Berg 62 - Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
Een ander belangrijke kwaliteit op het bestaande perceel is het pand wat als gemeentelijk monument staat omschreven. Middels een bouwhistorische verkenning (zie ook Bijlage 6) is aangetoond wat de belangrijke monumentale kenmerken zijn waar aandacht aan besteed moet worden.
28
bestemmingsplan Berg 62
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Bedrijven- en milieuzonering
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1.
Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar).
Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. In onderhavig geval kan gesteld worden dat het plangebied is gelegen binnen een gemengd gebied. Het plangebied is omgeven met wonen, bedrijvigheid, maatschappelijke functies én is gelegen aan gebiedsonsluitingsweg Berg. Er is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Hierom kunnen de richtafstanden van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' in deze situatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verkleind worden. Dit geldt niet voor de richtafstand van het aspect gevaar. Ten noorden van het plangebied is op een afstand van 10 meter een tankstation gelegen. Dit betreft een tankstation zonder LPG. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een tankstation (benzineservisestation zonder LPG) een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en geur. Door de ligging van het plangebied binnen gemengd gebied mogen deze richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden naar 10 meter. Tevens geldt voor het aspect gevaar een richtafstand van 10 meter. Het plangebied is buiten de genoemde richtafstanden gelegen.
Omgekeerd vormt de realisatie van 16 appartementen geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende functies. Een woning betreft geen hinderveroorzakend object. Voor het tankstation geldt dat er reeds woningen op een kortere afstand zijn gelegen dan de beoogde appartementen. Daarnaast is het pand
bestemmingsplan Berg 62
29
van de planlocatie nu ook reeds volledig ten behoeve van wonen bestemd en kan dus nu ook al als zodanig in gebruik worden genomen. Het bestaande pand bevindt zich op 20 meter van de bestemmingsgrens van het tankstation. Met het opgenomen bouwvlak strak om de bestaande bebouwing kan er geen bebouwingsuitbreiding plaats vinden richting het tankstation. Daarnaast kan er aan die zijde ook niet vergunningsvrij bebouwing worden opgericht, omdat dit geen achtererfgebied betreft. Hiermee is de realisatie van de 16 appartementen op de beoogde locatie als passend bevonden. Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.
4.2
Bodem
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Met voorliggend plan vindt er geen functiewijziging plaats. De gronden zijn op dit moment bestemd voor wonen en worden in de toekomst eveneens gebruikt voor wonen. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is derhalve niet strikt noodzakelijk. In het verleden is er binnen het plangebied reeds een verkennend bodemonderzoek (Orta geo, rapportnummer 217136/R03, d.d. 21 maart 2024, Bijlage 1) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: De bovengrond op het noordelijk terreindeel met sporen baksteen is plaatselijk matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met metalen, minerale olie en/of PCB. De bovengrond op het zuidelijk terreindeel met sporen baksteen is licht verontreinigd met metalen. In het westelijk terreindeel en in het menggranulaat is geen asbest aangetoond. In het oostelijk terreindeel is een indicatief gewogen gehalte vastgesteld van 0,15 mg/kg d.s. in de fijne fractie. Dit is (ruimschoots) onder de halve interventiewaarde (<50 mg/kg d.s.). In de ondergrond zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Plaatselijk wordt voor PAK de tussenwaarde overschreden. Gezien de gevolgde onderzoeksstrategie, de overal voorkomende bodemvreemde bijmengingen en de individuele analyses wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De bodemkwaliteit binnen het plangebied betreft kwaliteitsklasse 'industrie'. De bodemkwaliteit vormt vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen voor het wijzigen van het bestemmingsplan en het realiseren van appartementen met parkeerplaatsen en een park. Gelet op bovenstaande vormt het aspect bodem op dit moment geen belemmering voor het planvoornemen.
30
bestemmingsplan Berg 62
4.3
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenoemde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale geluidsbelasting. De belangrijkste onderwerpen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg en wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. Gebiedsontsluitingsweg Berg betreft een weg met een snelheidsregime van 30 km/u. De overige wegen in de buurt van het plangebied betreffen rustige wegen binnen de woonwijk. Het plangebied is hiermee niet gelegen binnen een op basis van de Wet geluidhinder gezoneerde weg, die bevindt zich op meer dan 300 meter (de Broekdijk). Tevens is het plangebied niet gelegen binnen de zonering van een industrieterrein. Het plangebied is, zoals reeds gemotiveerd in paragraaf 4.1, gelegen buiten de richtafstand voor geluid van het nabijgelegen tankstation. Daarnaast is er geen spoorweg in de nabijheid van het plangebied gelegen.
Aangezien De Berg een druk ontsloten weg is en voor een aanzienlijke geluidbelasting zorgt verzoekt de gemeente om een nader akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit onderzoek zal voor aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de 16 appartementen uitgevoerd moeten worden. Voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan vormt dit geen belemmering. Gelet op bovenstaande vormt het aspect geluid op dit moment geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Luchtkwaliteit
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM1 0 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Met het planvoornemen worden 16 appartementen mogelijk gemaakt. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het 'Besluit niet in betekenende mate' onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.
Dit betekent dat het planvoornemen in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Ter volledigheid is de NIBM-tool ingevuld. Bij het invullen is een worstcase inschatting gemaakt, om aan te tonen dat het planvoornemen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De maximale toename van de totale verkeersgeneratie is ingevuld. Hierbij is niet gesaldeerd met de verkeersgeneratie in de huidige situatie. Tevens is het aandeel van vrachtverkeer op 5,0% geschat, terwijl dit naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst lager zal liggen.
bestemmingsplan Berg 62
31
Ingevulde NIBM-tool Op basis van de ingevulde NIBM-tool draagt het plan niet-in-betekenende-mate bij aan de luchtkwaliteit op locatie. Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (zowel PM1 0 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof (PM1 0) concentraties in beeld te brengen zijn actuele luchtkwaliteitskaarten beschikbaar. Voor fijnstof (PM2,5) bestaat er geen kaart van de actuele PM2,5-concentratie, hierom is gekozen om gebruik te maken van de meest recente concentratiekaart uit 2020. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert veel lagere concentraties fijnstof voor een gezonde leefomgeving. Zij adviseren sinds 22 september 2021 de volgende normen: 15 µg/m³ PM1 0 en 5 µg/m³ PM2,5.
Uitsnede kaart Actuele stikstofdioxide concentratie in Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)
32
bestemmingsplan Berg 62
Uitsnede kaart Actuele fijnstof concentratie PM1 0 in Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uitsnede kaart Fijnstof 2021 PM2,5 (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM1 0 en PM2,5 ter plaatse van de locatie niet overschreden worden. De bijdrage van het initiatief op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/niet aanwezig en er wordt geen NO2 , PM1 0 of PM2,5 producerende activiteit op locatie mogelijk gemaakt. Voor fijnstof PM2,5 geldt dat de concentratie met (8-9) boven de WHO-advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 25 µg/m³ PM2,5 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn een gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
bestemmingsplan Berg 62
33
Er wordt met dit bestemmingsplan geen nieuwe gevoelige bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt.
Gelet op bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odourunits per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom.
Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur juni 2023 (Bron: ODZOB) Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. Op een afstand van meer dan 580 meter is de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied zal dit niet tot geurhinder leiden. Op basis van de kaart Achtergrondbelasting geur van de ODZOB is er binnen het plangebied sprake van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving. Derhalve kan worden gesteld dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt ten aanzien van de beoogde herontwikkeling van het plangebied.
34
bestemmingsplan Berg 62
4.6
Gezondheid
Endotoxinen Intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Binnen een straal van 2,0 km zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen onderzoek of adviesafstand voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de norm van 30 EU/m3 wordt overschreden. De WUR heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Ten aanzien van geitenhouderijen schept het geurbeleid ook voldoende afstand voor een aanvaardbaar woon- een leefklimaat ten aanzien van endotoxinen. Wel is het zo dat bij situaties met veel nabijgelegen veehouderijbedrijven door een opeenstapeling van endotoxine-uitstoot ook bij geitenstallen de 30 EU/m3 kan worden overschreden. Hiervan is geen sprake in de omgeving van het plangebied. Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van endotoxine uitstoot waardoor endotoxinen niet leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico ten gevolge van (extra) blootstelling aan endotoxinen.
Geconcludeerd wordt dat de geitenhouderij ten aanzien van het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Er is geen geitenhouderij binnen een afstand van 2 km van het plangebied gelegen. Er is hierdoor geen sprake van een gezondheidsrisico. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Op een afstand van meer dan 160 meter ten noordoosten van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig.
Afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel kan met name de drift die vrijkomt bij het spuiten zorgen voor milieuschade en –hinder. De agrarische gronden ten noordoosten van het plangebied worden in beginsel gebruikt voor reguliere akkerbouw. De gronden kennen geen specifieke aanduiding voor boom- of fruitteelt. In beginsel zullen deze gronden dan ook niet intensief worden gespoten. De afstand tot de woning bedraagt meer dan 50 meter. Dit aspect vormt geen bezwaar. Gelet op bovenstaande vormt het gezondheidsaspect geen belemmering voor het planvoornemen.
bestemmingsplan Berg 62
35
4.7
Externe veiligheid
Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ter plaatse van het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de toekomstige gebruikers van het plangebied in kaart te brengen is de kaart 'Veilige omgeving' geraadpleegd, welke ter hoogte van het plangebied hieronder is weergegeven.
Uitsnede kaart Veilige omgeving met ligging plangebied rood omlijnd Het tankstation ten noorden van het plangebied betreft geen Bevi-inrichting. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen gelegen. Er vindt in de directe omgeving tevens geen vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, spoorweg of water plaats. Op een afstand van circa 3,4 km ten oosten van het plangebied is de buisleiding A-521 van de Gasunie gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied zal dit niet tot verdere problemen leiden voor het planvoornemen.
36
bestemmingsplan Berg 62
Aan de overzijde van het plangebied is op een afstand van 10 meter een tankstation (zonder LPG) gelegen. Het boerderijpand bevindt zich op 20 meter van de bestemmingsgrens van het tankstation. Met het planvoornemen wordt niet voorzien in de oprichting van nieuwe bebouwing nabij het tankstation en dit wordt binnen de planregeling ook niet mogelijk gemaakt. Zoals in paragraaf 4.1 reeds is beschreven, vormt de ligging van het plangebied nabij het tankstation geen belemmering voor het planvoornemen. Gelet op bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is binnen de geldende natuurwetgeving. In natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. 4.8.1 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Met het planvoornemen vindt de herstructurering van de bestaande woonboerderij plaats. Hierbij wordt de aanbouw van de woonboerderij gedeeltelijk herbouwd. Om op voorhand uit te kunnen sluiten dat hierbij beschermde soorten in het geding komen, is een quickscan flora en fauna (Archimil, rapportnummer C230250.004, Bijlage 2) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven. Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat onder het dak verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen aanwezig zijn en dat de voorgenomen renovatie en uitbreiding van de bebouwing een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming.
Voorafgaand aan de ingreep zal, zoals benoemd in de tabel 3 in hoofdstuk 5 van Bijlage 2, een nader onderzoek naar huismussen en vleermuizen uitgevoerd moeten worden om te bepalen of in het pand verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Indien uit het nader onderzoek de aanwezigheid van een verblijfplaats van een van deze soorten aanwezig blijkt te zijn in de dakconstructie zullen voor uitvoering van fysieke ingrepen aan het dak zodanige mitigerende maatregelen worden getroffen, dat overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Voor de geplande ingreep wordt een direct oostelijk van de bebouwing aanwezige notenboom gerooid, welke als nestgelegenheid kan dienen voor diverse algemene vogels. De overige bomen blijven behouden. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van
bestemmingsplan Berg 62
37
vogels weg te nemen. Het rooien van de boom dient buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Op basis van de tevens uitgevoerde Boom Effect Analyse (Bijlage 3) blijkt dat met de beoogde werkzaamheden ten behoeve van het voorgenomen bouwplan de bomen duurzaam behouden kunnen blijven. Vanwege de matige staat van enkele bestaande bomen worden wel een aantal beschermingsmaatregelen voorgesteld, zie ook 2.2.4. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan "natuurinclusief" bouwen kan de nieuwe ontwikkeling meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan specifieke oplossing. 4.8.2 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, waardoor uitsluitend sprake is van een externe werking.
Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (realisatie van 16 appartementen binnen bestaand stedelijk gebied) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (7,5 km tot Strabrechtse Heide & Beuven en 8,4 km tot Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux) is verstoring ten gevolge van licht, trillingen, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten op voorhand uit te sluiten.
38
bestemmingsplan Berg 62
Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN, waardoor er uitsluitend sprake is van externe werking. Ten noorden van het plangebied is op een afstand van 130 meter NNN gelegen. Gezien de afstand tot het NNN en de afschermende werking van tussenliggende bebouwing zijn hierop ook geen effecten te verwachten.
bestemmingsplan Berg 62
39
Ligging plangebied t.o.v. omliggend NNN Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator), zie hiervoor navolgende paragraaf 4.8.3. 4.8.3 Beoordeling stikstofeffecten Voor voorliggend plan is een notitie beoordeling stikstofeffecten opgesteld (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer P230118, Bijlage 4). Op basis van de stikstofnotitie is te concluderen dat het bouwplan in de realisatie- en gebruiksfase niet tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar leidt. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. 4.8.4 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is geen Wnb-vergunning vereist.
4.9
Water
4.9.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes geformuleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap De Dommel.
40
bestemmingsplan Berg 62
4.9.2 Beleid Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambitie van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil de Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moet veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Waterschap de Dommel heeft de ambities uiteengezet in drie principes. De principes geven nadere betekenis aan de ambitie in het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Hieronder zijn de principes benoemd: 1.
2.
3.
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. In landbouw, natuur en stedelijk gebied wordt al het water dat valt geïnfiltreerd in de bodem. Er dient ruimte te worden gemaakt voor het opslaan van water, zodat dit in droge tijden gebruikt kan worden. Waar infiltratie niet kan (kwelgebieden) is ruimte gemaakt om water maximaal vast te houden en vertraagd af te voeren. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Gebruik van bodem en water is toegestaan als dat past binnen de natuurlijke condities van het bodem- en watersysteem. Het waterschap ziet woningbouw graag in hoger legen gebieden en niet naast een beek. Het oppompen van water uit de bodem voor gebruik in huishoudens, industrie of de landbouw moet in balans zijn met de aanvulling van dit diepe en ondiepe grondwater. Wat schoon is moet schoon blijven. Iedereen geeft het water minstens zo schoon af als ze het hebben ontvangen. Nu wordt het regenwater nog op veel plekken vermengd met vuil rioolwater, het is beter als schoon en vuil water wordt gescheiden, zodat schoon regenwater kan worden toegevoegd aan het watersysteem. Op deze manier kan men een watersysteem maken dat klaar is voor de toekomst.
Het waterbeheerprogramma geldt voor zes jaar. Aan het einde van deze zes jaar moeten de eerste stappen gezet zijn in de watertransitie. De stappen zijn onderverdeeld in drie doelen. Hieronder zijn deze opgesomd: 1. 2.
3.
Droge voeten: in de stad en openbare ruimte wordt bebouwing aangepast naar het veranderende klimaat. In plaats van water afvoeren, moet water worden vastgehouden. Schoon water: Het waterschap en zijn gebiedspartners handelen vanuit de grondgedachte dat water dat schoon is, ook schoon blijft. Het relatieve schone hemelwater wordt niet meer afgevoerd via de afvalwaterketen. Daarnaast zijn we in staat het effluent van onze zuiveringen zo schoon te maken dat het als alternatieve bron voor grondwatergebruikers of voeding voor onze beken gebruikt kan worden. Voldoende water: We willen in 2050 een toekomstbestendige grondwaterhuishouding. Aanvulling en onttrekking van grondwater zijn in balans en het grondwaterpeil laat een positieve trend zien; het grondwater wordt niet meer uitgeput.
Keur Waterschap De Dommel 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
bestemmingsplan Berg 62
41
De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². De keur schrijft verder een dimensionering voor van T = 100 (76 mm). Onderhavig planvoornemen voorziet in een afname van het verhard oppervlak van circa 400 m². Hiermee is er op basis van de Keur geen sprake van een compensatieplicht. aangezien het plangebied al grotendeels verhard is door de aanwezige bebouwing en verhardingen.
Hemelwater dat valt op daken en erfverharding kan infiltreren in de nabij de parkeervoorziening gelegen groenstroken alsmede middels de aanleg van infiltratievoorzieningen onder de parkeerplaats aan de achterzijde.
Waterplan gemeente Nuenen Het waterbeleid van Gemeente Nuenen c.a. is vastgelegd in het Waterplan Nuenen en bestaat uit een aantal basisprincipes: zo weinig mogelijk waterverontreiniging; op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; beken behoeden voor te grote toestroom van neerslag in korte tijd. Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer.
Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan (2018-2023) Het vGRP 2018–2023 is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft, met daaropvolgend een doorkijk (visie) voor de langere termijn. Naast beleidsdoelstellingen en -kaders legt de gemeente in dit document vast hoe zij zorg draagt voor behoud en verbetering van de riolering in brede zin. De gemeente Nuenen heeft doelen geformuleerd waarmee invulling wordt gegeven aan de wettelijk opgelegde watertaken. Deze doelen zijn als volgt geformuleerd: Een goede inzameling en transport van stedelijk afvalwater; Inzameling, transport en of verwerking van afvloeiend hemelwater, voor zover dit redelijkerwijs niet kan door particulieren; Voorkomen van structureel nadelige gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden, voor zover dit onder de gemeentelijke zorgplicht valt. Het bereiken van deze doelen staat voorop. Bij het bereiken van deze doelen verliest de gemeente de volgende aspecten echter niet uit het oog: doelmatigheid;
42
bestemmingsplan Berg 62
zo min mogelijk overlast voor de omgeving; zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu; waar mogelijk toepassen van duurzame oplossingen en technieken; rekening houdend met de klimaatveranderingen. 4.9.3 Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard (zie onderstaande afbeelding). Het plangebied heeft een oppervlak van 2.328 m². De bestaande woonboerderij heeft een oppervlak van circa 625 m².
Obliek plangebied Ter plaatse bestaat de bodem overwegend uit enkeerdgronden. Op basis van de resultaten van het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek, zie ook Bijlage 1 bestaat de bodem uit fijn zand, matig humeus. De hoogte van het plangebied bedraagt ter plaatse ca 16 meter +NAP. (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland). De grondwaterstand is gelegen op circa 1,5 m - mv. Regionaal gezien is de stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerend pakket noordwestelijk. Binnen het plangebied zijn geen watergangen of overige oppervlaktewater gesitueerd. Ten noordwesten van het plangebied is een beekdal gelegen, met daarnaast een attentiegebied en keurbeschermd gebied.
bestemmingsplan Berg 62
43
Uitsnede Keur waterschap de Dommel 4.9.4 Toekomstige situatie In de huidige situatie is het plangebied, zoals in paragraaf 4.9.3 al is toegelicht, grotendeels verhard. Met het planvoornemen zijn geen ingrepen in watergangen of beschermingszones voorzien. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 appartementen. Op basis van het gemeentelijk beleid dient nieuwbouw hydrologisch neutraal te worden ontworpen. Met het planvoornemen vindt er door het verwijderen van erfverharding en de aanleg van groenvoorzieningen en grasdallen bestrating een afname plaats van het verharde oppervlak met circa 400 m². Hiermee is er op basis van de Keur geen sprake van een compensatieplicht voor waterberging. Wel dient het overtollige hemelwater op eigen terrein te worden opgevangen en gedurende enige tijd binnen het perceel vastgehouden te kunnen worden. In het kader van klimaatadaptief ontwerpen zal de verharding zoveel mogelijk beperkt blijven en wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van semi-verharding en/of waterdoorlatende bestrating. Het schoon hemelwater wordt waar mogelijk afgekoppeld van het riool en zal gedurende het grootste deel van het jaar kunnen infiltreren in de bodem en vertraagd worden afgevoerd ter plaatse van de aan te leggen groenvoorzieningen binnen het plangebied.
Het plangebied biedt hiervoor ruimschoots de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid wordt geschikt genoeg geacht voor de benodigde infiltratie. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal dit zo nodig nader worden uitgewerkt qua dimensionering en nadere detaillering, met inachtneming van de infiltratiemogelijkheden van de bodem (k-waarde) en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Afvoer van het hemelwater zal bij voorkeur worden aangesloten op het IT-stelsel aan de zijde van de Berg. Er wordt gekeken of het huishoudelijk afvalwater (gedeeltelijk) kan worden afgevoerd via de bestaande riolering op locatie die aanwezig is ten behoeve van het bestaande woonhuis en de voormalige detailhandel. Naar verwachting zal (aanvullend hierop) een nieuwe aansluiting nodig zijn op het DWA-stelsel, die bij nadere uitwerking van het plan zal worden bepaald. 4.9.5 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect water op dit moment geen belemmering voor het planvoornemen.
44
bestemmingsplan Berg 62
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Nuenen met ligging plangebied rood omlijnd Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen is het plangebied gelegen binnen de zonering 'Categorie 2: Gebied van archeologische waarde'. Deze waarde is doorvertaald naar het geldende bestemmingsplan op locatie. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het gehele plangebied bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol'. De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol' bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Het realiseren van gebouwen of uitbreiding hiervan met een oppervlak groter dan 100 m² én dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld is zonder uitvoering van een archeologisch onderzoek niet mogelijk. Voorliggend plan voorziet aan de achterzijde in de gedeeltelijke herbouw van de bestaande woonboerderij. De gedeeltelijke herbouw van de woonboerderij vindt grotendeels ter plaatse van de huidige situering plaats, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Daarnaast vindt aan de achterzijde een geringe uitbreiding van de bebouwing plaats. Met voorliggend plan zijn géén bodemingrepen voorzien met een oppervlak boven de 100 m² en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld.
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hierom overbodig. Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden bij eventueel toekomstige bodemingrepen is de geldende archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan overgenomen.
bestemmingsplan Berg 62
45
4.10.2 Cultuurhistorie In de Erfgoedwet is geregeld dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening in een ruimtelijke onderbouwing een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant bevindt zich ten noorden van het plangebied het historisch broekgebied tussen Breugel en Nuenen gelegen. Dit betreft een kleinschalig landschap met graslanden, broekbossen en geïsoleerde oude akkers. De planlocatie maakt zelf onderdeel uit van de historisch stedenbouwkundig waardevolle dorpskern van Nuenen. Daarnaast is de Berg aangeduid als historisch geografische lijn van redelijke hoge waarde. De oude dorpsstructuur met driehoekige pleinen en lintbebouwing dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen en oude alleen gelegen hoeven of "einzelhöfe" werden opgesplitst en uitgroeiden tot buurtschappen. De huidige kern van Nuenen is ontstaan uit de buurtschappen Berg en Heieind.
Reeds in het begin van de 18e eeuw was het buurtschap Berg uitgegroeid tot het nieuwe centrum van Nuenen, waar ook het raad- of rechthuis was gevestigd. In de 19e eeuw kwam het zwaartepunt meer te liggen op het buurtschap Heieind, met de katholieke kerk. Het planvoornemen leidt niet tot ingrijpende wijzigingen van het straatbeeld. De aan- en herbouw vindt uitsluitend plaats aan de achterzijde, waarbij de cultuurhistorische waarden van het pand in acht worden genomen en zo mogelijk versterkt.
46
bestemmingsplan Berg 62
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant met globale ligging plangebied blauw omlijnd De bestaande woonboerderij (uit 1936) van de planlocatie heeft een monumentale status (gemeentelijk monument). Het boerderij pand heeft cultuurhistorische waarde als voorbeeld van de sociaal-economische ontwikkelingen op het gebied van de agrarische sector in het kader van de wijziging in leef- en woonomstandigheden van boeren. Dit is een voorbeeld van een 'moderne' boerderij (c.q. burgerwoning), zoals die is ontstaan na het traditionele boerderijtype. Het gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege zijn gaafheid van de hoofdvorm én tevens in de vanwege de rustige en evenwichtige vormen van de bebouwing. Het gebouw betreft een van de weinig goed en gaaf gebleven voorbeelden van 'moderne' boerderijen in Nuenen. De boerderij bezit stedenbouwkundige waarde als onderdeel van de historische structuur, in samenhang met de nabij gelegen historische objecten (bijvoorbeeld Berg 55 en 57). De ligging van de boerderij op een straathoek versterkt de cultuurhistorische waarde. De boombeplanting en de groene erfafscheiding langs de zijstraat versterkt als onderdeel van de boerderij de stedenbouwkundige en landschappelijke waarde. Het monumentale karakter is vooral herkenbaar in de 'voorbreuk' van het pand; het gedeelte waar de voordeur in is gesitueerd.
De achterbouw is in de loop der jaren zo vaak aangepast en hersteld dat het monumentale karakter hierin lastig (tot niet) in te herkennen is. De aanpassingen aan de prominente
bestemmingsplan Berg 62
47
gevelopeningen en het metselwerk in deze achterbouw hebben het monumentale karakter van de achterbouw te veel aangetast. Bovendien is de staat van de achterbouw erg slecht. Diverse scheuren in de gevels en de slechte staat binnen zijn hier het bewijs van. Om de exacte stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarden van de bestaande woonboerderij nader te bepalen is een bouwhistorische verkenning uitgevoerd, die als Bijlage 6 bij het bestemmingsplan is gevoegd. Een bouwhistorische verkenning is bedoeld om zowel de eigenaar, de ontwerper als de toetsende instantie te informeren over de bouwgeschiedenis van het gebouw, de object-specifieke eigenschappen van exterieur, interieur en vooral constructies en de monumentale waarden die in het geheel en in de onderdelen waaruit het gebouw is opgebouwd, vertegenwoordigd zijn. In de verkenning wordt geconcludeerd, dat het pand aan de Berg 62 binnen de collectie monumenten van de gemeente, de belangrijkste representant vormt van het agrarische bouwen in de Interbellumperiode. De monumentale waarden bevinden zich hoofdzakelijk in het woongedeelte aan de voorzijde, zie onderstaande waarderingskaart.
Uitsnede waarderingskaart met blauw gemarkeerde hoge monumentwaarden, groen gemarkeerd positieve monumentwaarden en geel gemarkeerd indifferente monumentwaarden. (Bron: Bouwhistorische verkenning, BAAC).
Met name aan de gevels van het woongedeelte en aan de hoofdindeling op de begane grond van het woongedeelte wordt onder meer op grond van de hoge mate van authenticiteit en de redelijk hoge mate van zeldzaamheid een hoge monumentwaarde toegekend. Daarnaast is onder meer een hoge monumentwaarde toegekend aan alle oorspronkelijke binnendeuren in het woongedeelte, de stucplafonds op de begane grond, de houten rolluiken en de houten rolluikkasten op de verdieping , marmeren schouw, kookplaats, vaste kasten, garderobemeubel, schoorsteen en dakkapellen.
Met het planvoornemen blijven de monumentale waarden van het pand behouden. De aanbouw van de bestaande woonboerderij aan de achterzijde is van slechte kwaliteit en wordt met het planvoornemen duurzaam hersteld. Met het planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de woonboerderij. Gelet op bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorisch geen belemmering voor het planvoornemen.
48
bestemmingsplan Berg 62
4.11
Leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen waarbij sprake is van (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
4.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een m.e.r.-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Overigens wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is en een verplicht m.e.r. (categorie C). In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije m.e.r.-beoordeling in essentie twee mogelijke uitkomsten: het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn; dit moet dan in het besluit worden gemotiveerd; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een m.e.r.-beoordeling nodig (bij besluiten) of een MER noodzakelijk (bij een plan). Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' gehanteerd.
Beoordeling plan Uit de resultaten van de opgestelde Aerius-berekening (zie ook Bijlage 4) blijkt dat het voornemen niet leidt tot effecten op omliggende op Natura 2000 gebieden. Het opstellen van een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het bevoegd gezag dient een beslissing te nemen of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld dan wel een verdere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het kader van onderhavig plan is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld, die als Bijlage 5 bij de toelichting van het plan is toegevoegd. Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen. Er is geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage. Het bevoegd gezag wordt derhalve verzocht om een besluit te nemen dat een verdere mer-beoordeling niet noodzakelijk is.
Conclusie Gelet op de hierboven beschreven beoordeling is het niet nodig een nadere m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
bestemmingsplan Berg 62
49
50
bestemmingsplan Berg 62
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Algemeen
De in deze toelichting beschreven aspecten hebben als basis gediend voor het opstellen van een juridisch plan, dat zoveel mogelijk is afgestemd op de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Teneinde het voorgenomen initiatief te kunnen realiseren heeft een juridische vertaling van het plan in planregels en verbeelding plaatsgevonden. De planregels zijn gerelateerd aan de verbeelding. Verbeelding en planregels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast conform de bepalingen in Wro, Bro en SVBP2012.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied de bestemming 'Wonen' met bijbehorend bouwvlak en maatvoeringsaanduidingen. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de analoge verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens op basis van de BGT/BAG.
5.3
Planregels
De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 'Inleidende regels', hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels', hoofdstuk 3 'Algemene regels' en hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels'. Hoofdstuk 1, 3 en 4 zijn vrij algemeen van aard en worden niet nader beschreven in deze paragraaf. Onderstaand wordt de gebruikte bestemming toegelicht, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels. De regels zijn daarbij gebaseerd op het geldende bestemmingsplan 'Nuenen Centrum 2012' en aangevuld met regels uit het bestemmingsplan 'Nuenen Centrum 1e herziening 2017' voor zover relevant voor het planvoornemen. Wonen (Artikel 3) Binnen de bestemming 'Wonen' zijn binnen het bouwvlak gestapelde woningen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' in het aangegeven aantal overeenkomstig de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Daarnaast zijn gerelateerd aan de woonbestemming: erven en terreinen, verkeer- en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen én nutsvoorzieningen toegestaan.
Het hoofdgebouw in de vorm van het appartementencomplex moet binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij de maximum toegestane goot- en bouwhoogte middels een aanduiding is aangegeven, te weten 7 respectievelijk 10 m. Voor de voorgenomen uitbouw aan de achterzijde geldt een maximum toegestane gooten bouwhoogte van 3,3 respectievelijk 6,5 meter. Daarnaast zijn bijgebouwen en overkappingen toegestaan binnen de aangeduide zone 'bijgebouwen'. Ter bescherming van het monumentale karakter van het pand is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding gemeentelijk monument' op de verbeelding opgenomen, inclusief een bijbehorende beschermingsregeling. Ter bescherming van de aanwezige waardevolle bomen zijn deze voorzien van een aanduiding 'overige zone waardevolle boom' met een bijbehorende beschermingsregeling.
bestemmingsplan Berg 62
51
Waarde – Archeologisch waardevol (Artikel 4) Deze gronden zijn conform de geldende archeologische regeling mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Bouwen is toegestaan tot een diepte van 0,3 m en/of een oppervlakte van 100 m². Voor grootschalige bodemingrepen is een nader onderzoek vereist.
52
bestemmingsplan Berg 62
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin zijn afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten en afwenteling van eventuele planschade. De (eventuele) kosten zijn hiermee in voldoende mate anderszins verzekerd. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen voldoende is gegarandeerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied binnen de kern Nuenen. Door de herstructurering en herontwikkeling van de locatie blijft de geldende woonbestemming behouden, maar wordt de mogelijkheid voor hervestiging van een detailhandel binnen het plangebied weggenomen. Middels deze toelichting is onderbouwd dat sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Gezien de kwaliteitsverbetering en het feit dat het planvoornemen goed past in de omgeving wordt het planvoornemen maatschappelijk aanvaardbaar geacht.
Omgevingsdialoog In het kader van de vereiste omgevingsdialoog zijn de omwonenden door de initiatiefnemers in een vroeg stadium geïnformeerd over het voornemen, waarbij ieder de mogelijkheid werd geboden om een reactie te geven. Op 4 september 2023 heeft vervolgens een bewonersbijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst is het planvoornemen gepresenteerd aan de omwonenden en zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt. De omwonenden uitten hun zorgen over het aantal appartementen en mogelijke overlast met name met betrekking tot het parkeren. Daarnaast werden vragen gesteld over de inpassing van de bebouwing aan de oostzijde van de planlocatie. Tevens is gesproken over de manier waarop de erfafscheidingen aan de achterzijde van het plangebied vormgegeven moeten worden. Het toevoegen van appartementen binnen het plangebied wordt als wenselijk gezien. Een verslag van de bewonersbijeenkomst is als Bijlage 7 bijgevoegd bij de toelichting. Hierop volgend heeft nog nader overleg plaatsgevonden met de direct omwonende aan de oostzijde. Zij maakten zich zorgen over de impact van de uitbreidingsplannen, vooral op het gebied van privacy en het groene uitzicht. In gezamenlijk overleg is bekeken of met aanpassingen van het ontwerp tegemoet zou kunnen worden gekomen aan de geuite bezwaren.
Een verslag van dit nader overleg is bijgevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. Mede naar aanleiding van de omgevingsdialoog is de inrichtingsschets in overleg met de gemeente op diverse onderdelen aangepast. Het aantal te realiseren appartementen is verminderd van 18 naar 16, de parkeerplaatsen worden nu volledig op eigen terrein gerealiseerd, de bouwhoogte van de beoogde uitbouw aan de achterzijde is verlaagd, de bouwhoogte van de bijgebouwen (schuurtjes) aan de achterzijde is verlaagd en daarnaast wordt ten oosten van de beoogde uitbouw een aanvullende bomenrij gepland.
bestemmingsplan Berg 62
53
54
bestemmingsplan Berg 62
Hoofdstuk 7
Procedure
Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Onderhavig planvoornemen betreft de herontwikkeling van een bestaande woonlocatie binnen de kern Nuenen met een planologische mogelijkheid voor de vestiging van een detailhandel naar een woonlocatie bestaande uit maximaal 16 appartementen, waarbij de mogelijkheid tot vestiging van een detailhandel wordt weggenomen. Er zijn hiermee geen Rijks-, provinciale-, waterschaps- en gemeentelijke belangen in het geding. Om deze reden is er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De vooroverlegpartners zijn wel geïnformeerd over de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft in het kader van de watertoetsprocedure laten weten in te kunnen stemmen met het vooorontwerpbestemmingsplan. Er is geen toename van verhard oppervlak en er spelen geen andere waterschapsbelangen in het plangebied.
De provincie Noord-Brabant heeft in het kader van het vooroverleg in haar vooroverlegreactie aangegeven in te kunnen stemmen met het voorontwerpbestemmingsplan. Het plan is in overeenstemming met de provinciale belangen.
Tervisielegging ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan is conform de gebruikelijke procedure in de periode van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging konden omwonenden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan en zijn/haar zienswijze kenbaar maken. Er zijn twee zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de Nota van Zienswijzen, die als Bijlage 9 bij de toelichting is opgenomen. De ingediende zienswijzen hadden onder meer betrekking op de uitvoering van de te realiseren schuurtjes en het aantal te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein. Naar aanleiding van de zienswijzen is het ontwerp bestemmingsplan op enkele onderdelen aangepast. De te realiseren schuurtjes zullen worden uitgevoerd met een plat dak en er zullen op het terrein 23 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waarvan 3 bezoekersparkeerplaatsen. Deze aanpassingen zijn verwerkt in in het beeldkwaliteitsplan (opgenomen als Bijlage 1 van de regels) en in paragraaf 2.2.1 en paragraaf 2.2.5 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan. Vaststelling Het bestemmingsplan is met inachtneming van de binnengekomen zienswijzen gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.