Berg 62 - Bijlage 9 Bouwhistorische verkenning
Tekst van het document
Nuenen Berg 62 Boerderij (1936) Bouwhistorisch verkenning
BAAC Rapport B-23.0744 (DEFINITIEF)
Auteur: Drs. ing. A.G. Oldenmenger
ISSN:
1873-9350
Redactie:
ir. R.W.J.M. Gruben
Veldwerk:
drs. ing. A.G. Oldenmenger
Teksten:
drs. ing. A.G. Oldenmenger
Waardering:
ir. R.J.W.M. Gruben drs. ing. A.G. Oldenmenger drs. L. van Hemert S. Veldhuis
DATUM VELDWERK DATUM CONCEPT DATUM DEFINITIEF
11 september 2023 29 september 2023 10 oktober 2023 (Redactionele op- en aanmerkingen verwerkt van zowel BAACredacteur als vertegenwoordiger van de eigenaar van het pand. Informatie vlieringzolder in addendum toegevoegd na aanlevering foto’s door vertegenwoordiger eigenaar. Op verzoek is de term zolderverdieping gewijzigd in verdieping.)
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of BAAC.
BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103, 5222 BS ’s-Hertogenbosch. Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
Bouwhistorische verkenning
2
1 1.1
Inleiding
Het belang van monumenten
Sleutelbegrip in iedere bouwhistorische verkenning, is het begrip monumentwaarde. In deze eerste paragraaf zal dit begrip worden verklaard en de betekenis ervan worden uitgelegd. Het woord Monument is afgeleid van het Latijnse woord Monumentum, waarmee datgene wordt bedoeld, dat doet herinneren.1 In de oudheid gaat het dan hoofdzakelijk om objecten die opzettelijk gemaakt werden om iemand of een gebeurtenis in herinnering te brengen; een grafmonument of een overwinningsmonument. In de Nederlandse taal wordt het woord monument in ieder geval in de zestiende eeuw al gebruikt. Het is in die tijd een aanduiding van schriftelijke getuigenissen en documenten, opgeschreven herinneringen.2 In latere eeuwen raakt de term in zwang voor sinds lange tijd bestaande bouwwerken, gebouwen die herinneren aan de samenleving van weleer. Het zijn gebouwen met een belangrijke historische functie of die exemplarisch zijn voor een indrukwekkend architectonisch tijdsbeeld. Gaandeweg de negentiende eeuw ontstaat daarbij de woordafleiding monumentaal, die aanvankelijk niet zozeer betrekking heeft op de herinnering, als wel op de omvang van nieuw te realiseren gebouwen en bouwdelen. De reden daarvan is vermoedelijk dat monumenten in vroegere tijd vrijwel per definitie groots en indrukwekkend waren. Later neemt de huidige definitie de overhand.
1 http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/monument. 2 M. Philippa e.a.,
3
Etymologisch Woordenboek van het Nederlands , 4 delen, Amsterdam 2003-2009.
Een monument is in de monumentenwet van 1961 gedefinieerd als een ten minste 50 jaar oud werk, dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de volkskundige waarde. De term schoonheid is daarbij een opvallend, subjectief criterium, dat niet los kan worden gezien van de algemeen geaccepteerde architectonische traditie (in publicaties) en de hedendaagse tijdsgeest. Dat laatste besef, zorgde er in 1988 bij de vernieuwing van de monumentenwet, mede voor dat de voorwaarde van een halve eeuw ouderdom, werd geschrapt. In de Erfgoedwet van 2016 wordt een monument gedefinieerd als een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.3 De aanwijzing van monumenten is decennialang primair de taak van het rijk geweest. Sinds de decentralisatie van de monumentenzorg in 1988, is die verantwoordelijkheid geleidelijk aan steeds meer bij lokale overheden (gemeenten) komen te liggen. Sommige gemeenten maakten hier gretig gebruik van, andere gemeente zien de noodzaak van het aanwijzen van gemeentelijke monumenten tot de dag van vandaag niet in. De aanwijzingsprocedure is in de loop der tijd weinig veranderd. Doorgaans gaat er aan de aanwijzing een inventarisatie- en selectieprocedure vooral. Slechts zelden wordt er diepgaand onderzoek verricht ten behoeve van de toekenning van de beschermde status.
Het woord Waarde wordt in het kader van bouwhistorisch onderzoek gelijkgesteld aan belang of betekenis, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen de betekenis voor de mens nu en de betekenis in vroegere tijd. Een waarde is iets waar een persoon of een (deel van een) samenleving betekenis uit put, omwille van een gezamenlijke of individuele identiteit. Belang zou etymologisch zijn voortgekomen uit een inspanning, een gevoel of verlangen om iets te (be)reiken. Uiteraard kennen we het woord waarde ook in economische zin, waarin het in schrift is terug te voeren tot in de tiende eeuw. In een traject van planvorming en plantoetsing is die ogenschijnlijk dubbele betekenis niet altijd even handig, omdat financiële investeringen moeten renderen, en waarde vooral wordt geassocieerd met het maken van winst. Men moet daarbij echter niet vergeten dat de geldelijke waarde in behoorlijke mate wordt bepaald door hoezeer een persoon iets wil hebben (hoeveel betekenis het voor die persoon heeft, zijn of haar identiteit aanspreekt, is er mede bepalend voor hoeveel die persoon bereid is te betalen). Monumentwaarde staat gelijk aan de betekenis van historische zaken voor het collectieve geheugen, de herinnering aan de samenleving/maatschappij in een specifieke tijd.
1.2
Het doel van een bouwhistorische verkenning
Het toekennen van de juridische status van monument door de minister (rijksmonument) of door het college van burgemeester en wethouders (gemeentelijk monument), heeft als consequentie dat bij verbouwingen getoetst moet worden of de geplande ingrepen niet te veel ten koste gaan van de monumentale waarde van het gebouw. Doorgaans geschiedt de toekenning van de monumentstatus op grond van een redengevende omschrijving, een document van één of twee pagina’s waarin in meer algemene bewoordingen wordt aangegeven waarom een gebouw de status van monument krijgt toebedeeld. De redengevende omschrijving is vrijwel nooit uitgebreid genoeg om een verbouwplan te kunnen toetsen, om de eenvoudige reden dat de informatie over het gebouw daarvoor in kwantiteit en kwaliteit ontoereikend is. Het college (en in sommige gevallen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) dienen zich dus nader te laten informeren. Dat kan door de eigenaar of betrokken architect, maar dat verdient vanuit het oogpunt van objectiviteit doorgaans niet de voorkeur. In die gevallen wordt de eigenaar van het gebouw gevraagd om een bouwhistorische verkenning op te laten stellen door een onafhankelijk opererende marktpartij.
cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. (uit: Erfgoedwet 2016) 3
Bouwhistorische verkenning
4
De bouwhistorische verkenning is dus bedoeld om zowel de eigenaar, de ontwerper als de toetsende instantie te informeren over de bouwgeschiedenis van het gebouw, de object-specifieke eigenschappen van exterieur, interieur en vooral constructies en de monumentale waarden die in het geheel en in de onderdelen waaruit het gebouw is opgebouwd, vertegenwoordig zijn. Het college laat zich bij de toetsing van plannen adviseren door de plaatselijke monumentencommissie. Het is echter een vrij hardnekkige misvatting dat een monumentencommissie louter is bedoeld om plannen te beoordelen. Een goede monumentencommissie is een gezelschap professionals dat met de initiatiefnemer voor de ontwikkeling van het monument meedenkt en op grond van hun expertise en ervaring suggesties kan doen die zowel het plan als het monument (de monumentwaarde) ten goede komen. Vrijwel altijd is er sprake van een gemeenschappelijk doel: door een kwaliteit hoogwaardige ingreep het monument voor de lange termijn behouden. De bouwhistorische verkenning draagt hier in hoge mate in bij, omdat het kennis overdraagt die voor een succesvol bouwplan onontbeerlijk is en de dialoog tussen eigenaar, planvormer en monumentencommissie bevordert (onder andere door een helder definitieapparaat, waardenstellingen en waarderingsplattegronden).
1.3
Bouwhistorisch onderzoek
Bouwhistorici analyseren de constructies, de gevels én het interieur van historische gebouwen. Vormen, materialen en bouwtechnieken hebben veelal tijdsgebonden eigenschappen die door de bouwhistoricus worden herkend. Daardoor wordt het voor de bouwhistoricus mogelijk om inzicht te geven in de wijze waarop het pand werd gebouwd, en hoe het daarna door verbouwingen is getransformeerd in het gebouw zoals dat tegenwoordig is. Het is voor de bouwhistoricus niet zo belangrijk hoe iets er uit ziet, als wel waarom iets er uit ziet zoals het er uit ziet, waarbij de kernvraag doorgaans luidt: “Hoe werd dit gemaakt en waarom maakte men het zo?”. Vermoedelijk wordt er al vanaf dat er monumenten zijn, bouwhistorisch onderzoek verricht. In de moderne tijd gebeurde dit aanvankelijk vooral door architecten (in wording) en door lokale historici. De onderzoekdiscipline kreeg een belangrijke impuls als gevolg van de vele herstel- en restauratievraagstukken die zich tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog aandienden. In die periode kwam er de Tijdelijke Wet Monumentenzorg waarin stond dat onroerende zaken vermeld in de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst (1908-1933), niet mochten worden gesloopt of veranderd zonder toestemming van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.
Het doel van het onderzoek was in die tijd nog louter het vergroten van kennis, en spitste zich vrijwel uitsluitend toe op middeleeuwse bouwkunst. Kennis werd onder andere opgedaan door gebouwen, constructies en bouwsporen in muurwerk in te meten en in (reconstructie)tekeningen uit te werken. In de regel ging het onderzoek gelijk op met archeologisch onderzoek. Niet zelden werd het bouwhistorisch onderzoek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog door een archeoloog uitgevoerd. Een specifieke opleiding tot bouwhistoricus bestond lange tijd niet. Bouwhistorici werden tot ongeveer twintig jaar geleden, in de praktijk opgeleid. Een aantal gemeenten bood die mogelijkheid bij hun bouwhistorische diensten. Die opleidingsplaatsen werden doorgaans ingevuld door mensen met een bouwkundige en/of een kunsthistorische opleiding. Technische Universiteiten (met name Delft), gaven de mogelijkheid om te specialiseren in restauratietechniek of bouwhistorie. Pas in 1997 werd in Utrecht gestart met een post-HBO opleiding Bouwhistorie en Restauratie. Het is de tijd waarin ook de eerste Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek worden gepubliceerd. Die richtlijnen werden in 2009 voor het laatst herzien en beschrijven het proces van bouwhistorische onderzoek en de voorwaarden waaraan een deugdelijk onderzoeksrapport dient te voldoen.
Het nut van het bestuderen van constructies, structuren en afwerkingen is voor de bouwhistoricus primair het vergroten van kennis omtrent het bouwen in het verleden. Die kennis is in brede zin
5
noodzakelijk om op verantwoorde wijze met gebouwd erfgoed in Nederland om te gaan. Daarbij valt niet alleen te denken aan restauraties, maar ook aan verbouwingen of constructief herstel. Bouwhistorische kennis zal daarnaast helpen bij het doorgronden van het gebouw. Begrip van hoe een gebouw in het verleden werd ontworpen, welke keuzes er gemaakt werden ten behoeve van de constructie én duiding van de elementen die in en aan het gebouw te vinden zijn, helpen allemaal om de herinnering aan vroegere tijd in leven te houden, voort te laten bestaan. Maar kunnen ook helpen om een bouwprogramma op efficiënte wijze tot ontwerp uit te werken.
Vaak blijft bij een verkenning veel aan het ook van de bouwhistoricus verborgen. Links de situatie vóór ontmanteling, rechts na, met een achttiende-eeuwse balklaag, een negentiende-eeuwse schouw en een voormalige buitengevel (zestiende-eeuws) met daarin dichtgezette vensteropeningen. Voorbeeld: Breestraat 68 in Leiden.
1.4
De beperkingen van een bouwhistorische verkenning De bouwhistorische verkenning wordt in de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) gedefinieerd als een bouwhistorische opname op hoofdlijnen. Voor kleine ingrepen in monumenten, kan zo’n verkenning in principe volstaan, maar de beperkingen zijn groot. Zo wordt er doorgaans bij een veldonderzoek ten behoeve van een verkenning geen materiaal verwijderd (geen licht destructief onderzoek). Dat is een probleem voor kennisvergaring én waardering omdat niet duidelijk wordt of er achter huidige afwerklagen (vloerbedekkingen, muurverf, voorzetwanden, verlaagde plafonds) monumentale afwerkingen schuil gaan. Onder een recente vloerbedekking kunnen oude parketvloeren, geoliede ‘kindervoetjes’ of terrazzovloeren onopgemerkt blijven. Voorzetwanden kunnen het zicht ontnemen op verborgen paneeldeuren, wandbespanningen, lambriseringen of zelfs muurschilderingen. Schilderingen kunnen overigens ook heel goed schuil gaan achter witte latex of muurverf.4 Het is dus goed om hier expliciet vermeld te hebben, dat de waardering die in deze rapportage is opgenomen, louter is gestoeld op de onderzoeksgegevens die tijdens de verkenning konden worden verzameld en in deze rapportage is gepresenteerd.
De kans dat tijdens de verkenning monumentale afwerkingen onopgemerkt zijn gebleven, is redelijk groot, vooral bij de gebouwen die sinds circa 1980 niet meer ingrijpend zijn verbouwd. Op basis van ervaring ligt rond 1980 het omslagpunt van verbouwen met behoud van oude(re) lagen naar verbouwen na complete ontmanteling tot op casco. Een bouwhistorische verkenning is een opname op hoofdlijnen (non-destructief) en kent de nodige beperkingen. Een beperking van de voorliggende verkenning is ook dat het een platte weergave in tekst is, van een ruimtelijke structuur. Voor de auteur en de eigenaar van het gebouw is het vrij eenvoudig om de tekst te vertalen naar een drie dimensionaal beeld, voor leden van een monumentencommissie is 4 Onder bouwhistorici wordt ingeschat dat een verkenning slechts een tipje van de sluiter van de bouwgeschiedenis wordt
opgelicht. Hoe ouder het object, hoe lastiger het vaak is om voldoende kennis te vergaren binnen de kaders van een verkenning.
Bouwhistorische verkenning
6
dat vaak in veel mindere mate het geval. Het is om die reden voor een eigenaar altijd aan te raden om de monumentencommissie in de fase van plantoetsing uit te nodigen voor een rondgang door het gebouw, bij voorkeur ná kennisgeving van de uitkomsten van de bouwhistorische verkenning. In de gevallen dat dat niet tot de mogelijkheden behoort, en er toch behoefte is aan extra verbeelding van het gebouw, kan BAAC de complete fotodocumentatie die tijdens het veldwerk gemaakt is, ter beschikking stellen. Er is een uitvoerige fotodocumentatie gemaakt ten behoeve van deze rapportage. Niet alle veldfoto’s zijn in het rapport opgenomen. De foto’s kunnen u digitaal worden toegestuurd. U kunt een verzoek sturen naar: g.oldenmenger@baac.nl
1.5
Monumentwaarde
1.5.1 De toetsingscriteria en toetsingskader Het bepalen van het belang, de betekenis van een gebouw of object, is inmiddels een primaire taak van de bouwhistoricus. De onderzoeker hanteert daarbij conform de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) in principe twee criteria, te weten; de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid. De term authentiek is afgeleid van het Latijnse authenticus, wat staat voor ‘met eigen hand voltrekken’, ‘uit eerste hand’ en vindt haar oorsprong als rechtsterm. Binnen het recht wordt het gebruikt als aanduiding van een oorspronkelijk gegeven, op iets dat als echt is vastgesteld of dat een exacte kopie is van het origineel (dat laatste is interessant met het oog op de duiding van het belang van restauratiefasen die gepaard gaan met grootschalige vernieuwing van substantie). Het ontrafelen van de bouwgeschiedenis gaat altijd gepaard met het bepalen van de mate van oorspronkelijkheid van een gebouw als geheel, alsmede van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Het is daarbij goed om te beseffen dat de mate van authenticiteit van ieder monument in meer of mindere mate is aangetast, en dat die aantasting doorgaans groter is dan op het eerste oog wordt ingeschat. Het komt vaak voor dat een historische verbouwing als resultaat zowel een aantasting van een bestaande als een toevoeging van een nieuwe betekenislaag heeft.
Dit wordt meestal geduid met de term “historische gelaagdheid”, een term die in principe altijd op gespannen voet staat met authenticiteit. Strikt genomen zou van iedere bouwfase afzonderlijk de mate van authenticiteit kunnen worden bepaald daaraan kleeft wel als nadeel dat dit relatief gunstig uitpakt voor een recentere verbouwing (waarvan het resultaat mogelijk nog geheel intact is). Authenticiteit is als zuiver toetsingscriterium lastig te implementeren om vier redenen. De mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn primaire toetsingscriteria. Ten eerste kan de mate van authenticiteit, of misschien beter de verwachting die we daarbij hebben, niet los worden gezien van de ouderdom van een object of de termijn die is verstreken tussen het ten uitvoer brengen van de bouw en de verbouwing(en) tot aan het moment van toetsing. De mate van authenticiteit van een gebouw uit de jaren zestig is bijna per definitie hoger dan de mate van oorspronkelijkheid van een middeleeuws gebouw. Dat wil niet zeggen dat het jongere gebouw met een hogere mate van authenticiteit ook een hoger erfgoedbelang vertegenwoordigt dan een ouder gebouw dat door de tijd heen vaker zal zijn aangepast aan veranderende omstandigheden in tijd. Ten tweede zijn er bouwtypen, boerderijen bijvoorbeeld, waar de continue aanpassing, veelal op meest pragmatische wijze, een essentie van (landelijke) cultuur vormen.
De mate van authenticiteit staat hiermee in feite op gespannen voet. Daarop aansluitend, ten derde dus, kan op de mate van authenticiteit niet worden getoetst zonder daarbij het beschouwingsniveau duidelijk aan te geven. Van een zestiende-eeuwse boerderij zijn de gebinten meestal de enige elementen die terug te
7
voeren zijn op de bouwtijd. De mate van authenticiteit van de gebintconstructie kan daarbij hoog zijn (beschouwingsniveau constructie), maar dat geldt niet voor de mate van authenticiteit van de boerderij als geheel. Wie hier in de zestiende eeuw geboerd heeft, zal bijna niets van de boerderij in huidige hoedanigheid herkennen. Kastelen zijn hiervan ook een voorbeeld, omdat ook dat vrijwel in essentie veranderlijke gebouwen zijn. Wellicht is het beter om de mate van authenticiteit per bouwfase uit te splitsen en niet per gebouwonderdeel, waarbij de betekenis van iedere bouwfase in de bouwchronologie uiteen wordt gezet en aangegeven wordt in welke mate de onderdelen behorende bij die bouwfase in authentieke staat verkeren. Daaraan kleven echter ook nadelen, met name ten aanzien van de samenhang tussen de verschillende bouwfasen en de (bouwkundige) logica die doorgaans aan de basis ligt van die samenhang.
De Richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek uit 2009. Te downloaden via: https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/richtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek
Als laatste speelt – zoals hierboven al aangegeven – de bepaling van de mate van authenticiteit een ingewikkelde rol, wanneer er sprake is van reconstructief restauratiewerk en restauraties waarbij met behoud van vorm een materiaalsoort (historische substantie) is vernieuwd. Hoe dient de mate van authenticiteit te worden beoordeeld bij een gevel waarvan de achttiende-eeuwse schuifvensters zijn vernieuwd door materiaal en vorm exact over te nemen? Conform de definitie van authentiek, kan iets dat exact gelijk is aan het origineel, voor authentiek doorgaan. Kan een exacte kopie van een venster worden bestempeld als authentiek of moeten we hier spreken van een toestand die soortauthentiek is. Wanneer de betekenis van een exacte kopie op grond van toetsing op authenticiteit voor een authentiek venster even groot is als voor een soort- of kopie-authentiek vensters, vervalt de grond om het behoud van het authentieke venster na te streven. Door de eigenaar en de monumentenzorg wordt een vervangend onderdeel doorgaans als een minder grote aantasting geduid dan door een bouwhistoricus, omdat deze informatie put uit karaktereigenschappen (bouw- en bewerkingssporen van het onderdeel) die bij vernieuwing onherroepelijk verloren gaat.
Bouwhistorische verkenning
8
De term zeldzaam is in principe vrij eenvoudig te duiden, het geeft aan dat iets weinig voorkomend is. Gewoonlijk wordt er getoetst of een historisch object, of één van de onderdelen waaruit het is samengesteld, in de huidige tijd nog veel of juist weinig voorkomt. Die historische terugblik is echter niet van oudsher met de term zeldzaam verbonden. Het woord zelden werd in de middeleeuwen gebruikt om in de eigen tijd ongewone of wonderlijke zaken of fenomenen te benoemen en groeide in de zestiende eeuw uit tot zeldzaam, nog steeds met dezelfde betekenis. Het zou goed zijn om in bouwhistorische rapporten aan te geven of bepaalden aspecten van een gebouw in de bouwtijd zeldzaam waren (denk daarbij aan atypische constructies of vroege voorbeelden van een bepaald venstertype), óf dat er sprake is van een fenomeen dat juist na verloop van tijd weinig voorkomend is geworden. Denk daarbij aan een negentiende-eeuwse éénkamerwoning. Iets dat in de huidige tijd zeldzaam is, kan in het verleden een veelvoorkomende standaard zijn geweest. Andersom is ook mogelijk. De relatieve eenvoud van de term zeldzaamheid vertaalt zich niet in een gemakkelijke implementatie tijdens toetsing. Daarbij spelen verschillende factoren een rol.
De belangrijkste complicatie is misschien wel dat bij bouwhistorische verkenningen doorgaans wordt volstaan met een zogenaamde interne waardenstelling waarbij het toetsingskader wordt bepaald binnen de scope van het object. Het moge duidelijk zijn dat toetsing op grond van de mate van zeldzaamheid hier tot problemen leidt, omdat zeldzaamheid een breder toetsingskader vereist. In de richtlijnen wordt aangegeven dat een contextuele waardenstelling al heeft plaatsgevonden bij geregistreerde monumenten. Dat impliceert dat rijk en gemeenten hun monumentenbestand als een gebalanceerde collectie hebben ingericht, wat in de praktijk vaker niet dan wel het geval is. Meestal bestaat een monumentenbestand uit een periodiek gevulde hoeveelheid gedateerde redengevende omschrijvingen, vaak op basis van het exterieur en de meest uiteenlopende waarderingsmethodieken. Actualisatie van monumentenbestanden en het opstellen van collectiebeschrijving met aandacht voor samenhang komt helaas maar zeer sporadisch voor. Ingewikkeld aan de zeldzaamheid is dat het niet los kan worden gezien van ervaring. De mogelijkheden voor onderzoekers om in een kort tijdsbestek een groot referentiekader op te bouwen (heel veel gebouwen te onderzoeken en te zien), zijn beperkt, mede omdat de meeste onderzoeksrapporten met het oog op privacyaspecten niet gepubliceerd worden.
Wat zeker ook lastig is, is de geografische begrenzing van het toetsingskader. Moet er in geval van rijksmonumenten landelijk op zeldzaamheid worden getoetst en bij gemeentelijke monumenten en niet monumenten op regionaal niveau? Kan er überhaupt wel binnen die kaders worden getoetst? Kwantitatieve gegevens ontbreken veelal. Het ontbreken van goede monumentenbeschrijvingen per gemeente doet zich ook hier voelen evenals het uitblijven van onderzoekagenda’s met daaruit voortvloeiende programma’s van eisen. Een expliciete onderzoeksvraag als hoeveel neorenaissance panden zijn in Eindhoven beschermd? zijn in de dagelijkse praktijk een uitzondering.5 Het opbouwen van een breed referentiekader wordt ook bemoeilijkt door het uitblijven van specialisatie binnen het bouwhistorische vakgebied. Met name op het punt van de toetsing van de mate van zeldzaamheid zorgt dat voor moeilijkheden. Het is voor iemand die zich specialiseert in Interbellumboerderijen, in kerken uit de wederopbouwperiode of in fabrieksgebouwen veel gemakkelijker om in relatief korte tijd een deugdelijk referentiekader op te bouwen dan voor een bouwhistoricus die door heel het land van een stoomgemaal, naar een schoolgebouw, een woonhuis en een graansilo trekt. Een bouwhistorische verkenning kent de nodige beperkingen.
De monumentwaarde is altijd bepaald op grond van de in de rapportage gepresenteerde onderzoeksgegevens. Het is mogelijk dat bij de verkenning monumentale constructies, elementen en afwerkingen verborgen zijn gebleven achter recente(re) afwerkingslagen. 5 Onderzoeksvraag in verband met mogelijke verplaatsing van het gemeentelijke monument Aalsterweg 310.
9
1.5.2 Waardengradaties Bij het opstellen van een waardenstelling schrijven de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek drie categorieën voor: hoge monumentale waarde, positieve monumentale waarde en indifferente monumentale waarde. De betekenis van die gradaties is in de richtlijnen nogal abstract beschreven, over de implicaties (consequenties voor de planvormer en plantoetsers, laten de richtlijnen zich niet uit). - Hoge monumentwaarde wordt omschreven als van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. - Positieve monumentwaarde wordt opschreven als van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of het gebied. - Onder indifferente monumentwaarde dienen volgens de richtlijnen zaken geschaard te worden die van relatief weinig belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. Het onderscheid tussen van cruciaal belang, van belang en van relatief weinig belang, is in de richtlijnen niet gegeven. Er mag vanuit worden gegaan dat de te hanteren toetsingscriteria (de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid) een doorslaggevende rol spelen. Zaken die zowel authentiek als zeldzaamheid zouden in dat geval in aanmerking komen voor toekenning van hoge monumentwaarde, zaken die niet authentiek en niet zeldzaam zijn, vertegenwoordigen dan indifferente monumentwaarde.
Dat laat over de zaken met positieve monumentwaarde die wel authentiek maar niet zeldzaam óf wel zeldzaam maar niet authentiek zijn. Dit is ook de basis waarop door BAAC in principe waardengradaties worden toegekend. In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt niet duidelijk gemaakt wat de praktische implicaties van de waardengradaties voor planvormers en plantoetsers is. In de volgende paragraaf proberen we dat te ondervangen door richting te geven aan de omgang met de verschillende waardencategorieën. Hier willen we uiteenzetten dat ‘positief’ bevestigend is. Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde”. Men zou dit als een basiswaarde kunnen omschrijven. De indicator ‘hoog’ past men doorgaans toe om voor zaken die verheffend zijn, de basis overtreffen. Gesimplificeerd zou men kunnen stellen dat er bij toekenning van hoge monumentwaarde sprake is van een verbijzondering (wederom op grond van de mate van authenticiteit én zeldzaamheid). Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde; dit is bijzonder”. Tenslotte is het goed om opgemerkt te hebben dat indifferente monumentwaarde niet hetzelfde is als geen monumentwaarde. De indicator indifferent geeft aan dat de monumentwaarde ondergeschikt is aan de overige monumentale onderdelen van het object.
BAAC is van mening dat er in vrijwel alle panden ook zaken aanwezig zijn die in het geheel geen monumentwaarde vertegenwoordigen (denk aan recente vloerbedekkingen, gipsplafonds eigentijds meubilair. De huidige richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek houdt hier echter geen rekening mee. Daarom zullen zaken die geen monumentwaarde vertegenwoordigen in deze rapportage gelijkgesteld worden aan zaken waarvan de monumentwaarde ondergeschikt is.
1.6
Implementatie van de resultaten van de bouwhistorische verkenning
1.6.1 De consequenties van de toegekende waarden De door de bouwhistoricus vervaardigde rapportage met waardering en waardenstellingen kan gebruikt worden door architecten en planontwikkelaars ter inspiratie voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen en door overheden en monumentencommissies om de rapporten en verbouwplannen te toetsen. De kennis over het historische bouwen stelt de bouwhistoricus ook in staat om bij objectgericht onderzoek uitspraken te doen ten aanzien van de monumentale waarde, van het object als geheel en van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Daarbij wordt gebruik
Bouwhistorische verkenning
10
gemaakt van de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) waarin als toetsingscriteria de mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn genoemd. - Hoge monumentwaarde: van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied . (BAAC associeert dit doorgaans met bijzonder of uitzonderlijk omwille van de hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan hoge monumentale waarde is toegekend, geldt dat deze zaken op louter bouwhistorische gronden absoluut behouden dienen te blijven. Omdat er bij het maken van een kwalitatief hoogwaardig plan dat voldoet aan de huidige voorschriften op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en functievereisten meer komt kijken dan alleen het bouwhistorische belang, blijkt het in de praktijk niet altijd mogelijk om zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen volledig intact te laten. Dit moet echter wel dégelijk het streven zijn van zowel eigenaar, planvormer en toetsende instanties. Met andere woorden: Bij zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen is het behoud een zéér zwaarwegende factor bij de afweging van algemene belangen (de betekenis van het monument voor de samenleving) met de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar. Aanpassingen zijn niet ondenkbaar.
In eerste instantie moet dan echter worden gedacht aan aanpassingen die de bestaande monumentwaarde ondersteunen: herstel van details, terugbrengen van oorspronkelijke kleurstellingen, het verwijderen van waarde-verstorende elementen of in bepaalde situaties reconstructie. Indien bij de afweging van alle factoren de conclusie is dat aantasting van delen met hoge monumentwaarde onafwendbaar is, dan geldt dat eigentijdse ingrepen met zorg moeten worden uitgevoerd en dat daarbij de historische toestand van het gebouw maatgevend is. Óf er moet duidelijk aantoonbaar sprake zijn van een duurzame ingreep of toevoeging die voor het monument een wezenlijk, nieuwe betekenislaag geeft die essentieel is voor het voortbestaan van het monument als geheel. Aanpassing van elementen met hoge monumentwaarde kan gevolgen hebben voor de monumentale status van het gebouw als geheel. - Positieve monumentale waarde: van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. (BAAC beschouwt dit doorgaans als basiswaarde en kent het toe op grond van hoge mate van authenticiteit óf hoge mate van zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan positieve monumentale waarde is toegekend, geldt dat er bij het maken van verbouwplannen, vanuit bouwhistorisch oogpunt, gestreefd moet worden naar behoud er van.
Het monumentale belang van deze elementen dient zorgvuldig afgewogen te worden tegen de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar en factoren als veiligheid, duurzaamheid en milieuaspecten. Aanpassingen van positief gewaardeerde onderdelen zijn denkbaar wanneer de aard en de monumentale waarde van het geheel blijven bestaan of worden versterkt en er sprake is van het toevoegen van kwaliteit. Substantiële aantasting van positief gewaardeerde onderdelen kan gevolgen hebben voor de monumentstatus van het gebouw. - Indifferente monumentale waarde: van relatief weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het object als gevolg van een aantasting van de mate van authenticiteit of de veelvoorkomendheid. Vanuit bouwhistorisch oogpunt bestaan er geen zwaarwegende argumenten om het volledige behoud van indifferent gewaardeerde onderdelen na te streven. Wijzigingen behoren doorgaans tot de mogelijkheden, sloop in veel gevallen ook wanneer dat ten goede komt van het behoud van positief en hoog gewaardeerde onderdelen van het gebouw. Reconstructief herstel kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot opwaardering van indifferent gewaardeerde onderdelen naar positief (bijvoorbeeld door reconstructie van deuren, vensters en details).
11
1.6.2 Objectiviteit Omdat de toekenning van monumentwaarde geen exacte wetenschap is, is iedere waardering onderhevig aan subjectiviteit. De mate van authenticiteit is voor een ieder nog wel vrij goed te beoordelen, al speelt wel altijd de vraag op welke niveau er getoetst wordt (op objectniveau, structuurniveau, elementniveau of zelfs afwerkingsniveau) en liggen de verwachtingen ten aanzien van de oorspronkelijkheid bij een wederopbouwpand doorgaans hoger dan bij een woonhuis dat de oorsprong in de zestiende eeuw heeft. Lastiger wordt het al bij de beoordeling van de mate van zeldzaamheid, omdat dit sterk afhangt van het kenniskader waarover de bouwhistoricus beschikt. In de bouwhistorische discipline is er maar weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar met betrekking tot bouwhistorische zaken. Bij BAAC stellen we een waardering naar eer en geweten op. De opdrachtgever krijgt een conceptrapport om er voor te zorgen dat wat in het rapport geschreven staat, begrijpelijk en duidelijk genoeg is. Invloed op de waardering heeft de opdrachtgever niet. Tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat bij de waardering een vergissing is gemaakt met betrekking tot de mate van authenticiteit of de mate van zeldzaamheid van een element in het gebouw. Evengoed heeft een toetsende instantie geen invloed op de waardering en de waardenstellingen in onze rapportages.
Wél heeft een monumentencommissie de mogelijkheid om van de waardering in de rapportage af te wijken. De commissie kan de zo objectief mogelijke waardering en waardenstellingen van BAAC overnemen óf naast zich neerleggen. Dat laatste dient uiteraard wel door de commissieleden te worden gemotiveerd.
Bouwhistorische verkenning
12
2
Projectinformatie
2.1 Administratieve gegevens Plaats: Nuenen Adres: Berg 62 Monumentenstatus: Gemeentelijk monument Historische functies: Boerderij, werf en later huis met bedrijfsgebouw Toekomstige functie: Wonen BAAC-project: B-23.0774 Type onderzoek: Bouwhistorische verkenning Datum veldwerk: 20 september 2023 Opdrachtgever: Huidige eigenaar Uitvoerende: BAAC ’s-Hertogenbosch Uitvoerder: drs. ing. Geert Oldenmenger (lid BNB)
Het gebouw weergegeven op een kaartuitsnede afkomstig van perceelloep.nl. Het bouwjaar in de basisregistratie adressen en gebouwen is 1938. Het pand is in 1936-1937 gebouwd.
2.2 Programma van Eisen en beperkingen BAAC is gevraagd om een bouwhistorische verkenning uit te voeren van de voormalige boerderij Berg 62 in Nuenen. De huidige eigenaar is voornemens om een verbouwing van het pand uit te laten voeren en er een aantal appartementen in onder te brengen. Om de vergunningsprocedure te kunnen doorlopen, is door de gemeente een bouwhistorische verkenning gevraagd die meer inzicht geeft in de thans nog bestaande herinneringswaarden die het gebouw vertegenwoordigt.
13
Veldwerk vond plaats op dinsdag 20 september. De bouwhistoricus is toegang tot het gebouw verleend. Na een korte gezamenlijke rondgang met een vertegenwoordiger van de eigenaar, werd de bouwhistoricus in de gelegenheid gesteld om zelfstandig en op eigen tempo door het pand te gaan om waarnemingen te verrichten. Het veldwerk kende een non-destructief karakter. Dit zorgde voor weinig beperkingen. Het is mogelijk dat er tijdens het veldwerk historische afwerkingen onopgemerkt zijn gebleven, doordat deze in de loop der tijd achter nieuwe afwerkingen zijn verdwenen. Die kans wordt echter klein geacht. In het woongedeelte van de boerderij kon boven later aangebrachte, verlaagde plafonds worden gekeken. Wellicht gaan er onder vloerbedekkingen nog wel oudere vloerafwerkingen schuil. De garage aan de noordwestzijde (de voormalige varkensstal) is vanaf de zolder van het bedrijfsgedeelte verkend. De kleine garage aan de westzijde was op moment van veldwerk niet toegankelijk. Voor de waardering heeft dit geen negatieve gevolgen gehad. In aanvulling op het veldonderzoek is het archief van het kadaster geraadpleegd en is in beeldbanken gespeurd naar historisch beeldmateriaal. Uiteraard zijn ook de nodige online bronnen geraadpleegd. Bij de gemeente Nuenen zijn bouwtekeningen van het adres opgevraagd. Helaas bleken de bouwtekeningen uit 1936 niet beschikbaar.
Bouwhistorische verkenning
14
3
Historische inleiding
3.1 Algemeen Nuenen, dat ‘nieuwe plaats’ zou betekenen, kent een lange bewoningsgeschiedenis. In de middeleeuwen ontwikkelde het zich van hertogsdorp naar heerlijkheid en van heerlijkheid naar statendorp. Het dorp kreeg in 1496 een eigen parochie. Lange tijd was de Nuenense gemeenschap geheel agrarisch maar in de zeventiende eeuw komen er ook al wat kleine fabriekjes op. In 1734 werd er voor het eerst een raadhuis gebouwd, wat aantoont dat het dorp een bepaalde groei had doorgemaakt. In de negentiende eeuw ontstond er enige textielindustrie en er werden fabriekjes ten behoeve van de landbouw in het gebied opgericht. De grote(re) groei van het dorp vond pas plaats in de eerste helft van de twintigste eeuw, een groei die vooral aan fabrieksarbeiders was te danken. Het centrum van Nuenen wordt gevormd door een driehoekig plein, tevens historisch knooppunt, dat De Berg wordt genoemd. Op de kadastrale minuut en het kadastrale verzamelplan is dit driehoekige plein nog goed herkenbaar.
Op de kadastrale minuut zijn twee bebouwingsclusters te zien om driehoekige ‘pleinen’. De cirkel toont de plek waar Berg 62 zou worden gebouwd. Die plek ligt buiten de bebouwingsgrens in 1832.
3.2 Kadastraal onderzoek Het kadastrale onderzoek neemt aanvang met het raadplegen van de kadastrale minuut uit 1832. In het jaar dat de minuut werd gemaakt, is er op de plek van Berg 62 nog geen bebouwing te zien. Waar het huis nu staat, is sprake van een perceel bouwland, genummerd E-212. Dit perceel is eigendom van landbouwer Arnold van Lieshoudt (1769-1857). Deze Van Lieshoudt staat in het bevolkingsregister van 1810 ook als wijnleverancier te boek. Wanneer we de legger van Van
15
Lieshoudt raadplegen, zien we dat hij een grootgrondbezitter was. Hij was eigenaar van een groot aantal percelen in de gemeente en ook een aantal huizen. 6 Het bouwland gaat in 1857 (?) over in handen van dochter (?) Diliania van Lieshoudt (1801-1880), die winkelierster in Nuenen is. Door ruiling komt het vervolgens in het bezit van Arnoldus van Lieshoudt (…-1871), landbouwer te Nuenen. Hij is het die een perceel afsplitst. Dit perceel krijgt het nummer E1195. Van die splitsing zijn in het kadaster geen veld- of hulpkaarten aangetroffen. Op dit afgesplitste perceel wordt in opdracht van Van Lieshoudt een boerderij gesticht. Het perceelnummer verandert in E-1535. De beschrijving van het perceel luidt: huis, schuur en erf.
De kadastrale minuut en kadastrale hulpkaarten laten de ontwikkeling zien. Een bouwland (1832) wordt in 1859 gedeeld waarna er een langgevelboerderij met bijgebouw op verrijst. In 1883 wordt de straat rechtgetrokken waardoor het voorerf kan worden vergroot. In 1936 wordt de boerderij vervangen door een nieuwe boerderij, nu met L-vormig grondplan. Zowel het woongedeelte als het bedrijfsgedeelte worden hierbij vergroot. In 1968-1969 wijzigt het perceel als gevolg van onteigening van gronden en aanleg van een nieuwe weg, waardoor de boerderij op een straathoek komt te liggen. Direct daarop vervalt de agrarische functie en huurt de gemeente het bedrijfsgedeelte om als gemeentewerf te kunnen dienen.
De volgende eigenaar van de boerderij die in opdracht van Van Lieshoudt (Lieshout) werd gebouwd, is Joseph van Nuenen, die landbouwer is. Hij is dat tot 1885, wanneer Johannes van Nuenen (18101897), de boerderij overneemt. Deze Van Nuenen is naast landbouwer ook voerman van beroep. In 1890 wordt Jacobus van Nuenen (1838-1919) de nieuwe eigenaar. Ook dit is een landbouwer. Het perceel is dan omschreven als een huis met erf en twee stallen. In 1920 wordt de boerderij gekocht door de N.V. Bouwlust tot exploitatie van onroerend goederen.7 In 1921 wordt door het kadaster een stichting genoemd, waarna het geheel is omschreven als huis, stallen, schuur en erf. Er werd in 1921 dus blijkbaar een schuur bijgebouwd. In 1932 verloopt de N.V. de boerderij en wordt Petrus de Louw (1871-1947) de nieuwe eigenaar. Hij is een landbouwer die van Tongelre naar Nuenen komt. In het kadaster is opgetekend dat hij in 1936 laat slopen en dat hij een nieuwe gebouw sticht: de
6 https://www.bulleweb.nl/hkk/oude-dh/pdf/2019-3.pdf. 7 https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.09.46/invnr/18385.
Bouwhistorische verkenning
16
huidige boerderij. Het verhaal gaat dat de boerderij die van 1858 tot 1936 op het perceel gestaan heeft, al Sint-Janshoeve werd genoemd. Dit lijkt echter niet het geval te zijn. In historische kranten is vóór 1936 geen vermelding aangetroffen van een Sint-Janshoeve, terwijl we er wel één in Tongelre aantreffen. Het lijkt er dus op dat De Louw de boerderijnaam heeft meegenomen vanuit zijn vorige woonplaats. Petrus doet de boerderij over in handen van Cornelis Adrianus de Louw. Ook dit is nog een landbouwer. In 1968 moet hij een deel van de bij de boerderij behorende gronden afstaan voor de aanleg van de Jhr. Hugo van Berckellaan. Dit gebeurt via onteigening zo lezen we in het kadaster. Een jaar daarop verkoopt De Louw de boerderij aan de Gebroeders van Santvoort in Eersel. Zij verhuren het gebouw aan de gemeente die er de gemeentewerf in onderbrengt en in het huis komt een particuliere huurder. Latere eigenaren zijn via het kadaster niet te achterhalen.8
Rechts op deze foto de boerderij die in 1858 in opdracht van Van Lieshoudt werd gebouwd en in 1936 in opdracht van Petrus de Louw werd gesloopt.
Kadastrale veldtekening uit 1884 waarop is aangegeven dat de rooilijn wijzigt ten gunste van de eigenaar van de boerderij. Rechts de veldtekening uit 1937 met daarop de inmeting van de nieuw gebouwde boerderij.
3.3 Het bouwdossier 8 Zie kadastrale leggers: 313, 1378, 1163, 1195, 2372, 927, 2548, 3530, 4139, 4962 en 12732.
17
Bij de gemeente Nuenen is het bouwdossier van Berg 62 opgevraagd. Dit dossier werd verstrekt. Helaas bleken bouwtekeningen uit 1936 geen deel uit te maken van het bouwdossier van het pand. De oudst aangeleverde tekening dateert van 1954. De tekening is van een kippenhok voor 400 tot 600 dieren. Het is niet bekend of dit kippenhok ook is gebouwd. Op kadastrale kaarten van 1968 en 1969 is het niet te zien.
Bouwtekening van een kippenhok (1954).
Een tekening uit 1992 is gemaakt ten behoeve van de realisatie van een overkapping aan de achterzijde van het gebouw. Die overkapping is wel uitgevoerd. Veel informatie levert de tekening niet. Het huis heeft de thans nog bestaande indeling, het bedrijfsgedeelte omvat een winkel en een zadelmakerij. Die laatste ruimte is na 1992 nog eens opgedeeld door middel van lichte scheidingswanden, vrijwel zeker in de tijd dat in het gebouw een vloerenwinkel was gevestigd.
Tekening ten behoeve van een toe te voegen overkapping (1992).
Bouwhistorische verkenning
18
De jongste tekening is van 1997 en bevat in het geheel geen relevante informatie. De tekening is gemaakt te behoeve van plaatsing van een tuinhuisje achter het complex.
Tekening ten behoeve van een tuinhuisje (1997).
19
4
Bouwmassa en bouwdelen
De boerderij die in 1858 werd gebouwd, was van het zogenaamde type langgevelboerderij. Dit is een boerderijtype dat in hoge mate karakteristiek is voor het Brabantse land. In tegenstelling tot het oudere hallenhuistype, driebeukig en met een langsdeel in de achtergevel, had de langgevelboerderij een dwarsdeel, dus de schuurdeuren in de lange gevel. Ook de voordeur van het woongedeelte van de langgevelboerderij werd in de lange gevel geplaatst. Een voordeel van de langgevelboerderij is dat het bedrijfsgedeelte relatief makkelijk kan worden vergroot, door uitbouw aan de korte zijde. De langgevelboerderij ontwikkelde zich van een driebeukig hallenhuis met gebinten tot een éénbeukig gebouw zonder gebinten. In die laatste ontwikkeling werd het mogelijk om de lange gevels hoger op te trekken, met als groot voordeel dat grotere vensters konden worden geplaatst en dus ook meer daglicht binnenkwam én dat men met volgeladen karren het schuurdeel in kon rijden. De langgevelboerderij is tot in het midden van de twintigste eeuw gebouwd. Hierin ligt ook een belangrijke essentie van Berg 62, dat in 1936 juist niet als langgevelboerderij werd ontworpen. Naar de reden van sloop en nieuwbouw is het gissen.
Gelet op de grootte van zowel het in 1936 gerealiseerde woongedeelte als de omvang van het voormalige bedrijfsgedeelte, vermoeden wij dat de bestaande boerderij simpelweg te klein werd bevonden en dat aanbouw of uitbreiding geen optie was. In historische kranten is gekeken of de oude boerderij wellicht door brand werd verwoest, zonder resultaat.
Tekening waarin bouwdelen zijn onderscheiden, nokrichtingen zijn aangegeven, toegangen zijn aangeduid en met een stippellijn de grondvorm uit 1936 is aangegeven. De voorganger van de boerderij lag wat dichter op de straat dan het in 1936 gerealiseerde bedrijfsgedeelte.
Bouwhistorische verkenning
20
In essentie grijpt het ontwerp nog wel enigszins terug op de langgevelboerderij, in de zin dat het bedrijfsgedeelte oorspronkelijk van een dwarsdeel was voorzien, echter werd het woongedeelte niet onder hetzelfde dak gebracht, maar in een bouwdeel haaks op het bedrijfsgedeelte van de boerderij. Plat gesteld was het perceel ook niet breed genoeg om vast te blijven houden aan het langgeveltype. De boerderij die in 1936 werd ontworpen, kreeg een woongedeelte aan de straat. Hierin werden een begane grond en een verdieping gemaakt, met als gemene deler dat beide vier kamers en een middengang hadden. Architectonisch interessant is de verbindingszone op de overgang van woonop bedrijfsgedeelte. Interessant met name op basis van logistiek. Zo is er een gang ontworpen met een buitendeur en ontsluitingen van zowel het bedrijfsgedeelte, de keuken als het woongedeelte. Typologisch sluit dit aan bij de opzet van een langgevelboerderij, waar deze gang dan ‘voorstal’ wordt genoemd. Door het woongedeelte licht te laten verspringen ten opzichte van het bedrijfsgedeelte kon er eenvoudig ook een buitendeur naar de keuken worden gemaakt. Handig voor personeel en voor de aan- en afvoer van proviand en dergelijke. Dat de (proviand)kelder niet vanuit de keuken toegankelijk is maar vanuit een kamer (vermoedelijk de eetkamer) zal een concessie zijn geweest.
Het woon- en bedrijfsgedeelte zijn gedekt met zadeldaken voorzien van wolfseinden. Tegen één van de hoeken van het bedrijfsgedeelte werd een varkensstal opgetrokken. Dit gebouw moet al vrij vroeg zijn opgehoogd, waarna de functie veranderde, vermoedelijk naar schuur. Wat de oorspronkelijke functie was van het kleine kubusvormige aanbouwtje tegen de achtergevel van het bedrijfsgedeelte was, kon niet meer worden bepaald.
21
5
Het woongedeelte
5.1 De constructie van het woongedeelte - De fundering Gegevens over de fundering van het woongedeelte konden niet worden verzameld. Vermoedelijk zijn de gevels op staal gefundeerd. Dat wil zeggen: gemetseld met een door enkele versnijdingen verbrede voet. De gangmuren zijn weinig-dragende muren en hebben vermoedelijk een iets lichter fundament dan de gevels. - De opstanden De gevels zijn opgetrokken met een luchtspouw, zoals in de bouwtijd standaard was. Het halfsteens verband waarmee de gevels zijn opgetrokken, maakt aannemelijk dat er van een luchtspouw sprake is. Ook de ventilatieopeningen, gemaakt door vier stenen op de kop te metselen, wijzer hierop. De buitenbladen van de gevels zijn gemetseld met machinaal gevormde bakstenen. In het met een rollaag afgesloten trasraam zijn hardere (dus donkerdere) bakstenen gebruikt die minder gevoelig zijn voor optrekken van vocht. Het voegwerk is nog het oorspronkelijke. Gevelopeningen zijn uitgespaard onder strekse bogen, met uitzondering van de voordeur, die onder een rondboog is uitgespaard.
Halfsteensverband en donkerder trasraam in de voorgevel van het gebouw. Rechts het gewapend betonnen kelderdek, met bekistingssporen.
Bouwhistorische verkenning
22
- De vloerconstructies Gegevens over de vloerconstructies zijn spaarzaam verkregen. Op de begane grond zijn de vloeren van de kamers voorzien van vaste vloerafwerkingen van recentere datum die zicht op de vloeren en vloerconstructies ontneemt. Alleen van de kamer rechtsachter kon de vloerconstructie worden waargenomen, omdat dit het in gewapend beton in het werk gestorte kelderdek is. De vloer in de gang is uitgevoerd met jaren dertig tegels, die vrijwel zeker in een cementbed zijn gelegd. Op de verdieping is in een enkele vaste kast een stukje van de houten verdiepingsvloer te zien. De vloerdelen liggen hier haaks op de zijgevels van het woongedeelte, wat betekent dat de houten balklagen evenwijdig aan de zijgevels van het woongedeelte liggen. Deze vloerbalken zijn dus niet opgelegd in zijgevel en gangmuren, maar in de voorgevel, in de scheidingsmuren tussen voor- en achterkamer én in de muur tussen achterkamers en de gang en keuken in de overgangszone. Dat bij de samenvoeging van voor- en achterkamer rechts van de gang een zware balk op de plek van de gesloopte tussenmuur werd aangebracht, bevestigt dat vloerbalken evenwijdig aan de zijgevels zijn gelegd. De houten balklaag uit 1936 zal van de meest eenvoudige soort zijn, zonder profileringen of afwerkingen, omdat er van meet af aan plafonds onder zijn aangebracht.
De richting van de vloerdelen haaks op de zijgevels, vertelt het nodige over de richting van de houten balklaag daaronder.
- De kapconstructie Op de verdieping van het woongedeelte staan twee kapspanten opgesteld. De spanten zijn grotendeels verdwenen achter kamerwanden, aftimmering van het dak en door plafonds. De vlieringzolder, waar vermoedelijk meer van de spanten is te zien, kon tijdens het veldwerk niet worden betreden (de vlizotrap was vanwege het ontbreken van een aantal treden niet te gebruiken). Desondanks kon op basis van wat wél was te zien, een goed beeld worden gevormd van de kapspanten. In de vaste kasten in de kamers konden we het begin zien van op muurplaten gestelde
23
spantbenen, op sloffen gestelde kreupele stijlen en van de blokkeels waarmee kreupele stijl en spantbeen onderling zijn verbonden. Bij de verbinding zijn zowel draadnagels als bouten toegepast. Op basis van deze gegevens kan worden gesteld dat hier sprake moet zijn van verbeterd Hollandse spanten. Die spanten bestaan verder uit trekbalken, een nokstijl en vermoedelijk twee steekschoren. In het midden van de achttiende eeuw komt dit spanttype al voor, tussen 1850 en 1950 is het het meest gebruikte spanttype in ons land.
De delen van de verbeterde Hollandse spanten die op de verdieping te zien zijn.
Bouwhistorische verkenning
24
Op de spantbenen zullen gordingen rusten, zoals gebruikelijk gesteund met klossen. Door de afwerking van de ruimten, zijn deze onderdelen van de constructie niet overal te zien. Omdat de afwerkingen uit de bouwtijd stammen, is het wel zeker dat de genoemde constructie-elementen nog aanwezig zijn. 5.2 Het exterieur van het woongedeelte - De voorgevel De voorgevel is een vanwege het wolfseind afgetopte gevel die in schoonmetselwerk is uitgevoerd. De architectuur van de gevel is typisch voor de jaren dertig van de vorige eeuw, met name vanwege de combinatie van een ondiep portiek onder rondboog, de vensteropeningen onder strekse bogen (bogen zijn in afwijkende baksteen uitgevoerd), de venstertypologie én de toepassing van glas-inlood. Typisch voor de Interbellumperiode is de bouwkeramiek bovenin de gevel, waar met tegels de naam van de boerderij ST. JANSHOEVE is aangebracht. Het metselwerk, het voegwerk en de deurpartij dateren nog uit de bouwtijd. Dit geldt ook voor het merendeel van de hardstenen onderdorpels (die rechtsonder is vernieuwd) en voor de brievenbus. Tijdens het veldwerk ontstond twijfel over de oorspronkelijkheid van de vensters. Direct duidelijk was wel dat de ramen van alle vensters zijn vernieuwd, maar of dat ook voor de kozijnen gold, was niet direct duidelijk.
In eerste instantie werd gedacht dat de vensters integraal zijn vernieuwd, maar bij nadere beschouwing luidt de conclusie dat de kozijnen nog uit de bouwtijd stammen. Belangrijkste aanwijzing daarvoor is dat de kozijnen nog de schuifsleuven voor de houten rolluiken hebben. In het linker venster op de begane grond is dit rolluik zelfs nog aanwezig. De raamindeling van de vensters is in hoge mate karakteristiek voor de Interbellumperiode. De vernieuwing van de ramen komt onder andere tot uitdrukking in de detaillering van de onderdorpels en het isolatieglas dat is toegepast. In dit glas is het uit de oude ramen afkomstige glas-in-lood geïntegreerd. Alleen bij het smalle middenraam op de verdieping is het glas-in-lood ongemoeid gelaten en is ook nog het oorspronkelijke raam in het kozijn aanwezig.
De gevel met bovenin de boerderijnaam, die vermoedelijk met bouwheer De Louw is meegekomen vanuit Tongelre en niet de naam was van de in 1858 op deze plek gebouwde langgevelboerderij.
25
De entreepartij is oorspronkelijk, inclusief tegelvloertje. Het glas-in-lood is modern vormgegeven in de bouwtijd.
Links het kleurverschil tussen trasraam/strekse boog en de rest van het metselwerk. Ook zien we een stukje van een houten rolluik uit 1936. Rechts een detail van het kozijnhout en het vernieuwde raamhout met isolatieglas.
- De linker zijgevel De linker zijgevel heeft de oorspronkelijke indeling behouden. Het rechterdeel van de gevel is blind. Dit deel hoorde bij de voorkamer, die daglicht ontving via de vensters in de voorgevel. Het
Bouwhistorische verkenning
26
linkerdeel bevat van oudsher een deur naar de tussengang én een venster dat behoort bij de achterkamer. De overgang tussen voor- en achterkamer is in het dak nog zichtbaar, omdat hier de schoorsteen staat van de hoekkachelschouwen die in de voor- en achterkamer voor verwarming zorgde. Het metselwerk verschilt niet van de voorgevel. De deurpartij is oorspronkelijk. Het deurkozijn is gesteld op de stenen drempel met geïntegreerde neuten, zoals in de tijd gebruikelijk. De deur is stilistisch in 1936 te plaatsen. Aardig is ook dat hier de oorspronkelijke ramen nog intact zijn, omdat we duidelijk verschil zien tussen de profilering van de lekdorpels van de ramen uit 1936 en van de later vernieuwde ramen. Ook in het venster van de achterkamer zijn de oorspronkelijke ramen nog aanwezig. Dit venster is verder identiek aan de vensters van de voorkamers. Het venster in de zijgevel heeft ook nog een houten rolluik uit 1936. Recht boven het venster bevindt zich op het dak een dakkapel. Deze is oorspronkelijk en door gelijk breedte in harmonie met de gevelindeling. Typisch voor de bouwtijd is de vrij brede gootlijst. Op basis van de detaillering van het houtwerk, is aannemelijk te maken dat de gootlijst oorspronkelijk is.
De deurpartij in de linker zijgevel. Rechts de schoorsteen en dakkapel uit de bouwtijd.
27
Deel van het venster van de achterkamer, in de linker zijgevel. Kozijn, ramen, rolluik en glas-in-lood zijn uit de bouwtijd. Oorspronkelijkheid van de kleurstelling is niet bekend.
- De rechter zijgevel De rechter zijgevel heeft in hoofdopzet dezelfde kenmerken als de linker zijgevel. Het deel van de gevel dat bij de voorkamer hoort, is blind. De overgang tussen voor- en achterkamer wordt geaccentueerd door het rookkanaal van de (hier overigens verdwenen) hoekschouwen én ter plaatse van de achterkamer is een vensteropening en in het dak een dakkapel uit de bouwtijd aanwezig. Een toegangsdeur, de deur naar de keuken, is haaks op de zijgevel gezet (dit geveldeel zou ook tot de voorgevel gerekend kunnen worden). In de zijgevel van het overgangsgedeelte met tussengang en keuken zijn twee keukenvensters aanwezig. In de rechter zijgevel zijn ter plaatse van de vensteropening scheuren in het metselwerk te zien. Hoe deze precies zijn ontstaan, is niet duidelijk. Er lijkt verband te zijn met de gevelopening. Die opening is een stuk breder uitgevoerd dan de overige gevelopeningen. Het venster heeft dan ook geen tweestrooks indeling, maar een onderverdeling in drie raamstroken. Wellicht heeft een lateiconstructie bijgedragen aan het ontstaan van schades in het metselwerk. De gevel ligt buiten het bouwvlak van 1858 en een relatie tussen de scheuren en de onderkeldering van de achterkamer lijkt ook niet te bestaan.
De tekening van de zijgevel geeft een totaalbeeld dat niet fotografisch te maken is.
Het venster in de gevel is oorspronkelijk. Dat geldt voor kozijnhout, raamhout, de onderdorpel en het glas-in-lood in de bovenramen. De buitenzonwering is een latere toevoeging. Onder het venster bevindt zich de koekoek met het keldervenstertje uit 1936. De keukendeur is vernieuwd, maar in een oorspronkelijk kozijn met bovenraam gevat. Het bovenraam heeft nog het oorspronkelijke glas-inloodraam.
Bouwhistorische verkenning
28
De zijgevel met oorspronkelijk venster en (vernieuwde) deur naar de keuken.
De vensters van de keuken zijn smal en hoog. Het is gebruikelijk om keukenvensters een andere vorm te geven dan vensters van woonkamers (dat geldt overigens ook voor eetkamervensters). Ze zijn sinds de bouw ongewijzigd. Links is wel een onderdorpel verdwenen.
5.3 Het interieur van het woongedeelte 5.3.1 De interieurindeling De indeling van het interieur is nog vrijwel volledig intact. De enige verandering op de begane grond is de sloop van de tussenmuur tussen de voor- en achterkamer aan de rechterzijde. Vermoedelijk was die muur oorspronkelijk voorzien van suitedeuren en waren er tegen de zijgevel ruggelings geplaatste hoekschouwen tegen de muur aanwezig. Die hoekschouwen hebben plaats gemaakt voor een enkele haard die de vergrootte ruimte verwarmt. De situatie met suitedeuren en hoekschouwen is links op de begane grond nog intact. Op de verdieping is de kamerindeling nog volledig uit de bouwtijd. Alleen op de achterzolder (de verdieping boven het verbindingsdeel) is ingegrepen. Hier zijn na 1936 een badkamer, toilet, overloop en een vijfde slaapkamer tot stand gebracht. Vermoedelijk gebeurde dit omstreeks 1950, gelet op de vormgeving van de deuren.
29
De plattegronden van het woongedeelte in de huidige toestand.
De begane grond heeft aan de straat een halfdiepe gang met aan weerszijden een voorkamer. Daarachter bevinden zich twee achterkamers van ongelijke breedte. De breedste kamer is vermoedelijk de eetkamer geweest die een centrale rol zal hebben gespeeld in het dagelijks leven (wat van oudsher de herd was). Alle deuropeningen zijn nog oorspronkelijk, behalve de deuropening naar de voorkamer rechts. De deuropening daar is dichtgezet op het moment dat vooren achterkamer werden samengevoegd. De kamerdeuren in de gang bevinden zich, zoals gebruikelijk, recht tegenover elkaar, midden in de kamers. Opvallend aan de indeling is dat de trap naar de verdieping in een kastenwand is weggewerkt. In de jaren dertig was het gebruikelijker om de trap open te hebben, architectonisch nadruk te geven en met een opgang vanuit de gang. Hier is dus voor een in de bouwtijd wat gedateerde kastenwand gekozen.
De gang en de voorkamer links, nog met suitedeuren.
Bouwhistorische verkenning
30
De voorkamer rechts. Op de rechterfoto in de achterkamer van links naar rechts de gangdeur, een kastdeur, de deur naar de kelder en de deur naar de verdieping.
Ook wat ouderwets is de grote wasemvang in de keuken met de vaste keukenkast daarnaast. In 1936 zijn dit late voorbeelden van lange bouwtradities. In de tussengang tegen het bedrijfsgedeelte wordt een portaaltje geflankeerd door een ‘badkamer’ (in feite een trapkast) en een toiletruimte. Aan de oorspronkelijkheid werd tijdens het veldwerk kort getwijfeld, omdat het geheel door elementen en afwerkingen die in de jaren zeventig werden aangebracht een afwijkend karakter heeft gekregen. Op basis van onder andere deurkozijnen die duidelijk ouder zijn dan de voorzetwanden, durven wij hier wel te stellen dat de huidige indeling de oorspronkelijke is.