CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Herziening Buitengebied Papenvoortse Heide 3 - Toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Herziening Buitengebied Papenvoortse Heide 315.473 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast geldt, gelet op het aantal dieren op de locatie, tevens een aan te houden afstand van 50 meter tussen de gevel van het geurgevoelig object en het meest nabijgelegen emissiepunt. De afstand tussen de beoogde woonbestemming binnen het plangebied en het bestemmingsvlak ten behoeve van de paardenhouderij bedraagt 117 meter. Hierdoor wordt zowel ruimschoots voldaan aan de aan te houden vaste afstand van 25 meter van gevel tot gevel als de vaste afstand van 50 meter tussen de gevel van de nieuwe woningen tot het meest nabijgelegen emissiepunt van de paardenhouderij. Ten aanzien van de vaste afstanden zoals opgenomen in de geurverordening van de gemeente, vormt deze ontwikkeling geen belemmering. Vervolgens dient er te worden gekeken naar de geurbelasting binnen het plangebied. De Omgevingsdienst Noordoost Brabant (ODZOB) heeft een actuele geurkaart

28

(achtergrondbelasting) opgesteld voor de gehele provincie Noord-Brabant. Om te bepalen of een aanvaardbare situatie kan worden gegarandeerd is de geurkaart van de ODZOB geraadpleegd. Uit de geurkaart blijkt dat de geurbelasting binnen het plangebied in de huidige situatie tussen de 3 en 35 ouE/m3 bedraagt (figuur 11). Dit betekent dat de beoordeling van de kwaliteit binnen het plangebied verschilt van een ‘goed’ tot ‘slecht’ leefklimaat. Deze geurbelasting, zoals opgenomen in de geurkaart, is afkomstig van de eigen varkenshouderij. In de nabije omgeving zijn namelijk geen andere veehouderijen met geuruitstoot gevestigd. Wel beschikt de locatie aan Papenvoortse Heide 3a over een veehouderijbestemming, maar is er in werkelijke zin geen veehouderij dan wel vergunning voor een veehouderij aanwezig. Er is dan ook geen sprake van geuruitstoot afkomstig van deze locatie welke een belemmering kan vormen met betrekking tot de geursituatie. Door het verdwijnen van de varkenshouderij op het eigen perceel, verdwijnt tevens de geuruitstoot. Dit betekent dat er geen veehouderijen in de directe omgeving meer aanwezig zijn welke zorgen voor geurbelasting. De geursituatie binnen het plangebied en de omgeving zal door de ontwikkeling dan ook aanzienlijk verbeteren.

Hierdoor kan worden uitgegaan dat het woon- en leefklimaat op het gebied van geur ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

Figuur 92 Geurkaart achtergrondbelasting omgeving plangebied

5.1.5

Geluid (Wet geluidhinder) In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer van industrie-, spoorwegen/of (weg)verkeerslawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan.

29

Met onderhavige ontwikkeling worden in totaal vier nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd. De bestaande bedrijfswoning betreft reeds een geluidgevoelig object. Ten aanzien van de nieuw te realiseren woningen dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Om te bepalen of er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Papenvoortse Heide, Prinsenweier en Tasterschootsedijk.

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de drie wegen onder de voorkeursgrenswaarde ligt, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai zijn er geen restricties voor het planvoornemen. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen wettelijk gezoneerde industrieterreinen in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Voor de toetsing van het aspect geluid in het kader van de richtlijn Bedrijven en milieuzonering, wordt verwezen naar paragraaf 5.1.7. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Dit vormt geen belemmering ten aanzien van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

5.1.6

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide

30

begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.

1

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

31

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.

is

van toename van overschrijding van

het de

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Ten aanzien van de nieuw te realiseren woningen dient te worden gekeken of het aspect externe veiligheid een belemmering vormt. Hiervoor is de Risicokaart geraadpleegd. Uit de Risicokaart (figuur 12) blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Figuur 10 Uitsnede Risicokaart omgeving plangebied

5.1.7

Bedrijven- en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven

32

ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval ligt het plangebied in een gebied waar veel verschillende functies naast elkaar aanwezig zijn. Er is sprake van een bebouwingscluster volgens de ‘Richtlijn voor Ruimte voor ruimte-initiatieven in bebouwingsconcentraties’ waarbij de bedrijvigheid overeenkomt met functies welke normaliter voorkomen in het buitengebied.

Er zijn zowel woonbestemmingen als (agrarische) bedrijvigheid te vinden, waardoor niet kan worden gesproken van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is aangegeven welke functies er in de omgeving zijn te vinden, wat de aan te houden, verkleinde richtafstand is en of kan worden voldaan aan deze afstand. De werkelijke afstand is gebaseerd op de afstand tussen het beoogde woonbestemming en het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf. Adres

Soort bedrijf

Werkelijke afstand 10 meter

Voldaan

Agrarisch loonbedrijf

Richtafstand (verkleind) 30 meter

Papenvoortse Heide 1 /Prinsenweier 9 Papenvoortse Heide 3a Papenvoortse Heide 3b Prinsenweier 4

Veehouderijbedrijf Paardenhouderij Veehouderijbedrijf

Max. 100 meter 30 meter 100 meter

10 meter 117 meter 208 meter

Nee Ja Ja

Nee

Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet kan worden voldaan aan de afstand tot de bedrijfslocaties aan de Papenvoortse Heide 1/Prinsenweier 9 en de Papenvoortse Heide 3a. Hieronder is hier per locatie nader op ingegaan. Papenvoortse Heide 1/Prinsenweier 6 Ten aanzien van het agrarisch loonbedrijf dient per aspect de volgende (verkleinde) afstand te worden aangehouden: - Geur: 10 meter - Stof: 0 meter - Geluid: 30 meter - Gevaar: 10 meter Met een werkelijke afstand van 10 meter tot het bestaande bouwvlak van de bestaande (bedrijfs)woning kan wel worden voldaan aan de richtafstanden ten aanzien van geur, en gevaar, maar niet aan de afstand voor geluid. De Omdat de bestemmingsvlakken

33

‘Wonen’ voor de vier nieuw te realiseren woningen op meer dan 30 meter afstand van het loonbedrijf zijn gelegen, wordt ten aanzien van deze woningen voldaan aan de minimale richtafstanden. In dit geval betreft de meest nabijgelegen woning dus de bestaande bedrijfswoning welke in de huidige situatie reeds een gevoelig object betreft. In de huidige situatie ligt de woning binnen een bouwvlak. Het nieuwe bouwvlak is op dezelfde afstand van het loonbedrijf gelegd als het huidige bouwvlak in het nu geldende bestemmingsplan. Daarnaast is er ook geen verruiming opgenomen in de planologische mogelijkheden voor woninguitbreiding aan de zijde van het loonbedrijf door aldaar de geldende (onbebouwde agrarische) bestemming in stand te houden. Het nieuwe bouwvlak waarbinnen de woning aanwezig is, wordt dus niet op kortere afstand van het loonbedrijf gelegd en er is geen sprake van een toevoeging van planologische mogelijkheden die het loonbedrijf nader beperken. . Daarnaast betreft de bestaande bedrijfswoning reeds een aanwezig geluidgevoelig object voor omliggende bedrijven. Zo dient het agrarisch loonbedrijf in de huidige situatie op het gebied van geluid dan ook al rekening te houden met deze bedrijfswoning en de daartoe geldende voorschriften uit het Activiteitenbesluit Wet Milieubeheer.

Er ontstaat derhalve in planologisch en milieutechnisch opzicht geen verruiming van mogelijkheden die leiden tot een nadere beperking van de bedrijfsmogelijkheden voor het agrarisch loonbedrijf op het gebied van geluid. Het voorgaande is (blijkens de bestemmingswijziging van het aangrenzende noordoostelijke deel van het bedrijfsperceel van het loonbedrijf die tussen 2010 en 2018 heeft plaatsgevonden) in planologisch en milieutechnisch opzicht ook al in een eerder stadium afgewogen. Was het betreffende bedrijfsperceel in 2010 nog bestemd tot ‘agarisch onbebouwd gebied met landschappelijke waarden’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, sinds 2018 is dit bedrijfsdeel bestemd als ‘Bedrijf (agrarisch loonbedrijf)’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’. Aangenomen kan dan ook worden dat in het kader van deze bestemmingsplanwijziging de toentertijd reeds lang aanwezige bedrijfswoning Papenvoortse Heide 3 als maatgevend milieugevoelig object en daarbij behorende afstand is gehanteerd. De toentertijd beoordeelde milieutchnische en planologische situatie is (en wordt) feitelijk niet gewijzigd, zodat kan worden aangenomen dat er sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande (bedrijfs)woning aan de Papenvoortse Heide 3, alsook het loonbedrijf niet in zijn bedrijfsmogelijkheden wordt beperkt door de voorziene omzetting naar burgerwoning.

Gelet op het geluidsaspect in relatie tot de VNG-richtlijn Bedrijven- en milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen te verwachten.. Voor wat betreft de aspecten ‘geur’ en ‘gevaar’ geldt dat de toe te passen milieuafstand van 10 meter overeenkomstig de VNG-richtlijn worden gehaald. Daarbij kan echter eveneens in overweging worden genomen dat ook deze aspecten in het kader van de toenmalige bestemmingswijziging van het noordoostelijk deel van het aangrenzende bedrijfsperceel van het loonbedrijf zijn overwogen en akkoord zijn bevonden. Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan er (gemotiveerd en onderbouwd) van worden uitgegaan dat er sprake is en blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter 34

plaatse van de om te schakelen bedrijfswoning naar burgerwoning en het naastgelegen loonbedrijf niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsactiviteiten. Papenvoortse Heide 3a Op deze locatie is het planologisch gezien mogelijk om een veehouderijbedrijf te exploiteren. Ten aanzien van veehouderijen is het afhankelijk van de gehouden diersoort welke richtafstand dient te worden aangehouden. In het worstcasescenario dient een richtafstand van 200 meter te worden aangehouden, welke mag worden verkleind tot 100 meter. In de feitelijke situatie is er echter geen vergunning aanwezig om ter plaatse een veehouderij te exploiteren. Ook in de toekomst zal een veehouderij gezien de ligging op korte afstand van de kern niet snel op deze locatie landen. Ten aanzien van deze locatie dient per aspect de volgende (verkleinde) afstand te worden aangehouden: - Geur: 100 meter - Stof: 10 meter - Geluid: 30 meter - Gevaar: 0 meter De werkelijke afstand tussen de beoogde woonbestemming/bouwvlakken en de bedrijfslocatie bedraagt 10 meter. De nieuwe woningen worden in de beoogde situatie feitelijk gezien op een grotere afstand dan 10 meter van de bedrijfslocatie gesitueerd. Deze afstand van 10 meter is geborgd door middel van het bouwvlak en de woonbestemming welke op 10 meter afstand van de perceelsgrens zijn gelegd.

Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstanden op het gebied van stof en gevaar, maar niet op het gebied van geur en geluid. De locatie aan de Papenvoortse Heide 3a is bestemd als veehouderijbedrijf. Echter is de milieuvergunning volledig ingetrokken en is het oprichten van een veehouderij op deze locatie dusdanig ondenkbaar dat er vanuit kan worden gegaan dat er (in de toekomst) geen sprake meer zal zijn op de locatie van een veehouderij. Uit paragraaf 5.1.4 blijkt dan ook dat er op het gebied van geur geen belemmeringen zijn. In het geldende bestemmingsplan bestaat daarnaast de rechtstreekse mogelijkheid om ter plaatse van Papenvoortse Heide 3a (in plaats van een veehouderij) een teeltbedrijf te exploiteren of de gronden voor agrarische doeleinden te gebruiken. Voor deze functies geldt een (grootste) richtafstand van 30 meter welke, zoals eerder aangegeven, mag worden verkleind naar 10 meter. Gelet op de situering van het bouwvlak/woonbestemming op 10 meter afstand tot het bestemmingsvlak van Papenvoortse Heide 3a wordt voldaan aan deze richtafstand indien sprake zou zijn van een teeltbedrijf of gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. Kortom, de bedrijfslocatie aan de Papenvoortse Heide 3a wordt niet in de (rechtstreekse) mogelijkheden beperkt en worden er derhalve geen belemmeringen verwacht.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan er (gemotiveerd en onderbouwd) van worden uitgegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.

35

Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor het gewenste planvoornemen.

5.1.8

Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönosen. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van, zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen.

In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rondveehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken. Op 22 oktober 2018 kwam het eerste deelrapport van VGO III uit: ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen’. Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken.

Totdat vervolgonderzoek is afgerond hanteert de gemeente de werkwijze dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden. In dit geval zijn binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied geen geitenhouderij gelegen. Daarom zijn er geen gezondheidsrisico’s afkomstig van geitenhouderijen te verwachten.

36

Fijnstof en endotoxinen Op 25 november 2016 is de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid uitgebracht. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve is een endotoxine toetsingskader ontwikkeld, dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. Op basis van het endotoxine toetsingskader uit de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid is de ontwikkeling getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijn stof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: dichtstbijzijnde emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3).

Het is van belang dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m 3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxinecontour van 30 EU/m3 eenvoudig bepaald kan worden. Voor het bepalen van de aan te houden afstand zijn de gegevens volgens het KRD (Kernregistratie Dierverblijven) en dus de vergunde situatie aangehouden. Planologisch gezien heeft de locatie aan de Papenvoortse Heide 3a een bestemming waarbinnen een veehouderij mag worden opgericht. Echter blijkt uit de gegevens van het KRD dat op de locatie geen vergunning aanwezig is voor het houden van dieren en is het aannemelijk dat er op deze locatie ook in de toekomst geen nieuwe veehouderij meer wordt gevestigd. Derhalve zijn er in de omgeving van het plangebied geen veehouderijbedrijven in bedrijf welke een belemmering kunnen vormen met betrekking tot het aspect volksgezondheid. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen.

5.1.9

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Op basis van het geldende bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat er geen kabels of leidingen in het plangebied aanwezig zijn die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Op de Netkaart is te zien dat er tevens geen hoogspanningsleidingen door of nabij het plangebied lopen. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling zorgen kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen niet voor een belemmering van de ontwikkeling.

5.1.10

Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen Kenmerken voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten.

37

Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Vaste jurisprudentie geeft aan dat, als er 50 meter wordt gehanteerd voor spuitzones tot gevoelige bestemmingen, dit als voldoende afstand wordt gezien. In onderhavige situatie wordt daar niet aan voldaan. De afstand van het akkerland tot aan de toekomstige woningen bedraagt 14 meter. Uit jurisprudentie volgt ook dat door afscherming er een kleinere afstand kan worden aangehouden dan 50 meter. Tussen het akkerland en de woningen is nu een enkelbestemming bos opgenomen, zonder verplichting om ter plaatse een driftreducerende maatregel (zoals het realiseren van een wintergroene dichte haag) te realiseren. Naar aanleiding van een ingediende zienswijze op het ontwerp-bestemmingsplan, is dit aangepast en is er een verplichting tot het realiseren van een wintergroene dichte haag in de planregels opgenomen, zodat de eventuele drift wordt afgevangen. De haag zal een dusdanige hoogte en breedte hebben dat eventuele drift van gewassen (ook fruitbomen) zal worden afgevangen. De haag wordt minimaal 1,5 m breed en 2 m hoog. Bij de eventuele wijziging van het gebruik van de agrarische percelen naar fruitteelt, zal de haag doorgroeien om een marge van 1 m in hoogte te waarborgen.

Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting dat er een dichte (wintergroene) haag in de bestemming “Bos” en aansluitend aan het akkerland moeten komen en in stand moet worden gehouden, kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Zie hiervoor ook ECLI:NL:RVS:2022:3160. Overigens wordt een omschakeling van grasland (het huidige gebruik) naar een andere agrarische functie niet voor de hand liggend geacht, omdat aan de oostzijde van de landbouwgronden al percelen met woningen en tuin (de Tweerijten) liggen op een afstand kleiner dan 50 meter. Bij een omschakeling moet de agrariër rekening houden met het woon- en leefklimaat van deze bestaande woningen. Het gevolg hiervan is dat bij omschakeling een deel van het akkerland niet gebruikt kan worden voor de nieuw gewenste teelt. Tevens is. per 1 september 2017, in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland. Bij de toetsing ten aanzien van dit aspect is uitgegaan van de huidige/feitelijke situatie en planologische mogelijkheden voor de aangrenzende gronden.

Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast zijn er in de nabijheid van het achterliggende grasland veel bestaande burgerwoningen aanwezig. Het grasland ligt namelijk tussen het plangebied en de kern, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woningen terecht komt. Daarnaast wordt er tussen de nieuwe woonpercelen en de aangrenzende gronden een bossingel van ten minste 12,5 meter aangeplant. Dit is een verplichting welke is geborgd in de planregels behorende bij het bestemmingsplan. Een bossingel met een dergelijke 38

breedte zal, indien al van toepassing, dienen als buffer waardoor eventueel vrijkomende drift dusdanig wordt afgezwakt dat deze niet tot aan de woonpercelen zal reiken. De woningen worden tevens niet direct aangrenzend aan de rand van de bossingel gesitueerd, wat de afstand tot de aangrenzende agrarische gronden nog groter maakt. Belemmeringen worden derhalve niet verwacht. Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan. Gezien de ingediende zienswijze op dit punt is desondanks overwogen om de verplichting tot het realiseren van een (winter)groene haag van ten minste 1,5 meter breed en 2 meter hoog op te nemen.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en werden waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan gedacht worden aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen ten aanzien van droogte en extreme regenbuien. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

5.2.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, de Keur Waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Met de inwerkingtreding van onder andere de ‘Keur Waterschap De Dommel’ met bijbehorende algemene regels per 1 maart 2015 zijn tevens de hydrologische uitgangspunten voor het afvoeren van hemelwater van Waterschap De Dommel in werking getreden. Keur

39

Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. De voorkeur gaat echter uit naar de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van vier nieuwe woningen binnen het plangebied. Ter plaatse wordt derhalve voorzien in meer dan 500 m² nieuw verhard oppervlak bestaande uit woningen met bijbehorende bijgebouwen en erfverharding. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015’ geldt voor ontwikkelingen met een toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² waarbij compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.

Gemeentelijk Rioleringsplan Nuenen 2019-2023 De Wet milieubeheer (Wm) verplicht gemeenten een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) op te stellen. Het vGRP 2019–2023 is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft, met daarop volgend een doorkijk (visie) voor de langere termijn. Naast beleidsdoelstellingen en kaders legt de gemeente in dit document vast hoe zij zorg draag voor behoud en verbetering van de riolering in brede zin. Verder zijn in het vGRP kosten en risico’s weergegeven. Gestreefd dient te worden naar duurzame oplossingen en technieken wat betreft hemelwaterinfiltratie binnen het plangebied. De trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ heeft hierbij de voorkeur. Het hemelwater en het afvalwater van de woningen dient in elk geval gescheiden te worden ingezameld. Op basis van de bergingsnorm van de gemeente Nuenen dient bij de bouwaanvraag voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd te worden.

5.2.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie In de beoogde situatie wordt een groot deel van de huidige bedrijfsbebouwing en daarbij behorende verharding gesloopt en verwijderd. Daarvoor in de plaats worden woningen gerealiseerd en de benodigde erfverharding aangelegd. De oppervlakte aan verharding neemt als gevolg van onderhavige ontwikkeling af. Hierdoor heeft hemelwater meer ruimte om direct in de grond te infiltreren. Dit betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen, er geen maatregelen noodzakelijk zijn. De beoogde bebouwing wordt, evenals voor de bestaande bebouwing in de huidige situatie gebeurt, op de bestaande riolering worden aangesloten. Dit geldt tevens voor

40

de te behouden woning De afwatering en infiltratie van hemelwater vindt plaats op de naastgelegen kruidenrijke berm.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen natuurgebied behorende bij Natura 2000 is de Strabrechtse Heide & Beuven. Dit natuurgebied is op een afstand van ruim 6 kilometer van het plangebied gelegen. Zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase kan sprake zijn van stikstofuitstoot. De aanlegfase heeft onder andere betrekking op het slopen van de stallen en het bouwen van de woningen en de gebruiksfase heeft in dit geval betrekking op het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het gebruik van de woningen. Met de AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een project en/of ruimtelijke ontwikkeling in beeld worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), voor wat betreft het onderdeel stikstof. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit de berekening weergegeven. De berekening met bijbehorende onderbouwing is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Aan de hand van de berekening wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden.

Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

41

Natuur Netwerk Brabant Ten aanzien van het Natuur Netwerk Brabant is een effectanalyse uitgevoerd. Deze analyse is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de effectanalyse NNB zijn geen negatieve effecten gekomen. Mogelijk dat licht en geluid meer zal doordringen in het NNB, echter zal dit geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden door de aanleg van de houtsingels tussen de huizen en het NNB. Er worden ten aanzien van de NNB derhalve geen aanvullende maatregelen noodzakelijk geacht.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bebouwing en groenelementen zoals bomen kunnen als verblijfsplaats dienen voor dieren. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt in zijn geheel gesloopt. Om te toetsen of de ontwikkeling een significant negatief effect heeft ten aanzien van het aspect soortenbescherming, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage. Uit de Quicskcan blijkt dat een van de te slopen gebouwen geschikt wordt geacht als vaste rust- en verblijfsplaats van de huismus. Daarom wordt, voorafgaand aan de sloop, een nader onderzoek naar het functioneel leefgebied van de huismus geadviseerd. Een nader onderzoek naar overige (beschermde) diersoorten wordt niet noodzakelijk geacht. Naar aanleiding van het advies uit de Quickscan flora en fauna is een soortgericht onderzoek naar de huismus uitgevoerd.

Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven, welke tevens als separate bijlage is bijgevoegd. Uit het huismussenonderzoek is naar voren gekomen dat in de meest noordelijk gelegen schuur huismusnesten aanwezig zijn. Ook is in het plangebied geschikt leefgebied aanwezig. Voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is derhalve een ontheffing Wnb noodzakelijk voor het verwijderen van de nesten en verlies van leefgebied van huismus. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de gewenste ontwikkeling, wordt tevens de aanvraag ontheffing Wnb meegenomen.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

42

In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. De gemeente Nuenen c.a. heeft de bescherming uit haar archeologische beleid in het bestemmingsplan verankerd. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie De (verwachte) archeologische waarden zijn in het bestemmingsplan door middel van dubbelbestemmingen vastgelegd. Het plangebied, met uitzondering van de woning, heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3a hoge verwachting’. In het bestemmingsplan zijn dan ook regels opgenomen, wanneer er bijvoorbeeld een nieuwe functie wordt gerealiseerd. Het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm en een groter oppervlakte dan 500 m2 is niet rechtstreeks toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling worden deze ondergrenzen overschreden, waardoor er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd in de bijlage.

Op basis van het verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het noordelijk deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte veldpodzolgronden. Hierdoor wordt de kans groot geacht dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. In het noordelijk deel kunnen de graafwerkzaamheden bij het planvoornemen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de bovengrond archeologische resten aanwezig zijn. Wanneer er in dit deel graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt voor het noordelijk deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Ten behoeve van dit vervolgonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Dit Programma is bijgevoegd als separate bijlage bij deze toelichting. Ten behoeve van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische resten, wordt de huidige dubbelbestemming ongewijzigd overgenomen en is aanvullend een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Dit in verband met het feit dat er nog een opgraving aan de orde zou kunnen zijn ingeval er bij het proefsleuvenonderzoek archeologische waarden worden aangetroffen die niet duurzaam behouden kunnen worden in de bodem,

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

43

Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen een gebied welke conform de Interim omgevingsverordening van de provincie is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. Het wordt dan ook niet noodzakelijk geacht een cultuurhistorisch onderzoek uit te voeren.

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit In de huidige situatie vinden er verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de bedrijfsvoering van de varkenshouderij en de bedrijfswoning op het perceel. In de nieuwe situatie blijft de bedrijfswoning behouden en worden er vier nieuwe woningen toegevoegd. Ten aanzien van de bedrijfswoning zijn er geen veranderingen met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast komen er in plaats van de varkenshouderij vier woningen bij. Bij het bepalen van het aantal verkeersbewegingen is voor de huidige varkenshouderij uitgegaan van een arbeids- en bezoeksextensief bedrijf welke is gelegen in het buitengebied. Conform de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ wordt voor een arbeids- en bezoeksextensief uitgegaan van gemiddeld 4,8 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m 2 bvo. De omvang van de veestallen bedraagt 2.523,75 m2, waardoor in totaliteit wordt uitgegaan van (4,8*25,24=) 122 verkeersbewegingen per etmaal. Voor vrijstaande woningen in het buitengebied wordt per woning uitgegaan van gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de vier nieuwe woningen komt dit neer op 32,8 verkeersbewegingen per etmaal.

Gezien het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie ten behoeve van de varkenshouderij aanzienlijk meer is dan ten behoeve van de vier toekomstige woningen, is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie te verwerken. Voor de beoogde situatie waarin minder verkeersbewegingen plaatsvinden, zijn dus tevens geen belemmeringen te verwachten. De Papenvoortse Heide en andere aangrenzende wegen behoeven dan ook geen aanpassingen.

5.6.2

Parkeren Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Nuenen betreft een gemeente met een ‘matig stedelijk’ karakter, waarbij het plangebied in het buitengebied ligt. Voor vrijstaande koopwoningen binnen dit gebied uitgegaan van gemiddeld 2,4 benodigde parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen dienen op het eigen terrein te worden gerealiseerd. De beoogde woonkavels zijn voldoende groot om per woning te voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen, waarbij tevens een extra parkeermogelijkheid in de garage bij de 44

woning. In figuur 14 is aangetoond dat de woonkavels (met indicatie situering woning met bijgebouw) voldoende groot zijn voor het realiseren van ten minste twee parkeerplaatsen. In de planregels van het bestemmingsplan is geborgd dat bij nieuwbouw dient te worden voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen conform de CROW-publicatie. Dit levert dan ook geen belemmeringen op.

Figuur 14 Indicatie situering parkeermogelijkheden met minimaal 2 parkeerplaatsen per woning (parkeerplaatsen gele omkadering)

45

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is een anterieure- en planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer, waardoor het kostenverhaal en eventuele planschade is verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft de omgeving op de hoogte gesteld van de gewenste ontwikkeling. Uit de dialogen blijkt dat de reacties overwegend positief tot zeer positief zijn op dit initiatief. Het verdwijnen van de varkensstallen en het verbeteren van het aanzien van de omgeving wordt alom gezien als een groot voordeel van dit initiatief. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de ontsluiting van de nieuwe woningen. Ook geven sommige bewoners aan dat dit mooie initiatief niet vervolgd mag worden met nog meer woningen. Dat komt uitzicht en aanzicht in de groene omgeving niet ten goede. In de bijlage is een afschrift van de gevoerde omgevingsdialoog bijgevoegd. In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In het kader van de deze inspraakverordening is onderhavig bestemmingsplan als voorontwerpbestemmingsplan gedurende acht weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode is aan een ieder de mogelijkheid geboden een inspraakreactie in te dienen. Daarnaast is het plan ter vooroverleg voorgelegd aan het Waterschap en de Provincie. In de termijn van terinzagelegging zijn er twee inspraakreacties ingediend. De ingediende reacties zijn in de Nota van Inspraak opgenomen.

De Nota van Inspraak is bijgevoegd als separate bijlage. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied Papenvoortse Heide 3’ ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd. Hierbij is gelegenheid geboden aan eenieder tot het indienen van zienswijzen. De Nota van zienswijzen (met daarin de opgenomen planaanpassingen als gevolg van de ingediende zienswijzen en ambtshalve wijzigingen) maakt deel uit van het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15630165/1