CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nuenen Zuidoost, herziening De Mijlpaal (vaststelling)

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost, herziening De Mijlpaal'19.009 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek Met het planvoornemen worden geluidgevoelige functies gerealiseerd, namelijk 19 woningen binnen één woongebouw. De geluidgevoelige functies zijn niet gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen en spoorwegen. De nabij het plangebied gelegen Brabantring en de Hoge Brake zijn betreffen 30 km/h-wegen. Om die reden wordt het geluid niet getoetst aan de regels in de Wet geluidhinder, maar beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is opgenomen in bijlage 7. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt ten gevolge van het verkeer op de Brabantring en Hoge Brake samen.

De geluidsituatie wordt daarmee als 'redelijk' beoordeeld. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor de woningbouw. Er is dan ook geen verdere actie vereist. Conclusie De beoogde woningen kunnen gerealiseerd worden binnen de randvoorwaarden van de Wet ruimtelijke ordening. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

37

4.7

Milieuhinder en bedrijven

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven". Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen en een gezondheidscentrum gerealiseerd.

Hiermee wordt een milieugevoelige functie en een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied is gelegen in een gebied met voornamelijk woningen. Aan de westzijde is weliswaar een winkelcentrum met diverse voorzieningen gelegen, maar dit centrum heeft een solitaire ligging in een verder met maatschappelijke voorzieningen en woningen omgeven gebied. De omgeving van het plangebied kan daardoor worden getypeerd als 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied liggen bedrijven die een mogelijke invloed kunnen hebben op de ontwikkeling. Zo bevindt zich ten westen van de beoogde woningen de bestemming Centrum. Hier is het winkelcentrum gelegen en mogen diverse detailhandels- en dienstverleningsfuncties gerealiseerd worden. Volgens de VNG-brochure valt dit onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter in gebied dat aangemerkt wordt als 'rustige woonwijk'. De locatie is momenteel, en in de toekomstige, situatie in gebruik als parkeerterrein. Het betreft een parkeerterrein met een beperkt aantal parkeerplaatsen waardoor milieuhinder niet verwacht wordt. De werkelijke afstand tussen de bebouwing van het winkelcentrum en de gevel van het woongebouw bedraagt circa 20 meter. Hiermee wordt ruim aan de richtafstand voldaan.

Tevens vindt de bevoorrading van het winkelcentrum ten noorden van het winkelcentrum plaats. Dit bevindt zich op circa 95 meter afstand van het plangebied. Het gezondheidscentrum, valt volgens de VNG-brochure onder milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het beoogde gezondheidscentrum en het beoogde woongebouw bedraagt 24 meter. De meest nabij gelegen gevoelige functie betreft de woning aan de Zilvermeeuwhof 19. De afstand tussen het gezondheidscentrum en deze woning bedraagt 18 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. In het plangebied bevindt zich momenteel een nutsvoorziening. Deze zal verplaatst worden naar een locatie buiten het plangebied. Er hoeft hierdoor geen rekening worden gehouden met een richtafstand tot de nutsvoorziening. Conclusie Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

38

4.8

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2)) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek In paragraaf 4.2 is de verkeersgeneratie berekend. Ten gevolge van de nieuwe functies zal de verkeersgeneratie circa 616 motorvoertuigen per etmaal bedragen. De ontwikkeling valt daarmee binnen de categorie 'Niet in betekenende Mate' zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Het plan draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

39

Figuur 4.8.1 Uitsnede NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Smits van Oyenlaan, op ruim 430 meter ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020 ten hoogste 20,7 µg/m³ voor NO2, 19,0 µg/m³ voor PM10 en 11,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,9 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

40

Figuur 4.8.2 Uitsnede NSL tool Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.9

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:  bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).  Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas.  Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe

Rho adviseurs voor leefruimte

41

veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

42

Onderzoek

Figuur 4.10.1 Fragment risicokaart met relevante inrichtingen en transportroutes en het plangebied blauw omcirkeld (bron: risicokaart) Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.10.1). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water. Ten zuiden bevindt zich de spoorlijn Eindhoven - Venlo op een afstand van circa 1,4 kilometer. Het invloedsgebied van het spoortraject wordt bepaald door stofcategorie A en betreft 460 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. De A270 bevindt zich tevens ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 520 meter. Deze weg maakt geen onderdeel uit van het Basisnet. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaats. De maatgevende stofcategorie betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. De aardgasleidingen Z-514-06 en Z-514-01 bevinden zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 1,4 kilometer. Beide buisleidingen hebben een grootte van 12 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied is 140 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied.

Ook voor deze risicovolle bron hoeft het groepsrisico niet berekend of verantwoord te worden. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting of transport van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

43

4.10

Ecologie

Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en;  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te

Rho adviseurs voor leefruimte

44

verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven bedraagt circa 6 kilometer. De afstand tot het meest dichtstbijzijnde NNN bedraagt circa 460 meter. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de grote afstand tot natuurgebieden kunnen ook effecten zoals verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de realisatiefase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de realisatiefase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. Deze vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd om negatieve effecten op Natura 2000 uit te sluiten. Zie bijlage 9 voor de memo en bijlage 10 voor de berekening van de gebruiksfase. De realisatiefase is ondanks de Wet stikstofreductie en natuurverbetering berekend. Deze is in bijlage 11 te vinden. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiksfase en de realisatiefase van de ontwikkeling. Soortenbescherming De grond waarop de nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt is deels begroeid. Daarnaast wordt de aanwezige bebouwing gesloopt.

Het is dan ook niet uitgesloten dat deze locatie ongeschikt als verblijfsplaats voor beschermde soorten is. Aan de hand van een quickscan flora en fauna wordt bepaald of de ontwikkeling mogelijk van invloed is op beschermde plant- en diersoorten. Dit onderzoek is als bijlage 12 toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat bij de werkzaamheden overtreding kan plaats vinden. Effecten op eksters en vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen door maatregelen worden voorkomen. Effecten op beschermde gebieden zijn uitgesloten. Indien het nemen van maatregels zoals genoemd in het onderzoek niet mogelijk is, dient vervolgonderzoek naar de aangegeven soorten uitgevoerd te worden. De te nemen maatregelen betreffen:  Verricht de werkzaamheden en verplaats de mezenkasten buiten de broedperiode (globaal half maart t/m half augustus).  Indien werken buiten de broedperiode niet mogelijk is kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd worden door een ecoloog.  Voorkom vestiging van witte kwikstraat, zwarte roodstraat en winterkoning door in de

Rho adviseurs voor leefruimte

45

broedperiode bouwmateriaal e.d. direct te verwijderen uit het plangebied. Daarnaast geldt verder voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht. Het uitvoeren van de maatregelen en de algemene zorgplicht is mogelijk. Vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.11

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig.

Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. De aanwezige nutsvoorziening wordt verplaatst. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.

4.12

Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie

Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen. De woningen worden bovendien voorzien van zonnepanelen.

Rho adviseurs voor leefruimte

46

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat' (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 19 wooneenheden en een gezondheidscentrum. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document in voorziet. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan, zie bijlage 13. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan-of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.-beoordeling. Conclusie (p.m. besluit op mer-beoordeling volgt nog)

Rho adviseurs voor leefruimte

47

Hoofdstuk 5

Financiële uitvoerbaarheid

Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. De locatie van de school en ook het parkeerterrein zijn in eigendom van de gemeente Nuenen c.a. Initiatiefnemers zullen deze gronden van de gemeente moeten kopen. De kosten van deze ontwikkeling zijn derhalve volledig voor rekening van de initiatiefnemers. Met de gemeente Nuenen c.a. wordt een anterieure overeenkomst gesloten.

Rho adviseurs voor leefruimte

48

Rho adviseurs voor leefruimte

49

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische uitvoerbaarheid

Wettelijk kader

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.

6.2

Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Een veel voorkomende bouwaanduiding is die voor de maximum goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen; deze worden aangegeven door middel van een matrix. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen. De gehanteerde bestemming Voor het plangebied is een woonbestemming opgenomen. Voor deze bestemmingsregeling is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost'.

Naast deze enkelbestemming blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog' gehanteerd, omdat de locatie vooralsnog niet is vrijgegeven op verstoring van de aanwezigheid van archeologische sporen, zie paragraaf 4.3. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.  In Hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.  In Hoofdstuk 2 worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.

Rho adviseurs voor leefruimte

50

 

Hoofdstuk 3 bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling. Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

6.3

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Centrum (Artikel 3) Binnen de als Centrum bestemde gronden zijn parkeervoorzieningen toegestaan. Vanwege de vigerende situatie zijn hier binnen het geldende bouwvlak tevens detailhandel, dienstverlening en andere bij het centrum behorende voorzieningen mogelijk. Groen (Artikel 4) De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor de groene inrichting van het terrein, de wegen en paden en waterberging. Maatschappelijk (Artikel 5) De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Het bebouwd oppervlak is gemaximeerd tot 700 m2. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Verkeer (Artikel 6) De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegen, paden en parkeervoorzieningen. Wonen (Artikel 7) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen. Binnen het bouwvlak is een bebouwd oppervlak van maximaal 1.000 m2, exclusief terrassen en balkons, toegestaan ten behoeve van maximaal 19 wooneenheden. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven.

6.4

Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld als (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken.

Rho adviseurs voor leefruimte

51

Algemene bouwregels (Artikel 10) Dit artikel bevat één lid, namelijk 'overschrijding bouwgrenzen' (lid : Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Overige regels (Artikel 14) Dit artikel bevat een parkeerregeling. De parkeerregeling is gelijk aan degene opgenomen in de meest actuele CROW publicatie, namelijk de CROW publicatie 317

6.5

Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen

In artikel 15 is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 15.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 15.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 16 bevat de slotregel.

Rho adviseurs voor leefruimte

52

Rho adviseurs voor leefruimte

53

Hoofdstuk 7

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De resultaten van het vooroverleg worden verwerkt in onderstaande paragraaf.

7.2

Omgevingsdialoog

Zowel de Structuurvisie Nuenen Zuid, zie paragraaf 3.5.4, als de stedenbouwkundige randvoorwaarden De Mijlpaal (gebiedsuitwerking) zijn via een zorgvuldig en uitgebreide omgevingsdialoog tot stand gekomen. Op verschillende momenten hebben participatiebijeenkomsten met de omgeving, stakeholders en de initiatiefnemers plaatsgevonden om te komen tot een stedenbouwkundige uitwerking. Op 29 augustus 2019, 23 september 2020 en 14 oktober 2020 zijn informatiebijeenkomsten georganiseerd. De gebiedsuitwerking is vervolgens in maart 2021 door de raad vastgesteld. Deze stedenbouwkundige uitwerking is de grondslag geweest voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Op 7 maart 2022 zijn omwonenden en andere belanghebbenden verder geïnformeerd over het ontwerp van het gezondheidscentrum en het woongebouw voor de woongroep. Daarnaast is een toelichting verzorgd op het concept ontwerpbestemmingsplan.

7.3

Zienswijzen

Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het ontwerp bestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.

7.4

Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Rho adviseurs voor leefruimte

54

Rho adviseurs voor leefruimte

55

Bijlagen bij toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

56

Rho adviseurs voor leefruimte

57

Bijlage 1 Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Rho adviseurs voor leefruimte

58

Rho adviseurs voor leefruimte

59

Bijlage 2 Parkeerbehoefte

Rho adviseurs voor leefruimte

60

Rho adviseurs voor leefruimte

61

Bijlage 3 Archeologisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

62

Rho adviseurs voor leefruimte

63

Bijlage 4 PvE archeologische proefsleuven

Rho adviseurs voor leefruimte

64

Rho adviseurs voor leefruimte

65

Bijlage 5 Goedkeuring PvE proefsleuven

Rho adviseurs voor leefruimte

66

Rho adviseurs voor leefruimte

67

Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

68

Rho adviseurs voor leefruimte

69

Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Rho adviseurs voor leefruimte

70

Rho adviseurs voor leefruimte

71

Bijlage 8 Boom effect analyse

Rho adviseurs voor leefruimte

72

Rho adviseurs voor leefruimte

73

Bijlage 9 Memo Stikstof

Rho adviseurs voor leefruimte

74

Rho adviseurs voor leefruimte

75

Bijlage 10

Rho adviseurs voor leefruimte

AERIUS gebruiksfase

76

Rho adviseurs voor leefruimte

77

Bijlage 11

Rho adviseurs voor leefruimte

AERIUS realisatiefase

78

Rho adviseurs voor leefruimte

79

Bijlage 12

Rho adviseurs voor leefruimte

Quickscan flora en fauna

80

Rho adviseurs voor leefruimte

81

Bijlage 13

Rho adviseurs voor leefruimte

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

82

Rho adviseurs voor leefruimte

83

Regels

Rho adviseurs voor leefruimte

84

Rho adviseurs voor leefruimte

85

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Nuenen Zuidoost, herziening De Mijlpaal' met identificatienummer NL.IMRO.0820.BPNuenDeMijlpaal-ON01van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Hierbij kan worden gedacht aan een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied.

1.6 aan- of uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is – maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap – met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is. 1.7 afhankelijke woonruimte: een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.8 afrastering hekwerk of andere omrastering die niet op de erfgrens wordt geplaatst (in dat laatste geval is sprake van een erfafscheiding).

Rho adviseurs voor leefruimte

86

1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10 bebouwingspercentage: het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.11 bestaand: bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mits geen sprake is van een illegale situatie. 1.12 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.13 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14 bevoegd gezag: het overheidsorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 1.15 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.16 bijgebouw een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. Onder bijgebouwen worden ook verstaan aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw. 1.17 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak.

1.19 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en ruimten onder de kap. 1.20 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.22 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

Rho adviseurs voor leefruimte

87

1.23 coffeeshop: een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders. 1.24 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.25 bruto vloeroppervlakte: gezamenlijke oppervlakte van alle bouwlagen van de gebouwen binnen een bouwvlak, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van een gebouw, exclusief balkons, terrassen en ondergeschikte bouwdelen. 1.26 dak: een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk. 1.27 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.28 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.29 gebruiken: gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven.

1.30 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.31 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.32 huishouden: een verzameling van één persoon of van meer personen met een relationele binding, die één woonruimte bewoont en een economisch-consumptieve eenheid vormt. Onder een huishouden wordt niet verstaan: a. de huisvesting van meerdere personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur); b. tijdelijke huisvesting in de vorm van logies aan arbeidsmigranten; c. de huisvesting van meerdere ouderen, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht; d. de huisvesting van meerdere personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, een psychiatrisch ziektebeeld of psychosociale problemen dan wel de huisvesting van meerdere personen die tijdelijke opvang behoeven, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht, dit alles gericht op zelfstandige bewoning. 1.33 kampeermiddel: a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; b.

enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover

Rho adviseurs voor leefruimte

88

geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.34 lawaaisport: een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen gemotoriseerde cross- en racesporten, modelvliegen en schietsporten. 1.35 maaiveld: de gemiddelde hoogte van het terrein ter plaatse van een gebouw/bouwwerk. 1.36 mantelzorg: het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.37 normaal onderhoud, gebruik en beheer: een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. 1.38 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.39 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo.

1.40 ondergeschikte bouwdelen: bouwdelen die qua aard en omvang ondergeschikt zijn aan het bijbehorende gebouw, zoals bijvoorbeeld schoorstenen, lichtkoepels en balkonhekken. 1.41 openbaar toegankelijk gebied: een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.42 overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.43 overkapping: een bouwwerk zonder eigen wanden dat aan ten hoogste aan één zijde een gesloten wand kent. 1.44 peil: a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Rho adviseurs voor leefruimte

89

1.45 pergola: een open constructie van latten of palen in de tuin, waarlangs planten kunnen groeien. Een pergola mag niet steunen op of worden voorzien van schotten of wanden. 1.46 permanente bewoning: bewoning van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen. 1.47 plat dak: een dak met een dakhelling van minder dan 10°. 1.48 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.49 publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis: een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit met een min of meer publieksgericht karakter, zoals persoonlijke dienstverlening (kapper, pedicure, e.d.), medisch/therapeutische dienstverlening en ambachtelijke activiteiten. 1.50 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding. 1.51 recreatieve voorziening: een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige, voorziening ten behoeve van de woonfunctie met een dagrecreatief karakter, zoals een zwembad of een tennisbaan. 1.52 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam)prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.53 voorgevellijn: de lijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan. 1.54 voorgevelrooilijn: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 1.55 water en waterhuishoudkundige voorzieningen: al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede (ondergrondse) voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.56 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, en de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

Rho adviseurs voor leefruimte

90

1.57 woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden. 1.58 woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst.

Rho adviseurs voor leefruimte

91

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens: de kortste afstand tussen de zijdelingse perceelsgrens(zen) van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

2.8 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.11 ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de goothoogte wordt een dakkapel als een ondergeschikte toevoeging gezien, die de goothoogte niet verhoogt, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 10.3.

Rho adviseurs voor leefruimte

92

Rho adviseurs voor leefruimte

93

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bestemmingsregels

Centrum

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel; b. dienstverlening; c. horeca van categorie 3 alsmede horeca in de vorm van een café; d. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van uitvaarthuizen, met daaraan ondergeschikt: e. tuinen, erven en paden; f. groenvoorzieningen; g. parkeervoorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Centrum' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. de daarbij behorende bijgebouwen; b. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. 3.2.2 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: a. buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van: c. erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel maximaal 2,00 meter mag bedragen; d. kunstwerken, waarvan de hoogte maximaal 4,00 meter mag bedragen; e. lichtmasten en vlaggenmasten, waarvan de hoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen. 3.3 Nadere eisen 3.3.1 Onderwerpen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan; c.

de aard, situering en oppervlakte van verhardingen. 3.3.2 Toepassingscriteria De in artikel 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van: a. het stedenbouwkundig beeld;

Rho adviseurs voor leefruimte

94

b. c. d. e. f.

de verkeersveiligheid; een goede parkeerbalans; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Verboden gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; b. (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte; c. horeca; anders dan horeca van categorie 3 of een café; d. recreatieve voorzieningen; e. bedrijven. 3.4.2 Maximum bedrijfsvloeroppervlakte Voor de functies gelden de volgende bepalingen: a. de bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf mag niet meer bedragen dan 350 m2;

Rho adviseurs voor leefruimte

95

Artikel 4

Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. beplantingen; b. tuinen en erven; c. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder uit- en inritten, voet- en fietspaden; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. beeldende kunstwerken. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Nutsvoorzieningen Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen, waarbij de volgende regels gelden: a. de oppervlakte van een nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 15 m 2; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 1,00 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van gedenktekens en reclamezuilen maximaal 2,00 meter mag bedragen; c. de bouwhoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, maximaal 8,00 meter mag bedragen; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 3,00 meter bedragen 4.3 Specifieke gebruiksregels Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a.

het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; b. recreatie, behoudens extensief recreatief medegebruik en sport- en speldoeleinden.

Rho adviseurs voor leefruimte

96

Artikel 5

Maatschappelijk

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van uitvaarthuizen; met daaraan ondergeschikt: b. tuinen, paden en erven; c. parkeervoorzieningen; d. voorzieningen voor verkeer en verblijf; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. sport- en spelvoorzieningen; g. nutsvoorzieningen; h. beeldende kunstwerken. 5.2

Bouwregels

5.2.1 Algemeen Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen voor de in artikel 5.1 genoemde bestemming; b. de daarbij behorende bijgebouwen; c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. 5.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor maximaal 100% worden bebouwd; c. het bruto bedrijfsvloeroppervlak bedraagt maximaal 1.750 m2; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; e. in afwijking van lid 5.2.2 sub d. mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3e bouwlaag' een derde bouwlaag gerealiseerd worden, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 11,5 m; 2. de derde bouwlaag voor maximaal 75% van het bouwvlak mag worden gerealiseerd; 3. de derde bouwlaag gelegen is in de zuidelijke grens van het bouwvlak; f. in geval van een kap is de dakhelling tussen de 30 en 50° gelegen; g. in afwijking van lid 5.2.2 sub a. mag de bouwgrens worden overschreden ten behoeve van balkons met een diepte van maximaal 2,00 m. 5.2.3 Nutsvoorzieningen Voor gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a.

de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m². b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,00 meter. 5.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: a. buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van: 1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel maximaal 2,00 meter mag bedragen; 2. kunstwerken, waarvan de bouwhoogte maximaal 4,00 meter mag bedragen; 3. vlaggenmasten en abseilmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter mag bedragen;

Rho adviseurs voor leefruimte

97

4.

lichtmasten, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, waarvan de bouwhoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen.

5.3 Nadere eisen 5.3.1 Onderwerpen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan; c. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen. 5.3.2 Toepassingscriteria De in artikel 5.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van: a. het stedenbouwkundig beeld; b. de verkeersveiligheid; c. een goede parkeerbalans; d. de milieusituatie; e. de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 5.4 Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Afwijken bouwhoogte erfafscheiding vóór de voorgevellijn Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 5.2.4 onder b teneinde een erfafscheiding toe te staan van maximaal 2 m, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het uitzicht wordt niet dusdanig belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht. b. De afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven. c. De afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12070198/1