Bestemmingsplan Nuenen-Zuidoost herziening De Mijlpaal, Bijlage 12 toelichting
Tekst van het document
Gestreepte waterroofkever
Heldenbok
Noordse vleermuis
Tuimelaar
Bechsteins vleermuis
Gevlekte witsnuitlibel
Hille
Noordse winterjuffer
Tweekleurige vleermuis
Bever
Gewone baardvleermuis
Houting
Noordse woelmuis
Vale vleermuis
Boomkikker
Gewone dolfijn
Ingekorven vleermuis
Oostelijke witsnuitlibel
Vermiljoenkever
Bosvleermuis
Gewone dwergvleermuis
Juchtleerkever
Orca
Vroedmeesterpad
Boszandoog
Gewone grootoorvleermuis
Kamsalamander
Otter
Walrus
geldt volgens de wettekst artikel 3.5 ook de verbodsbepalingen en het
Brandts vleermuis
Gewone spitsdolfijn
Kemps’ zeeschildpad
Pimpernelblauwtje
Watervleermuis
beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. De MvT van de wet gaf juist
Brede geelrandwaterroofkever
Gewone vinvis
Kleine dwergvleermuis*
Platte schijfhoren
Wilde kat*
Bronslibel
Gladde slang
Kleine hoefijzerneus
Poelkikker
Witflankdolfijn
Bruinvis
Griend
Kleine zwaardwalvis
Potvis
Witsnuitdolfijn
genoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern en Bijlage I Conventie
Bultrug
Grijze dolfin
Knoflookpad
Rivierrombout
Witte dolfijn
van Bonn conform art. 3.5 waren beschermd of niet. Onlangs, op 1 juli
Dikkopschildpad
Grijze grootoorvleermuis
Kruipend moerasscherm
Rosse vleermuis
Wolf*
Donker pimpernelblauwtje
Groene glazenmaker
Laatvlieger
Rugstreeppad
Zandhagedis
Drijvende waterweegbree
Groenknolorchis
Lederschildpad
Ruige dwergvleermuis
Zilverstreephooibeestje
Dwergpotvis
Grote hoefijzerneus
Lynx
Sierlijke witsnuitlibel
Zomerschroeforchis
Dwergvinvis
Grote rosse vleermuis
Meervleermuis
Soepschildpad
Oeveraas**
Franjestaart
Grote vuurvlinder
Mopsvleermuis
Spitsdolfijn van Gray
Walrus**
Gaffellibel
Hamster
Muurhagedis
Steur
Geelbuikvuurpad
Hazelmuis
Narwal
Teunisbloempijlstaart
Artikel 3.5 Habitatrichtlijnsoorten: Onder artikel 3.5 vallen naast habitatrichtlijnsoorten ook soorten uit Bern I, Bern II en Bon I. Vogels vallen echter niet* onder artikel 3.5. * In de officiële wettekst, gepubliceerd in het Staatsblad op 19 januari 2016, is in artikel 3.5 verwezen naar de Conventie van Bern, Bijlage I en II en de Conventie van Bonn, Bijlage I. Met betrekking tot de in Bijlage II Conventie van Bern en Bijlage I Conventie van Bonn genoemde vogelsoorten,
aan dat de Vogelrichtijn de rechtsbasis vormt en dat de bescherming van vogels is geregeld in de Vogelrichtlijn, dat is uitgewerkt in art. 3.1. Er is lang verwarring geweest bij de verschillende bevoegde gezagen of de vogels
2018, is echter een verzamelwet inwerking getreden waarin is aangegeven dat art. 3.5 niet van toepassing is op soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
*= niet opgenomen in Bijlage 2 Memorie van Toelichting, maar wel op lijst Habitatrichtlijn Bijlage IV. ** = niet genoemd in Bijlage 3 Memorie van Toelichting: Tabel I, staat wel in Bijlage II van de Conventie van Bern.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
22
BIJLAGE 2 - BESCHERMDE SOORTEN (VERVOLG) Artikel 3.10 Andere soorten Hieronder vallen soorten genoemd in onderdeel A en onderdeel B bij de Wnb. Sommige van deze soorten zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Dat verschilt per provincie. In Bijlage 3 is hiervan een overzicht te vinden. Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Aardbeivlinder
Bruine kikker
Gewone bosspitsmuis
Karthuizeranjer
Naaldenkervel
Veenbesblauwtje
Molmuis
Aardmuis
Bruinrode wespenorchis
Gewone bronlibel
Karwijselie
Ondergrondse woelmuis
Veenbesparelmoervlinder
Oeveraas
Adder
Bunzing
Gewone pad
Kempense heidelibel
Pijlscheefkelk
Veenbloembies
Mercuurwaterjuffer
Akkerboterbloem
Damhert
Gewone zeehond
Kleine ereprijs
Pimpernelblauwtje
Veenhooibeestje
Akkerdoornzaad
Das
Glad biggenkruid
Kleine heivlinder
Ree
Veldmuis
Akkerogentroost
Dennenorchis
Gladde zegge
Kleine ijsvogelvlinder
Ringslang
Veldparelmoervlinder
Alpenwatersalamander
Donker pimpernelblauwtje
Grijze zeehond
Kleine Schorseneer
Roggelelie
Veldspitsmuis
Beekdonderpad
Donkere waterjuffer
Groene nachtorchis
Kleine watersalamander
Rood peperboompje
Vinpootsalamander
Beekkrombout
Dreps
Groensteel
Kleine wolfsmelk
Rosse woelmuis
Vliegend hert
Beekprik
Duinparelmoervlinder
Groot spiegelklokje
Kluwenklokje
Rozenkransje
Vliegenorchis
Beklierde ogentroost
Dwergmuis
Grote bosaardbei
Knollathyrus
Ruw parelzaad
Vos
Berggamander
Dwergspitsmuis
Grote bosmuis
Knolspirea
Scherpkruid
Vroege ereprijs
Bergnachtorchis
Echte gamander
Grote leeuwenklauw
Kommavlinder
Schubvaren
Vuursalamander
Blaasvaren
Edelhert
Grote modderkruiper
Konijn
Schubzegge
Waterspitsmuis
Blauw guichelheil
Eekhoorn
Grote parelmoervlinder
Korensla
Sleedoornpage
Wezel
Bokkenorchis
Egel
Grote vos
Kranskarwij
Smalle raai
Wild zwijn
Boommarter
Eikelmuis
Grote vuurvlinder
Kruiptijm
Speerwaterjuffer
Wilde averuit
Bosbeekjuffer
Elrits
Grote weerschijnvlinder
Kwabaal
Spiegeldikkopje
Wilde ridderspoor
Bosboterbloem
Europese rivierkreeft
Haas
Lange zonnedauw
Spits havikskruid
Wilde weit
Bosdravik
Franjegentiaan
Hazelworm
Levendbarende hagedis
Steenbraam
Woelrat
Bosmuis
Geelgroene wespenorchis
Hermelijn
Liggende ereprijs
Steenmarter
Wolfskers
Bosparelmoervlinder
Gentiaanblauwtje
Honingorchis
Meerkikker
Stijve wolfsmelk
Zandwolfsmelk
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
23
Limburg
N- Brabant
Zeeland
Flevoland
Z-Holland
N-Holland
Utrecht
Gelderland
Overijssel
de in dat lid opgenomen verboden niet voor de soorten
Drenthe
In afwijking van artikel 3.10, eerste lid, van de wet gelden
Groningen
Soort / Provincie
Friesland
BIJLAGE 3 - VRIJGESTELDE SOORTEN
hiernaast genoemd, mits het gaat om handelingen die
Aardmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
worden verricht in verband met:
Bastaardkikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bruine kikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
a. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting; b. de uitvoering van werkzaamheden in het kader
Bosmuis
x
x
x
x
x
x
Bunzing
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen,
Dwergmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken,
Dwergspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. bestendig gebruik. Deze vrijstelling geldt dus niet voor (eenmalige) activiteiten, zoals evenementen of (sport)wedstrijden.
Egel
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone bosspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Haas
x
x
x
x
x
x
Hermelijn
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
Huisspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Konijn
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ondergrondse woelmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ree
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Rosse woelmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Steenmarter
x
Tweekleurige bosspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Veldmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vos
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wezel
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wild zwijn
x x
Woelrat
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone pad
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Kleine watersalamander
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Meerkikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
24
BIJLAGE 4 - KAART PERCEELGRENZEN
Figuur: kaarten perceelgrenzen zoals aangeleverd door de opdrachtgever.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
25
BIJLAGE 5 - INGEVULDE GEGEVENS Hieronder is de ingevulde vragenlijst weergegeven die door de opdrachtgever is ingevuld.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
26
BIJLAGE 5 - INGEVULDE GEGEVENS (VERVOLG)
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
27
BIJLAGE 6 - EFFECTENINDICATOR
De effectenindicator (Ministerie van Economische Zaken, 2017) is ingevuld voor Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en voor werkzaamheid ‘woningbouw’.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
28
BIJLAGE 7 - CV’S BETROKKEN ECOLOGEN Ruth van den Herik, MSc Functie: projectleider en veldecoloog
Nick Kroese, BSc Functie: kwaliteitscontroleur
Relevante opleidingen:
Relevante opleidingen:
- wo master Animal Sciences aan de Wageningen Universiteit,
- hbo Bos- en natuurbeheer aan Van Hall Larenstein
met specialisatie animal ecology.
met specialisatie natuur- en landschapstechniek. - mbo-4 Bos- en natuurbeheer aan het Wellantcollege te Gouda. Ervaring: Nick is sinds 2014 in dienst bij Habitus. Hij voert al sinds 2009 quickscans uit en heeft daardoor ruime ervaring opgedaan met deze dienst. Ook verricht hij al sinds 2009 soortgerichte onderzoeken
en
fauna-inventarisaties.
Zijn
persoonlijke
aandachtsgroepen zijn planten, libellen, weekdieren en kevers. Van de volgende soortgroepen heeft hij bewezen over voldoende kennis te beschikken om een ecologische effectenbeoordeling uit te voeren en deze van anderen te beoordelen: grondgebonden zoogdieren, zeezoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen,
- wo bachelor Dierwetenschappen aan de Wageningen Universiteit, met specialisatie wildlife biodiversity. Ervaring: Ruth is sinds augustus 2018 in opleiding bij Habitus. Sinds 2018 ondersteunt zij projectleiders met het uitvoeren van veldwerk en het opstellen van rapporten, onder begeleiding van Benjamin Brandt. Tijdens haar opleiding heeft zij een brede kennis opgedaan van ecologie en heeft zij ook een semester gestudeerd in Zweden, om zich meer te verdiepen in natuur- en wildbeheer. Ook heeft ze ervaring met wildcamera’s. Ze heeft vooral interesse in vogels en landzoogdieren.
vlinders, libellen, kreeften, vogels, mossen en vissen. Benieuwd naar de persoonlijke waarnemingen die Nick doet? Zie dan zijn account op waarneming.nl. Professionele waarnemingen worden ingevoerd via WrnPro.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
29
BIJLAGE 8A - RESULTATEN BUREAU-ONDERZOEK In deze tabel zijn de soorten opgenomen die binnen een straal van vijf kilometer van de projectlocatie zijn waargenomen (bron: NDFF). Er is een periode van vijf jaar aangehouden. Dit zijn arbitraire grenzen die in de meeste situaties toereikend zullen zijn. Wij houden altijd rekening met uitzonderlijke gevallen (bijzondere soorten of biotopen).
Amfibieën
Libellen
Planten
Reptielen
Vlinders
Vleermuizen
Zoogdieren
Alpenwatersalamander
Bosbeekjuffer
Grote leeuwenklauw
Levendbarende hagedis
Grote vos
Gewone dwergvleermuis
Aardmuis*
Bastaardkikker*
Gevlekte witsnuitlibel
Kartuizer anjer
Grote weerschijnvlinder
Gewone grootoorvleermuis
Bever
Bruine kikker*
Iepenpage
Gewone/Grijze grootoorvleermuis
Bosmuis*
Gewone pad*
Kleine ijsvogelvlinder
Gewone/Kleine/Ruige dwergvleermuis
Bunzing
Heikikker
Teunisbloempijlstaart
Laatvlieger
Das
Gewone pad*
Rosse vleermuis
Dwergmuis*
Kamsalamander
Ruige dwergvleermuis
Dwergspitsmuis*
Kleine watersalamander*
Watervleermuis
Eekhoorn
Poelkikker
Egel* Haas* Huisspitsmuis* Konijn* Ondergrondse woelmuis* Ree* Rosse woelmuis* Steenmarter Veldmuis* Vos* Waterspitsmuis Wezel Wild zwijn*
* = deze soorten zijn vrijgesteld in de Wet natuurbescherming. Zie Bijlage 3 voor een lijst per provincie. Onderstreept = soorten die ook binnen één kilometer van het projectgebied zijn waargenomen.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
30
BIJLAGE 8B - RESULTATEN BUREAU- EN VELDONDERZOEK Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Onderbouwing en locaties ³
Alpenwatersalamander
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk grote poelen, ondiepe plasjes, vrij zure vennen, tuinvijvers of volgelopen karresporen in de buurt van bos of houtwallen en ook veel in tuinen. De alpenwatersalamander komt ook veel voor in sterk beschaduwde en vegetatiearme bospoelen. Als schuilplaatsen worden allerlei vochtige plekken gebruikt. De dieren worden onder hout, stenen, mos en afval aangetroffen. Alpenwatersalamanders overwinteren voornamelijk op vorstvrije plaatsen op het land, zoals holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, stenen, afvalhopen, kelders, groeven en (vleermuis)bunkers. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven (Ravon, z.d.a).
Heikikker*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van ondiep, stilstaand, enigszins zuur (pH 4 tot 5,5) voedselarm water met oevervegetatie. Verder is er geen geschikt terrestrisch biotoop aanwezig binnen 300 meter van geschikt voortplantingswater waar de heikikker tijdens de actieve fase verblijft, zoals vochtige heideterreinen, veengebieden, vochtige schraallanden, uiterwaarden of komkleigebieden (met struweel en kruidenvegetatie). Ook is geen geschikt overwinteringsbiotoop aanwezig in de vorm van vorstvrije plekken op het land, zoals (afgetrapte) slootkanten of bosschages in de nabijheid (500 meter) van terrestrisch- of voortplantingsbiotoop (Ravon, z.d.c).
Kamsalamander*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk wat diepere, vegetatie- en licht voedselrijke, niet verzuurde poelen en plassen op landgoederen, in beekdalen, in het rivierengebied, in loofbossen of in kleinschalige cultuurlandschappen. Kamsalamanders verblijven op het land onder stenen, hout, bladafval, in gaten onder wortels en in holen van kleine zoogdieren, meestal binnen 100 meter van het voortplantingswater. Wanneer geschikt landbiotoop ontbreekt kunnen ze 1000 meter afleggen op zoek naar geschikt biotoop. Overwintering van dieren in het water komt zelden voor (Ravon, z.d.d).
Poelkikker*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk zwak zuur, onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oeverzone, zoals vennen, poelen, watergangen in hoogveengebied of uiterwaarden. Ook worden geen landschapselementen verwijderd of aangetast, zoals bosschages, struweel of hoger gelegen verlandingsvegetaties, waarin de poelkikker kan overwinteren (Ravon, z.d.f).
Rugstreeppad*
N.v.t
N.v.t.
De volgende drie eisen worden gesteld volgens het Kennisdocument rugstreeppad: 1. Recente aanwezigheid (drie jaar) binnen één kilometer van de projectlocatie. 2. Geen barrières aanwezig tussen bekende waarnemingen. 3. Er is een geschikte combinatie van habitats aanwezig: voortplanting- , zomer- en winterverblijfplaatsen (Bij12, 2017d; Ravon, z.d.g). Er zijn geen waarnemingen van de rugstreeppad bekend binnen vijf kilometer van het projectgebied in de laatste drie jaar. Tussen het projectgebied en de dichtstbijzijnde waarneming op 5.5000 meter bestaan onoverbrugbare barrières, namelijk rijkswegen (A270), provinciale wegen (N270) en rivieren (Eindhovensch kanaal). Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van (tijdelijke) ondiepe wateren, die snel opwarmen, zoals vegetatie-arme poeltjes, karresporen, recent geschoonde sloten of ondiepe slootjes. Er is geschikt terrestrisch biotoop aanwezig namelijk pallets die kunnen dienen als zomerverblijfplaats. Verder zijn geen (vorstvrije) hopen vergraafbaar zand, bosschages of struwelen aanwezig boven het grondwater die kunnen dienen als winterverblijfplaats. Vanwege de gestelde eisen is er geen kans op vestiging in nieuw voortplantingsbiotoop. Ook is er geen kans op vestiging in geschikt winterbiotoop gezien de barrières.
Vinpootsalamander*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk poelen, sloten, vennen, waterbakken of karrensporen op hogere gronden en in of in de nabijheid van bossen in de provincies Noord-Brabant en Limburg. Ze vertonen hierbij een vrij grote tolerantie voor zuur water (tot pH 4). Op het land houden de dieren zich op onder stronken, dode bladeren, takken en stenen binnen een straal van 400 meter van het voortplantingswater. De vinpootsalamander overwintert in allerlei gaten en spleten in de bodem, tussen wortels, onder stenen, boomstronken en bladhopen. Overwintering vindt ook vaak plaats in het water (Ravon, z.d.h).
Gestreepte waterroofkever*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk onbeschaduwde, stilstaande wateren of zeer langzaam stromende wateren op veen- of zandgrond van 40 tot 160 cm diep met een maximaal kroosbedekkingspercentage van 5%. Veelal zijn klein kroos en veelwortelig kroos wel aanwezig. De onderwateroever mag wel door hoogopgaande oevervegetatie beschaduwd worden, zoals riet en grote lisdodde (EIS, 2005).
Vermiljoenkever*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk recent gestorven bomen (zowel liggende als staande) in vochtige tot natte bossen. De vermiljoenkever leeft vrijwel permanent achter de schors van net gestorven bomen (EIS, 2012). Ook lijkt het goed mogelijk dat de soort al in de provincies Utrecht en Zuid-Holland aanwezig is (EIS, 2018). Naast de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Limburg.
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt uitsluipbiotoop aanwezig, namelijk oevervegetatie, holle oevers, boomwortels of stenen, meestal binnen enkele meters van het water van grotere beken en kleine rivieren. Op en rond deze wateren zijn de imago's te vinden. De eieren worden op het wateroppervlak afgezet. De larven leven ingegraven in de beek- of rivierbodem, op ondiepe, traag stromende plaatsen waar veel slib of fijn zand is afgezet (vlinderstichting, z.d.a).
Amfibieën
Kevers
Libellen Beekrombout*
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
31
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Onderbouwing en locaties ³
Bosbeekjuffer
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk holle oevers. De soort komt voor in bovenlopen van beschaduwde, koele, zuurstofrijke beken, die gekenmerkt worden door een natuurlijke morfologie. Een grote variatie in stroomsnelheid is kenmerkend, meestal veroorzaakt door meanders en natuurlijke obstakels in de beek (Vlinderstichting, z.d.u).
Gevlekte witsnuitlibel*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig, namelijk laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen. De larven leven tussen waterplanten in de verlandingszone. Het uitsluipen vindt plaats tot enkele decimeters hoogte in de oevervegetatie (vlinderstichting, z.d.c).
Groene glazenmaker*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig: stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden; plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. De eitjes overwinteren in krabbenscheerplanten. De larven leven tussen de bladen van krabbenscheerplanten, meestal in dichte krabbenscheervegetaties. Het uitsluipen gebeurt ook op krabbenscheerplanten (vlinderstichting, z.d.d).
Rivierrombout*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig. Een geschikt larvenbiotoop bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten. Net uitgeslopen imago’s drogen op in of nabij ruigtevegetaties in de directe nabijheid van de rivier. Ook oudere imago’s zijn in de nabijheid van de rivier te vinden (vlinderstichting, z.d.g). Vanwege de grote afstand tot de rivier (> 1 kilometer) wordt aanwezigheid van de soort uitgesloten.
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk vochtige, jonge wilgenbossen of jonge aanplant van zomereik. De soort komt voor op de schors van deze bomen en vaak gaat het om een enkel polletje op een tak (BWLG, 2007). Er is gericht gezocht naar tonghaarmuts, maar de soort is niet aangetroffen tijdens het veldbezoek.
Brede wolfsmelk*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals kalkrijke akkers, braakliggende grond, bermen (open plekken) en omgewerkte kleiige waterkanten met o.a. akkerdistel (100%, n=3), haagwinde en kruipende boterbloem. De soort kan voorkomen op matig voedselrijke gronden die droog tot vochtig zijn en waarvan de zuurgraad zwak zuur tot matig zuur is. De soort verdraagt geen sterke beschaduwing (Dijkstra, 2018d).
Dreps*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieus's, voornamelijk uit klasse 30 van de akkergemeenschappen (30BA, 30AA en 30 BB) met begeleidende soorten zoals grote windhalm, zwaluwtong, korenbloem en akkerviooltje. Groeiplaatsen zijn onder andere akkers (wintergraanakkers en speltakkers), spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken, in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en storttereinen (Dijkstra, 2018e).
Drijvende waterweegbree*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk natte pioniermilieu's, zoals vennen, vijvers, beken, pas gegraven of regelmatig geschoonde poelen en sloten, afwateringskanaaltjes, duinplassen en/of kanalen. Vegetaties uit het Overkruidverbond (06AA) ontbreken op de projectlocatie. Begeleidende soorten zijn o.a. drijvend fonteinkruid, knolrus en mannagras (Dijkstra, 2018f).
Glad biggenkruid*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieu's (30BB - Verbond van vingergras en naaldaar) met onder andere schapenzuring, gewone spurrie, zwaluwtong en gewoon varkensgras (Dijkstra, 2018h).
Grote leeuwenklauw*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieus's of natte pioniermilieu's, zoals bermen langs onverharde wegen (in de strook vlak langs de rijweg), akkers (graanakkers), waterkanten (rivieroeverwallen en sloothellingen), braakliggende grond, bij veevoerkuilen, dijken, tuinen en langs spoorwegen. Begeleidende soorten zijn o.a. akkerviooltje, zwaluwtong, vogelmuur en gewoon varkensgras. Vegetaties uit het Windhalmverbond (30Ba) of Naaldenkervelverbond (30Aa) ontbreken op de projectlocatie (Dijkstra, 2018i).
Groenknolorchis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (kalk-, zand- en grindgroeven), moerassen (trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietland en aan de rand van rietland), heide (op veenmoskussens in heidemoeras), opgespoten grond (zand), plekken waar turf gestoken is en grasland (beekdal-blauwgrasland). Vegetaties uit het Knopbiesverbond (09BA) ontbreken op de projectlocatie. Begeleidende soorten zijn o.a. watermunt, gewone waternavel, riet en kruipwilg (Dijkstra, 2018j).
Kartuizer anjer
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk grasland (schraal grasland en kalkgrasland), bermen en rotsachtige plaatsen (Dijkstra, 2018l). Vegetaties uit het Verbond van Gewoon struisgras (14BB) ontbreken op de projectlocatie. Ook zijn geen begeleidende soorten aanwezig, zoals kleine bevernel, grasklokje, struikhei en zandzegge.
Kleine wolfsmelk*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieu's zoals kalkrijke, vaak kleiige omgewerkte grond (pioniervegetatie) met onder andere zwaluwtong, akkerdistel, vogelmuur en gewoon varkensgras (Dijkstra, 2018m). Vegetaties uit het naaldekervelverbond (30AA) en verbond van duivekervel en kroontjeskruid (30AB) ontbreken op de projectlocatie.
Kruipend moerasscherm*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk open plekken aan oevers van beken, zoete kreken en, ondiepe poelen langs sloten aan de rand van veengebieden, zeeduinen (langs drinkpoelen, in binnenduinweiland en duinvalleien), grasland (extensief begraasde weiland en oud grasland), ijsbanen en uiterwaarden (langs beken en kleine rivieren). Enkel op matig voedselrijke bodems, vooral in het zuiden en oosten van het land. Vegetaties uit het Dwergbiezenverbond (29AA) ontbreken op de projectlocatie. Begeleidende soorten zijn o.a. fioringras, zomprus, pinksterbloem en moeraswalstro (Dijkstra, 2018q).
Muurbloem*
N.v.t.
N.v.t.
Deze soort wordt uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt biotoop, namelijk droge storingsmilieu's zoals muren of andere kunstmatige kalkrijke plaatsen met begeleidende soorten zoals muurvaren, muurleeuwenbek, gewoon muursterretje of plat beemdgras (Dijkstra, 2018r). Vegetaties uit het Verbond van klein glaskruid (21AA) ontbreken op de projectlocatie.
Mossen Tonghaarmuts*
Planten
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
32
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Onderbouwing en locaties ³
Ruw parelzaad*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals zonnige, open plaatsen op braakliggende grond of op open plekken langs oeverwallen met begeleidende soorten zoals akkerdistel (trefkans > 85%; n=26), duist, grote klaproos en akkerwinde (Dijkstra, 2018t). Vegetaties uit het naaldekervelverbond (30AA) en Windhalmverbond (30BA) ontbreken op de projectlocatie.
Wolfskers*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bossen (open plekken en langs bospaden, bosranden, kapvlakten, brandvlakten), stenige plaatsen, ruderale plaatsen en braakliggende grond. Over begeleidende soorten is weinig bekend. In twee gevallen kwam kropaar als begeleidende soort voor (Dijkstra, 2018y).
Hazelworm*
N.v.t.
N.v.t.
In het projectgebied bevindt zich geen geschikt biotoop voor de hazelworm, namelijk warme, beschutte, halfopen terreinen met vochthoudende bodem zoals bosranden, open plekken in bossen, ruige
Levendbarende hagedis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk vochtige heide of structuurrijke bermen en ruigten (Ravon, z.d.m).
Ringslang*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt leef- of voorplantingsbiotoop aanwezig, zoals waterrijke biotopen op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden. De ringslang komt ook voor in het laagveen. Andere landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden verricht zijn bos en struweel en op infrastructuur (wegen en spoorwegen). Ringslangen kunnen ook aanwezig zijn in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen
Zandhagedis*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig zoals (droge) heide of structuurrijke bermen/ruigten met open plekken en kaal zand (Ravon, z.d.p).
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk relatief natuurlijke beken met een goede waterkwaliteit. De soort is beperkt tot de provincies Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. De soort
Reptielen heidevelden, kalkgraslanden, vestingwerken, bermen van wegen en spoorwegen (Ravon, z.d.l).
voorkeurshabitat (Ravon, z.d.o). Verder zijn geen broeihopen, zoals bladhopen, composthopen of mestvaalten aanwezig.
Vissen Beekprik*
paait in de periode februari-mei op grindrijke plaatsen met stromend water (Ravon, z.d.q). Elrits*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk snelstromende rivieren en beken in Zuid-Limburg en in Gelderland op de oostflank van de Veluwe (Ravon, z.d.r).
Grote modderkruiper*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt leefbiotoop aanwezig, namelijk ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Ook zijn geen drooggevallen wateren aanwezig, waarin de soort enige tijd ingegraven in de modder kan overleven. Ook is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van ondiepere warme delen van het water met waterplanten, overhangende takken of andere vormen van structuur. Ook is er geen opgroeibiotoop voor juveniele dieren, zoals ondiepe plantenrijke oeverzones (Ravon, z.d.t).
Vlinders Bruine eikenpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk kleine eikenboompjes die in de schaduw van hogere bomen groeien of jonge eikenopslag. Vaak worden de eitjes aan de zuidoostkant van de boompjes afgezet op een stam, tak of twijg met een gladde bast zonder korstmossen op een halve tot anderhalve meter hoogte. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: zandgronden met eiken in het binnenland en in de duinen. In het binnenland vliegt de soort bij bosranden, jonge eikenaanplant en open loofbossen. De soort vliegt bij gedrongen eikenstruweel, bij vrijstaande eikjes, in open eikenbossen en kapvlakten (Vlinderstichting z.d.j).
Grote vos*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, zoals voornamelijk iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. De eitjes worden afgezet op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout (Vlinderstichting z.d.m).
Grote weerschijnvlinder
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig: vooral boswilg en soms grauwe wilg. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen (Vlinderstichting z.d.n).
Iepenpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk diverse soorten iep, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. Het eitje wordt meestal afgezet in de kruin van de boom. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk bloeiende en vruchtdragende bomen of op relatief jonge iepen. Geschikte bomen worden doorgaans gevonden in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen (Vlinderstichting z.d.o).
Kleine ijsvogelvlinder
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig zoals open, luwe plekken in bossen en bosranden. Geen waardplanten aanwezig zoals dauwbraam en wilde kamperfoelie (Vlinderstichting z.d.q).
Sleedoornpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten (o.a. pruim). Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: struwelen met sleedoorn (waardplant) langs bosranden, weg- en spoorbermen, holle wegen en akkers, in parken én vrijstaande pruimen in tuinen. De gebruikte sleedoorns moeten geregeld verjongd worden door begrazing of door ze regelmatig te snoeien (Vlinderstichting z.d.r).
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
33
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Onderbouwing en locaties ³
Teunisbloempijlstaart*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Geen strooisellaag aanwezig waarin de soort als pop overwintert. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Voornamelijk in het zuiden en oosten van het land (Vlinderstichting z.d.s).
Boomvalk, buizerd, havik, wespendief en zwarte wouw*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied en de directe omgeving (50 meter) zijn geen horsten aangetroffen van boomvalk, buizerd, havik, wespendief of zwarte wouw. Er is één (oud) nest van zwarte kraai aangetroffen op 40 meter van het projectgebied, één eksternest op 9 meter van het projectgebied en één eksternest op de grens van het projectgebied. De boomvalk zou in nesten van zwarte kraai en ekster tot laat in het broedseizoen nog tot broeden kunnen komen (Bij12, 2017e; Vogelbescherming Nederland, z.d.a-e). Echter, er zijn geen waarnemingen van boomvalk in de directe omgeving van het projectgebied. Daarom wordt niet verwacht dat boomvalk in of in de directe omgeving van het projectgebied tot broeden zal komen.
Gierzwaluw*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied zijn geen geschikte gebouwen aanwezig: vaak oudere stadswijken of grotere gebouwen en in mindere mate nieuwe gebouwen (Bij12, 2017c; Vogelbescherming Nederland, z.d.b). Daarnaast zijn geen geschikte invliegopeningen of poepsporen aangetroffen.
Huismus*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig, zoals onder dakpannen, in neststenen, kieren en gaten in muren, achter regenpijpen of speciale mussennestkasten met dekking (bomen of struiken) op enkele meters afstand. Er zijn altijd groenblijvende struiken aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied die de huismus gebruikt als plaats om te overnachtingsplaats in de winter. Deze blivjen echter behouden. Er worden geen (houtige) elementen verwijderd die onderdeel uit kunnen maken van de functionele leefomgeving, zoals struweel/hagen (schuilplaats), watertjes (drinkfunctie) of zandige stukjes (zandbad). Daarnaast zijn er geen huismussen op of rond de projectlocatie aangetroffen, waardoor vestiging op korte termijn (binnen de houdbaarheid van deze quickscan) niet aannemelijk is (Bij12, 2017b; Vogelbescherming Nederland, z.d.d).
Kerkuil, ransuil, steenuil*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikte nestplaats aanwezig voor de kerkuil en steenuil, zoals een nestkast of schuur. Ook worden geen oude kassen gesloopt of knotbomen aangetast die door de steenuil gebruikt kunnen worden. Er zijn geen sporen, zoals veren of braakballen aangetroffen. Roestbomen van ransuil zijn vaak naaldbomen, deze zijn niet aanwezig binnen of in de omgeving van het projectgebied. Ook zijn er geen waarnemingen bekend van ransuil binnen vijf kilometer rond het projectgebied (Vogelbescherming Nederland, z.d.e).
Oeverzwaluw*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt nestbiotoop aanwezig, namelijk een kale zandige of lemige steilwand met insecten in de omgeving. Er is geen kans op vestiging indien er tijdens de werkzaamheden steilwanden ontstaan in de periode april-juni in de vorm van zanddepots en afgravingen (Vogelbescherming Nederland, z.d.f).
Roek*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen roeken waargenomen. Ook geen zijn geen nestbomen aangetroffen binnen het projectgebied of in de omgeving hiervan (Vogelbescherming Nederland, z.d.h).
Slechtvalk*
N.v.t.
N.v.t.
Nestgelegenheid ontbreekt: hoge gebouwen zoals torens of hoogspanningsmasten zijn niet aanwezig (Vogelbescherming Nederland, z.d.i).
Sperwer*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied en de directe omgeving (50 meter) zijn geen horsten aangetroffen van sperwer. De sperwer broedt meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels in bosjes en op erven (Vogelbescherming Nederland, z.d.j).
Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: ekster*
a
N, vm
Er zijn twee nesten van ekster aangetroffen: één op de grens van het projectgebied en één op 9 meter afstand. De Staat van Instandhouding van de Ekster als broedvogel in Nederland is zeer ongunstig. Echter, de ekster populaties in stedelijk gebied zijn de laatste jaren toegenomen. Omdat het projectgebied in stedelijk gebied gelegen is, wordt ekster niet beoordeeld als een soort met een jaarrond beschermd nest. Wel kunnen de werkzaamheden een negatief effect hebben op broedende eksters. Het is ook mogelijk dat eksters zich gaan vestigen in bomen binnen en rond het projectgebied.
Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: eidereend, brilduiker, draaihals, ruigpootuil, zwarte specht, tapuit*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen kustduinen aanwezig waar de eider kan broeden. Er zijn geen oude, bestaande holten van vooral de zwarte specht (in den en beuk) waar de ruigpootuil gebruik van kan maken. De brilduiker broedt voornamelijk in landgoedbossen in het IJsseldal (tussen Zwolle en Deventer), hier ligt het projectgebied niet in. In het projectgebied ontbreken oude berken (op de Veluwe) met holtes waar de draaihals gebruik van maakt. Er zijn geen schrale heide- of stuifzandgebieden of duinen aanwezig met konijnenholen waar de tapuit tot broeden kan komen (Vogelbescherming Nederland, z.d.q-u).
Vogels zonder jaarrond beschermd nest*
a
N, vm
•
Vogels
• • • • • •
Er zijn twee nesten van waarschijnlijk houtduif aangetroffen in en in de directe omgeving van het projectgebied. Ook is er een nest van zwarte kraai aangetroffen op circa 40 meter van het projectgebied. In de bomen en bosschages in en direct rond het projectgebied kunnen vogels zoals groenling, putter, zwarte kraai, houtduif en pimpelmees broeden. Tussen de losse materialen (stapel pallets) in het projectgebied kunnen soorten als witte kwikstaart en winterkoning broeden. In de aanwezige nestkasten kunnen vogels zoals koolmees en pimpelmees broeden. Categorie 5-soorten met een 'matig ongunstige' staat van instandhouding zoals de spreeuw en huiszwaluw worden niet verwacht, omdat geschikte nestlocaties ontbreken. Een pioniersoort zoals de kleine plevier wordt niet verwacht. Het projectgebied is niet open genoeg voor deze soort. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd. Duiven, zoals de houtduif, kunnen vrijwel het gehele jaar broeden en daar dient rekening mee gehouden te worden. Zie 4.3.2 voor de te nemen maatregelen.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
34
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Onderbouwing en locaties ³
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen (helder) voedselrijk, stilstaand (of slechts zwakstromend) water aanwezig (ionenarm) met begroeiing van waterplanten, zoals bijvoorbeeld gele plomp en witte waterlelie. De soort wordt vaak in draadalg-vegetaties aangetroffen. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water (IvL & RHB, 2014, 2016).
N.v.t.
N.v.t.
Er worden werkzaamheden aan gebouwen verricht (sloop). Zowel de basisschool als de sporthal hebben nergens open stootvoegen of andere openingen waar gebouwbewonende vleermuizen in kunnen kruipen en verblijven kunnen hebben. Er zijn geen bomen met holtes, loszittend schors of bedekt met klimop aanwezig in het projectgebied. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten worden dus ook uitgesloten. Er wordt mogelijk verlichting geplaatst die gebouwen, bomen of beplanting beschijnt. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen uitgesloten worden. Kraamverblijfplaatsen: de eisen aan een kraamverblijf zijn, onder andere, een stabiele, warme temperatuur met gradiënt en buffermogelijkheden en instraling van zon en temperatuurlekkage vanuit de woning. Aan deze eisen kan worden voldaan in een spouwmuur of boomholte. Om deze reden kunnen kraamverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten. Winterverblijfplaatsen: de eisen aan een winterverblijf zijn onder andere een stabiele temperatuur met gradiënt, vorstvrij (wel koud/koel), buffermogelijkheden. Instraling van zon en temperatuurlekkage vanuit een woning maken een verblijfplaats extra geschikt als winterverblijf. Aan deze eisen kan worden voldaan in een spouwmuur of boomholte, welke beide niet aanwezig zijn in het projectgebied. Daarom kunnen winterverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten.
Zomerverblijfplaatsen: de eisen aan een zomerverblijf zijn aanzienlijk beperkter dan aan kraam- of winterverblijven, zo zijn rolluiken, ruimtes achter dakbetimmeringen en boomholtes geschikt. Deze eisen zijn niet aanwezig in het projectgebied. Paarverblijfplaatsen: aan een paarverblijf worden vaak weinig eisen gesteld, kleine ruimtes onder vensterbanken of kozijnen zijn geschikt, maar ook boomholtes en bijvoorbeeld ruimtes onder dakranden. IDeze eisen zijn niet aanwezig in het projectgebied. Massawinterverblijfplaatsen: Massawinterverblijven zijn aanwezig in gebouwen met meerdere etages, die zijn niet aanwezig. Essentiële vliegroute: er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd. Effecten worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied: er wordt geen grote solitaire boom gekapt in open gebied. Ook wordt geen groot oppervlak aan houtige beplanting of moeras verwijderd óf een groot oppervlak aan water gedempt. Effecten worden uitgesloten (Bij12, 2017a; Netwerk Groene Bureaus, 2017; Vleermuis.net, 2018). In Bijlage 10 zijn foto’s opgenomen.
Bever*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig voor de bever, zoals moerasgebied, rivieren of meren omzoomd door broekbossen. Ook zijn geen sporen, zoals recente afdrukken gevonden en is er geen beverburcht aanwezig (Zoogdiervereniging, z.d.a).
Boommarter*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen konijnen-, vossen- of dassenholen aanwezig binnen het projectgebied of binnen 50 meter afstand. Er zijn echter geen bomen aanwezig op het terrein. Verder zijn geen inrottingsgaten, spechtengaten, eekhoornholen of gebouwen aan de rand van het bos aanwezig om als voortplantingsplaats te kunnen gebruiken (Zoogdiervereniging, z.d.b).
Bunzing
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig zoals terreinen met een afwisseling van sloten en greppels, weilanden, akkers, houtwallen en bosschages, zoals op veel landgoederen in Nederland. Daarom wordt de bunzing uitgesloten (Stichting Kleine Marters, 2018a; Zoogdiervereniging, z.d.c). Er zijn twee waarneming bekend op circa 650 meter afstand van het projectgebied, aan de andere kant van de rijksweg.
Das*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen sporen aangetroffen, zoals burchten, haren of prenten, waaruit mogelijke aanwezigheid blijkt. Ook wordt geen essentieel foerageergebied of wissel aangetast die het functioneren van een burcht negatief kunnen beïnvloeden (Zoogdiervereniging, z.d.d).
Eekhoorn*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen eekhoornnesten (bolvormige nesten met bladeren) waargenomen binnen het projectgebied en 50 meter daarbuiten. Ook zijn geen geschikte boomholtes of spechtengaten aangetroffen die in gebruik zijn of gebruikt kunnen worden (Zoogdiervereniging, z.d.e).
Noordse woelmuis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals rietland, moeras, extensief gebruikt weiland, periodiek overstroomde terreinen of natte grazige vegetaties. In gebieden zonder andere woelmuizen komt de soort ook voor in drogere biotopen, zoals wegbermen en zelfs in droog naaldbos (Zoogdiervereniging, z.d.h).
Weekdieren Platte schijfhoren*
Vleermuizen Gewone dwergvleermuis*, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis
Zoogdieren
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
35
Otter*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Er zijn geen overstromingsvrije oeverholtes die kunnen dienen als nestplaats. Ook zijn geen dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages of kunstmatige holten aanwezig die kunnen dienen als dagrustplaats.Er zijn geen eetplekken, loopsporen, wissels, krabheuveltjes, ottergeil of spraints aangetroffen (Zoogdiervereniging, z.d.i).
Steenmarter
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, omdat mogelijke verblijfplaatsen ontbreken (en niet toegankelijk zijn) zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. De steenmarter is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt (Zoogdiervereniging, z.d.j).
Waterspitsmuis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt de soort veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten (Zoogdiervereniging, z.d.l).
Wezel
N.v.t.
N.v.t.
Er is geschikt biotoop aanwezig. Wezels kunnen in verscheidene landschappen (macrohabitats) worden aangetroffen, waarin de voorkeur uitgaat naar structuurrijke en/of geen accidenteerde terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van min of meer dichte structuren zoals ruigten, hoog gras- of rietland, bosjes en/of houtwallen betrokken (het microhabitat). De rommelige hoekjes met stapels losse materialen zijn geschikt als verblijfplaats en de omgeving is geschikt als jachtgebied (Stichting Kleine Marters, 2018c; Zoogdiervereniging, z.d.m). Er is een waarneming bekend op circa 1.900 meter afstand van het projectgebied.
Wild zwijn
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig. Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen (Zoogdiervereniging, z.d.n).
¹ a = beschermde functie aangetroffen. ² N = nestplaats, vm = vestiging mogelijk. *Deze soort wordt altijd behandeld en volgt niet noodzakelijkerwijs uit het literatuur- of veldonderzoek.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
36
BIJLAGE 9 - PAS Wat is het PAS?
Aerius
PAS staat voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). In dit
AERIUS is het online rekeninstrument van het PAS. AERIUS
De afbakening van het te beschouwen gebied is veel gevallen
programma werkt het PAS-bureau voor Rijk en provincies aan
ondersteunt
de
vergunningverlening,
monitoring
complex, vanwege het verschil in activiteit, uitstoothoogte, ligging
minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling.
van
en
ruimtelijke
relatie
tot
van het projectgebied en eventuele maatregelen. Wij adviseren
Minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling zijn
stikstof. Op basis van de locatie en de kenmerken van
om bij projecten met een aanzienlijke stikstofuitstoot (zoals
de doelen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Al jaren is er in
stikstofuitstotende
emissies,
nieuwbouw van meerdere woningen en grote uitvoeringsprojecten)
veel Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak
verspreiding en depositie van stikstof. Door de depositiekaart te
of ammoniakuitstoot (voornamelijk uitbreiding agrarische activi-
en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert
combineren met de habitatkaart van de stikstofgevoelige Natura 2000-
teiten) én ligging in de omgeving van een gevoelig Natura 2000-
ook vergunningverlening voor economische activiteiten.
gebieden, ontstaat een beeld van de stikstofbelasting van de
gebied een calculatie uit te voeren. Voor wegen wordt een afstand
habitats.
van vijf kilometer gehanteerd. Op korte afstand van een Natura 2000-
het
Wanneer adviseren wij een aeriuscalculatie uit te voeren?
PAS
bronnen
de
planvorming
berekent
AERIUS
in
de
Wettelijk kader
gebied is vrijwel elke activiteit relevant, terwijl op grotere afstand
De regelgeving in het kader van de PAS is vastgelegd in de Wet
Vergunningvrij, melding maken of verguning aanvragen?
een grotere uitstoot verwaarloosbaar kan zijn. Snelwegen en buiten-
natuurbescherming (Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking
Als een activiteit stikstofdepositie veroorzaakt op een PAS-gebied
stedelijke wegen die op meer dan 5 km van een Natura 2000-gebied
getreden. Naast de wet zijn nog het Besluit natuurbescherming
dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de
of toetspunt liggen hebben conform de rekenmethode van AERIUS
(Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) van belang. Zie deze
activiteit vergunningplichting is onder het PAS. Om te bepalen of
Calculator geen bijdrage op de genoemde locatie. Hoewel de
een activiteit vergunningplichtig is, of de uitzondering op de ver-
activiteit in onze quickscan vaak niet overeenkomt met verkeer,
gunningplicht van toepassing is, moet een enkelvoudige berekening
nemen wij wel deze arbitraire grens als uitgangspunt, tenzij wij
in AERIUS Calculator worden uitgevoerd door een initiatiefnemer.
vermoeden dat de activiteit wel meldings- of vergunningsplichtig is.
pagina voor meer informatie. Wanneer en voor wie relevant? Het PAS is relevant voor iedereen die uitstoot van stikstof veroorzaakt (initiatiefnemers), betrokken is bij het verlenen van vergunningen (overheden) en bij natuurbeheer (eigenaren en beheerders van natuurterreinen). Dit gebeurt bijvoorbeeld in landbouw, industrie, infrastructuur, woningbouw en recreatie.
Alleen indien vergunningplicht of meldingsplicht aan de orde is wordt vervolgens een tweede berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator om de hoeveelheid benodigde depositieruimte te bepalen. Grenswaarde verlaging Wanneer nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert
Relevante gebieden In het PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 118 van de 160 Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn via deze pagina te
die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld wordt de grenswaarde verlaagd van 1,0 mol/ha/jaar naar 0,05 mol/ha/jaar. Voor diverse Natura 2000-gebieden is deze grenswaarde verlaagd. Een actueel overzicht is te vinden via deze link.
bekijken.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
37
BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S SPORTHAL
Figuur: er zijn geen open stootvoegen of andere openingen aanwezig in de sporthal waar vleermuizen naar
Figuur: er is geen ruimte tussen de metalen platen bij de dakrand waar vleermuizen in kunnen kruipen.
binnen kunnen. Het gebouw is ook niet geschikt voor gierzwaluw of huismus.
Figuur: op het dak zijn geen losse platen of andere openingen waar vleermuizen of vogels in kunnen
Figuur: rondom de sporthal zijn bomen(rijen) aanwezig waar vogels zonder jaarrond beschermd nest
kruipen.
kunnen broeden. Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
38
BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S BASISSCHOOL
Figuur: er zijn geen open stootvoegen of andere openingen aanwezig in de basisschool waar vleermuizen
Figuur: er is geen ruimte tussen de metalen platen bij de dakrand waar vleermuizen in kunnen kruipen.
naar binnen kunnen. Het gebouw is ook niet geschikt voor gierzwaluw of huismus.
Figuur: twee van de drie mezenkasten die aanwezig zijn aan en rond de basisschool, waar soorten als
Figuur: stapels pallets waar soorten als witte kwikstaart, zwarte roodstaart en winterkoning in kunnen
pimpelmees en koolmees in kunnen broeden.
broeden.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
39
BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S BASISSCHOOL
Figuur: één van de twee aanwezige eksternesten.
Figuren: twee nesten van waarschijnlijk houtduif zijn aanwezig rond de basisschool.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
40
Over ons Quickscan is een onderdeel van Habitus natuur & landschap, een vooruitstrevend onderzoeks- en adviesbureau voor ecologie, natuur en landschap. Kwaliteit en klanttevredenheid staan bij ons hoog in het vaandel. U kunt van ons verwachten dat wij vlotte en klantgerichte service bieden en aantrekkelijke producten opleveren van het hoogste inhoudelijke niveau. Wij geloven in langdurige samenwerking met opdrachtgevers, partners en personeel op een wijze die wederzijds voordeel oplevert.
Kwaliteit Wij staan voor kwaliteit, dit begint voor ons bij onze ecologen, die specialistische kennis bezitten over de herkenning en ecologie van flora en fauna. Naast inhoudelijke expertise kan kwaliteit in sterke mate geborgd worden door het opstellen en beheren van processen, daarom hebben wij onze bedrijfsstructuur rond processen opgebouwd. Door de aanwezige inhoudelijke kennis en de toepassing van processen aan te vullen met een uitstekende communicatieve vaardigheden, zijn wij er van overtuigd dat elke dienst voldoet aan de strengste kwaliteitseisen.
Klanttevredenheid De klant staat bij ons centraal en dat zien wij ook terug in de cijfers. Zo wordt onze dienstverlening door klanten gemiddeld boven een acht beoordeeld. Regelmatig vragen wij u om een evaluatieformulier in te vullen. Met uw input kunnen we onze dienstverlening in de toekomst verder optimaliseren.
Over ons logo Libellen zijn prachtige insecten. Het is dan ook geen toeval dat we voor inspiratie voor ons logo geput hebben uit de fraaie en diverse vormen die de orde van libellen rijk is. Omdat de vleugelvorm het onderscheidende kenmerk is tussen libellen en juffers en elke soort unieke vleugelkenmerken heeft, hebben we dit onderdeel als basisvorm voor ons logo gekozen.
37