CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nuenen-Zuidoost herziening De Mijlpaal, Bijlage 3 toelichting

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost, herziening De Mijlpaal'16.602 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK BRABANTRING 1 TE NUENEN GEMEENTE NUENEN C.A.

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Brabantring 1 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a. Opdrachtgever

Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

Rapportnummer

15565.002

Versienummer1

2

Datum

15 juli 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc en De heer drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

15565.002

Toponiem

Brabantring 1

Opdrachtgever

Rho adviseurs voor leefruimte

Gemeente

Nuenen c.a.

Plaats

Nuenen

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Nuenen, sectie F, perceelnummers 1752, 4333, 4360 en 4406

Omvang plangebied

Circa 7.880 m2

Kaartblad

51G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 166.417/Y: 386.164

Bevoegde overheid

Gemeente Nuenen c.a. Jan van Schijnveltlaan 2 5671 CK Nuenen Postbus 10000 5670 GA Nuenen

Contactpersoon: Mevr. P. Jansen E: p.jansen@nuenen.nl T: 040-2631631

Deskundige namens de bevoegde overheid

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Wal 28 5611 GG Eindhoven Postbus 8035 5601 KA Eindhoven

Contactpersoon: Mevr. drs. R. Berkvens E: R.Berkvens@odzob.nl T: 088-3690638

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

5080388100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc en de heer drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte in juni 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied, Circa 7.880 m2, is gelegen aan de Brabantring 1 te Nuenen in de gemeente Nuenen c.a. In het plangebied zal een gezondheidscentrum en woongroep worden gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling zal een oppervlakte van circa 3.100 m2 worden bebouwd. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum en het Mesolithicum en een hoge verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gerelateerd aan agrarisch gebruik en infrastructuur. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat dat een deel van het plangebied is verstoord.

Op de parkeerplaats in het westen van het plangebied, ter hoogte van boring 1, was de ondergrond compleet verstoord tot minimaal 130 centimeter onder het maaiveld. Op het voormalige schoolterrein was de bovengrond verstoord tot 50-120 centimeter onder het maaiveld. Onder deze verstoorde bovengrond werd een enkeerdgrond met daaronder een (deel van) een podzolbodem aangetroffen. De top van de intacte dekzandafzettingen, de C-horizont, werd aangetroffen op 150-180 centimeter onder het maaiveld. Conclusie De verstoringen binnen het plangebied zijn waarschijnlijk te relateren aan de aanleg van de parkeerplaats, het schoolgebouw en het bijbehorende schoolplein. Op het schoolterrein is het verstoorde

Rapport 15565.002 versie 2

pakket 50-120 centimeter dik, met de dikte van het pakket toenemend richting het zuiden. De onderkant van het eerddek en de top van de dekzandafzettingen, waarin de archeologische vondsten uit het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen worden verwacht, zijn echter over het gehele schoolplein vrijwel onverstoord. Ook op het terrein van de parkeerplaats zijn de top van de dekzandafzettingen vermoedelijk bewaard gebleven. De hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, blijft behouden. Voor de Nieuwe tijd kan de verwachting naar beneden worden bijgesteld. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Econsultancy adviseert om het proefsleuvenonderzoek uit te voeren ter hoogte van de twee nieuwbouwlocaties. Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan een besluit gemaakt worden of voor de werkzaamheden op de parkeerplaats nog archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen c.a.). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 15565.002 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 18

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21

Rapport 15565.002 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw boringen 2, 4 en 5 Hoofdlijn bodemopbouw boring 3

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied KLIC-melding van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Uitsnede bouwdossiers van het schoolgebouw Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 15565.002 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Brabantring 1 te Nuenen in de gemeente Nuenen c.a. (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een gezondheidscentrum en woongroep binnen het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2021 door mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:    

2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);

SIKB.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 1 van 22

opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Nuenen c.a.; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 800 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied, Circa 7.880 m2, ligt aan de Brabantring 1, ongeveer 1 kilometer ten zuiden van de kern van Nuenen in de gemeente Nuenen c.a. (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 17,5 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie F, perceelnummers 1752, 4333, 4360 en 4406. Volgens de topografische kaart van Nederland, 51G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 166.417/Y: 386.164. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als schoolterrein en parkeerplaats.

In het oosten van het plangebied bevindt zich het pand van de voormalige basisschool de Mijlpaal. Het terrein direct rondom dit pand behoort tot het voormalige schoolterrein. Een deel van dit terrein is verhard, een ander deel is in gebruik als grasveld, moestuin, zandbak of braakliggend terrein. In het westen van het plangebied bevindt zich een parkeerplaats. Op deze parkeerplaats, in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, ligt het pand van de Hoge Brake 72a. Dit pand is momenteel in gebruik als apotheek (figuur 3). In de noordwestelijke hoek van het schoolplein staat een gashuisje. Vanuit dit huisje lopen twee gasleidingen richting het noorden naar de Brabantring. Door het noorden en westen van het 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 2 van 22

plangebied lopen nog enkele elektriciteits- en telecommunicatiekabels, een rioolleiding en een waterleiding (figuur 4). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Nuenen Zuidoost (vastgesteld 27-09-2018). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie middelhoog. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 of dieper dan 30 centimeter beneden het maaiveld. 4 Volgens de beleidskaart van de gemeente Nuenen c.a. ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting.

De parkeerplaats in het westen van het plangebied ligt deels in een zone welke op de beleidskaart is aangegeven als een mogelijk verstoorde zone (Figuur 5).5 Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 15565.001). De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend. Omgevingsrapportage Noord-Brabant De overheid initieert middels de Omgevingsrapportage inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Omgevingsrapportage zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen en worden op de Omgevingsrapportage voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van de Omgevingsrapportage dienen als indicatief te worden beschouwd. Voor zover bekend binnen de Omgevingsrapportage zijn binnen het plangebied twee milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. Het betreft een verkennend onderzoek uitgevoerd in 2008 ter hoogte van het voormalige schoolgebouw. Op basis van dit onderzoek is het terrein als onverdacht en niet verontreinigd beoordeeld.

Het tweede onderzoek is uitgevoerd ter hoogte van het winkelcentrum dat zich direct ten westen van het plangebied bevindt. De parkeerplaats in het westelijke deel van het plangebied behoort ook bij dit onderzochte terrein. Het gaat hier om een historische onderzoek, waarbij de locatie als potentieel ernstig verontreinigd is beoordeeld. Op basis van welke criteria deze beoordeling is gemaakt, is bij de Omgevingsrapportage niet bekend. 6

4 5

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Berkvens, 2009.

6 Omgevingsrapportage Noord-Brabant

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 3 van 22

2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is een gezondheidscentrum en een woongroep gepland. Het bestaande schoolgebouw zal worden gesloopt en de huidige parkeersituatie zal iets worden aangepast. Het gezondheidscentrum zal worden aangelegd ten noorden van het voormalige schoolgebouw en zal een oppervlak van 700 m 2 innemen. De woongroep zal worden aangelegd op de locatie van het voormalige schoolgebouw en iets ten zuiden daarvan. Voor de woongroep zal een oppervlakte van circa 2.400 m2 worden bebouwd. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend (zie bijlage 6). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)

Geomorfologie8

Niet gekarteerd vanwege bebouwing (vermoedelijk dekzandrug of dekzandvlakte)

Bodemkunde9

Niet gekarteerd vanwege bebouwing (vermoedelijk hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21))

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling 10 Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met aan het maaiveld afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden (Bx6). Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak fluvioperiglaciale afzettingen in de vorm van lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt. Onder de Formatie van Boxtel liggen de 7

De Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 9 Stichting voor Bodemkartering, 1981. 10 Berendsen, 2008; De Mulder et al., 2003. 8

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 4 van 22

Pleistocene afzettingen van de Formatie van Sterksel, respectievelijk Rijn en Maas afzettingen bestaande uit rivierzand en -grind. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn in (lokale) beekdalen in de omgeving van Valkenswaard afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal van de Beek de Dommel ligt op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. De Hooidonkse beek, een zijbeek van de Dommel, ligt op circa 800 meter ten westen en 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Deze zijbeek splitst net ten noorden van Nuenen en stroomt zowel ten westen als ten oosten rondom het dorp. DINO11 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.

12 Hieruit blijkt dat de ondergrond in de omgeving van het plangebied bestaat uit een dik zandpakket. Bij twee van de bestudeerde boringen bevond zich onder dit zandpakket, op een diepte van 1,3-1,5 meter onder het maaiveld, nog een leempakket. Het zand is te relateren aan de Formatie van Boxtel. Het leem is vermoedelijk een beekafzetting van de Hooidonkse beek of een voorganger daarvan. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 6). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op een dekzandrug (3B53) of een dekzandvlakte (2M51). Circa 700 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een dekzandrug. Rondom deze dekzandrug ligt een gebied dat gekarteerd wordt als een dekzandvlakte. Ten zuiden van de dekzandrug, circa 500 meter ten westen van het plangebied, ligt een gebied met dekzandwelvingen. Het beekdal van de Hooidonkse beek, een zijbeek van de Dommel, is op de geomorfologische kaart aangegeven als een dalvormige laagte, welke is gelegen op circa 800 meter ten westen en 1 kilometer ten oosten van het plangebied.

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)13 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied in een wat lager gelegen deel van het landschap, net ten zuiden van een hoger gelegen dekzandrug. De gemiddelde maaiveldhoogte binnen het plangebied is

11

Dinoloket. DINO boornummers B51G2038 (150 meter ten zuiden van het plangebied), B51G2042 (200 meter ten noorden), B51G2043 (250 meter ten noordoosten) en B51G2039 (400 meter ten noordwesten). 13 AHN.

12

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 5 van 22

circa 17,5 meter + NAP. De top van de dekzandrug, circa 750 meter ten noordoosten van het plangebied, ligt op circa 19,3 meter +NAP (zie figuur 7). Uitgaande van de AHN ligt het plangebied waarschijnlijk op een dekzandvlakte. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 8). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een gebied met hoge zwarte enkeerdgronden. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.

In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.14 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).15 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 800 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. 14 15

Doesburg et al., 2007. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 6 van 22

Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant16 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied17 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMKterreinen.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 18 Binnen het plangebied is niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal dertien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen (zie bijlage 2 en figuur 9). Meest relevant voor dit bureauonderzoek is het booronderzoek uitgevoerd aan de Hoge Brake, circa 250 meter ten westen van het plangebied, en het gravend onderzoek aan de Luistruik, circa 750-800 meter ten noorden van het plangebied. Plangebied Hoge Brake (OM-nr. 2342085100 (48489)) In 2011 heeft Synthegra BV een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Hoge Brake, op circa 250 meter ten westen van het plangebied. Binnen het plangebied werden enkeerdgronden verwacht, maar deze zijn bij het booronderzoek niet aangetroffen. In plaats daarvan bleek dat de bovenste 55-165 centimeter van de bodem was verstoord en/of opgebracht. Rondom de Hoge Brake zijn meerdere gebieden ontgrond. Mogelijk dat ook binnen het onderzochte terrein in het verleden (illegale) ontgrondingen hebben plaatsgevonden.

Uit het booronderzoek bleek tevens dat er binnen het terrein Brabantse leem aanwezig was. Hierdoor zal er in het plangebied in het verleden vaak sprake zijn geweest van wateroverlast, omdat het infiltrerende regenwater stagneerde op de leem. Door deze wateroverlast waren de gronden niet geschikt voor bewoning. Op grond van de resultaten van het onderzoek werd geen vervolgonderzoek geadviseerd.19 Plangebied Luistruik (OM-nrs. 2053328100 (7696), 2201030100 (29077) en 4648326100) SOB research heeft in 2004 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Luistruik, gelegen op circa 800 meter ten noorden van het plangebied. Uit dit onderzoek bleek dat binnen het plangebied archeologische sporen aangetroffen zouden kunnen worden en dat het bodemprofiel grotendeels intact aanwezig was. Op basis van deze resultaten is door SOB research in 2008 een proefsleuvenonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd. Bij dit onderzoek werden zeven vindplaatsen aangetroffen. Het betreft enkele waterkuilen en paalkuilen uit de IJzertijd (vindplaats 1),

16

Brabant.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 19 Kremer & Nillesen, 2011.

17

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 7 van 22

een boomstamwaterput en enkele bewoningssporen uit de late prehistorie – Romeinse tijd (vindplaats 2 en 3), een kuil met fragmenten Romeinse dakpan en maalsteen (vindplaats 4), enkele paalkuilen en een greppel van onduidelijke datering (vindplaats 5), een nederzettingsterrein uit de VolleMiddeleeuwen (vindplaats 6) en paalkuilen die vermoedelijk onderdeel zijn van een nederzetting uit de IJzertijd (vindplaats 7). Alle vindplaatsen zijn als behoudenswaardig aangemerkt en zijn in drie verschillende fases opgegraven.20 De eerste fase van de opgravingen vond plaats in 2008 en is uitgevoerd door SOB research. Tijdens deze fase is vindplaats 1, een IJzertijd vindplaats, opgegraven. Bij de opgravingen werden een drietal waterkuilen, twee spiekers en enkele losse sporen uit de IJzertijd aangetroffen. Daarnaast werd er ook een woonhuis, twee bijgebouwen, een waterput en een waterkuil uit de Volle-Middeleeuwen (11e12e eeuw) aangetroffen. Fase 2 is uitgevoerd in 2014 door BAAC en was gericht op vindplaatsen 2, 3 en 4. Tijdens deze fase zijn enkele kuilen uit de Volle-Middeleeuwen, verschillende plattegronden van bijgebouwen, en mogelijk een hoofdgebouw, en een waterkuil uit de IJzertijd – begin Romeinse tijd en een waterput uit de Karolingische tijd aangetroffen.

Daarnaast werden er ook nog enkele recente greppels gevonden.21 De derde, en laatste fase, is uitgevoerd door VUhbs Archeologie in 2018. Deze fase was gericht op de overige drie vindplaatsen, vindplaats 5 tot en met 7. Het onderzoek rondom vindplaatsen 5 en 7 heeft geen extra informatie opgeleverd. Wel heeft de opgraving meer inzicht geleverd in de middeleeuwse nederzetting van vindplaats 6. Bij het onderzoek zijn twee mogelijke hoofdgebouwen, twee bijgebouwen en enkele waterputten aangetroffen. De bijgebouwen worden geïnterpreteerd als smidsen vanwege de grote hoeveelheid slakmateriaal dat rondom de gebouwen is aangetroffen. Naast de sporen uit de Volle-Middeleeuwen zijn er ook enkele greppels uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Deze komen overeen met de kavelgrenzen van 1832. 22 Overige onderzoeken en conclusie De overige onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd geven slechts geringe informatie over eventuele aanwezige archeologische waarden binnen het gebied. Bij een groot deel van uitgevoerde booronderzoeken werd het onderzochte gebied vrijgegeven wegens de aanwezigheid van een verstoord bodemprofiel en/of de afwezigheid van archeologische resten. Enkele booronderzoeken zijn opgevolgd door gravend onderzoek, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of een archeologische begeleiding.

Bij deze onderzoeken werden voornamelijk recente of natuurlijke sporen aangetroffen, of bleek de ondergrond grotendeels verstoord. Bij slechts één onderzoek werd een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Het betreft de resten van de historische boerderij uit 18751920, aangetroffen op circa 800 meter ten noorden van het huidige plangebied. 23 Uit de resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied weinig archeologische resten zijn aangetroffen. Dit is mede door verstoring van de ondergrond of door ongunstige woonomstandigheden, zoals de aanwezigheid van leem en de hiermee gerelateerde hoge waterstand. Op circa 800 meter ten noorden van het plangebied zijn bij opgravingen wel meerdere archeologische resten aan het licht gekomen. Het gaat hierbij voornamelijk om resten uit de IJzertijd en Volle-Middeleeuwen. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied24 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 9). 20

Ras & Gazenbeek, 2007; Van Wilgen, 2010; Wesdorp, 2020. Wattenberghe, 2011; te Kiefte, 2016; Wesdorp, 2020. 22 Wesdorp, 2020. 23 Bink, 2014. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 8 van 22

De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden vanaf het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het merendeel van de vondsten zijn echter te dateren in de Vroege- en Late-Middeleeuwen. Een groot deel hiervan is gerelateerd aan de opgravingen in het plangebied Luistruik (zie hierboven). Enkele vondsten uit de IJzertijd zijn ook bij deze opgravingen aan het licht gekomen. Vondsten uit het Mesolithicum zijn beperkt tot een enkele vuurstenen afslag, gevonden 800 meter ten zuidoosten van het plangebied. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele publicaties geraadpleegd van archeologische onderzoeken die in het verleden binnen het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden (zie hierboven). Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en er is geen contact opgenomen met het provinciaal depot van Noord-Brabant, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Nuenen25 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De naam Nuenen, Nuenhem of Nuynhem is een zogeheten Frankische heimnaam, ontstaan tussen de 5e en de 8e eeuw. Het achtervoegsel ‘hem’ betekent heim of woonplaats. Het voorvoegsel ‘nuen’ of ‘nuyn’ betekent ‘nieuw’. De naam zou dus verwijzen naar een nieuwe woonplaats. De oude woonplaats zou misschien Gerwen geweest kunnen zijn. Gerwen is gelegen ten noorden van Nuenen en zou in de Frankische tijd, tussen de 5e-8e eeuw, zijn ontstaan.

Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300, ook wel bekend als ‘Sint-Barbaradag’, aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd de basis gelegd voor wat aanvankelijk de gemeente Nuenen-Gerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel II. Bron

25

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Drijehornick.nl

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 9 van 22

Kadastrale minuut26

1817

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, sectie C, blad 04

1:2.500

Grootste deel in gebruik als bouwland, door westen van het plangebied loopt een weg

Ten oosten van het plangebied loopt een weg. Rest van de omgeving is in gebruik als bouwland. Gebied staat bekend als De Refelingsche Erven.

Militaire topografische kaart27 (nettekening)

1850-1864

51 Eindhoven

1:50.000

-

Ten noorden van het plangebied ligt het gehucht Refeling. Ten zuiden ligt de Refelingsche Heide

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1900

670 Nunen

1:50.000

Door het noordwesten van het plangebied loopt in weg. Plangebied is deels in gebruik als bouwland, deels als heide

Ten noorden van het plangebied bouwland en gehucht Refeling, ten zuiden heidegebied.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1912

670 Nunen

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1929

670 Nunen

1:50.000

Hele oostelijke deel in gebruik als bouwland. Weg in het noordwesten, stuk heide in het zuidwesten.

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1943

670 Nunen

1:50.000

-

-

Topografische kaart

1953

51G

1:25.000

Weg in het westen, rest van het plangebied in gebruik als bouwland

Gehele omgeving van het plangebied in gebruik als bouwland.

Topografische kaart

1963

51G

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1973

51G

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1984

51G

1:25.000

Plangebied bebouwd met schoolgebouw

Gehele omgeving in gebruik als woonwijk. Waterloop ten zuiden van het plangebied, doorgaande weg ten noorden.

Topografische kaart

1991

51G

1:25.000

-

-

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie figuur 10) blijkt dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw voor het grootste deel in gebruik was als bouwland. Door het westen van het plangebied liep een (onverharde) weg, welke richting het noorden naar het gehucht Refeling liep. De directe omgeving van het plangebied staat op de kadastrale minuut bekend als de Refelingsche erven. De zuiden van het plangebied ligt een heidegebied, bekend als de Refelingsche heide. Deze situatie verandert nauwelijks gedurende de 19 e eeuw en is ook aan het begin van de 20e eeuw nog grotendeels hetzelfde. Op de kaart van 1900 is te zien dat een deel van het plangebied in gebruik is als bouwland, terwijl het andere deel nog onontgonnen heidegebied is. Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw wordt de omgeving van het plangebied steeds meer ontgonnen; omstreeks 1953 is het complete plangebied in gebruik als bouwland. Het plangebied en de directe omgeving blijft in gebruik als bouwland tot het eind van de 20 e eeuw. Omstreeks 1984 is te zien dat de complete omgeving van het plangebied is opgenomen in de bebouwde kom van Nuenen en onderdeel uitmaakt van een woonwijk. Het oostelijk deel van het plangebied is vanaf deze periode in gebruik als schoolterrein. Het westelijk deel is een parkeerplaats. Ten 26 27

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 10 van 22

zuiden van het plangebied ligt een waterloop en ten noorden loopt de Brabantring. Deze situatie is gelijk aan de huidige situatie binnen en rondom het plangebied. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Nuenen c.a. is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon H. van Geffen). Uit de bouwdossiers blijkt dat het schoolgebouw binnen het plangebied is gebouwd in 19731974, na aanvraag van de Maatschappij tot Nut van t’ Algemeen Nuenen. Het betreft een 8-klassige nutschool, waarvan zes klassen zouden behoren tot de basisschool en twee tot de kleuterschool. Het schoolgebouw is aangelegd met funderingen tot 80 centimeter onder het maaiveld. Het middendeel van het schoolgebouw ligt lager dan de rest van het gebouw (zie figuur 11). Het vloerniveau ligt hier 56 centimeter onder het maaiveld, met funderingen tot 125 centimeter onder het maaiveld. Daarnaast zijn er onder de muren heipalen van 70 centimeter lang aangelegd. In 1973/1974 zijn tevens een fietsenstalling, containerruimte en buitenberging bij het schoolgebouw aangelegd. De funderingen van deze gebouwen zijn aangelegd op 70 centimeter onder het maaiveld.

Ten noordwesten van het schoolgebouw is in dezelfde periode een gasregulateursstation aangelegd. De funderingen van dit gebouw liggen op 80 centimeter onder het maaiveld. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 28 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring De Drijehornick (d.d. 7-6-2021), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel III.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

28 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 11 van 22

fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Sporen van agrarisch gebruik en/of infrastructuur: kleine fragmenten aardewerk, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op een dekzandvlakte, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum gunstig voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de IJzertijd tot en met de Late-Middeleeuwen. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.29 Het plangebied was niet gelegen binnen een dergelijke gradientzone. Er geldt een lage archeologische verwachting voor de periodes van het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.

Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en

29

Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 12 van 22

een goede afwatering van belang.30 Door de locatie op een dekzandvlakte was het plangebied gunstig voor landbouwers. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Op basis van de historische kaarten blijkt dat het plangebied aan het begin van de 19 e eeuw in gebruik was als bouwland en deels als heidegebied. Door het westen van het plangebied liep tevens een (onverharde) weg. Vermoedelijk was het plangebied gedurende de Nieuwe tijd niet bewoond. Sporen van agrarisch gebruik of restanten van de weg worden wel nog binnen het plangebied verwacht. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische sporen gerelateerd aan agrarisch gebruik of infrastructuur. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw in gebruik geweest als schoolterrein en parkeerplaats. Bij de aanleg van het schoolgebouw en het omliggende schoolplein, en de aanleg van de parkeerplaats, kan de ondergrond zijn verstoord. Funderingen van de gebouwen zijn, uitgaande van de bouwdossiers, aangelegd op 70-80 centimeter onder het maaiveld. Het middendeel van het schoolgebouw is iets dieper uitgegraven, met het vloerniveau op 56 centimeter en de funderingen op 125 centimeter onder het maaiveld.

Eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, kunnen bij de aanleg hiervan mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum en het Mesolithicum en een hoge verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de LateMiddeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gerelateerd aan agrarisch gebruik en infrastructuur.

30

Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 13 van 22

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 9 juni 2021 door mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, kabels en leidingen, en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter zeven) vijf boringen tot maximaal 2,10 meter -mv gezet (Figuur 12). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.31 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

31

Bosch, 2005.

Rapport 15565.002 versie 2

Pagina 14 van 22

3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: Boring 1 is gezet op de parkeerplaats in het westen van het plangebied. Bij boring 1 bestond de bodemopbouw uit een dik pakket matig fijn, zwak siltig, matig baksteenhoudend, grijsbruin zand met leembrokken. Het gaat hier om een verstoord pakket, dat zich doorzet tot minimaal 1,30 meter onder het maaiveld. Op 1,30 meter is de boring gestuit op een puinlaag. De overige boringen zijn gezet op het terrein van de voormalige basisschool. Bij boringen 2, 4 en 5 bestaat de bovenste 50-110 centimeter onder het maaiveld uit een verstoorde, grijze zandlaag. Onder deze verstoorde laag bevindt zich een pakket matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin zand. Deze laag wordt geïnterpreteerd als een enkeerdgrond. De enkeerdgrond zet zich door tot 120-160 centimeter onder het maaiveld. Onder de enkeerdgrond bevindt zich in boringen 2 en 5 een Bhorizont van een podzol, opgebouwd uit matig fijn, zwak siltig, bruin zand. In boring 2 bevindt zich tussen de enkeerdgrond en de B-horizont nog een dunne, bruin gevlekte overgangslaag. Deze overgangslaag wijst erop dat een deel van de B-horizont is verstoord, vermoedelijk door ploegactiviteiten.

In boring 4 bevinden zich restanten van de B-horizont in de onderkant van het eerddek, wat tevens wijst op verstoring of verploeging van de B-horizont. Bij boringen 4 en 5 werd onder de B-horizont/onderkant van de enkeerdgrond een BC-horizont aangetroffen. Deze horizont is opgebouwd uit matig fijn, zwak siltig, bruin, beige gevlekt zand. Onder deze laag bevindt zich de C-horizont, opgebouwd uit matig fijn, zwak siltig, bruinbeige dekzand. Op basis van de boringen is het niet duidelijk of het hier gaat om Oud of Jong dekzand. In boring 2 bevindt de C-horizont zich direct onder de B-horizont. De C-horizont is aangetroffen op een diepte van 150-180 centimeter onder het maaiveld. Bij alle drie de boringen waren de onderste lagen vrij nat. Tabel IV. Diepte

Hoofdlijn bodemopbouw boringen 2, 4 en 532 Samenstelling

Interpretatie

0-50

Matig fijn, zwak siltig, grijs zand

Verstoorde laag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12070213/1