Bijlage 1 - Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen - Toelichting
Tekst van het document
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving zijn naast woningen ook diverse bedrijven gesitueerd. Ten oosten van het plangebied is het bedrijventerrein van Eeneind gelegen, ten westen van het plangebied een elektriciteitscentrale en binnen het plangebied zelf een horecabedrijf. Daarnaast is het plangebied gelegen langs een doorgaande weg, die Nuenen met Eindhoven verbindt. Gelet op de ligging van het plangebied in de nabijheid van infrastructuur, verschillende (agrarische) bedrijven en woningen kan, op grond van de bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het standpunt ingenomen worden dat de omgeving van het plan is aan te merken als gemengd gebied. Door de functiewijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning moet getoetst worden op het eigen horeca bedrijf op nummer 47a, omdat de woning nu door derden, zonder functionele binding met het horecabedrijf, mag worden bewoond.
Het bedrijf aan de Collseweg 47A valt het beste te categoriseren als ‘Restaurant’, wat conform de VNG-brochure tot milieucategorie 1 behoort. Hiervoor geldt in principe een richtafstand van 10 meter, vanwege de aspecten geur, geluid en gevaar. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan deze afstand voor de aspecten geur en geluid met één afstandstap worden teruggebracht tot 0 meter. De afstand tussen het restaurant en de woning is circa 9,5 meter. De bestaande schuur kan hier fungeren als buffer. In de regels wordt geborgd dat de afstand tussen de beoogde burgerwoning en het restaurant niet kan worden verkleind door de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – burgerwoning’ op de contouren van de bestaande woning te leggen. Aangezien de afstand tussen het restaurant en de beoogde burgerwoning desalniettemin minimaal is, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd incl. borging van geluid reducerende maatregelen. Dit is verder toegelicht in paragraaf 4.2.2. De afstand tussen de woning en de schoorsteen van de afzuiging van het restaurant is in de bestaande situatie circa 12 meter. Aldus voorgeschreven conform het Activiteitenbesluit.
In de regels van dit bestemmingsplan is tevens planologisch geborgd dat het emissiepunt van afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen wordt geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie, dan wel gesitueerd op minimaal 10 meter van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – burgerwoning’ en tenminste twee meter boven de hoogste daklijn binnen de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Hierdoor is verzekerd dat ter plaatse van de beoogde burgerwoning aan de voorwaarden van het Activiteitenbesluit voor wat betreft het aspect geur voldaan zal kunnen worden. Voor wat betreft het aspect gevaar wordt opgemerkt dat er binnen de horecainrichting geen verwerking dan wel op- en overslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals reeds toegelicht in paragraaf 4.2.5. Voor wat betreft het emissiepunt van afgezogen dampen en gassen kan daarbij worden voldaan aan de regels uit het Activiteitenbesluit, zoals hierboven reeds is gezet. Daarnaast kan op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemening worden beoordeeld of milieubelastende activiteiten aanpandig aan woningen kunnen worden gesitueerd of
24 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
bouwkundig dienen te worden afgescheiden. Een restaurant behoort conform deze categorie indeling tot categorie A. Dit betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat de eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijvigheid toereikend zijn. In dit geval dient de schuurt tussen de woning en de horecainrichting bovendien nog als buffer in het kader van brandveiligheid. Volledigheidshalve is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Dit advies is als Bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd. Hiermee is en blijft er ter plaatse van de nieuwe burgerwoning sprake van een goed woon- en leefklimaat en wordt het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsmogelijkheden beperkt door de functiewijziging van de woning. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ legt geen beperkingen op aan het planvoornemen. Daarnaast zorgt het planvoornemen ook niet voor een negatief effect op omliggende bedrijven.
4.2.7
Volksgezondheid
Intensieve veehouderijbedrijven, met name pluimveebedrijven, dragen bij aan de emissies van fijn stof PM 10 in Nederland. Endotoxinen kunnen onderdeel uitmaken van dit uitgestoten fijn stof. De uitstoot van fijnstof en endotoxinen kunnen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden van veehouderijen hebben. Bij ruimtelijke ontwikkelingen met gevoelige functies moet het aspect ‘endotoxinen’ beoordeeld worden. In dit geval is sprake van een (ongewijzigde) bedrijfswoning. Voorlopige resultaten van landelijke onderzoeken zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0; een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is’. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Op 7 juli 2016 is het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering’ (Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949) verschenen.
Uit dit rapport blijkt dat rondom varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 (vastgesteld door de Gezondheidsraad) aan de orde is. De uitkomsten van het endotoxine onderzoek zijn uitgewerkt in een aanvullend onderzoek (“Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen”, ErbrinkStacks Consult, 5 september 2016). Endotoxines kunnen nog niet concreet gemeten, dan wel berekend worden. Het aanvullend onderzoek heeft wel als resultaat opgeleverd dat op basis van een fijnstofemissie (bronsterkte) de aan te houden afstand kan worden bepaald om een te hoge blootstelling aan endotoxinen te voorkomen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Voor pluimveehouderijen (tot circa 10.000 kg PM10/jaar voor vleeskuikens en tot circa 17.000 kg PM10/jaar voor leghennen) ligt deze afstand op circa 300 meter. Binnen 300 meter rondom het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Gezien deze grote afstand kan op grond van de beschikbare kennis en onderzoeksresultaten geconcludeerd worden dat het aspect endotoxines geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling.
Geitenhouderijen Uit VGO-onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) is gebleken dat tot twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Er zijn geen geitenhouderijen gelegen binnen twee kilometer van het plangebied. Er is vanuit deze bedrijvigheid gezien de afstand dan ook geen sprake van risico’s voor de volksgezondheid.
4.2.8
Spuitzones
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, over het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vast rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan en
25 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied is direct aansluitend aan agrarische gronden gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor. Bovendien zijn tussen de beoogde burgerwoning en de aangrenzende landbouwgronden landschapselementen bij de woning gesitueerd. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de woning reikt. De locatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. In het plangebied is tevens een fruitboomgaard aanwezig. Deze is kleinschalig van aard en zal niet op grote schaal bespoten worden. Tevens is er rondom de fruitboomgaard een haag gesitueerd die eventuele drift (mocht deze al ontstaan) aanzienlijk beperkt. De burgerwoning zal derhalve geen negatief effect ondervinden van de aanwezig fruitboomgaard.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving van het plangebied heeft daarmee geen significant negatief effect op het woon- en leefklimaat op het plangebied.
4.3 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan. Provinciaal waterplan Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende jaren op de ontwikkeling van een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. De provincie Noord-Brabant heeft een gemeenschappelijk milieu- en waterplan opgesteld.
Het zet een nieuwe koers uit naar een algeheel plan met betrekking tot water, bodem, lucht en overige milieuaspecten. Het plangebied is niet gelegen binnen een van de natte natuurparels en beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van beoogde plan. Waterschap De Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuzeen afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.
De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele
26 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Ten aanzien van het plan dienen de volgende vier doelstellingen in acht te worden genomen: ▪ Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; ▪ Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; ▪ Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; ▪ Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen er oplossingen gevonden worden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt gaat worden. Meer dan voorheen gaat het daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken.
Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap De Dommel. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving is gelegen op circa 85 meter ten westen van het plangebied . Dit betreft een A-watergang. De afstand van de planlocatie tot deze primaire waterlopen is voldoende. Tevens zijn er Bwatergangen in en vlak langs het plangebied aanwezig. Deze watergangen leveren een bijdrage aan het waterbergend vermogen. Wijzigingen aan een B-watergang zijn vergunningplichting. Het plangebied is tevens gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘Behoud en herstel watersystemen’ en ‘Attentiezone waterhuishouding’. De beoogde ontwikkeling omvat een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. De bestaande woning ligt niet in het profiel van de vrije ruimte of beschermingsgebied, waardoor het planvoornemen geen invloed heeft op de watergang, watersystemen of waterberging.
27 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
Afbeelding 13 – Uitsnede leggerkaart Waterschap De Dommel
Keur Waterschap De Dommel De laatste versie van de Keur is per 1 april 2021 in werking getreden en dient als aanvulling op de regels uit de Waterwet. In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem.
In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m 2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening. Met het planvoornemen blijft het bebouwd oppervlak gelijk aan de huidige situatie. Het afvalwater van huishoudelijke aard blijft geloosd worden op het gemeentelijk riool. Hierdoor is er dus ook geen sprake van een toename van verhard oppervlak en is een retentievoorziening niet noodzakelijk waardoor er voldaan wordt aan de regels van het Waterschap De Dommel.
4.4 Wet natuurbescherming Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet vervangen. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
4.4.1
Bescherming op gebiedsniveau
De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden.
28 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
Natura 2000-gebieden Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden. De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Strabrechtse Heide & Beuven met een afstand van circa 4,6 km; ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux met een afstand van circa 4,7 km. Het plan ziet op de functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning met privé bijgebouwen. Er zijn geen bouwkundige aanpassingen nodig om de bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik te kunnen nemen. Er is dus geen sprake van een bouwfase, die een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie teweeg zou kunnen brengen. Aangezien het initiatief dus niet ziet op een toename in het aantal woningen, zal er per saldo sprake zijn gelijkblijvende stikstofemissie vanuit het plangebied.
Hierdoor mag worden aangenomen dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, gelegen in een gebied dat is aangewezen voor behoud en herstel van watersystemen. Dit is reeds toegelicht in paragraaf 4.3. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.
Afbeelding 14 – Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Iov
Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.
29 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
4.4.2
Soortenbescherming
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het plangebied is een horeca onderneming met aangrenzend een bedrijfswoning. De schuur tussen de horeca onderneming en de bedrijfswoning maakt ook deel uit van de woning. De ontwikkeling bestaat uit de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning.
Deze ontwikkeling vindt volledig plaats binnen de bestaande bebouwing. Tevens wordt er ook geen nieuwe bebouwing ontwikkeld. Hierdoor verandert er niks ten opzichte van de huidige situatie. De omliggende gronden blijven als zodanig ingericht. Gezien het ongewijzigde gebruik van de gronden in de directe omgeving blijft er voldoende leefruimte voor diersoorten beschikbaar. Voor plantensoorten geldt dat de aanwezige planten in dit deel van het plangebied strak door de mens worden gereguleerd. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. De bestaande beplanting blijft gehandhaafd. Dit is geborgd middels het landschappelijk inpassingsplan. Tenslotte zullen in het kader van de planontwikkeling geen (bedrijfs-)gebouwen worden gesloopt. Hiermee is uitgesloten dat nest- of rustplaatsen van gebouwbewonende soorten (zoals uilen en vleermuizen) worden verstoord of vernietigd. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de flora- en fauna. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor dit plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied.
4.5.1
Cultuurhistorie
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, afbeelding 15, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Het plangebied is gelegen in het Beekdal van de Kleine Dommel. Dit gebied omvat de lage gronden langs de Kleine Dommel, bestaande uit grasland en broekbos. De grasland of beemden hebben plaatselijk nog hun oorspronkelijke kleinschalige percelering met lange, smalle percelen. Sommige percelen hebben randbegroeiing in de vorm van houtsingels of bomenrijen. De percelering kan deels nog dateren uit de periode 1250 – 1500, toen grote delen van de beekdalen werden ontgonnen. Aanzienlijke delen van het beekdal zijn thans bedekt met aaneengesloten bos. Voor een deel bestaat dit bos uit hakhout.
30 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn tevens aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
Afbeelding 15 – Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant
Het plangebied is tevens gelegen binnen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Aardkundige waarde’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie historische verkaveling’. Op deze gronden is het verboden om zonder vergunning grondbewerkingen uit te voeren, het waterpeil te veranderen, oppervlakteverhardingen aan te brengen, waterlopen te veranderen/aanleggen/dempen en het planten, verwijderen kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. Het planvoornemen omvat een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning en omvat niet de eerder benoemde werkzaamheden. Derhalve kan er geconcludeerd worden dat het initiatief geen negatief effect heeft op de aardkundige waarde of de cultuurhistorie historische verkaveling.
4.5.2
Archeologie
Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Nuenen heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ is voor het plangebied de dubbelbestemming, ‘Waarde – Archeologie 4a middelhoge verwachting’ en ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ opgenomen. De aangewezen zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Uit bijbehorende regels blijkt dat binnen de bestemming ‘Waarde Archeologie 4a middelhoge verwachting’, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 2.500 m2. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ geldt dit voor bouwwerken met een oppervlakte van hoger dan 10.000 m2. Met het plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat (potentieel) aanwezige archeologische waarden niet onevenredig zijn of zullen worden geschaad.
4.6 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden.
31 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
4.6.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. In het geval van de bouw van tien of meer woningen wordt de parkeereis uitgesplitst naar bewoners- en bezoekersparkeerplaatsen. De gemeente Nuenen hanteert geen specifiek beleid voor haar parkeernormen. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘matig stedelijk’. Voor een woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling betreft de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning met voldoende omliggende grond. Hierdoor is er al parkeergelegenheid gerealiseerd voor de bedrijfswoning. Dit kan ook in gebruik genomen worden voor de burgerwoning.
Parkeren vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6.2
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Collseweg, een geasfalteerde plattelandsweg in het buitengebied. De Collseweg komt in westelijke richting uit in Tongelre, een stadsdeelwijk van Eindhoven. Het is een verbindingsweg die via het Dommeldal van Nuenen naar Eindhoven loopt. In oostelijke richting sluit de Collseweg aan op de Collsehoefdijk. De beoogde ontwikkeling omvat de functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning. Er is geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe woning. De verkeersaantrekkende werking verandert met het gewijzigd gebruik als bedrijfswoning in burgerwoning niet. De locatie beschikt over een brede inrit met daarachter voldoende manoeuvreer– en parkeerruimte, waardoor geen sprake zal zijn van obstructie op de openbare weg en de doorstroming niet in gevaar komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
32 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk is een beschrijving van de juridische planopzet opgenomen. Dit wordt uiteen gezet aan de hand van de planvorm, verbeelding en planregels.
5.1 Planvorm De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om planregels, een verbeelding en de bijbehorende toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn op een topografische ondergrond de bestemmingen aangeduid, met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie.
5.2 Verbeelding De verbeelding visualiseert het plangebied. Uit de verbeelding blijkt de begrenzing en de ligging van het plangebied. De verbeelding is direct verbonden met de bijbehorende regels. In de regels worden de condities en voorwaarden voor de bestemmingen en aanduidingen gesteld. De verbeelding is vervaardigd conform wettelijke eisen en geldende standaarden. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500 en bestaat uit één kaart. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Natuur en landschappelijke waarden; ▪ Enkelbestemming: Horeca; ▪ Enkelbestemming: Verkeer; ▪ Enkelbestemming: Verkeerd – Onverhard; ▪ Dubbelbestemming: Leiding – Riool; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Aardkundige waarde; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4a Middelhoge verwachting; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 5 Lage verwachting; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Cultuurhistorie historische verkaveling; ▪ Dubbelbestemming: Waterstaat – Regionale waterberging; ▪ Dubbelbestemming: Waterstaat – Reservering waterberging; ▪ Bouwaanduiding: specifieke bouwaanduiding – speeltoestellen; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van horeca – bedrijfsactiviteiten uitgesloten;
▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van horeca – burgerwoning; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – behoud en herstel watersystemen; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – beperkingen veehouderij; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – schuilstallen; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – attentiezone waterhuishouding.
5.3 Planregels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De in het bestemmingsplan opgenomen regels zijn zoveel mogelijk overeenkomstig de regels van het moederplan ‘Buitengebied Nuenen’. Ter plaatse van de bestaande woning wordt een functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca - burgerwoning’ opgenomen. Hierdoor kan bewoning door derden worden toegestaan zonder functionele binding met het bedrijf. In het voorliggende bestemmingsplan was de functieaanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen om te borgen dat dit deel van het plangebied uitsluitend voor de woonfunctie gebruikt mocht worden. Deze functieaanduiding is in dit plan vervangen door de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - bedrijfsactiviteiten uitgesloten' met bijbehorende voorwaarden. In de regels ligt vast dat er maximaal één bedrijfswoning, hetzij woning is toegestaan binnen de horecabestemming. Hierdoor kan er na de functieverandering geen nieuwe bedrijfswoning meer worden gerealiseerd bij de horeca onderneming.
33 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het landschappelijk inpassingsplan binnen de bestemming ‘Horeca’. Om ter plaatse van de burgerwoning aan de geurnormen te voldoen zal de situering van het emissiepunt van de horeca onderneming worden geborgd in de regels. Om ter plaatse van de burgerwoning aan de akoestische normen te voldoen zullen er geluiddempende maatregelen getroffen worden. Deze zullen tevens geborgd worden in de regels.
34 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
6 Uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat ieder bestemmingsplan en wijzigingsplan inzicht moet geven in de uitvoerbaarheid ervan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Een gemeente is (in beginsel) verplicht om, op grond van artikel 6.12 eerste lid, Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een in het Bro aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: ▪ Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; ▪ Het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is; ▪ Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is. Met het planvoornemen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer zal hierin worden voorzien.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke haalbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. De provincie heeft in het algemeen zeer positief gereageerd op het initiatief. Wel zijn er twee opmerkingen gemaakt, die inmiddels aangepast zijn. Ten eerste gaf de provincie aan dat de aanduiding ‘bedrijfswoning’ op de verbeelding vervangen moest worden door ‘specifieke vorm van horeca – bedrijfsactiviteiten uitgesloten’. De reden hiervoor is om nog beter te kunnen borgen dat de oprichting van een nieuwe bedrijfswoning in de toekomst uitgesloten is. Ten tweede zijn er een aantal kleine aanpassingen aan de regels gedaan en is het beleidskader geactualiseerd. Vanuit het Waterschap is via een e-mail gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. Op grond daarvan is de B-watergang opgenomen in de waterparagraaf en is de beschrijving van het waterbeleid in de toelichting geüpdatet. Daarnaast zijn de planregels en de verbeelding conform de IOV aangepast. Hoewel de ontwikkeling geen veehouderij betreft, wordt er alsnog verzocht om vooraf een dialoog aan te gaan met de omgeving. Het voeren van de dialoog is vooruitlopend op de Omgevingswet, waarin participatie een belangrijke pijler is.
Gezien de minimale impact op de omgeving wordt de dialoog alleen gevoerd met de omliggende kavels. Middels een brief zijn de omliggende adressen, Collseweg nummer 41, 33, 1, 35, 37, 39, 43, 45 en 47A), geïnformeerd over de ontwikkelingen aan de Collseweg 47-47A te Nuenen. Omwonenden konden via een participatieformulier op- en aanmerkingen ten aanzien van het initiatief kenbaar maken. Deze aanwezigheidslijst is aangeleverd aan de gemeente maar wordt conform de AVG privacywetgeving niet als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Er zijn door omwonenden geen bezwaren geuit. Men wenst initiatiefnemers veel succes met de ontwikkeling van hun plannen. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing). Het ontwerp is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van 6 april 2023 tot en met 18 mei 2023. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Het plan is ongewijzigd vastgesteld op …….. 2023. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.
Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
35 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen
7 Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.
Landschappelijk Inpassingsplan Notitie Akoestisch Onderzoek Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost
36 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen