkaveling, begroeiing, wallen, sloten, bolle akkers, steilranden, holle wegen etc.);

•

het gemeentelijke beleid ten aanzien van archeologische en cultuurhistorische waarden en/of verwachtingen;

•

tot slot wordt een motivering gegeven van de wijze waarop in het eventuele ruimtelijk ontwerp wordt omgegaan met de eventueel aanwezige waardevolle archeologische en cultuurhistorische relicten.

4.10 Conclusie Bij het opstellen van het omgevingsplan zal de gemeente rekening moeten houden met haar cultureel erfgoed door terreinen geen functie te geven die de archeologie, het gebouwde en aangelegde erfgoed of het historische landschap kunnen schaden. Bij het verlenen van vergunningen zal rekening gehouden moeten worden met bekende of te verwachte erfgoedwaarden door indien nodig, eerst een onderzoek naar de waarde te laten instellen en zo nodig aan de vergunning voorwaarden te verbinden. De kosten die samenhangen met het uitvoeren van dit onderzoek en het naleven van de vergunningvoorschriften komen voor rekening van de vergunningaanvrager. De archeologische beleidskaart geeft een vlakdekkend overzicht van alle bekende en te verwachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen waaraan het archeologische beleid van de gemeente is gekoppeld. De regels die worden gesteld ten aanzien van archeologie zijn gebonden aan de omvang, diepte en locatie van de beoogde bodemingrepen. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn de in de gemeente Nuenen aanwezige cultuurhistorische waarden van lokaal, regionaal en bovenregionaal belang aangegeven. De cultuurhistorische waarden kunnen worden getypeerd naar verschillende typen objecten of gebieden welke veelal een specifieke omschrijving in planregels vragen.

In tegenstelling tot archeologie is voor de cultuurhistorische waarden geen normgrens bepaald op basis van oppervlak en diepte omdat de diversiteit van cultuurhistorische waarden te groot is. Of en welk onderzoek noodzakelijk is, zal in overleg met de erfgoeddeskundige van de gemeente en/of de nieuwe gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit bepaald moeten worden.

35 De regels moeten voldoen aan de Standaard toepasbare regels (STTR) voor opname in het Omgevingsloket. Daarbij is het mogelijk om extra informatie toe te voegen aan de toepasbare regels, zoals toelichtingen. Omdat er nog geen goede voorbeelden zijn, moeten deze basisregels gezien worden als een eerste aanzet.

73

Actiepunten: •

Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook objecten of gebieden met archeologische of cultuurhistorische waarden, waaronder de aardkundige waarden en cultuurhistorische ensembles, moeten via instructie- en maatwerkregels in het omgevingsplan worden opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarden.

•

Bij de erfgoednota zijn voorbeeldregels voor cultureel erfgoed opgenomen (bijlage 4), die bij het opstellen van het omgevingsplan binnen de gemeente Nuenen als uitgangspunt kunnen worden gebruikt.

•

In de geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart is de nieuwe categorie archeologisch zeer waardevolle terreinen opgenomen waardoor de aanwezige archeologische waarden beter beschermd worden.

•

Bij het opstellen van een nieuw omgevingsplan moet de gemeente ook de cultuurhistorische waarden in beeld brengen. De Cultuurhistorische Waardenkaart vormt hiervoor de basis.

•

Om de cultuurhistorische waarden te kunnen beschermen en mee te kunnen wegen, zal in veel gevallen een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn.

•

Voor het afgeven van een omgevingsvergunning is een zorgvuldige afweging nodig van de gevolgen van de geplande ontwikkeling op de monumentale- en cultuurhistorische waarden van het pand of gebied. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de cultuurhistorische waarden niet onherstelbaar worden geschaad en bij de activiteit monumenten/slopen alleen als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

De Duykenspaalse Heiweg die loopt vanaf Olen in de richting van het noordelijkste puntje van de gemeente Nuenen. Dat noordelijkste puntje waar de gemeentegrenzen van Nuenen, Son en Breugel, Sint-Oedenrode en Laarbeek samenkomen staat bekend als de Duykenspaal. De huidige Duykenspaalse Heiweg wordt op de kadasterkaart van 1832 overigens aangeduid als Nederwettensche Heiweg (bron: beeldbank heemkundekring De Drijehornick). 74

Zicht vanaf het Weverkeshof richting De Roosdonk in Nuenen (bron: https://www.vangoghbrabant.com/)

Het station op Eeneind in 1960. Van 1866 tot 1938 in gebruik geweest aan de spoorlijn EindhovenVenlo. In 1972 is het station gesloopt (bron: beeldbank heemkundekring De Drijehornick).

75

5 Verbeteren van erfgoed instrumenten Dit hoofdstuk geeft een analyse van het bestaand instrumentarium ten aanzien van ruimtelijk erfgoed in de gemeente Nuenen. Per instrument wordt aangegeven of en hoe daar verbeteringen in kunnen worden aangebracht.

5.1

Adviescommissie voor omgevingskwaliteit

In de Omgevingswet vervalt de commissie op het gebied van de monumentenzorg. Deze wordt vervangen door de gemeentelijke adviescommissie, die ingesteld wordt door de gemeenteraad en minimaal tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische rijksmonumenten betreft (Omgevingswet art. 17.9). Het college van burgemeester en wethouders kan de commissie verder advies vragen over het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In juni 2022 heeft de gemeente Nuenen de “Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit Nuenen ca.” vastgesteld. Deze zal per 1 januari 2024 in werking treden tegelijk met de Omgevingswet. Hierin is vastgelegd dat de adviescommissie tot taak heeft om de gemeenteraad en het college te adviseren op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden.

De wet schrijft voor dat binnen de commissie enkele leden deskundig dienen te zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting dient de commissie ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw te beschikken. In aanvulling hierop is de deskundigheid aangevuld met architectuur, inrichting openbare ruimte, woonkwaliteit, duurzaamheid, kunst en cultuur, monumentenzorg en Nuenense historie. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. De dorpsbouwmeester is een lid van de commissie met een eigen door de raad aangewezen takenpakket. Een ambtenaar of een andere deskundige kan op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen). Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd.

Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de

76

mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Het college van B&W vraagt de adviescommissie advies bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een (rijks)monumentenactiviteit maar kan dat ook doen bij mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden. De nieuwe adviescommissie moet zo veel mogelijk ingezet worden om initiatiefnemers aan de voorkant van het proces te adviseren en hen uit te dagen om hun plannen met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren. Dit is van groot belang omdat onder de Omgevingswet veelal de reguliere procedure van toepassing zal zijn op vergunningaanvragen en er dus ná de aanvraag zeer weinig tijd is voor afstemming. Daarom is het de taak van de gemeente álle afstemming zoveel als mogelijk aan de voorkant van de procedure te laten plaatsvinden. Voor het college zullen adviezen over de meerwaarde van ‘ruimtelijke kwaliteit’ in een project steeds belangrijker worden, als de vraag is of ‘de meerwaarde opweegt tegen het afwijken van de algemene regel van een omgevingsplan’. Indien de afwijking van de algemene regel groter wordt, wordt de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag ook zwaarder om het besluit op goede wijze te motiveren.

Voor die motivering van de (maatschappelijke) meerwaarde is, volgens de Raad voor de Leefomgeving, een advies van een (brede) onafhankelijke adviescommissie noodzakelijk.

De nieuwe openbare basisschool, genaamd ‘Het Mooiste Blauw’, in nieuwbouwwijk Nuenen-West. Deze kwam mede tot stand na advisering door het Team Ruimtelijke Kwaliteit (https://www.wsp.com/nlnl/projecten/jenaplanschool-het-mooiste-blauw-in-nuenen).

5.2

OmgevingsTafel

De impact van de Omgevingswet op het vergunningverleningsproces en de dienstverlening is behoorlijk. De duur wordt sterk ingekort; alle aanvragen moeten in principe via de reguliere procedure binnen acht weken worden afgehandeld. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Bij vergunningaanvragen waar meerdere overheden regels voor stellen, wordt er één bevoegd gezag aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Tenslotte komt er een aanvraagvereiste participatie bij vergunningaanvraag, die initiatiefnemers stimuleert om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Dit alles vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden, kan in het geval van een complexe aanvraag naar verwachting niet binnen acht weken worden doorlopen. Zeker als daar ook onderzoek bij komt kijken naar archeologie, historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed. Hiertoe dient dan ook een uitgebreider vooroverleg in te worden gericht, de zogeheten Omgevingstafel.

Hierin speelt het vooroverleg zich af voordat de formele vergunningaanvraag wordt ingediend en de afhandeltijd van 77

acht weken gaat lopen. Aan de tafel komen (in een of meerdere sessies) de initiatiefnemer en alle betrokkenen bij elkaar, waaronder deskundigen op het gebied van erfgoed zoals de gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit maar ook de regioarcheoloog. Het initiatief wordt besproken vanuit de gedachte dat het mogelijk gemaakt wordt. Dit levert de initiatiefnemer een integraal advies op, waarmee hij de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen, waardoor vervolgens de vergunning in acht weken kan worden afgehandeld. Er zullen echter ook specifieke situaties voorkomen waarin een gewenst plan niet mogelijk of niet gewenst is. In die gevallen kan een vergunningaanvraag tijdig worden bijgesteld of in het uiterste geval worden afgewezen.

Om tot een goed werkende Omgevingstafel te komen, zal er samen met de gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit, de vergunningverleners van de gemeente en de ODZOB een uitgebreider vooroverleg moeten worden ingericht. Door VNG en de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit is in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de aanpak voor een gemeentelijk adviesstelsel in een handreiking uitgewerkt.36 De handreiking is gericht op het bevorderen van een goede omgevingskwaliteit, eveneens door overleg in een vroeg stadium. De welstandscommissies, monumentencommissies, commissies ruimtelijke kwaliteit en stads- en dorpsbouwmeesters zijn onderdeel van dat adviesstelsel.

5.3

Toezicht en handhaving37

In het kader van toezicht en handhaving is het niet alleen zaak dat tijdens de planvorming en vergunningprocedure zorgvuldig met monumentale waarden en details wordt omgegaan. Het is vooral zaak om ook tijdens de uitvoering met zorg de werkzaamheden te verrichten. Dit kan worden bewerkstelligd door voorafgaand aan de aanvang van de bouwwerkzaamheden met de eigenaar en aannemer een overleg te voeren, waarbij het bouwplan en de uitvoering in relatie tot de vergunning in detail worden afgestemd en belangrijke details en restauratietechnieken worden doorgesproken. Hetzelfde geldt als er vragen zijn over de aanpak van bijvoorbeeld onverwachte problemen. Daarbij is het noodzakelijk dat de toezichthouder door de planbeoordelaar nauwkeurig op de hoogte wordt gesteld van de kritische details en uitvoeringstechnieken. Het is wenselijk dat zowel de plantoetser als 36 https://www.ruimtelijkekwaliteit.nl/upload/files/200217_Handreiking_adviesstelsel.pdf 37 Zie voor meer info: https://www.monumententoezicht.nl/onderhoudsplicht en ook https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/instandhoudingsplicht-en-de-erfgoedwet.

78

toezichthouder bij het afstemmingsoverleg met de opdrachtgever en uitvoerende partijen aanschuiven. Tijdens dit afstemmings- ofwel bouwoverleg kan tevens worden vastgelegd op welke momenten terugkoppeling plaats vindt met de gemeente. Deze afspraken worden opgenomen in de vergunning. De instandhoudingsplicht uit de Erfgoedwet (en straks de Omgevingswet) houdt in dat een eigenaar van een rijksmonument zorgt dat het monument zodanig onderhouden wordt dat instandhouding van het object en de monumentale bouwkundige elementen gewaarborgd is. Een eigenaar voldoet niet aan de instandhoudingsplicht wanneer onderdelen van het monument aantoonbaar niet onderhouden zijn en de eigenaar langdurig nalaat om het noodzakelijke onderhoud uit te voeren. Het maakt niet uit of de verwaarlozing opzettelijk of onbewust gebeurt. Roerende zaken vallen niet onder de onderhoudsplicht, maar interieuronderdelen zoals een schouw of een stucplafond, wel. De onderhoudsplicht geldt ook voor structuurbepalende groenelementen van een monument. De gemeente bewaakt het ‘algemeen maatschappelijk belang’ van het erfgoed. Daarom is een actieve rol van de gemeente van belang. Met de instandhoudingsplicht kan een gemeente een eigenaar aanspreken die zijn monument niet onderhoudt. In het uiterste geval kan de gemeente handhavend optreden om het noodzakelijke onderhoud af te dwingen.

De voorkeur gaat uiteraard uit naar het toezicht tijdens de werkzaamheden, vanwege meer succes op behoud van historisch materiaal en kwaliteit. Bij handhaving zal er al sprake zijn van een (structurele en) mogelijk onomkeerbare aantasting van de erfgoedwaarden.

Krantenkop waarin aangegeven wordt dat de gemeente Nuenen actie onderneemt tegen verval van monumentale boerderij (bron: Eindhovens Dagblad 25-01-2019). 79

Onder de Omgevingswet krijgt de gemeente de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 18.13) wanneer: •

een verbod wordt overtreden dat is opgelegd ter bescherming van cultureel erfgoed of werelderfgoed;

•

niet wordt gehandeld conform instructies die zijn gegeven in verband met een archeologische toevalsvondst van algemeen belang.

De boetebevoegdheid die volgens dit artikel opgelegd kan worden door het bevoegd gezag, geldt voor de algemene regels op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed. Binnen de bandbreedte van het boetetarief (tot een maximum van € 82.000,-) kan het bevoegd gezag beleidsregels opstellen voor de hantering van tarieven voor bepaalde overtredingen. Daarbij kan rekening worden gehouden met strafverhogende factoren, zoals bijvoorbeeld een recidiveregeling. Het bevoegd gezag moet met het Openbaar Ministerie afstemmen over de inzet van de bestuurlijke boete. Een bruikbaar kader hiervoor biedt de Landelijke Handhavingsstrategie.

5.4

Erfgoedmeetlat

Voor een objectieve weging van de cultuurhistorische waarden is bij het aanwijzen van een monument de 'erfgoed meetlat' ontwikkeld. Aan de hand van de kwaliteitscriteria gaafheid/herkenbaarheid, zeldzaamheid en belevingswaarde kunnen zowel afzonderlijke objecten als samenhangende gebieden volgens een vast en inzichtelijk stramien gewaardeerd worden. De meetlat kan worden gebruikt bij het aanwijzen van gemeentelijke (archeologische) monumenten maar ook bij cultuurhistorische waardevolle gebieden en onjecten. Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten in Nuenen gebeurde tot op heden op basis van criteria, zoals het Rijk die hanteert voor het aanwijzen van rijksmonumenten: architectonische waarde, cultuurhistorische waarde, stedenbouwkundige waarde, gaafheid/ herkenbaarheid, zeldzaamheid en fysieke kwaliteit. De criteria zijn echter vooral gericht op gebouwd erfgoed en minder op archeologie en historisch landschap. De criteria in de erfgoedmeetlat zijn dan ook breder op erfgoed gericht. De erfgoedmeetlat maakt een bruikbaar en transparant afwegingskader mogelijk (zie bijlage 1), zodat het praktisch beter bruikbaar is voor het brede begrip van cultureel erfgoed.

5.5

Bouwhistorisch onderzoek

Bij gebouwde monumenten is vaak sprake van een summiere monumentenbeschrijving en waardestelling, omdat meestal alleen de buitenzijde van het pand beschreven is. De redengevende monumentbeschrijving is echter bedoeld om een object te duiden en de reden van bescherming te motiveren. Of in het pand nog oude kelders, schouwen of constructieonderdelen, zoals balklagen of oude kapconstructies aanwezig zijn, is in de meeste gevallen niet bekend. Om duidelijkheid te krijgen over de specifieke waarden van een monument, zoals muren of constructies is deze beschrijving niet het juiste instrument. Het is daarom zeer gewenst om voorafgaand aan de vergunningaanvraag een bouwhistorisch onderzoek of verkenning te laten uitvoeren. De diepgang van het onderzoek is afhankelijk van de ingreep en de vraag welke monumentale waarden in geding zijn.

80

Voorbeeld van een bouwhistorisch onderzoek naar de watermolen Hooidonk in Nederwetten door N. Jurgens in 2014. Bouwhistorisch onderzoek omvat het zoeken naar alle relevante gegevens, en de analyse en de interpretatie daarvan, die kunnen leiden tot de beschrijving van de bouw– en gebruiksgeschiedenis van bouwwerken of structuren. Er worden verschillende vormen van bouwhistorisch onderzoek onderscheiden op grond van de diepgang van de werkzaamheden. In bijlage 5 zijn minimale richtlijnen geformuleerd waaraan het bouwhistorisch onderzoek moet voldoen, wat eenduidigheid geeft voor de initiatiefnemers.38 Het doel van bouwhistorisch onderzoek is: -

signalering van historische bouwwerken en structuren;

-

documentatie van historische bouwwerken en structuren (bouw-, verbouwings –en gebruikersgeschiedenis)

-

bouwhistorische waardestelling van historische bouwwerken en structuren, ten behoeve van een beter beheer of als voorbereiding van een restauratie, verbouwing of herbestemming. Door het bepalen en vastleggen van bouwhistorische waarden kan worden voorkomen dat deze door onwetendheid verloren gaan;

-

advisering bij verbouwingen van bouwwerken en structuren;

-

vergroting van kennis van de geschiedenis van het bouwen / verbouwen

38 De basis voor de richtlijnen voor bouwhistorische onderzoek worden gevormd door de landelijke “Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek. Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed (uitgave van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en Rijksgebouwendienst), 2009.

81

Het voordeel van een bouwhistorisch onderzoek is dat de waardestelling voor alle partijen inzichtelijk is. Daarmee kan de juiste discussie worden gevoerd over de meest essentiële kwaliteiten van het pand. Dit biedt voor alle partijen duidelijkheid en zorgt voor een goede procesvoortgang en uiteindelijk veel tijdswinst. Het waardestellend bouwhistorische onderzoek vormt een toetsingskader voor de beoordeling van een omgevingsvergunning voor wat betreft de specifieke monumentale waarden van een pand. De gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit bepaald en beoordeeld de onderzoeken aan de hand van de vastgestelde richtlijnen en kennis van de situatie. Wanneer geen monumentale waarden in het geding zijn, of een beperkte ingreep plaatsvindt, zal geen of slechts een beperkt onderzoek nodig zijn. Indien er meer gecompliceerde ingrepen gaan plaatsvinden, zal er een onderzoek door een deskundige (bouw- c.q. architectuurhistoricus) moeten plaats vinden. Uitgangspunt is dat het onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verricht, zodat het kan dienen als leidraad en inspiratiebron voor de planvorming.

5.6

Duurzaam behoud van het bodemarchief

Het voornaamste uitgangspunt van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is om er naar te streven waardevolle archeologische resten voor toekomstige generaties in de bodem te behouden. Het komt dan ook steeds vaker voor dat besloten wordt om archeologische vindplaatsen in de bodem te bewaren (behoud in situ) waarmee duur archeologisch onderzoek wordt voorkomen. In Nuenen is echter nog maar beperkt sprake van behoud in situ. In slechts twee van de 54 plangebieden, waar bij de voorbereiding voor ruimtelijke ingrepen archeologisch onderzoek werd uitgevoerd in de afgelopen 10 jaar, was sprake van behoud in situ doordat de archeologische vindplaats buiten de geplande ingreep werd gehouden. Dat de meeste vindplaatsen echter niet in de grond bewaard blijven, komt niet per se door een gebrek aan maatschappelijk draagvlak of politieke onwil. Onderliggende redenen zijn vooral praktisch en financieel van aard: ontwikkelaars gaan niet gauw kostbaar waarderend onderzoek uitvoeren, als niet zeker is of een plan tot uitvoering komt. Bij behoud komen echter ook duidelijke richtlijnen voor goed behoud in situ om de hoek kijken.

Wanneer is er sprake van een goede bewaring? Kan er zomaar grond opgehoogd worden bij een vindplaats? Zijn schroefpalen ter voorkoming van vergraving van de bodem, een goed alternatief? Vanuit de behoudsdoelstelling is het van belang dat bij het ontwerp en de voorbereiding van nieuwbouwplannen in gebieden waar archeologische waarden aanwezig zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium onderzocht wordt in hoeverre archeologische resten via civieltechnische maatregelen in situ kunnen worden veiliggesteld. Bij inpassingsmaatregelen en archeologiesparend bouwen kan concreet gedacht worden aan het vermijden van de aanleg van (parkeer)kelders, het toepassen van zogenaamde zettingsvrije constructies, het bouwen op bestaande funderingen of het toepassen van draagconstructies boven archeologisch waardevolle lagen. Bij projecten in archeologisch waardevolle gebieden of zones met een hoge verwachting kan de gemeente, daar waar redelijkerwijs mogelijk, archeologische maatregelen opnemen in het programma van eisen van het ontwerp. Om behoud in situ in goede banen te leiden en het voor iedereen inzichtelijk te maken wanneer er sprake kan zijn van goed behoud, zijn voorwaarden voor behoud in situ opgesteld zie bijlage 3. Deze zijn gebaseerd op landelijke studies maar zijn afgestemd op de landschappelijke en archeologische situatie in de regio Zuidoost-Brabant.

De stappen om te komen tot een archeologievriendelijk bouwplan zijn idealiter als volgt: 1. Vooroverleg, voorafgaand aan het indienen van de vergunningaanvraag: a)

Informatie-uitwisseling tussen gemeente en initiatiefnemer bouwplan. 82

b)

Archeologisch rapport plangebied

c)

Risico-inventarisatie bouwplan

d)

Planaanpassing tot archeologievriendelijk bouwplan

2. Vergunningprocedure Het bouwplan wordt in het kader van de vergunningprocedure onder andere op het aspect archeologie getoetst. De gemeente beslist of het bouwplan voldoende is aangepast en uitgevoerd kan worden. Een voorwaarde waaronder de vergunning wordt verleend kan zijn dat bepaalde ingrepen archeologisch begeleid worden of dat delen van de vindplaats die verstoord raken voorafgaand aan de bouw opgegraven worden. In het uiterste geval kan een vergunning worden geweigerd. Als geen vooroverleg over het bouwplan is gevoerd zal het overleg, een eventuele planaanpassing of onderzoek binnen de vergunningstermijn moeten plaatsvinden. De initiatiefnemer loopt daarmee het risico dat het ingediende bouwplan te schadelijk gevonden wordt, waardoor een opgraving voorafgaand aan de bouw nodig is. Of dat een vergunning niet verleend wordt omdat planaanpassing niet meer binnen de termijn uitgevoerd kan worden.

5.7

Gemeentelijke richtlijnen archeologisch/cultuurhistorisch/bouwhistorisch onderzoek

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13060550/1