Bijlage 01 - BP Pastoorsmast 3-5 Toelichting
Tekst van het document
21 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
In de omgevingsvisie zijn kwaliteiten en opgaven gesteld, natuur behoort daar ook toe. Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de ecologische hoofdstructuur (EHS), dit is in NoordBrabant vertaald in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Dit groene netwerk moet zorgen voor het tegengaan van versnippering van de natuur, met daarbij behorende negatieve effecten voor flora en fauna. Doordat in onderhavig plan een bosgebied wordt aangelegd, draagt het bij aan het versterken van de waarden voor het natuurnetwerk. Hiermee kan worden gesteld dat het planvoornemen passend is binnen de kwaliteiten en opgaven zoals die zijn gesteld in de Nuenense omgevingsvisie. 3.4 Landschappelijke inpassing Op basis van het bestaande natuurcompensatieplan, dat is opgenomen in Bijlage 2, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Binnen het natuurontwikkelingsplan wordt een gedeelte van het open terrein omgevormd naar bos. Dit gebeurt door het betreffende gedeelte letterlijk terug te geven aan de natuur om uiteindelijk het beheertype droogbos met productie als eindsituatie te bereiken. Afwijkend hierop is de aan te leggen wadi / amfibieënpoel voor het regenwater van de te ontwikkelen bedrijfspanden. De wadi / amfibieënpoel wordt uitgevoerd als een natuurlijke laagte in het terrein. Hierdoor krijgt deze ook een natuurfunctie passend bij het omringende landschap.
Het landschappelijk inpassingsplan bestaat uit diverse soorten landschapselementen zoals: struweelhagen en de wadi / amfibieënpoel. In navolgende afbeelding is op een plattegrond te zien hoe de landschappelijke inpassing van de locatie eruit komt te zien. Het complete landschappelijk inpassingsplan is ogenomen in Bijlage 3. Initiatiefnemer legt deze natuur aan voordat gebruik gemaakt mag worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe bedrijfsgebouwen. Dit is als zodanig in de regels van onderhavig bestemmingsplan geborgd.
Afbeelding 3.3: Landschappelijk inpassingsplan
22 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Het doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en dat de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.
4.1 Vormvrije m.e.r-beoordeling In de voorbereiding van de planprocedure is een aanmeldingsnotitie ten behoeve van een vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend bij de gemeente Nuenen. Het college van Burgemeester en wethouders heeft naar aanleiding hiervan besloten dat belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het beoogde plan kunnen worden uitgesloten. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.
4.2 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.
4.2.1 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart moeten worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en wordt door vertaald in diverse besluiten en regelingen en vervolgens op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen. Het doel van de bodembeoordeling is het controleren van de bodemgesteldheid, om zo te kunnen bepalen of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan is in 2015 reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om bodemgesteldheid ter plaatse van het plangebied in beeld te brengen. De conclusie daarin luidde als volgt: Het plangebied is op basis van de beschikbare gegevens onderzocht conform de hypothese ‘onverdacht’.
Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft formeel aanleiding die gestelde hypothese te verwerpen. De puin-, baksteen- en kolengruishoudende bovengrond is licht verontreinigd met PAK en minerale olie. De zintuigelijke onverdachte bovengrond ter plaatse van de slipbaan is matig verontreinigd met PAK. De zintuigelijk onverdachte bovengrond ter plaatse van het oostelijke terreingedeelte (uitbreiding bestemming ‘Bedrijf’) en ter plaatse van het westelijke terreingedeelte is licht verontreinigd met PAK, som PCB’s en/of minerale olie. De zintuigelijke onverdachte ondergrond ter plaatse van het gehele terrein is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater ter plaatse van het westelijke terreingedeelte, ter plaatse van de huidige inpandige wasplaats en de voormalige bovengrondse olietank, is licht verontreinigd met benzeen. Het grondwater ter plaatse van het oostelijke terreingedeelte, ter plaatse van de container en de voormalige bovengrondse olietank, blijkt licht verontreinigd met xylenen. Het grondwater ter plaatse van een aanwezige schuur op het noordelijke terreingedeelte is licht verontreinigd met barium, zink en xylenen. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het verkennend onderzoek bleek dus dat het gehalte voor PAK in de bovengrond, ter plaatse van de afwatering van de slipbaan, werd overschreden.
Waardoor een nader onderzoek noodzakelijk was, om de omvang van de 23 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
geconstateerde verontreiniging te bepalen. Het aanvullend bodemonderzoek dat daarop is uitgevoerd (Inpijn-Blokpoel, september 2014) is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de analyseresultaten bleek destijds dat de matige verontreiniging met PAK in de bovengrond niet meer dan een lichte verontreining met PAK betrof. Nader onderzoek werd niet noodzakelijk geacht en er bestond derhalve geen noodzaak tot sanering. Bovendien dient een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen twee uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen twee uur of langer gaan verblijven. Het bestaande kantoorgebouw mag al als zodanig worden gebruikt. De overige bedrijfsgebouwen zullen gebruikt gaan worden voor de verhuur als (opslag)ruimte voor derden, zoals zzp-ers en andere kleinschalige bedrijven. Dit gebruik is niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. De activiteiten binnen het plangebied zijn in de loop der jaren echter veranderd waardoor op meerdere locaties activiteiten hebben plaatsgevonden.
De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant acht, in het verleden uitgevoerde, onderzoeken niet meer representatief en eist een nieuw verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en een verkennend onderzoek asbest conform NEN5707. Gezien de locatie nog verhuurd is aan de slipschool is het onderzoek niet mogelijk. Er is daarom overeengekomen een voorwaardelijke verplichting op te nemen in het bestemmingsplan ten aanzien van een verkennend bodem- en asbest onderzoek nadat bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. 4.2.2 Geluid Op 1 januari 2007 is de (gewijzigde) Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn zes aspecten van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van geluidgevoelige objecten? 2. Is er sprake van geluidsoverlast door wegverkeerslawaai? 3. Is er sprake van geluidsoverlast van een spoorweg? 4. Is er sprake van geluidsoverlast door de luchtvaart? 5. Is er sprake van industrie 6.
Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Het aanwezige kantoor blijft ongewijzigd binnen het plangebied aanwezig en is reeds getoetst in het vigerende bestemmingsplan. Deze wordt tevens niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. De overige (beoogde) bedrijfsgebouwen kunnen niet als geluidsgevoelig worden aangemerkt, omdat deze niet zijn bestemd voor menselijk verblijf. Er worden met het initiatief dus geen geluidgevoelige objecten aan het plangebied toegevoegd. Wegverkeerslawaai Er worden geen geluidgevoelige objecten toegevoegd aan het plangebied. Derhalve is een onderzoek naar wegverkeerlawaai niet van toepassing. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart. 24 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig (zie paragraaf 4.2.5). Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. Paragraaf Bedrijven en milieuzonering toetst het effect van het bedrijf op de omgeving. Effect op de omgeving Het eventuele effect van beoogde ontwikkeling qua geluid op de omgeving is nader toegelicht in paragraaf bedrijven en milieuzonering hieronder. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. 4.2.3 Luchtkwaliteit De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen.
Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM.
De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling het bouwvlak gewijzigd en worden gronden bestemd als ‘Bos’. Er dient bepaalt te worden of de (eventuele) toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.6. Hieruit blijkt dat de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde locatie 431,52 25 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
verkeersbewegingen bedraagt. Om een worst-case berekening te maken is uitgegaan van het volledige aantal (431,52) verkeersbewegingen. Uit de berekening van de NIBM-tool blijkt dat bij een dagelijkse toename van 431,52 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Afbeelding 4.1: Rekentool NIBM
Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,8 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 9,3 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM10 en PM2,5.
Afbeelding 4.2: Uitsnede GCN-kaart PM10 (Bron: Geodata) Afbeelding 4.3: Uitsnede GCN-kaart PM2,5 (Bron: Geodata)
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is d e grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 12,38 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie. 26 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Afbeelding 4.4: Uitsnede GCN-kaart NO2 (Bron: Geodata)
Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.2.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Bij de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende bedrijven. Woon- en leefklimaat Binnen het plangebied wordt geen nieuwe geurgevoelige functies toegevoegd. Ter plaatse van het plangebied worden bedrijfsgebouwen toegevoegd welke gebruikt worden voor opslagdoeleinden. De gebouwen zijn dus niet gericht op menselijk verblijf.
In de huidige situatie zijn de gronden reeds bestemd is voor ‘Bedrijf’, met deels de aanduiding ‘bouwvlak’. Op een groot deel van de gronden waar de ontwikkeling plaatsvindt, zijn in de huidige situatie dan ook al bedrijfsgebouwen toegestaan. De aanvaardbaarheid van dit gebruik is eerder afgewogen. Binnen het plangebied is echter wel een kantoorpand aanwezig. Volledigheidshalve wordt hiervoor de geursituatie ter plaatse inzichtelijk gemaakt. Voor de voorgrondbelasting worden bedrijven individueel beoordeeld. Om te beginnen kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst Bedrijven en milieuzonering, waar ‘geur’ één van de toets aspecten is. In de VNG-lijst geldt een maximale afstand van 200 meter voor veehouderijen voor het aspect geur. In de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant zijn de dichtstbijzijnde veehouderijen aangegeven middels stippen, zie navolgende afbeelding. Hieruit blijkt dat de meest nabijgelegen veehouderij zich op ca. 310 meter van het plangebied bevindt, dit betreft de paardenhouderij aan de Beekstraat 48 te Nuenen. Voor een paardenhouderij geldt een richtafstand van 50 meter. Aan de minimale afstand wordt dan ook ruimschoots voldaan.
27 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Afbeelding 4.5: Kaartbank Provincie Noord-Brabant veehouderijen (Bron: kaartbank Brabant)
Voor de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, is de indicatieve kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van deze kaart kan worden aangenomen dat er ook vanuit het aspect achtergrondbelasting geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Afbeelding 4.6: Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB, peildatum 1 januari 2020)
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Omgekeerde werking In de beoogde situatie wordt het bouwvlak vergroot voor de realisatie van bedrijfsgebouwen. De nieuwe gebouwen kunnen niet als geurgevoelig aangemerkt worden gezien ze niet zijn gericht op menselijk verblijf. Bovendien zijn bestaande gevoelige objecten rondom het plangebied dichter bij omliggende veehouderijen gelegen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. 28 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
4.2.5 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door de ligging naast de hoofdinfrastructuur. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende gevoelige objecten gelegen: ▪ Pastoorsmast 12, Scouting ‘Panta Rhei’: de afstand bedraagt 32 meter van het plangebied tot aan het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ met ‘specifieke vorm van maatschappelijk – scouting’. ▪ Pastoorsmast 6, Schutterij: de afstand bedraagt 33 meter van de bestemmingsvlakgrens ‘bedrijf’ tot aan het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ met ‘specifieke vorm van maatschappelijk – schutterij’. ▪ Pastoorsmast 14, voetbalvereniging RKSV Nuenen: de afstand bedraagt 59 meter van de bestemmingsvlakgrens ‘bedrijf’ tot aan het bestemmingsvlak ‘sport’ met ‘bouwvlak’ en ‘specifieke vorm van maatschappelijk – buitenschoolse opvang’. ▪ Kremersbos, woningen: aan de straat Kermersbos zijn de meest dichtbij gelegen woningen, deze bevinden zich op een afstand van circa 300 meter van het plangebied.
Voor beoogde ontwikkeling, een niet-agrarisch bedrijf, kan qua opgenomen richtafstanden in de VNG brochure worden aangesloten bij de activiteit ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en 10 meter voor gevaar. Aangezien het plangebied in gemengd gebied is gelegen kan de richtafstand voor geluid met één afstandsstap verkleind worden naar 10 meter voor het aspect geluid. Het aspect gevaar blijft 10 meter, deze mag namelijk niet worden verkleind. Aan de geldende richtafstanden wordt voldaan. Daar komt bij dat beoogde activiteiten enkel mogelijk zijn binnen bedrijfsbebouwing en deze bedrijfsbebouwing enkel binnen het vastgelegde bouwvlak kan worden gerealiseerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat omliggende gevoelige objecten op voldoende afstand van de beoogde nieuwe bedrijfsvoering zijn gelegen en dat ter plaatse van deze gevoelige objecten sprake blijft van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat.
29 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Aangezien er geen gevoelig object wordt toegevoegd binnen het plangebied kan op voorhand met zekerheid worden gesteld dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de beoogde ontwikkeling. 4.2.6 Externe veiligheid Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens.
Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers. Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld.
Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit is het Bevi niet van toepassing op het plangebied. De beoogde functie omvat namelijk geen risicovolle activiteiten zoals het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt daarnaast dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn nabij het plangebied. Gezien de grote afstanden zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi.
Bevb In de omgeving van het plangebied zijn geen boven- of ondergrondse buisleidingen gelegen die de externe veiligheid beïnvloeden. Er is dan ook geen sprake van een belemmering vanuit het Bevb. 30 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Bevt Het plangebied ligt naast de rijksweg A270, zoals ook te zien is in navolgende afbeelding waarop een uitsnede van de risicokaart is weergegeven. Voor deze weg is geen risicoplafond gesteld maar het plangebied ligt wel binnen de invloedssfeer van deze weg. Er worden over deze weg bulktransporten brandbare vloeistoffen en brandbaar gas vervoerd. Stoffen uit deze categorie hebben een invloedsgebied van 355 meter. Het invloedsgebied reikt tot in het plangebied. Volgens artikel 8 van het Bevt zou het groepsrisico uitgebreid verantwoord moeten worden. Beoogde bebouwing is echter bestemd voor opslagdoeleinden en niet voor het verblijven van mensen. Dit maakt dat de nieuwe bebouwing geen (beperkt) kwetsbare objecten zijn. Hierdoor kan conform artikel 8, lid 2, sub b, van het Bevt worden volstaan met het standaardadvies van de veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Dit standaardadvies is in Bijlage 6 bijgevoegd.
Afbeelding 4.7: uitsnede Risicokaart (ODZOB) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorziene ontwikkeling.
4.3 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor onderhavig plan. Provinciaal waterplan Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende jaren op de ontwikkeling van een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. De provincie Noord-Brabant heeft een gemeenschappelijk milieu- en waterplan opgesteld.
Het zet een nieuwe koers uit naar een algeheel plan 31 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
met betrekking tot water, bodem, lucht en overige milieuaspecten. Het plangebied is niet gelegen binnen een van de natte natuurparels of beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van onderhavig plan. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan is sinds 2019 verankerd in de provinciale Omgevingsvisie. Waterschap de Dommel Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van Waterschap De Dommel. De visie van Waterschap De Dommel is vervat in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.Het Waterbeheerprogramma 20222027 is in november 2021 vastgesteld door het Algemeen bestuur van waterschap De Dommel. Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water, de Deltabeslissingen en het Provinciaal Milieu- en Waterplan beschrijft het waterbeheerplan hoe er gewerkt gaat worden aan de wateropgaven. De hoogste prioriteit van het waterschap is om vanuit hun verantwoordelijkheid bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners in de regio. Daarnaast staat het waterschap voor innovatief en duurzaam waterbeheer. Keur waterschap de Dommel De beleidsregels uit het waterbeheerplan zijn vertaald in de Keur. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen.
Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het waterschap als stromen die in eigendom zijn van derden. De voorschriften in de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. De Keuren zijn door de drie Noord-Brabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geüniformeerd en gedereguleerd. De laatste versie van de Keur is per 1 april 2021 in werking getreden. Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening. Daarnaast zijn in de Keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. In navolgende afbeelding is het plangebied te zien op de keurkaart van Waterschap de Dommel.
Uit de Kaart Beschermde Gebieden Keur blijkt dat het plangebied gelegen is in een beschermd gebied. Op dit gebied is geen vrijstelling voor waterberging van toepassing, hiermee zijn bij elke toename aan verhard oppervlak maatregelen omtrent de waterhuishouding noodzakelijk. Verder geldt voor wat betreft het aanleggen van een poel in beschermd gebied dat: ▪ de poel een oppervlakte mag hebben van maximaal 5.000 m2; ▪ de poel niet dieper mag zijn dan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) tot een maximum van 1,20 meter diep; ▪ de poel een taludhelling heeft van aan de noordzijde minimaal 1:5 en overige taludhellingen minimaal 1:3.
32 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Afbeelding 4.8: Keurkaart Waterschap de Dommel Watertoets Met het planvoornemen vindt er een wijziging in de verharde oppervlakte plaats. Er wordt met het initiatief 3.900 m2 extra oppervlak aan bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. Ter compensatie wordt een openbaar bos van 3.900 m2 aangelegd. Aangezien de bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd op het buitenterrein dat reeds verhard was, vindt er per saldo een afname in verhard oppervlak plaats. Niet alleen ten opzichte van de vigerende planologische situatie, maar ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie binnen het plangebied. In navolgende tabel zijn de gestelde oppervlakten inzichtelijk gemaakt. Oppervlakte Bebouwing (daken) Terrein verhard (ongeveer) Totaal verharding Totaal onverhard Totale oppervlakte
Oorspronkelijke situatie 685 m2 16.269 m2 16.954 m2 27.685 m2 44.639 m2
Huidige situatie 4.920 m2 12.738 m2 17.658 m2 26.984 m2 44.642 m2
Nieuwe situatie 8.820 m2 4.938 m2 13.758 m2 30.884 m2 44.642 m2
In de oorspronkelijke situatie liep het verhard oppervlak schuin af richting het omliggende onverharde terrein. Het hemelwater dat op het verhard terrein terecht kwam kon onder afschot afvloeien op de omliggende gronden. Het hemelwater dat op het oorspronkelijke bedrijfsgebouw aan de Pastoorsmast 3 (515 m2) terecht kwam, werd naar de sloot ten zuiden van het plangebied geleid. Het kantoorgebouw aan de Pastoorsmast 5 (170 m2) was aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. In de huidige situatie is het kantoorgebouw met het omliggend verhard terrein aan de Pastoorsmast 5 ongewijzigd gebleven. Dit blijft ook in de beoogde situatie het geval. Aan de Pastoorsmast 3 is met het vigerende bestemmingsplan een maximum bebouwd oppervlak van 4.750 m2 toegestaan. Op grond van het waterschapsbeleid ten tijde van het vaststellen van het vigerende bestemmingsplan gold hiervoor een vereiste bergingscapaciteit van 0,44 l/s/ha. Binnen het plangebied moest derhalve een infiltratievoorziening worden aangelegd met een capaciteit van 209 m 3 (= 4.750 m2 x 0,44 l/s/ha). Als voorwaardelijke verplichting is derhalve vastgelegd dat een waterberging met een inhoud van tenminste 215 m3 gerealiseerd en in stand gehouden moest worden. Hiervoor was tevens een plek aangewezen in het compensatieplan.
33 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Zoals reeds uiteen is gezet is het compensatieplan nog niet gerealiseerd, gezien de huurovereenkomst met de slipschool nog niet is geëindigd. De waterberging is dan ook niet op de aangewezen locatie gerealiseerd. Ten behoeve van de realisatie van de 4.750 m2 bedrijfsbebouwing en de omliggende erfverharding (± 2.000 m2) is de grond ter plaatse 50 cm omhoog gebracht. Het hemelwater dat hierop terecht komt watert af op de bosstrook, gelegen tussen de bestande bedrijfsgebouwen en de aardewal op de zuidelijke perceelsgrens van het plangebied. Deze bosstrook heeft een oppervlakte van circa 2.500 m2. Uitgaande van de rekenregel dat de retentievoorziening voor het bestaande verharde oppervlak een capaciteit dient te hebben van 0,44 l/s/ha, moet in de bosstrook 297 m 3 (= 6.750 m2 x 0,44 l/s/ha) hemelwater gebufferd worden. De bosstrook heeft voldoende buffercapaciteit om hemelwater dat op het bestaande verharde oppervlak terecht komt te laten infiltreren in de bodem. Dit komt met een oppervlakte van circa 2.500 m2 namelijk neer op nog geen 8,5 cm per vierkante meter. Voor extreme weersomstandigheden is een noodoverloop gecreëerd op de sloot ten zuiden van het plangebied. Op grond van de Keur 2021 moet voor nieuwe oppervlakteverhardingen groter dan 500 m 2 voorzien worden in een infiltratievoorziening met een bergingscapaciteit van minimaal 60 l/s/ha.
Er wordt met het initiatief 3.900 m2 extra oppervlak aan bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. Daar om heen ligt naar schatting circa 2.000 m2 erfverharding. Om het hemelwater dat hierop terecht komt af te koppelen van het watersysteem dient derhalve voorzien te worden in een retentievoorziening van minimaal 354 m 3 (5.900 m2 x 60 l/s/ha). In het landschappelijk inpassingsplan is de aanleg van een amfibieënpoel als onderdeel van de natuurfunctie meegenomen. Hier zullen de beoogde nieuwe bedrijfsgebouwen en de omliggende erfverharding op afgekoppeld worden om de amfibieënpoel niet droog te laten vallen. Hierbij zullen de keurregels ten aanzien van de aanleg van een poel in beschermd gebied in acht worden genomen. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ter plaatse bedraagt meer dan 2,5 meter, zie onderstaande afbeelding. In lijn met de keurregels ten aanzien van beschermd gebied zal de amfibieënpoel derhalve maximaal 1,2 meter diep worden. Het ruimtebeslag gaat uit van verticale oevers. Aangezien de taluds in de praktijk flauwer zijn, moet hiervoor gecorrigeerd worden. De poel dient derhalve een taludhelling te hebben van: aan de noordzijde minimaal 1:5; overige taludhellingen minimaal 1:3. Om voldoende retentiecapaciteit te bieden, zal de amfibieënpoel minimaal 295 m 2 (=354 m3/1,2 m) groot worden.
4.9 Uitsnede bodematlas ‘gemiddelde laagste waterstand’ (Bron: kaart Provincie Noord Brabant) Voor het overige vinden er geen wijzigingen in de bestaande waterhuishoudkundige situatie plaats. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de 34 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de realisatie van de plannen.
4.4 Wet natuurbescherming Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet zijn opgegaan in deze nieuwe wet. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Navolgend wordt eerst de bescherming op gebiedsniveau behandeld en daarna de soortenbescherming. Bescherming op gebiedsniveau Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, projecten te realiseren of handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase in kaart te brengen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd Het onderzoek is uitgevoerd door Van Doormaal Advies, in Bijlage 7 is het volledige rapport terug te vinden. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, gelegen in een ecologische hoofdstructuur.
Doordat de beoogde ontwikkelingen en activiteiten buiten deze zones zijn gelegen, en er extra bos wordt aangelegd, blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.
35 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Afbeelding 4.10: Uitsnede kaart Instructieregels gemeente: natuur en stiltegebieden Iov
Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wnb. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan.
In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Met het planvoornemen is geen sprake van het slopen van bebouwing. Hiermee worden dus geen eventuele verblijfsplaatsen vestoord. Ter plaatse van het bestaande buitenterrein van het bedrijf worden nieuwe bedrijfsgebouwen toegevoegd. Het buitenterrein doet momenteel dienst als parkeeren manoeuvreerruimte. Volgens het bestemmingsplan ‘Pastoorsmast 3-5’ was het beoogd opslag te realiseren, dit is echter nog niet gerealiseerd gezien het contract van de slipschool nog loopt. Het buitenterrein is dus intensief in gebruik, waardoor het onwaarschijnlijk is dat zich hier vaste rust- en verblijfsplaatsen van beschermde soorten bevinden. Aan de bestaande beplantingsstructuren worden geen wijzigingen gebracht, waardoor rust- en verblijfsplaatsen die zich hier bevinden niet zullen worden aangetast. Ook worden daarom geen elementen waarop dieren zoals vleermuizen zich mogelijk oriënteren aangepast of verwijderd, Foerageergebieden blijven als zodanig in tact.
Bovendien wordt met het initiatief 3.900 m2 aan nieuw bos aangelegd waardoor de situatie voor (beschermde) flora en fauna alleen maar zal verbeteren. Houtopstanden De bedrijfsbestemming is danig gesitueerd dat er geen houtopstanden gekapt hoeven te worden. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde. 36 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de flora- en fauna en houtopstanden. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor onderhavig plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied. Cultuurhistorie In navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant weergegeven. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt geconcludeerd dat het plangebied deels gezien wordt als archeologisch landschap. Het betreft het dekzandeiland Tongelreep – Groote Aa. Het is een gebied dat bestaat uit oude bouwlanden die in het gebied rondom Nuenen met dekzand bedekt zijn. Met het plan wijzigt de structuur of het verloop van het gebied niet.
Ook laat het initiatief de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten. Het aspect archeologie wordt hierna verder behandeld.
Afbeelding 4.11: Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant
Archeologie Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed de zogenaamde zorgplicht. De gemeente Nuenen heeft hiervoor archeologiebeleid opgesteld, dat is overgenomen in de verschillende bestemmingsplannen. De hoofdlijn van het beleid is dat archeologisch 37 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten, vanaf een bepaalde omvang van de bodemverstoring. In het vigerende bestemmingsplan is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’ opgenomen. Dit betekent dat de gronden mede zijn bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. Daardoor is er voor bodemroerende werkzaamheden die een totale oppervlakte hebben van meer dan 2.500 m2 of dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld worden uitgevoerd een omgevingsvergunning benodigd. Uitzondering hierop is vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Met het initiatief wordt het bestaande buitenterrein van het bedrijf heringericht met nieuwe bedrijfsgebouwen en extra openbaar bos. Het buitenterrein van de bedrijfslocatie is op dit moment voorzien van erfverhardingen en voorzieningen voor buitenopslag, zoals keerwanden met grondwallen. Bij het aanleggen van deze voorzieningen zijn de gronden ter plaatse reeds tot funderingsdiepte verstoord door grondbewerking- en egalisatiewerkzaamheden. Aangezien er bodemingrepen gaan plaatsvinden is het wenselijk toch een archeologisch vooronderzoek te laten plaatsvinden.
Dit geldt enkel voor de gronden die in het bestemmingsplan Oude Landen 2013 nog waren bestemd als Bedrijf en in het beoogde bestemmingsplan worden bestemd als Bos of vice versa. Het grootste deel van deze gronden zijn echter voorzien van een dikke asfaltlaag, die in gebruik is door de slipschool. Om de eventueel aanwezige archeologische waarde te kunnen onderzoeken zou er door de asfalt laag heen geboord moeten worden, waardoor deze onbruikbaar wordt. Het contract met de slipschool loopt nog tot 1-1-2025. Het is dus tot die tijd praktisch niet haalbaar om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren. Bovendien is de asfalt laag 25 cm dik en ligt deze op een laag puin, waaronder nog een laag geel zand ligt. Daarbij hebben er tijdens de aanleg van de A27 in de jaren 60 van de vorige eeuw, grondwerkzaamheden op het terrein plaatsgevonden. Het aanwezige asfalt diende destijds als parkeerplaats voor de Helmondweg. Om aan te tonen dat de gronden ter plaatse dusdanig verstoord zijn dat er geen archeologische resten meer in de bodem aanwezig zijn, is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Daarnaast worden er een aantal boringen geplaatst rondom het asfalt om de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse vast te stellen. Het onderzoeksrapport is toegevoegd onder bijlage 3 (Transect, oktober 2021).
Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. In de omgeving van het plangebied zijn tot op heden weinig archeologisch vindplaatsen ontdekt. In de omgeving van het plangebied zijn bij onderzoeken ook veel verstoringen aangetroffen, waardoor eventuele archeologische resten reeds verloren zijn gegaan. Tevens zijn in het plangebied vermoedens op de aanwezigheid van verstoringen die te maken hebben met de aanleg van de parkeerplaats en de op- en afrit van de A270. Er zijn ook als gevolg van de inrichting van het evenemententerrein bodemverstoringen te verwachten. Op basis van het veldonderzoek zijn drie verwachtingszones te specificeren. ▪ In het noordwesten van het plangebied is in de top van het dekzand in vier boringen een (nagenoeg) intacte podzolbodem aangetroffen. Deze zone is op basis van het bureauonderzoek het minst aangetast door recent graafwerkzaamheden. In deze zone is op basis van het bureauonderzoek het minst aangetast door recente graafwerkzaamheden. In deze zone is het archeologisch relevante niveau nog intact en hier blijft de middelhoge archeologische verwachting behouden.
▪ De boringen aan weerszijden van de asfaltbaan laten een ondergrond zien met een verstoringspakket scherp op de C-horizon van het dekzand. Op basis van de luchtfoto’s en de 38 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
▪
boringen die enkele meters uit de baan zijn gezet hebben de werkzaamheden zich beperkt tot de bestaande asfaltstrook en net erbuiten. Er geldt vanwege de verstoring geen archeologische verwachting. Ten noordoosten en zuiden van de asfaltbaan is sprake van een wisselende intactheid van de ondergrond. Op basis hiervan geldt een lage archeologische verwachting op intacte en behoudenswaardige archeologische resten. De informatiewaarde van eventuele archeologische vindplaatsen zal door de hoge mate van verstoring laag zijn.
Op basis van de resultaten van het onderzoek geldt in het plangebied deels een middelhoge, lage en geen archeologische verwachting. Er wordt geadviseerd om de zone met de middelhoge archeologische verwachting als zodanig op te nemen in het bestemmingsplan. Op basis van de huidige plannen is en blijft dit gebied in gebruik als bos. Er worden dan ook geen bodemingrepen verwacht in dit gebied. Indien er in de toekomst toch bodemingrepen zullen plaatsvinden wordt er geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de karterende fase. In de zones met geen en een lage archeologische verwachting wordt geadviseerd om geen archeologische waarde op te nemen in het bestemmingsplan en geen vervolgonderzoek noodzakelijk te stellen. Wel geldt dat wanneer er tijdens de grondwerkzaamheden in deze zone onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten). Met dit plan wordt hier aanvulling aangegeven doordat de archeologische dubbelbestemming alleen nog geldt op de gronden die niet reeds verstoord zijn. De archeologische dubbelbestemming is ter plaatse van de bedrijfsbestemming en het verharde pad verwijderd. De gronden bestemd tot bos zullen de archeologische dubbelbestemming behouden. Hier vinden geen bodemingrepen plaats.
4.6 Verkeer en parkeren In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en de benodigde parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. Dit aantal is inclusief de bezoekers. De parkeernormen zijn afgeleid uit de landelijke richtlijn van het CROW: ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, publicatie 317 uit oktober 2012. Het plangebied valt in een gebied met 1.187 adressen per vierkante kilometer, hierdoor valt het binnen ‘matig stedelijk’ gebied. In de beoogde situatie blijft de functie van het kantoor van 170 m2 gelijk. Voor een kantoor zonder baliefunctie geldt een parkeernorm in het buitengebied van 2,3 tot 2,8 per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Voor het beoogde opslagverhuurbedrijf wordt het bruto bedrijfsvloeroppervlak verhoogd met 3.900 m2. Het totaal bruto bedrijfsvloeroppervlak voor verhuur/opslag komt dan uit op een oppervlakte van 8.650 m2.
Voor een ‘bedrijf arbeidsextensief en bezoekersextensief’, geldt een parkeernorm van 0,8 tot 1,3 per 100 m2 bruto vloeroppervlak. In dit geval is er sprake van verhuur van opslagruimte. Daarbij zal het parkeren vooral inhouden het kort parkeren ten behoeve van in- en uitladen van goederen door pricepersoenen en zzp’ers. Daarom is er uitgegaan van een parkeernorm van 0,8. Dit houdt in dat er behoefte is aan 70 parkeerplaatsen. Hiervoor is op het perceel ruim voldoende plaats aanwezig. In totaal zijn er 22 parkeervakken aanwezig. Voor het laden of lossen van goederen wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de opslagruimte geparkeerd. Daarvoor is op de verharding tussen de opslagloodsen van ongeveer 14 m voldoende ruimte om aan weerszijden de auto neer te zetten.. 39 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Verkeer De verkeersgeneratienormen zijn afgeleid uit de landelijke richtlijn van het CROW: ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, publicatie 317 uit oktober 2012. Het plangebied valt in een gebied met 1.187 adressen per vierkante kilometer, hierdoor valt het binnen ‘matig stedelijk’ gebied. Momenteel is er 170 m2 vloeroppervlak voor het kantoor zonder baliefunctie. Daarvoor geldt op basis van de CROW richtlijn per 100 m2 bruto vloeroppervlak in het buitengebied een verkeersgeneratie van 7,9 tot 9,6 verkeersbewegingen per dag. Uitgaande van de maximale verkeersgeneratie van 9,6 zijn dat in de huidige situatie 16,32 verkeersbewegingen. Ook is er 4.750 m2 aan bruto bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van de het grondverzetbedrijf aanwezig. Op basis van de CROW richtlijn is er per 100 m2 bruto vloeroppervlak in het buitengebied een verkeersgeneratie van 3,9 tot 5,7 verkeersbewegingen per dag met een gemiddelde van 4,8. Dit houdt in dat in de huidige situatie een verkeersgeneratie is van 228 verkeersbewegingen per dag. Tevens vindt er in de huidige situatie buitenopslag van zwaar materieel plaats ten behoeve van het grondverzetbedrijf. Het bruto bedrijfsvloeroppervlak is dus in dit geval hoger dan alleen het oppervlak van de aanwezige bedrijfsgebouwen. De bedrijfsbestemming voor buitenopslag beslaat in totaal zo’n 1,88 ha.
In dit geval is het redelijk om 10 % van de gronden voor buitenopslag mee te rekenen in het bruto bedrijfsvloeroppervlak. Voor het opslagverhuurbedrijf komt de verkeersgeneratie dus uit op 228 + 90,2 = 318,2 verkeersbewegingen per dag. Gezien de specifieke vorm van bedrijf, grondverzet, is circa 80 % van deze verkeersbewegingen met grote vrachtwagens en zware voertuigen. Dat betekent dat er met grote vrachtwagens en zware voertuigen 254,56 verkeersbewegingen gemiddeld per dag zijn. Voor licht verkeer is het aantal verkeersbewegingen in totaal 16,32 + 63,64 = 79,96 gemiddeld per dag. Dat is in totaal 334,52, naar boven afgerond 335 verkeersbewegingen per dag. In de beoogde situatie blijft de functie van het kantoor van 170 m2 gelijk. Hier is met de maximale norm met een verkeersgeneratie van 9,6 gerekend. Dat zijn 16,32 verkeersbewegingen per 100 m2 per dag. In de beoogde situatie komt hier een toename aan bruto bedrijfsvloeroppervlak bij van 3.900 m2. Het totaal bruto bedrijfsvloeroppervlak voor verhuur/opslag komt dan uit op een oppervlakte van 8.650 m2. De verkeersgeneratie voor het opslagverhuurbedrijf komt dan uit op 415,2 verkeersbewegingen per dag. In de beoogde situatie is buitenopslag niet meer van toepassing.
Omdat de bedrijfsvoering verschuift naar opslag en verhuur van ruimtes aan zzp’ers, kleinschalige bedrijven en privépersonen is zwaar verkeer niet structureel te verwachten en is het aandeel grote vrachtwagens en zware voertuigen nul. Dat betekent een afname van 255 verkeersbewegingen van grote vrachtwagens en zware voertuigen gemiddeld per dag. Voor het totale (licht) verkeer is het aantal verkeersbewegingen dus 16,32 en 415,2 = 431,52 gemiddeld per dag. De totale toename van de verkeersgeneratie is 97 verkeersbewegingen gemiddeld per dag. Ondanks de toename van in totaal 97 verkeersbewegingen gemiddeld per dag is in dit geval in vergelijking met de huidige planologische situatie (grondverzetbedrijf) sprake van een aanzienlijke afname van grote vrachtwagens en landbouwvoertuigen. Dit leidt ondanks een toename van 97 verkeersbewegingen gemiddeld per dag tot een aanzienlijke afname van grote vrachtwagens en zware voertuigen op de wegen en in het bijzonder de Maatschappijweg langs een woonwijk. Dit is voor de woonwijk langs de route een wezenlijke verbetering met name ten aanzien van verkeersveiligheid en het woon-en leefklimaat. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie is dus sprake van een sterke afname van het aantal verkeersbewegingen met grote vrachtwagens en zware voertuigen.
De Pastoorsmast kan de verkeersgeneratie van licht verkeer van het beoogde bedrijf makkelijk opvangen aangezien het een brede geasfalteerde weg betreft. De dimensionering van deze weg is zodanig, dat de verkeersbewegingen niet tot problemen leiden. Ook is de ligging nabij de A270 positief, zodat men snel aansluiting vindt op het hoofdwegennet. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het initiatief geen negatieve consequenties met zich mee zal brengen voor de verkeerssituatie ter plaatse. Conclusie 40 Bestemmingsplan ‘Herziening Pastoorsmast 3-5, Nuenen’
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een sterke afname in het aantal zware verkeersbewegingen. Qua benodigd aantal parkeerplaatsen zal op het eigen perceel worden voldaan aan de geldende normen. Tevens is er voldoende ruimte voor het opstellen van voertuigen voor laden en lossen. Hiermee vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.