CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen - Toelichting

Gemeenteraad 21 september 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Collseweg 47 - 47a13.772 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitengebied, herziening Collseweg 47 - 47a

Gemeente Nuenen

Colofon: Opgesteld door:

Van Santvoort Advies B.V. Berg 2-4 5671CC Nuenen

Plangebied:

Collseweg 47-47a, 5674TR te Nuenen

Kenmerk:

BCO100228

Datum:

22-6-2023

Status:

Ter vaststelling

IMRO-code:

NL.IMRO.0820.BPBGCollsew47en47a-D001

2 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Inhoudsopgave 1

Inleiding ............................................................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2

Planbeschrijving................................................................................................................... 8 2.1 2.1

3

Aanleiding en doel ................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 5 Procedure ................................................................................................................................ 6 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7

Bestaande situatie ................................................................................................................... 8 Beoogde situatie ...................................................................................................................... 8

Beleidskader ...................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................................. 10 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie .............................................................................................. 10 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking........................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................... 11 3.2.1 Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant ...................................................................... 11 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant............................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 14 3.3.1 Omgevingsvisie Nuenen................................................................................................. 14 3.3.2 Bestemmingsplan .......................................................................................................... 15

4

Omgevingsaspecten .......................................................................................................... 17 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................................ 17 4.2 Milieuaspecten ...................................................................................................................... 17 4.2.1 Bodem............................................................................................................................ 17 4.2.2 Geluid............................................................................................................................. 17 4.2.3 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 18 4.2.4 Geur ............................................................................................................................... 20 4.2.5 Externe veiligheid .......................................................................................................... 22 4.2.6 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................... 24 4.2.7 Volksgezondheid ............................................................................................................

25 4.2.8 Spuitzones...................................................................................................................... 25 4.3 Waterparagraaf ..................................................................................................................... 26 4.4 Wet natuurbescherming ........................................................................................................ 28 4.4.1 Bescherming op gebiedsniveau ..................................................................................... 28 4.4.2 Soortenbescherming...................................................................................................... 30 4.5 Cultuurhistorie en Archeologie .............................................................................................. 30 4.5.1 Cultuurhistorie ............................................................................................................... 30 4.5.2 Archeologie .................................................................................................................... 31 4.6 Parkeren en verkeer .............................................................................................................. 31 4.6.1 Parkeren ........................................................................................................................

32 4.6.2 Verkeer .......................................................................................................................... 32

5

Juridische planopzet .......................................................................................................... 33 5.1 5.2 5.3

Planvorm................................................................................................................................ 33 Verbeelding............................................................................................................................ 33 Planregels .............................................................................................................................. 33 3

Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

6

Uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 35 6.1 6.2

7

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 35

Bijlagen .............................................................................................................................. 36

4 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een inleiding gegeven op het plan. Eerst worden de aanleiding en het doel van het plan, de ligging van het plangebied, het vigerend planologisch regime en de procedure beschreven. Tot slot is een leeswijzer voor deze toelichting opgenomen.

1.1 Aanleiding en doel Aan de Collseweg 47-47a te Nuenen is momenteel een horeca onderneming gelegen met aangrenzend een bedrijfswoning. Initiatiefnemers zijn voornemens om het perceel waar de bedrijfswoning op gevestigd is apart te verkopen. Initiatiefnemers zijn eigenaar van het gehele object. De horeca onderneming wordt verhuurd. Tot voor kort woonden de ouders van initiatiefnemers in de bedrijfswoning. Deze staat inmiddels leeg. Initiatiefnemers hebben niet de intentie om in de bedrijfswoning te gaan wonen en zouden deze vanwege de huidige woningmarkt graag separaat willen verkopen. Zonder de functiewijziging mag de woning niet apart verkocht worden. Er wordt planologisch geregeld dat de woning mag worden bewoond door derden, zonder functionele binding met het horecabedrijf. De voormalige bedrijfswoning blijft fungeren als hoofdwoning van de horeca onderneming. Hierdoor kan er na de functiewijziging geen nieuwe bedrijfswoning meer worden gerealiseerd bij de horeca onderneming.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, ten zuiden van de kern van Nuenen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie C, perceelnummers 3145, 3376, 4182 en 4183. Het gebied kenmerkt zich als landelijk gebied met agrarische gronden. Aangrenzend aan het plangebied is een cluster van woningen gevestigd. Ten oosten van het plangebied loopt de Kleine Dommel. In het gebied rondom de locatie zijn tevens meerdere bedrijven gevestigd. Navolgende afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 1 – Luchtfoto ligging plangebied (bron: https://www.google.nl/maps)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het vigerend planologisch regime ter plaatse van het plangebied is vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’, dat is vastgesteld op 01-11-2018. Het plangebied heeft hierin de volgende bestemmingen en aanduidingen gekregen: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Natuur- en landschappelijke waarden; ▪ Enkelbestemming: Horeca; ▪ Dubbelbestemming: Leiding – Riool; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Aardkundige waarde; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4a middelhoge verwachting;

5 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 5 lage verwachting; Dubbelbestemming: Waarde – Cultuurhistorie historische verkaveling; Dubbelbestemming: Waterstaat – Waterbergingsgebied; Bouwvlak; Functieaanduiding: bedrijfswoning; Gebiedsaanduiding: overige zone – behoud en herstel watersystemen; Gebiedsaanduiding: overige zone – beperkingen veehouderij; Gebiedsaanduiding: overige zone – schuilstallen.

In afbeelding 2 is een uitsnede van het plangebied opgenomen uit de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is weergegeven binnen de blauwe lijn.

Afbeelding 2 – Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de bestemming ‘Horeca’ zijn de gronden bestemd voor: ▪ Horecabedrijven uit categorie 1 (a, b en c) van de Staat van Horeca-activiteiten; ▪ Wonen in bedrijfswoningen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde onder a ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ uitsluitend het gebruik ten behoeve van een bedrijfswoning is toegestaan; ▪ Bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het vigerende bestemmingsplan bevat geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden om de bedrijfswoning in gebruik te nemen als burgerwoning. Na ambtelijke afstemming is besloten om rechtstreeks over te gaan tot een bestemmingsplan procedure. Het bestemmingsplan moet derhalve worden herzien op conform artikel 3.1 van de Wro.

1.4 Procedure Het voornemen past niet binnen de bepalingen van het bestemmingsplan. Voor het planvoornemen dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Blijkens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpplan gedurende zes weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van zes weken kan door belanghebbenden een zienswijze worden ingediend. Gedurende de inzagetermijn liggen de verbeelding, regels en toelichting inclusief bijlagen, ter inzage. Binnen twaalf weken nadat het ontwerp ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het plan (termijn van goede orde). Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen.

6 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het opnieuw zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze zes weken kunnen belanghebbenden, die tijdig een zienswijze kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp, of belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig een zienswijze kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het plan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het plan in werking is getreden kunnen, indien van toepassing, de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden ingediend.

1.5 Leeswijzer In deze toelichting zal nader worden ingegaan op de volgende aspecten, te weten; ▪ Planbeschrijving (hoofdstuk 2); ▪ Het beleidskader (hoofdstuk 3); ▪ De milieuaspecten (hoofdstuk 4); ▪ De juridische planopzet (hoofdstuk 5); ▪ De uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).

7 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de beoogde situatie na de voorgenomen ontwikkeling.

2.1 Bestaande situatie Het plangebied aan de Collseweg 47 te Nuenen betreft één perceel. Het perceel is kadastraal bekend als nummer 4183, sectie G, gemeente Nuenen. Het perceel heeft een totaal oppervlakte van circa 2350 m2. Op de locatie is momenteel een horeca onderneming gevestigd met aangrenzend een bedrijfswoning. De horeca onderneming heeft een oppervlakte van circa 690 m2 met aangrenzend een terras. Tevens zijn er op de locatie speeltoestellen aanwezig voor recreatief gebruik. De parkeerplaats bevindt zich aan de zuidzijde van de locatie. De bedrijfswoning heeft een oppervlakte van circa 185 m2. Tussen de horeca onderneming en de bedrijfswoning is een schuur gevestigd. Het oppervlakte van deze schuur bedraagt circa 120 m2. Navolgende afbeelding geeft een luchtfoto van het plangebied weer. De functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ bevindt zich binnen het rode kader. De horeca onderneming bevindt zich binnen het groene kader.

Afbeelding 3 – Luchtfoto plangebied (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.1 Beoogde situatie Initiatiefnemer is op dit moment eigenaar van percelen 3145, 3376, 4182 en 4183. Initiatiefnemer wenst het perceel 4183, waarop de bedrijfswoning is gevestigd, te verkopen. Zonder de functiewijziging mag de woning niet apart verkocht worden. Er wordt planologisch geregeld dat de woning mag worden bewoond door derden, zonder functionele binding met het horecabedrijf. Om dit planologisch te borgen wordt de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ gewijzigd naar ‘burgerwoning’. De bestemming ‘Horeca’ blijft gelden op de burgerwoning en het bouwvlak blijft behouden zoals in de huidige situatie. Hierdoor wordt voorkomen dat er een nieuwe bedrijfswoning ontwikkeld kan worden bij de horeca onderneming. Ten behoeve van de beoogde plannen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie Afbeelding 1. Het landschappelijk inpassingsplan op de locatie bestaat uit diverse soorten landschapselementen: ▪ Landschapsbomen bestaand: Es en Linde; ▪ Housingels inheemse beplanting bestaand; ▪ Landschapsbomen bestaand: Prunus avium; ▪ Knip- en scheerhaag bestaand: Fagus sylvatica; ▪ Hoogstamfruitgaard bestaand: Appel divers; ▪ Knotbomen bestaand. In Bijlage 1 is het volledige landschappelijk inpassingsplan opgenomen.

8 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Afbeelding 4 – Landschappelijk inpassingsplan

9 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt voor zover relevant het ruimtelijke beleid voor het plangebied beschreven.

3.1 Rijksbeleid Het beleidskader op nationaal niveau is vervat in de Nationale Omgevingsvisie en de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale omgevingsvisie (NOVI) bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het biedt perspectief om grote opgaven aan te pakken, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Het biedt ruimte voor economische ontwikkeling, mobiliteit, reductie van stikstofemissies, wonen en herstel van biodiversiteit.

De NOVI richt zich op vier prioriteiten; ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen het landelijk gebied stelt de NOVI de volgende beleidskeuzes: ▪ In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de omgevingswaarde van bodem, water en lucht; ▪ We beschermen en versterken de biodiversiteit, en benutten ons natuurlijk kapitaal duurzaam; ▪ We realiseren een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit; ▪ Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschap inclusief. Beoogde plannen omvatten een landschappelijk inpassingsplan welke extra landschapskwaliteit toevoegt. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de omgevingswaarden bodem, water en lucht. Geconcludeerd kan worden dat beoogde plannen aansluiten bij beleidskeuzes van de NOVI.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het geval van stedelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Daarnaast is de ladder erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaande stedelijk gebied op te vangen waardoor verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Het is een toetsingsinstrument dat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor een nieuwe Laddersystematiek geldt. De begrippen ‘actuele’ en ‘regionale’ zijn geschrapt en de Ladder bevat geen treden meer. De Ladder is van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken en bepaalt dat de toelichting op dat plan een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling en - indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied - een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat getoetst wordt aan de ladder, moet worden vastgesteld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, bedoeld als in artikel 1.1.1 Bro.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies.

10 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning Er is reeds een horeca onderneming aanwezig met een bedrijfswoning. De bedrijfswoning zal in de beoogde situatie planologisch gezien worden gewijzigd in een burgerwoning. Er is dus geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe woning. Derhalve is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder niet te worden doorlopen.

3.2 Provinciaal beleid Het beleidskader van de provincie Noord-Brabant is vervat in de Brabantse omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het plan wordt hier in navolgende paragrafen aan getoetst.

3.2.1

Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie ziet op een strategische gebiedsopgave voor de provincie als geheel en formuleert daarbij de ambities voor de toekomst, richting 2050 en met een tussenstap in 2030. In de visie is niet vastgelegd hoe deze doelen precies bereikt gaan worden. “Met een open blik” is centraal uitgangspunt om vanuit alle partijen en disciplines de visie voor Brabant verder te gaan uitwerken. Deze verdere uitwerking van de ambities betreft de volgende opgave voor de komende bestuursperiodes en zal terecht komen in nog op te stellen programma’s. Om de ambities te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatbestendig te laten zijn, worden er vier hoofdopgaven onderscheiden: ▪ Werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ Werken aan een klimaatbestendig Brabant; ▪ Werken aan de slimme netwerkstad; ▪ Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

De beoogde ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities door de provincie Noord-Brabant. Het plan voorziet in een functiewijziging van een bestaand perceel en neemt daarbij de ruimtelijke kwaliteit in acht. Er wordt geen nieuwe bebouwing ontwikkeld. Gezien het schaalniveau raakt de ontwikkeling niet de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Daardoor past het plan in de opgenomen ambities en kaders uit de Omgevingsvisie.

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is vervat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov). De Iov is tot stand gekomen door een samenvoeging van de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en is op 5 november 2019 in werking getreden. De meest recente geconsolideerde versie dateert van 8 december 2020. De Interim omgevingsverordening geldt totdat de Omgevingswet in werking treedt. Gedeputeerde Staten hebben op 23 Maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Dit ontwerp heeft ter inzage gelegen van 9 April tot en met 20 Mei 2021. De ingekomen reacties worden beoordeeld en kunnen leiden tot wijzigingen van het vastgestelde ontwerp. Naar verwachting stellen Provinciale Staten de Omgevingsverordening eind 2021 vast. De omgevingsverordening zal dan gelijk met de Omgevingswet in werking treden op 1 juli 2022. De omgevingsverordening bevat enerzijds algemene regels voor burgers en bedrijven en voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen.

Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, en in de toekomst het omgevingsplan. De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.

11 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

De rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de verordening. In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar het plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Landelijk gebied’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Behoud en herstel van watersystemen’, ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’. Navolgend worden de relevante regels vanuit de verschillende aanduidingen benoemd en getoetst. Deze aanduidingen worden getoetst in hoofdstuk 4.

Afbeelding 5 – Uitsnede kaart Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies vastgelegd. Deze basisprincipes bestaan uit de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap, wanneer het plangebied in het Landelijk gebied is gelegen. Met de zorgplicht wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor zijn regels vastgelegd ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie (artikel 3.6 t/m 3.8). De voorwaarden ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap zijn vervat in artikel 3.9. Art 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Voor de ontwikkeling van de nieuwe burgerwoning wordt de bestaande bedrijfswoning herbestemd. Er wordt geen nieuwe bebouwing ontwikkeld. In voorgaande paragraaf is reeds geconcludeerd dat de Ladder niet van toepassing is op het initiatief. Er is met het initiatief dus sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Art. 3.7: Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond; ▪ de netwerklaag;

12 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

▪

de bovenste laag.

Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten wordt uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Art. 3.8: Meerwaardecreatie Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

In dit geval wordt meerwaarde gecreëerd door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het perceel. Hier wordt in navolgende alinea verder op in gegaan. Art. 3.9: Kwaliteitsverbetering Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten aan sluiten bij de gemeentelijke beleidsnotitie ‘Landschapsinvesteringsregeling Nuenen c.a. 2015’, welke is vastgesteld op 17-07-2015. In de gemeentelijke beleidsnotitie staat omschreven hoe bij ontwikkelingen wordt omgegaan met de verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Er worden drie verschillende categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden, op basis van de impact die de ontwikkeling heeft op de omgeving. Categorie 1. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Categorie 2. Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3.

Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basis inspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen). Het planvoornemen voorziet in het veranderen van de functie van een bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning. Het plan is derhalve conform het beleidskader ten aanzien van kwaliteitsverbetering een ruimtelijke ontwikkeling die valt in categorie 1. In dat geval betreft het ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. De ontwikkeling betreft het veranderen van een functieaanduiding van de bedrijfswoning binnen het vigerend bestemmingsvlak. Onder categorie 1 valt ‘herbouw woning binnen vigerend bestemmingsvlak (conform artikel 11.1 lid 3 van de Verordening Ruimte)’. De beoogde ontwikkeling betreft alleen een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing en de vigerende bestemming. Van herbouw is in dit geval geen sprake. Hierdoor zal er qua landschappelijk beeld niks veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de planlocatie. Dit plan omvat landschapselementen zoals landschapsbomen, housingels inheemse beplanting, knip- en scheerhagen, knotbomen en een hoogstam fruitgaard. De aanleg- en onderhoudsverplichting worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan.

Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. sterkt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied;

13 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

c.

borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

Lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. In het landschappelijk inpassingsplan wordt aandacht gegeven aan het versterken van het watersysteem in relatie met de ecologische waarden. Middels de aanleg- en instandhoudingsverplichting wordt de bescherming van de betreffende waarden geborgd. Hiermee wordt voldaan aan de regels betreffende de groenblauwe mantel. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2: Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Op het perceel is reeds de bewoning van een bestaande bedrijfswoning toegestaan, dit zal wijzigen in een burgerwoning. In artikel 3.69 zijn afwijkende regels opgenomen voor (burger)woningen, navolgend zal daaraan worden getoetst.

Artikel 3.69 Afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. de overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. De woning blijft onderdeel van de horecabestemming, maar mag worden gebruikt door derden zonder functionele binding met het bedrijf. Hierdoor blijft de woning de hoofdwoning van de horeca onderneming en wordt voorkomen dat er ooit nog een nieuwe bedrijfswoning bij de horeca onderneming mag worden opgericht. Tevens is er geen sprake van overtollige bebouwing. De woning en aangrenzende schuur is de enige bebouwing dat aanwezig is op het perceel. Sloop van overtollige bebouwing is hier dus niet van toepassing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde planologische herziening voldoet aan het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid Het relevante gemeentelijke beleid is vervat in de Omgevingsvisie Nuenen en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’.

3.3.1

Omgevingsvisie Nuenen

Om nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten in goede banen te leiden, heeft de gemeente de Omgevingsvisie voor Nuenen opgesteld. Hierin staat het toekomstbeeld van de Nuenense leefomgeving beschreven. De visie beschrijft de kernkwaliteiten van Nuenen en benoemt de opgaven voor de fysieke leefomgeving en hoe deze samenkomen. Het plangebied bevindt zich in het gebied ‘Dommeldal’. Afbeelding 5 geeft de gebiedsgerichte uitwerking weer. Het plangebied is in het rood omcirkeld.

14 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Afbeelding 6 – Uitsnede verbeelding Omgevingsvisie Nuenen

Het Dommeldal zal in de toekomst zijn belangrijke ‘groenblauwe’ functie behouden: voornamelijk natuur, waterberging en recreatie. Het gebied ‘Dommeldal’ kenmerkt zich als buffergebied voor het vasthouden en bergen van water. Het Dommeldal zal bovendien verder worden ontwikkeld als robuust natuurpark. Het gebied bevindt zich tussen Eindhoven en Nuenen in en biedt de inwoners van het Dommeldal een aantrekkelijke omgeving voor recreatie. Voor andere onderwerpen, zoals een vitale samenleving of gezondheid als verbindende factor, geldt dat deze op het niveau van een omgevingsvisie niet ruimtelijk zijn vertaald. De visie voor deze onderwerpen is beschrijvend van aard en biedt inspiratie en een kader voor verdere uitwerking. De gemeente krijgt als basistaak om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te waarborgen. De gemeente geeft voorkeur aan kleine betaalbare woningen voor jongeren en ouderen, transformatie en inbreiding met respect voor het groene en dorpse karakter en bescherming, behoud en beleving van het erfgoed. De gemeente wil voorkomen dat er grootschalige stedelijk uitbreiding in het buitengebied plaatsvindt. In het plangebied is alleen sprake van een functiewijziging van een bestaande woning. Hierdoor zal er geen nieuwe bebouwing worden gerealiseerd en heeft het geen effect op de uitstraling en indeling van het buitengebied.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling van de woning geen afbreuk doet aan de waarden uit de omgevingsvisie. De functiewijziging van de bedrijfswoning is passend en er is geen sprake van het realiseren van nieuwe bebouwing.

3.3.2

Bestemmingsplan

In paragraaf 1.3 van deze toelichting is het vigerende bestemmingsplan dat op het plangebied van toepassing is toegelicht. Binnen dit vigerende bestemmingsplan zijn geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van de functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning. De verandering van functieaanduiding van de bedrijfswoning tot burgerwoning maakt de beoogde ontwikkeling mogelijk. In de huidige situatie is de bedrijfswoning gekoppeld aan de bestaande horeca onderneming. De

15 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

ontwikkeling heeft geen invloed op de exploitatie van het bedrijf omdat het een bestaande bedrijfswoning betreft. Tevens vindt de ontwikkeling volledig plaats binnen de bestaande bebouwing en wordt er geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Er mag derhalve bij de horeca onderneming geen nieuwe bedrijfswoning worden ontwikkeld.

16 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten niet kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beinvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten; ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De activiteit die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de omschakeling van één bedrijfswoning naar een zelfstandige woonfunctie. Deze activiteit is niet vermeld in de C- of D-lijst. Er is geen sprake van een toekomstig m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er met het initiatief geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op Natura 2000-gebieden. Zoals in paragraaf 4.4 nader uiteengezet wordt heeft de beoogde ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

4.2 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.

4.2.1

Bodem

De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart dienen te worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en wordt door vertaald in diverse besluiten en regelingen en vervolgens op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit te past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De ontwikkeling betreft een functieverandering van bedrijfswoning tot burgerwoning. Het object is en blijft dus bestemd voor menselijk verblijf. Er hebben gedurende de bestaande gebruiksfunctie geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Bovendien vinden er geen bouw- en of sloopwerkzaamheden plaats waardoor de bodem ongeroerd blijft.

Derhalve is er geen sprake van (humane) risico’s of een spoedeisend geval van bodemverontreiniging. Het is dus niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren op de planlocatie.

4.2.2

Geluid

Op 1 januari 2007 is de (gewijzigde) Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden

17 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn zes aspecten van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van geluidgevoelige objecten? 2. Is er sprake van geluidsoverlast door wegverkeerslawaai? 3. Is er sprake van geluidsoverlast van een spoorweg? 4. Is er sprake van geluidsoverlast door de luchtvaart? 5. Is er sprake van industrie 6. Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Door de herbestemming van bedrijfswoning tot burgerwoning is er geen sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object. Doordat de woning met het initiatief bewoond mag worden door derden, zonder functionele binding met het bedrijf, moet getoetst worden of vanuit de horeca onderneming voldaan kan worden aan de geluidsnormen. Wegverkeerslawaai Aangezien er geen geluidgevoelige objecten worden toegevoegd is een onderzoek naar wegverkeerlawaai niet van toepassing. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart.

Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. Effect op de omgeving Om eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving en de omgeving op de beoogde ontwikkeling qua geluid te toetsen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de woning aan de Collseweg 47 (Bijlage 2, Vliex Akoestiek, 12-01-2022). Uit dit onderzoek is gebleken dat, zonder het treffen van maatregelen, ter plaatse van de burgerwoning niet voldaan kan worden aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. De richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode wordt met 8 dB overschreden. De overschrijding van de richtwaarde voor het maximale geluidsniveau in de avondperiode wordt met 2 dB overschreden. Het blijkt dat de ventilatie van de horecaruimte het meest maatgevend is voor de grootte van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Het gebruik van alleen het springkussen levert ook een overschrijding van de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op. De ventilatie-unit van de horecaruimte zal voorzien worden van een demper met een tussenschakeldemping van ca. 15 dB of een andere maatregel in overleg met de installateur van de ventilatie.

Aan de oostzijde van het springkussen wordt een scherm met een hoogte van 3,5 meter en lengte van ca. 13,5 meter opgericht. Dit is tevens geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Hierdoor zal ter plaatse van de woning aan de Collseweg 47 ook in de avondperiode voldaan worden aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit stap 2 van de VNG-publicatie. De maximale geluidniveaus in de achtertuin van de woning kunnen toelaatbaar geacht worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.

4.2.3

Luchtkwaliteit

De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het

18 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging.

Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM. De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. Voor woningbouw geldt dat een plan NIBM is wanneer er minder dan 1.500 woningen gebouwd worden. Het plan ziet op de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning met privé bijgebouwen. Hiermee wordt de NIBM grens voor woningbouw dus niet overschreden. Het plan is dus met zekerheid NIBM. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3.

Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,72 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 9,295 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM10 en PM2,5.

Afbeelding 7 – Uitsnede GCN-kaart PM10

19 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Afbeelding 8 – Uitsnede GCN-kaart PM2,5

Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 11,9 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.

Afbeelding 9 – Uitsnede GCN-kaart NO2

Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.2.4

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Bij de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende bedrijven.

20 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Woon- en leefklimaat Binnen het plangebied wordt geen nieuwe geurgevoelige functie toegestaan. De ontwikkeling omvat een functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning. Op de gronden waar de ontwikkeling plaatsvindt, zijn in de huidige situatie dan ook al geurgevoelige objecten, zijnde de bedrijfswoning, toegestaan. De aanvaardbaarheid van dit gebruik is eerder afgewogen. Voor de voorgrondbelasting worden bedrijven individueel beoordeeld. Op grond van de Wgv geldt voor een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld een vaste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom. Voor overige diercategorieën kan in beginsel gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst Bedrijven en milieuzonering, waar ‘geur’ één van de toetsaspecten is. In de VNG-lijst geldt een richtafstand tot 200 meter voor veehouderijen voor het aspect geur. Deze afstand geldt voor intensieve veehouderijen, waarvoor de geurcontour verder rijkt dan de vaste afstanden uit de Wgv. In de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant zijn de dichtstbijzijnde veehouderijen aangegeven middels stippen, zie navolgende afbeelding. Hieruit blijkt dat de meest nabijgelegen veehouderij zich op ca. 1.240 meter van het plangebied bevindt, dit betreft de schapenhouderij aan Doolstraat 7. Aan de richtafstanden wordt dan ook ruimschoots voldaan.

Navolgende afbeelding geeft de Kaartenbank Noord-Brabant veehouderijen weer. Het plangebied is in het rood omcirkeld, de dichtstbijzijnde veehouderij is in het blauw omcirkeld.

Afbeelding 10 – Uitsnede Kaartenbank Noord-Brabant veehouderijen

Voor de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, is de indicatieve kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van deze kaart kan worden aangenomen dat er ook vanuit het aspect achtergrondbelasting geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

21 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Afbeelding 11 – Achtergrondbelasting geur (bron: Omgevingsdienst Zuidoost Brabant)

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Omgekeerde werking Binnen het plangebied is al sprake van een bestaand geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, te weten de aanwezige bedrijfswoning. In de beoogde situatie wordt de locatie herbestemd tot burgerwoning met privé bijgebouwen. Met de gewenste ontwikkeling wordt de afstand van dit geurgevoelige object tot de dichtstbijzijnde veehouderijen niet verkleind. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.

4.2.5

Externe veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft als doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.

Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10 -6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

22 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning) is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de De Huufkes 68. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van een slachterij en vleesverwerking. De inrichting heeft een risicoafstand (PR 10-6) van 0 meter. De inrichting aan de De Huufkes is op circa 1.120 meter van de beoogde burgerwoning gelegen. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde veiligheidsafstand. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Uit het bestemmingsplan blijkt dat in het plangebied een dubbelbestemming ‘Leiding - Riool’ is opgenomen. Binnen de belemmeringstrook van deze bestemming is in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig. Dit blijft in de beoogde situatie ook zo. Derhalve zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevb.

Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Uit de risicokaart blijkt ten noorden van de locatie een basisnet spoorlijn is gelegen met een invloedsgebied van 4 km. De afstand tussen de spoorlijn en het plangebied bedraagt circa 420 meter. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verantwoord moeten worden. Aangezien de afstand tot de spoorlijn meer dan 200 meter bedraagt en er met de ruimtelijke ontwikkeling geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, kan echter volstaan worden met een beperkte verantwoording. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) heeft hiervoor een standaard advies opgesteld. Hierin wordt omschreven dat er actief met de omwonenden in het plangebied gecommuniceerd moet worden over de risico’s van de gevaarlijke stoffen, zodat de zelfredzaamheid bevorderd kan worden. Daarnaast is het raadzaam om de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de VRBZO toe te passen, zodat er een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd kan worden. Het standaardadvies is toegevoegd in Bijlage 3. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart weer. Het plangebied bevindt zich binnen het blauwe kader.

Afbeelding 12 – Uitsnede Risicokaart

Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.

23 Bestemmingsplan Collseweg 47-47a te Nuenen

4.2.6

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13051654/1