CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Vaststelling Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Hool 1 en ong17.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

en

levensloopbestendiger

krijgen

van

deze

voorraad,

waarbij

de

vastgoedeigenaar verantwoordelijk is en de gemeente een informerende en faciliterende rol heeft. Bij verduurzaming van de bestaande woningvoorraad zet de gemeente primair in op het beter informeren en faciliteren van particuliere woningeigenaren.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

De bouw van een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning valt niet onder het gemeentelijke woningbouwprogramma en levert daarmee geen belemmeringen op in het kader van het Programma Wonen 2020-2030. Bij de realisatie van de nieuwe woning wordt voldaan aan alle op dat moment geldende eisen voor wat betreft duurzaamheid. Het betreft een particulier initiatief, waarmee niet nader wordt ingespeeld op andere ambities van de gemeente Nuenen zoals gesteld in het Programma Wonen 2020-2030.

4.3.4 Landschapsstudie Buitengebied Nuenen 2020 Tussen Eindhoven en Helmond ligt de gemeente Nuenen in een landschap dat op een groot aantal plekken het gevoel geeft ver weg te zijn van stedelijk gebied en de daarbij behorende ruimtelijke claims en vragen. Een gevoel dat niet altijd meer past bij de dagelijkse realiteit waar de Gemeente Nuenen zich gesteld ziet voor een toenemend aantal verzoeken voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Deze ontwikkelingen zijn verschillend van aard en variëren daarbij sterk in schaal, maat en karakter. Belangrijke vraagpunten zijn o.a. de situering van zogenoemde zonneweides, windturbines, bouwprojecten binnen de ‘Ruimte voor ruimte regeling’ en diverse projecten en initiatieven van recreatieve aard. De situering in het landschap van al deze projecten vraagt om een inpassing die recht doet aan het karakter en de sfeer van de desbetreffende locatie. Om op al deze inpassingsvraagstukken een goed antwoord te formuleren heeft de gemeente Nuenen in de afgelopen jaren inmiddels al een groot aantal plannen opgesteld dan wel op laten stellen waaronder de ‘Structuurvisie Nuenen’ (2009, bijgesteld 2015), de intergemeentelijke structuurvisie ‘Rijk van Dommel en Aa’ (2011) en het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Nuenen’(2018).

In de Landschapsstudie Buitengebied Nuenen 2020 wordt een gedetailleerde kwalitatieve beschrijving van het landschap gegeven. Deze kwalitatieve analyse vormt de basis voor een ‘toolbox’. Deze gereedschapskist vol landschappelijke inrichtingselementen, die in vorm variëren per landschappelijke eenheid, is een inspiratiebron om met verschillende inrichtingselementen te bouwen aan een nieuw en eigentijds ruimtelijk frame. Op basis van de geomorfologie, bodem en ontwikkelingsgeschiedenis zijn er op dit moment vier eenheden in het Nuenens landschap te herkennen. Deze

eenheden

zijn:

het

beekdallandschap

van

Kleine

Dommel

en

Dommel,

het

broekontginningslandschap van Hooidonksche Beek en Prinsche Wetering, het kampen- en hoevenlandschap (oude ontginningen) en het heideontginningslandschap (jonge ontginningen). Het plangebied is gelegen in een markant cultuurlandschap (kampen- en hoevelandschap). Voor dit landschapsbeeld is toolbox 3 van toepassing.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Plangebied

Figuur 16: Landschapsbeelden

Een belangrijk doel van de landschapsvisie is om aanvullend aan eerder opgestelde beleidsstukken een adequaat antwoord te kunnen geven op actuele inpassingsvragen. Deze vragen kunnen op basis van de karakteristiek van de ingreep en de te verwachten impact op de omgeving ingedeeld worden in drie categorieën: relatief kleinschalig met ruraal karakter, relatief grootschalig met overwegend ruraal karakter en relatief grootschalig met industrieel karakter. Onderhavige ontwikkeling betreft een categorie 1 ontwikkeling. In het inpassingsplan dat tot dit bestemmingsplan

behoort

is

nader

uitgewerkt hoe

invulling wordt gegeven aan de

landschappelijke inpassing van het plangebied.

4.3.5 Bouwen in het buitengebied van Nuenen De gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten heeft de afgelopen jaren veel verzoeken voor ontwikkelingen in het buitengebied gekregen. De druk op het buitengebied neemt overal toe maar de meeste druk vindt plaats in de bebouwingsconcentraties in het buitengebied en dan met name direct rondom de kernen. Ruimte voor Ruimte-ontwikkelingen zijn hier in het verleden op verschillende plekken al toegestaan en de aanvragen hiervoor komen nog steeds binnen. Hierdoor dreigt het gebied rondom de kernen en in de bebouwingsclusters steeds verder te verdichten. Dit gaat ten koste van de kwaliteit van deze bebouwingsconcentraties en dus ten koste van de kwaliteit van het landschap. Om die reden heeft de gemeente de visie Bouwen in het buitengebied van Nuenen laten opstellen, een eenduidige visie voor alle bebouwingsconcentraties die voor zowel de gemeente als burgers duidelijk maakt wat het wensbeeld is waarop gestuurd kan worden.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Onderhavig initiatief is gelegen binnen bebouwingsconcentratie ‘Hool’. In het document ‘Bouwen in

het

buitengebied

van

Nuenen’

is

op

basis

van

landschappelijke,

ruimtelijke

en

cultuurhistorische analyses geoordeeld dat op de locatie waar nu een ‘Ruimte voor Ruimtewoning’ wordt beoogd, inderdaad een woning kan worden gebouwd. Er is sprake van een open ruimte (‘venster’) tussen de bestaande bebouwing naast de weg waar een woning mag worden gerealiseerd, mits het doorzicht vanaf de weg en tussen de bestaande en nieuwe bebouwing naar het achterliggende landschap, behouden blijft. Genoemde uitgangspunten zijn verbeeld op onderstaande afbeelding uit het document ‘Bouwen in het buitengebied van Nuenen’. Op deze afbeelding is tevens de locatie van de beoogde, nieuwe woning weergegeven. Er blijft voldoende zicht gewaarborgd (ca 32 meter).

Figuur 17: Uitsnede visiekaart (Nieuwe ontwikkeling indicatief aangegeven)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 5.1 M.e.r.-beoordeling 5.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r.

staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

5.1.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte woning binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld wanneer dat de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. De beoogde herbestemming van het plangebied valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarop de drempelwaarden genoemd in de D-lijst. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

In de ‘Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt eveneens opgemerkt dat bij de regeling ‘Ruimte voor Ruimte’ geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, omdat aan de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning sloop van bebouwing is voorafgegaan (een rood voor groen regeling). In samenhang wordt het agrarisch bouwvlak verkleind. Geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling komt in zijn geheel niet voor op de c- of d lijst.

5.2 Water 5.2.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5.2.2 Relevant beleid 5.2.2.1

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambitie van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil de Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moet veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Waterschap de Dommel heeft de ambities uiteengezet in drie principes. De principes geven nadere betekenis aan de ambitie in het beheergebied van Waterschap De Dommel. Hieronder zijn de principes benoemd. 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. In landbouw, natuur en stedelijk gebied wordt al het water dat valt geïnfiltreerd in de bodem. Er dient ruimte te worden gemaakt voor het opslaan van water, zodat dit in droge tijden gebruikt kan worden. Waar infiltratie niet kan (kwelgebieden) is ruimte gemaakt om water maximaal vast te houden en vertraagd af te voeren. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Gebruik van bodem en water is toegestaan als dat past binnen de natuurlijke condities van het bodem- en watersysteem.

Het waterschap ziet woningbouw graag in hoger legen gebieden en niet naast een beek. Het oppompen van water uit de bodem voor gebruik in huishoudens, industrie of de landbouw moet in balans zijn met de aanvulling van dit diepe en ondiepe grondwater. 3. Wat schoon is moet schoon blijven. Iedereen geeft het water minstens zo schoon af als ze het hebben ontvangen. Nu wordt het regenwater nog op veel plekken vermengd met vuil rioolwater, het is beter als schoon en vuil water wordt gescheiden, zodat schoon regenwater kan worden toegevoegd aan het watersysteem. Op deze manier kan men een watersysteem maken dat klaar is voor de toekomst. Het waterbeheerprogramma geldt voor zes jaar. Aan het einde van deze zes jaar moeten de eerste stappen gezet zijn in de watertransitie. De stappen zijn onderverdeeld in drie doelen. Hierna zijn deze opgesomd: 1. Droge voeten: in de stad en openbare ruimte wordt bebouwing aangepast naar het veranderende klimaat. In plaats van water afvoeren, moet water worden vastgehouden. 2. Schoon

water:

Het

waterschap

en

zijn

gebiedspartners

handelen

vanuit

de

grondgedachte dat water dat schoon is, ook schoon blijft. Het relatieve schone hemelwater wordt niet meer afgevoerd via de afvalwaterketen. Daarnaast zijn we in staat het effluent van onze zuiveringen zo schoon te maken dat het als alternatieve bron voor grondwatergebruikers of voeding voor onze beken gebruikt kan worden. 3. Voldoende water: We willen in 2050 een toekomstbestendige grondwaterhuishouding. Aanvulling en onttrekking van grondwater zijn in balans en het grondwaterpeil laat een positieve trend zien; het grondwater wordt niet meer uitgeput.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5.2.2.2 Keur 2015 Waterschap De Dommel beheert het grond- en oppervlaktewater (zoals rivieren en beken) en waterkeringen met bijbehorende kunstwerken (bijvoorbeeld stuwen en gemalen). Om het gronden oppervlaktewater en de waterkeringen goed te kunnen beheren en beschermen zijn er regels nodig, vastgelegd in een verordening, de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’. In de Keur staan algemeen geformuleerde geboden en verboden. Naast deze geboden en verboden is er een groot aantal algemene regels opgesteld. Daarnaast zijn in veel gevallen activiteiten in en rondom kleine waterlopen helemaal vrijgesteld van regels.

Uitsnede Keur 2015 beschermde gebieden met het plangebied aangeduid

Het plangebied is niet gelegen in een beschermd keurgebied. Ten westen van het plangebied ligt een A-watergang. De ontwikkeling binnen het plangebied is hierop niet van invloed. 5.2.2.3

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. De voorkeur gaat echter uit naar de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van één vrijstaande woning waarbij voorzien wordt in circa 400 m² nieuw verhard oppervlak, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouwen en erfverharding.

5.2.2.4 Gemeentelijk Rioleringsplan Nuenen 2019-2023 De Wet milieubeheer (Wm) verplicht gemeenten een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) op te stellen. Het vGRP 2019–2023 is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft, met daarop volgend een doorkijk (visie) voor de langere termijn. Naast beleidsdoelstellingen en -kaders legt de gemeente in dit document vast hoe zij zorg draagt voor behoud en verbetering van de riolering in brede zin. Verder zijn in het vGRP kosten en risico’s weergegeven. Gestreefd dient te worden naar duurzame oplossingen en technieken wat betreft hemelwaterinfiltratie binnen het plangebied. De trits ‘vasthouden - bergen – afvoeren’ heeft hierbij de voorkeur. Het hemelwater en het afvalwater van de woning dient in elk geval gescheiden te worden ingezameld. De toename van het verhard oppervlak bedraagt circa 400 m². Op basis van de bergingsnorm van de gemeente Nuenen dient bij de bouwaanvraag voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd te worden. Gelet op de omvang van het kavel vormt dat geen probleem. Voorgesteld wordt het water te infiltreren in een infiltratielaagte of greppels. Rekening dient gehouden te worden met circa 24 m³ (400 m² x 0,06 m³ = 24 m³). Een voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de planregels.

5.2.3 Waterparagraaf 5.2.3.1

Bodemgebruik en grondwaterstand

De bodem ter plaatse van het plangebied betreft grotendeels hoge zwarte enkeerdgronden en bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand (bodemtype zEZ21). De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de nieuwe woning bedraagt tussen de 60-80 centimeter beneden maaiveld.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Woningbouwlocatie

Figuur 18: GHG ter plaatse van het plangebied

5.2.3.2

Hydrologisch neutraal bouwen

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Ter plaatse van het plangebied kan gebruik worden gemaakt van het afvoeren van het hemelwater naar een laagte op het eigen perceel (wadi). Andere mogelijkheden voor infiltreren van hemelwater zijn het opvangen in infiltratiekratten of grindkoffers, mits de grondwaterstand dit toelaat. Voorbeelden van manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.

Figuur 20: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden

Infiltratievoorzieningen dienen altijd plaats

te vinden boven de Gemiddelde Hoogste

Grondwaterstand (GHG). Bovengrondse voorzieningen zijn minder foutgevoelig en goedkoper.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5.2.4 Afvalwater De nieuwe woning wordt aangesloten op de bestaande riolering aan Hool. Indien het riool dient te worden aangepast worden de kosten hiervoor doorgelegd aan de initiatiefnemer. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Nuenen.

5.2.5 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.3 Flora en fauna 5.3.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.3.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Natuur Netwerk Brabant is onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich gemakkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aantal planten en dieren) bevorderd. Het meest dicht bij het plangebied gelegen vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en is gelegen op een afstand van ruim 8 kilometer tot het plangebied. Door de ligging op dermate grote afstand, kan de beoogde herontwikkeling ter plaatse van de planlocatie geen invloed hebben op de aanwezige Natura 2000-gebieden in de omgeving. In de nabijheid zijn ook geen gebieden aanwezen als NNB.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met Aerius – Calculator is de consequentie van de ontwikkeling op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. Een Aeriusberekening is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Met het planologisch verkleinen van het agrarisch bouwvlak is er geen sprake van stikstofdepositie.

5.3.3 Soortenbescherming 5.3.3.1

Inleiding

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van plantenen diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. 5.3.3.2

Beoordeling plangebied

Het perceel waar de woning wordt voorzien is tot heden in gebruik als cultuurgrond. De grond wordt intensief bewerkt. De afgelopen twee jaren is er snijmais verbouwd. Navolgende figuur geeft een overzicht van de woningbouwlocatie d.d. mei 2023.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Figuur 19: Beoogde Ruimte voor Ruimte locatie

Met de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt. Er wordt geen beplanting gerooid of water gedempt. Verwacht wordt dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen de planlocatie. Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen

wordt

geen

standaardperiode

gehanteerd

in

het

kader

van

de

Wet

natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Werkzaamheden dienen dan ook plaats te vinden buiten het broedseizoen. Met de beoogde herontwikkeling dienen te allen tijde de voorzorgsmaatregelen in acht te worden genomen. Door het landschappelijk inpassen van het plangebied worden de foerageer mogelijkheden voor diverse faunasoorten versterkt. De beoogde ontwikkeling is geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.4 Archeologie en cultuurhistorie 5.4.1 Beleidskader Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden.

5.4.2 Gemeentelijk archeologiebeleid 5.4.2.1 Inleiding De gemeente Nuenen heeft een beleidskaart ten behoeve van het behoud van archeologische waarden opgesteld. Navolgende figuur geeft een uitsnede van deze kaart voor de omgeving weer waarop het plangebied indicatief met een zwarte cirkel is aangeduid.

Figuur 201: Uitsnede archeologie beleidskaart gemeente Nuenen ter hoogte van het plangebied (indicatief met een zwarte cirkel aangeduid)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Het plangebied is op de Archeologische beleidskaart aangeduid als deels ‘Categorie 4a’ en deels ‘Categorie 3b’. het gaat om gebieden met respectievelijk een hoge- en middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het bouwplan is zodanig dat de werkzaamheden geheel binnen gronden valt waar de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 4a middelhoge archeologische waarde’ vigeert. De verstoringsgrens

van

2.500

m²

wordt

niet

overschreden.

Niettemin

provincie

de

blijven

de

dubbelbestemmingen van toepassing.

5.5 Cultuurhistorie 5.5.1 Regio Op

de

Cultuurhistorische

Waardenkaart

van

de

zijn

cultuurhistorische

(landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is gelegen in het gebied dat is aangeduid als ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap.

Ook is een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige

kleinschaligheid

verleent

dit

het

gebied

een

grote

landschappelijke

en

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Dragende structuren in de regio zijn:

-

De

oude

agrarische

cultuurlandschappen

met

akkercomplexen,

beemden,

broekgebieden.

-

De dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen; De woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen; De kastelen, kloosters, landgoederen en buitenplaatsen; De populieren.

Ontwikkelingsstrategie: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. 2. De cultuurhistorische waarden van de Meierij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Loonse en Drunense Duinen”, “Dekzandrug Tilburg-Den Bosch” en “Dommeldal Nuenen-Gestel”.

5.5.2 Cultuurhistorisch vlak Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart is het plangebied eveneens gelegen in het Broekgebied tussen Breugel en Nuenen. Het broekgebied tussen Breugel en Nuenen is een kleinschalig landschap met graslanden, broekbossen en geïsoleerde oude akkers. Het gebied bestaat uit laaggelegen broekgebieden met graslanden en loofbossen, geflankeerd door hogere gronden met kleine oude akkercomplexen. De graslanden hebben een kleinschalige strookvormige percelering. Sommige percelen hebben perceelrandbegroeiing in de vorm van houtsingels of boomrijen. Veel perceelsscheidingen worden nog gemarkeerd door greppels en (resten van) houtsingels. In het gebied liggen veel zandpaden. Door de broekgebieden lopen de Breugelsche Beek en de Hooidonksche Beek. De percelering kan deels nog dateren uit de periode 1250-1500, toen delen van het gebied werden ontgonnen vanuit enkele verspreid gelegen hoeven. In het gebied staan verschillende oude (langgevel)boerderijen. In de broekbossen zijn

percelen met populieren op rabatten,

aangelegd in de jaren '30 van de vorige eeuw. Hier en daar zijn restanten van hakhout. Bij de aanleg van het Wilhelminakanaal (1910-1923) is het gebied doorsneden. De waarden en kenmerken worden gevormd door:

-

de

samenhang

van

de

oude

akkercomplexen

met

de

percelering

en

de

landschapselementen in het beekdal;

-

De historische boerderijen; De kleinschalige strookvormige percelering; De kleine akkercomplexen met bolle ligging en het esdek; De broekbossen;

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

-

De bossen op rabatten; De populierenbossen; De zandpaden.

Volgens de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart is Hool aangemerkt als historische geografische lijn van redelijk hoge waarde. De beoogde ontwikkeling is dermate kleinschalig dat deze geen invloed zal hebben op voorgenoemde cultuurhistorische waarden.

5.5.3 Team Ruimtelijke Kwaliteit Het Team Ruimtelijke Kwaliteit (TRK) is een onafhankelijk adviesorgaan van de gemeente Nuenen. Zij adviseert het college van burgemeester en wethouders op het gebied van landschap, stedenbouw en architectuur. Het TRK speelt een belangrijke rol in het streven van de gemeente om de ruimtelijke inrichting van Nuenen naar een hoger niveau te tillen. Het TRK geeft adviezen ten aanzien van de nieuwe bouw- en inrichtingsplannen. Deze adviezen zijn zorgvuldig opgebouwd met als doel om samen tot een goed ontwerp te komen. Het TRK bestaat uit drie inhoudelijke specialisten, de dorpsbouwmeester, een onafhankelijke voorzitter en een ambtelijk secretaris. De leden hebben ieder een eigen expertise en kijken vanuit hun verschillende disciplines naar nieuwe bouw- en inrichtingsplannen. Deze plannen worden door bijvoorbeeld ontwikkelaars of particuliere initiatiefnemers ter goedkeuring aan de gemeente voorgelegd. Leden van het TRK worden voor de duur van vijf jaar benoemd. Op dit moment bestaat het TRK uit zes leden

met

respectievelijk

landschapsdeskundige,

de

functies

voorzitter,

architect/dorpsbouwmeester

en

architect, ambtelijk

stedenbouwkundige,

secretaris.

Het

Team

Ruimtelijke Kwaliteit is betrokken geweest bij de totstandkoming van onderhavig plan en heeft het beeldkwaliteitplan beoordeeld op diverse disciplines zoals stedenbouw, architectuur en landschapsontwikkeling. De nieuw toe te voegen woning wordt met respect voor het bestaande landschap vormgegeven. Een nader onderbouwing hiervan is opgenomen in paragraaf 3.3.

5.6 Bedrijven en milieuzonering De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een rustig buitengebied is een buitengebied dat is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Naast woningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven) voor. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het plangebied is gelegen aan een rustige weg in het buitengebied. Derhalve wordt de omgeving getypeerd als ‘rustig buitengebied’. Behoudens een recreatieve functie en een agrarisch bedrijf komen er in de omgeving van het plangebied enkel woonfuncties voor. In de omgeving dient met bovengenoemde functies (recreatie en het agrarisch bedrijf) rekening te worden gehouden.

Op een afstand van ruimschoots 100 meter ten zuiden van de bouwlocatie is een logiesfunctie gelegen. Ter plaatse zijn tevens vergaderfaciliteiten toegestaan. Een dergelijke functie valt in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Binnen het plangebied is sprake van een (melk)rundveebedrijf. Op grond van de VNG-brochure valt een dergelijke functie in 3.2. Voor de factoren ‘stof’ en ‘geluid’ geldt een richtafstand van 30 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. De woning wordt op ten minste 50 meter van het agrarisch bedrijf gebouwd. Dat is zeker gesteld omdat het bouwvlak van de woning op 50 meter is geplaatst. Het aspect ‘geur’ wordt behandeld in de volgende paragraaf. Er geldt een vaste afstand van 50 meter en daaraan wordt voldaan. Er is een aanduiding opgenomen welke regelt dat er enkel dieren kunnen worden gehouden op een afstand van ten minste 50 meter tot het bouwvlak van de Ruimte voor Ruimte woning. Dit is zeker gesteld doormiddel van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. Het agrarisch bouwvlak wordt begrenst, waarvoor de woning wordt opgericht op een afstand van ten minst 50 meter tot het agrarisch bouwvlak. Enkel aan de straatzijde wordt deze afstand niet gehaald, maar op dit gedeelte staat de bedrijfswoning.

De afstand tot dierverblijven, bedrijfsgebouwen en mestopslag bedraagt ten minste 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden voor een agrarisch bedrijf voor de factoren geur, stof, geluid en gevaar. Op navolgende figuur is de betreffende afstand inzichtelijk gemaakt.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Figuur 21: Afstand bouwvlak tot veehouderij 50 meter

Binnen een afstand van 400 meter zijn geen andere bedrijven gelegen, die in het kader van bedrijven en milieuzonering van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling.

5.7 Geurhinder 5.7.1 Inleiding De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. De gemeente Nuenen heeft geen afwijkende geurnormen vastgesteld. Voor dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld gelden vaste afstanden. Voor het buitengebied geldt dat er sprake is van een vaste afstand van 50 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Voor plannen in de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 100 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5.7.2 Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied is slechts één veehouderijbedrijf gelegen, te weten Hool 1. Op de veehouderij zijn navolgende dieraantallen vergund:

5.7.3 Achtergrondbelasting Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de bepaling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied dient de achtergrondbelasting bepaald te worden. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. Op navolgende kaart is de indicatieve achtergrondbelasting in kaart gebracht. Daarbij dient in acht te worden genomen dat het emissiepunt voor vleesvee aan Hool 1 wat verschoven lijkt op kaart. Dit zal echter geen uitwerking hebben op de conclusie dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Woningbouwkavel

Figuur 22: Achtergrondbelasting (ODZOB juni 2023)

Ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte kavel is op basis van bovenstaande figuur een sprake achtergrondbelasting van maximaal 3 oue/m³. Het is echter voorstelbaar dat ter plaatse van de beoogde woningbouwlocatie sprake is van een achtergrondbelasting van 3 oue/m³ en 7 oue/m³. Daarmee is sprake van een ‘goed’ tot ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Beoogde herontwikkeling is in het kader van de achtergrondbelasting derhalve geen bezwaar.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

5.7.4 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan van díe individuele veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelige object gelegen is. Gelet op de achtergrondbelasting (0-7 oue/m³) wordt het niet zinvol geacht een berekening voor de voorgrondbelasting uit te voeren. In elk geval mag worden geconcludeerd dat er tevens sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. Voor de Ruimte voor Ruimte woning geldt eveneens een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van het bedrijf Hool 1. Hieraan wordt voldaan. Het bouwvlak van het veehouderij bedrijf ligt op ten minste 50 meter van de Ruimte voor Ruimte woning.

5.7.5 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De

ontwikkeling

van

de

Ruimte

voor

Ruimte

woning

mag

de

toekomstige

ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. In onderhavig plan maakt de enige veehouderij in de omgeving deel uit van de herontwikkeling. Het agrarisch bouwvlak wordt zodanig herschikt dat de toe te voegen woning op een afstand ligt van ten minste 50 meter van de veehouderij-activiteiten. In de weide omgeving liggen geen andere agrarische bedrijven.

5.8 Gezondheid in relatie tot de veehouderij 5.8.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.

5.8.2 Toets van de ontwikkeling aan de handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen varkens- of pluimveehouderijen gesitueerd. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: −

5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden;

−

10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden;

−

100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object.

Er wordt voldaan aan de vaste afstand in het kader van de Wgv. Zoals aangegeven wordt voldaan aan stap 3. Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: •

Varkens en pluimvee;

•

Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);

•

Kleine herkauwers onderling.

In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 kilometer bevinden zich geen geitenhouderijen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich eveneens geen varkens- of pluimveehouderijen. Er wordt voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.

5.9 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij De Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) is een instrument dat stuurt en stimuleert dat een veehouderij zorgvuldig is en daarmee goed past in haar omgeving. De BZV is gebaseerd op de denklijn dat ontwikkelruimte verdiend moet worden, maar niet onbegrensd is. De BZV is een objectieve maat voor zorgvuldigheid. De veehouder heeft de keuzevrijheid om zijn pakket van verbeteringen zelf samen te stellen. Dit pakket maakt de veehouderij zorgvuldiger dan de wettelijke minimumeisen. De BZV is een uitwerking van de regels van de Interim omgevingsverordening. Een veehouder moet een voldoende BZV-score hebben op het moment

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

dat hij zijn bedrijf wil uitbreiden. Dit planvoornemen ziet niet toe op uitbreiding van de veehouderij maar juist op (per saldo) een verkleining van het bouwvlak.

5.10 Gewasbeschermingsmiddelen Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Een kleinere afstand is mogelijk mits dat goed onderbouwd wordt. De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor fruitbomen, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten, zoals bijvoorbeeld bij aardbeien, maar ook zij- en opwaarts. Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt meer drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s.

Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De gronden rondom het agrarische bouwvlak zijn eveneens niet in gebruik voor (boom)teelt. Wel zijn de naast- en achtergelegen gronden in gebruik als cultuurgrond. De nieuw te realiseren woning wordt opgericht te midden van bestaande woningen. Op de verbeelding is een contour van 50 meter rondom de Ruimte voor Ruimte woning de aanduiding ‘overige zone - gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten’ opgenomen. Binnen deze zone wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als strijdig aangemerkt. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Geluid Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Ter plaatse van het plangebied kent de weg een lage verkeersintensiteit. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de geluidkaart van Nederland, ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is hierbij aangewezen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Woningbouwkavel

Figuur 23: Geluid van wegverkeer in Nederland (Lden) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De geluidbelasting op deze kaart wordt uitgedrukt in Lden (Lday-evening-night), de maat voor de gemiddelde geluidbelasting over een etmaal. Deze kaart geeft een ruwe indicatie van de geluidkwaliteit en daarmee een goed beeld van de geluidkwaliteit van aandachtsgebieden zoals woonkernen, natuur- en stiltegebieden. Ter plaatse is sprake van een geluidniveau van <45 dB. De maximaal te ontheffen geluidsbelasting in het buitenstedelijk gebied (53 dB) wordt niet overschreden. Het is eveneens af te lezen dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Gesteld kan dan ook worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen bezwaar is voor de beoogde herontwikkeling.

5.12 Luchtkwaliteit 5.12.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet implementeert de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de vier dochterrichtlijnen. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in het jaar 2015 voldaan wordt aan de Europese eisen en zodat huidige belemmeringen verdwijnen. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer

in

een

gebiedsgerichte

aanpak

van

de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Aangezien het plan de bouw van slechts één nieuwe woning mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘Niet in betekenende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet Luchtkwaliteit.

5.12.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied (aangeduid met een zwarte cirkel) en directe omgeving weer.

Figuur 24: Fijnstof 2020 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Figuur 25: Fijnstof 2020 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

5.13 Bodemkwaliteit 5.13.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Ten behoeve van realisatie van de woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Resultaten NEN5740 Uit het onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) marginaal verontreinigd is met cadmium. De grond uit de onderlaag (0,8-1,5 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, tetrachlooretheen, vinylchloride en 1,2-dichloorethenen (som). De hypothese niet-verdachte locatie kan voor de boven- en ondergrond worden aangenomen en dient voor het grondwater te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat er ons inziens, op basis van de onderzoeksresultaten,

geen

restricties

gesteld

hoeven

te

worden

aan

de

beoogde

bestemmingswijziging en de beoogde bouwactiviteiten op de onderzochte locatie.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Er zijn geen belemmeringen vanwege de bodemkwaliteit.

5.14 Externe veiligheid 5.14.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: -

Bedrijven;

-

Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water en via buisleidingen);

-

Hoogspanningslijnen.

5.14.2 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid met daarop het plangebied aangeduid.

Figuur 27: Uitsnede risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

In de weide omgeving van het plangebied vinden zich geen risico-objecten. Dit aspect vormt derhalve geen bezwaar.

5.14.3 Transport 5.14.3.1 Vervoer over het spoor In de omgeving van het plangebied is geen spoortracé gelegen. De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde spoortracé bedraagt circa 4.000 meter. Interactie kan normaliter dan ook niet plaatsvinden. 5.14.3.2 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de autosnelweg A270. Het plangebied ligt op een zodanige afstand, circa 3.000 meter, van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. 5.14.3.3 Vervoer over het water Transport over water kan binnen de gemeente Nuenen alleen plaatsvinden over het Wilhelminakanaal, noordelijk van het plangebied. Het plangebied ligt op een zodanige afstand, circa 2.200 meter, van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. 5.14.3.4 Vervoer via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Er kan dus ook geen interactie plaatsvinden. 5.14.3.5 Hoogspanningslijnen In

de

nabijheid

van

het

plangebied

bevinden

zich

geen

hoogspanningslijnen.

De

hoogspanningslijnen vormen derhalve geen bezwaar voor onderhavig plan.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

57

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Hool 1 en ong. - Toelichting

6.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2 Algemene toelichting verbeelding De

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13994150/1